Proza1. De jaren na 1669 brengen, op het gebied van de prozasoorten die in de eerste helft opgang maakten, weinig nieuws: de reisverhalen veranderen, zoals we verderop zullen zien, van karakter; het aantal pamfletten neemt toe: het jaar 1672 alleen brengt er honderden voort. De predikaties blijven van gering belang. Van betekenis is vooral het werk van Geeraerdt Brandt (1626-1685). Hij schreef na het Leven van Hooft (1677) het Leven van Vondel (1682), dat, naast Vondels werk, nog altijd onze belangrijkste bron is voor de kennis van Vondels persoon, leven en dichtkunst; verder een Historie van Enkhuizen (1666) 1 en de Historie der Reformatie (1671) 2 . Toen hij stierf, was zijn Leven van De Ruyter voltooid en half gedrukt. In al dit werk, niet het minst in het laatste, toont Brandt zich een bewonderend navolger van Hooft: hij kent diens ‘moderne’ zorg om de stof nauwkeurig te verantwoorden, hij kent ook diens streven naar artistieke vormgeving. Onbetwistbaar is Hooft in dit laatste opzicht Brandts meerdere, waartegenover staat dat Brandt, onderhoudend en vlot verteller als hij is, gemakkelijker leesbaar is dan Hooft. Brandt beschikt ook over het vermogen een karakter duidelijk te tekenen. Maar hij mist Hoofts hartstocht, diens artistieke bezieling en kracht, de geestelijke weidsheid ook die Hoofts werk boven de loutere beschrijvingskunst uitheft. Brandts beste werk blijft wel zijn Leven van Vondel.
Zowel in het werk van Brandt als in dat van De Brune de Jonge 3 treft men novellistische elementen aan. Deze kwamen zelfstandig tot ontplooiing in de bundels van vertellers die de novellenbundels van de vorige eeuw voortzetten. Sommige van deze bundels zijn aan de zeer vrolijke, om niet te zeggen luchthartige kant, andere zijn van meer didactische of stichtelijke aard. Een gedeelte van deze geschriften is vertaald, in andere poogt men zelfstandig werk te scheppen. Historisch |
1 Over dit werk S.B.J. Zilverberg, West-Frieslands Oud en Nieuw, 35e Bundel van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland, 1968, 56-69.
2 S.B.J. Zilverberg, Gerard Brandt als kerkhistoricus, Nederl. Archief voor Kerkgeschiedenis, Nieuwe serie, deel 49 (1968), 37-58.
3 Zie hier p. 415.
|
|
erfgoed waren de oude volksboeken, ook de vroeger zo geliefde Amadis-romans die nog altijd herdrukt en gelezen worden. Traditioneel blijft ook, naast de voortzetting van de pastorale roman, de schelmenroman. Het grote voorbeeld waarop Bredero zich in zijn Spaanschen Brabander baseerde, de Lazarillo de Tormes (1554), werd ook het voorbeeld van talrijke nieuwe, in Spanje en Frankrijk geschreven schelmenromans. Zij zijn de nuchter realistisch-komische tegenhangers van de hoogdravend-idealistische galante arkadische romans; zij zijn de uiting van de Sancho Panza-geest versus die van Don Quichotte. Een van de beroemdste Franse geschriften in dit genre is Scarrons Le Romant Comique (ca 1652) over het leven van de zwervende toneelspelers van die tijd, bij ons vertaald in 1662 door Lambert van den Bos, bekend als de dronken rector, die ook, in navolging van Van Heemskerck, een zeshonderd bladzijden dikke Dordrechtsche Arcadia (1662) samenstelde, - terwijl in 1678 een andere vertaling verscheen door Nicolaes Heinsius. Nicolaes Heinsius (ca 1656-1718) is de auteur van de belangrijkste oorspronkelijke Nederlandse schelmenroman, Den vermakelijken avanturier van 1695. Nicolaes is de kleinzoon van de beroemde Daniël. Zijn vader, de eveneens vermaarde filoloog-diplomaat Nicolaes, leefde, toen hij enige tijd ‘resident’ van de Staten te Stockholm was, in vrije liefde met Margareta Wullen, de dochter van een Amsterdams luthers predikant, wier ‘levenswandel verre van onberispelijk was’, zoals A.H. Kan schrijft 1 . In het jaar van Nicolaes' geboorte wenste zij een huwelijk met de vader; door middel van een proces kreeg zij haar zin, echter niet eerder dan in 1665. De jonge Nicolaes, door zijn vader niet als zijn zoon erkend, wist zich nochtans door het leven te slaan; op zijn twintigste jaar was hij doctor in de medicijnen, maar dan moet hij wegens manslag Den Haag ruimen, en leidt achttien jaar lang een zwervend leven. In 1679 arriveert hij te Rome en wordt dan katholiek; hij wordt lijfarts van koningin Christina van Zweden te Rome (tot ongeveer 1687), later van de keurvorst van Brandenburg te Kleef. Maar ook deze ‘avanturier’ trekt het vaderland, en zo zien wij hem zich in 1695 in de vrijplaats Culemborg vestigen. Daar geeft hij het boek uit waarin zeer veel autobiografische elementen verwerkt zijn, Den vermakelijken Avanturier; acht herdrukken, navolgingen, vertalingen in het Duits, |
1 Nieuw Ned. Biogr. Woordenboek II, 558. In dit deel uitvoerige behandeling van Daniël Heinsius, zijn zoon en kleinzoon, 554-63.
|
|
Engels, Frans en Italiaans getuigen van het succes van het werk. Het is dan ook boeiend genoeg, al is het wel zeer omstandig verhaald naar ons gevoel: tal van personen beleven een opmerkelijke overvloed aan avonturen, soms in de merkwaardigste situaties. Vermakelijk zijn deze avonturen vaak zonder twijfel, al moet men het vermakelijke niet ‘hoger’ zoeken dan in de sfeer waarin het in een schelmenroman pleegt voor te komen. Heinsius weet op voortreffelijke wijze deze toestanden en situaties te schetsen: hij is een uitnemend verteller. Hij beperkt zich in dit boek niet tot de in een schelmenroman gebruikelijke avonturen, maar er wordt ook - in afwijking van voorgangers op dit terrein - heel wat gevochten, terwijl - ander novum - de liefde een grote rol speelt; door de ingevlochten liefdesgeschiedenissen, ‘aangename Amourettes ofte Vryeryen’ zoals hij ze zelf noemt, komt het verhaal in de sfeer van de sentimentele, galante romans. Dan echter neemt Heinsius zijn draai, hij geeft een onverwachte wending aan het verhaal, en maakt er een soms voortreffelijke parodie van op de heroïek-galante romans. Het relaas is verteld in de ik-vorm, wat uit de aard van de zaak bijdraagt tot de levendigheid van het verhaal. Door zijn parodie en zelfspot is dit boek verwant aan de burleske dichtkunst van deze tijd, waarover wij naar aanleiding van Focquenbroch spraken, en is het de uitermate nuttige tegenhanger van de ‘hoogdravende’ ernstige letterkunde die in deze jaren tot parnastaal aan het verworden was 1 . Behalve zijn Avanturier schreef Heinsius Don Clarazel de Contarnos ofte den Buytensporigen Dolenden Ridder (1697), dat, blijkens zijn ene herdruk, minder succes had 2 .
2. Kan men het voorgaande in zeker opzicht ‘traditionalistisch’ noemen, van ‘moderner’ aard is het proza dat ontstaat onder invloed van ratio, rationalisme en verlichting. De draagster van de idealen van de verlichting - idealen als vooruitgang, een gelukkiger mensheid door redelijk inzicht, utilitarisme en filantropie - is de burgerij, wier macht in de achttiende eeuw gestadig toeneemt. De kunst van de verlichting draagt dan ook een typisch |
1 Jan ten Brink bezorgde eind vorige eeuw een bloemlezing in de toenmalige Zwolse herdrukken. Een bewerking in hedendaags Nederlands bezorgde C.J. Kelk, De vermakelijke avonturier, Amsterdam, 1963.
2 Over dit proza G. Kalff, G.N.L. V, 1-68. Voor Nicolaas Heinsius, J. ten Brink, Dr. Nicolaas Heinsius jr., Eene studie over den Hollandschen Schelmenroman in de zeventiende eeuw, Rotterdam, 1885; dez., Romans in proza, Leiden, 1900 (niet voltooid).
|
|
burgerlijk karakter. Verwerpend het strenge klassicisme, dat de vorstenstijl van vorige eeuwen was, streeft men naar de schepping van een typisch burgerlijke letterkunde. Deze kunst bezit een weinig poëtisch karakter. Het zou echter onjuist zijn, dit verschijnsel uitsluitend negatief, als een gevolg van dichterlijke armoede bijvoorbeeld, te benaderen. We moeten de oorzaak veeleer hierin zoeken, dat ‘een jong en enthousiast rationalisme het klare en heldere betoog boven de fantasie verkoos’. In deze tijd kon het proza gedijen, dat bij deze voorkeur paste zowel voor wat betreft de inhoud als voor wat betreft het taalgebruik (‘een waardige, onopgesmukte, zeer puristische taal’) 1 . Klaarheid en helderheid van betoog mag men uiteraard verwachten van de auteurs die zich tot doel gesteld hadden de bestrijding van bijgeloof en wat hiermee samenhangt; zo Daniel Jonctys (ca 1609-1654); geheel in de lijn van Descartes, rationalistisch studerend, dacht en schreef deze Dordtse arts, die als dichter enige naam geniet, zijn Verhandelingh der Tooversieckten (1638), waarin hij waardig preludeert op Bekkers De Betoverde Weereld. De Friese predikant Balthasar Bekker (1634-1698) werd, als zoon van een Westfaals predikant, geboren te Metslawier in Friesland. In verschillende plaatsen in het noorden was hij zelf predikant, het laatst te Amsterdam, waar hij ook stierf, na bevriend te zijn geweest met de eerder genoemde Lodewijk Meyer, de grote man van Nil. Zijn leven lang heeft Bekker, die van mening was dat ‘God is so wel d'Artheur der Reden als der Openbaringe’, strijd gevoerd tegen het bijgeloof op grond van zijn ‘verlichte’ inzichten. Descartes en de studie van de natuurwetenschappen hadden hem ertoe gebracht alleen datgene te aanvaarden wat hij redelijk kon verantwoorden. Ging hij in deze gedachtengang zóver, dat hij ook alle positieve godsdienst bestreed? Hij verkondigde, dat niet alles in de bijbel letterlijk moest worden opgevat, terwijl hij met nadruk het eigen recht van de wijsbegeerte bepleitte. Maar Spinoza ging hem te ver, zoals hij in het algemeen afkeurde, dat de wijsbegeerte ‘'t meesterschap over de saken des geloofs aan haar trok’. Zijn belangrijkste werk is het prozaboek De Betoverde Weereld (1691-'93) waarin hij te velde trok tegen diverse vormen van bijgeloof, toverij |
1 C.L. Thijssen-Schoute, Lodewijk Meyer (1630-1681) en diens verhouding tot Descartes en Spinoza, Uit de Republiek der Letteren, 's-Gravenhage, 1967, 173-194, De citaten vindt men op 174-175.
|
|
en hekserij. Logische redenering, ervaring en de bijbel bewijzen hiertegen; ook de eigen ervaring, waarvan hij in het vierde boek treffende staaltjes vertelt in een stevig, soms uitstekend ironisch proza. Om dit werk werd hij uitgesloten van het Avondmaal en afgezet als predikant, maar de invloed van zijn werk, dat men daar in vertaling lezen kon, was zeer groot in de drie omringende cultuurlanden. Honderdenzeventig geschriften werden tegen Bekker in het licht gegeven: de ‘mort sans phrase’ is zijn werk dus niet gestorven 1 .
3. Het rationalistisch karakter van de verlichting brengt, zoals al werd opgemerkt, met zich mee, dat de belangrijkste letterkundige produkten die uit deze gedachtenstroming voortvloeiden, vooral tot stand kwamen in de genres, waarin het rede-element overheerst, dat wil dus zeggen in de verschillende vormen van het essay als kritiek, betoog en beschouwing. Veel van het in deze tijd geschreven proza is verspreid over talloze periodieken. Men denkt hierbij vanzelfsprekend het eerst aan de spectatoriale geschriften, maar er zijn soorten tijdschriften die al eerder zijn ontstaan, o.a. politieke tijdschriften, geleerdentijdschriften en satirische blaadjes 2 . |
1 J.P. Arend, Verhandelingen over Balth. Bekker, in: Vaderl. Letteroefeningen, 1829, II, 713 vlg.; W.P.C. Knuttel, Balthazar Bekker, de bestrijder van het bijgeloof, Den Haag, 1906.
2 Het oudst bekende politieke tijdschrift is De Hollandsche Mercurius, dat in 1650 begon te verschijnen.
De geleerdentijdschriften deden ondanks het hoge niveau van het lezerspubliek weinig anders dan wetenschappelijke werken navertellen en op oppervlakkige wijze recenseren. Het eerste Nederlandse geleerdentijdschrift, Boekzaal van Europe van Petrus Rabus, dat in 1692 begon te verschijnen, was in ons land voorafgegaan door de geleerdentijdschriften in het Frans van Pierre Bayle en Jean le Clerc. Onder de schrijvers van satirische blaadjes treffen we Jacob Campo Weyerman en Willem van Swaanenburg aan. Vermoedelijk het oudste satirische periodiekje in onze letterkunde is Haagsche Mercurius, dat verscheen van 7 augustus 1697 tot 9 september 1699. De schrijver ervan was Hendrik Doedijns (ca. 1659-1700), die een der levendigste vertegenwoordigers genoemd kan worden van de Nederlandse burleske traditie. Al deze blaadjes worden in belangrijkheid overtroffen door de spectatoriale geschriften uit later tijd. Het woord spectator doet meteen denken aan Justus van Effen, maar diens De Hollandsche Spectator is zeker niet de eerste Nederlandse vertegenwoordiger van het genre der moraliserende weekbladen. Als directe voorlopers kunnen worden beschouwd: A. De Mensch Ontmaskert (15 februari-17 november 1718). Dit oudste oorspronkelijk-Nederlandse spectatoriale geschrift vertegenwoordigt niet alleen naar inhoud maar ook naar vorm reeds tamelijk zuiver het spectatoriale genre. Immers, evenals bij Steele en Addison treffen we er karakterschetsen, brieven, zedenkundige vertogen, fabels en hekeldichten in aan; B. de Examinator van Willem van Ranouw (8 augustus 1718-2 september 1720): een typisch produkt van het achttiende-eeuwse rationalisme. Op een essentieel punt staat de schrijver dichter bij de Engelse traditie dan Van Effen: in zijn periodiek laat hij herhaaldelijk de Sociëteit der Gecombineerde Onenigheid optreden, waardoor hij in dit opzicht te vergelijken is met Steele en Addison, die het in The Spectator deden voorkomen alsof het tijdschrift ‘de neerslag vormde van de dagelijkse discussies binnen een besloten gezelschap, waarin de meest uiteenlopende karakters en beroepen vertegenwoordigd waren. De Spectator zelf, een zwijgzaam observator, vormt de bindende persoon, doordat hij a.h.w. beurtelings alle leden van het gezelschap het woord geeft’ (P. Buijnsters, Ni Tlg 59 (1966), 153). Daarom is Van Ranouws Examinator een interessante variant op het Nederlandse type spectator; C. een derde tijdschrift dat in dit verband even vermelding verdient, is De Examinator of de Hollandsche Zeedenmeester, dat verscheen van 9 januari 1730 tot 1 januari 1731. Over deze tijdschriften en tijdschriftjes uitvoerig P.J. Buijnsters, Ni Tlg 59 (1966), 145-157, Etudes germaniques, juli-sept. 1966, 407-416, L.T., juli 1968, 396-405. Het bovenstaande is aan deze artikelen ontleend. Een Bibliografie 18e-eeuwse spectatoriale tijdschriften in Nederland door P.J. Buijnsters, Documentatieblad Werkgroep 18e eeuw, nr. 2 (febr. 1969) 16-25, een Bibliografie 18e-eeuwse satirische tijdschriften in Nederland, in Documentatieblad Werkgroep 18e eeuw, nr. 5 (nov. 1969), 12-25, eveneens van de hand van P.J. Buijnsters. |
|
De literair belangrijkste geschriften zijn echter de spectatoriale. Daaronder De Hollandsche Spectator van Justus van Effen, die alle voorlopers in de schaduw stelt. Justus van Effen (1684-1735) treedt in het voetspoor van aan hem voorafgaande schrijvers 1 , die het essayistisch rationalistisch proza in gang gezet hebben. Maar hij bewandelt éigen wegen en werd daardoor de belangrijkste prozaschrijver uit de eerste helft van de achttiende eeuw. In zijn werk komt op typische wijze het rationalistisch denken en de drang naar moralisatie tot uiting. Zijn internationale bereisdheid 2 |
1 The Spectator, The Tatler en The Guardian zijn de bekendste Engelse spectatoriale geschriften. In Frankrijk schreef Montesquieu zijn Lettres persanes (1721) in briefvorm; het werk bestudeert en kritiseert rationaliserend de Franse maatschappij; het had ook op Van Effen sterke invloed. Van enorme betekenis was het werk van Voltaire (1694-1778), de wegbereider van de Revolutie door zijn kritiek op het ‘ancien régime’, vervolgens dat van Diderot en de encyclopedisten, alsook dat van Rousseau.
2 Nadat de jonge Van Effen enige tijd in zijn geboortestad Utrecht gestudeerd had, zag hij zich, om in zijn onderhoud te kunnen voorzien, genoodzaakt het ambt van gouverneur uit te oefenen, o.a. in Den Haag, bij de familie Van Wassenaar-Duivenvoorde. In 1715 maakte hij als tweede secretaris van Van Wassenaar een reis naar Engeland. Vier jaar later bereisde hij met de prins van Hessen Philipsthal Zweden, waar hij in de hofkringen verkeerde. Van 1724 tot 1727 woonde hij met de zoon van de Directeur-Generaal van Nederlands-Indië in Leiden, waar hij van de gelegenheid gebruik maakte zelf te promoveren. Het laatste jaar van zijn verblijf te Leiden ging hij opnieuw naar Engeland, thans als gezantschapssecretaris met zijn vroegere leerling, de graaf Van Welderen. Toen hem, door bemiddeling van Van Welderen, in 1732 de belangrijke functie van kommies bij 's Lands magazijnen van Oorlog te 's-Hertogenbosch werd opgedragen, kon hij eindelijk trouwen. In 1735 echter stierf hij reeds.
|
|
verschafte hem vergelijkingsmateriaal; hij bezat de mensenkennis die voor de beoefening van de modegenres van die tijd nodig was. De Haagse jaren van Van Effen staan volop - was het anders mogelijk in deze tijd? - in het teken van de Franse taal en cultuur. In de volgende periode echter raakt hij met zijn Haagse letterkundige vrienden mede onder de bekoring van de Engelse, die gedragen werd door de moderne geest van vrij onderzoek en geestelijke verdraagzaamheid. De neerslag van deze Frans-Engelse symbiose vinden wij in het tijdschrift Journal Litéraire de la Haye, dat van 1713 tot 1723 het contact tussen de Westeuropese culturen nadrukkelijk bevorderde. Daarvóór had Van Effen persoonlijk al het initiatief genomen tot de uitgave van een weekblad, Le Misanthrope (1711-1712); daarnà volgde het Journal Litéraire, toen La Bagatelle, en, gedurende zijn tweede verblijf te Leiden, Le nouveau Spectateur français. Op het voetspoor van Steele en Addison en hun tijdschriften schreef Van Effen moraliserend over het leven van zijn tijdgenoten: lachend zegt hij hun de waarheid over de dwaasheden die hij daarin opmerkt. Richtsnoer van beoordeling zijn de ‘onveranderlijke beginselen der Rede’, het énige richtsnoer voor ons gedrag en onze daden, meent deze achttiende-eeuwer, die overigens over christendom en openbaring andere gedachten koesterde dan de Engelse deïsten en materialisten. Gewoonte en mode zijn de boze geesten die de mens van het redelijke handelen afhouden, en derhalve bestreden moeten worden. Het ligt voor de hand, dat de beide reizen die Van Effen naar Engeland maakte, de invloed van de Engelse cultuur en haar letterkunde op zijn persoon belangrijk versterkten 1 . Hij maakt er kennis met Newton, met Pope en Swift, wiens pleidooi voor verdraagzaamheid, |
1 Vgl. W. Pienaar, English Influences in Dutch Literature and J. van Effen as Intermediary, Cambridge, 1929.
|
|
Tale of a tub, hij in 1721 vertaalde. Zelf wordt hij benoemd tot lid van de Royal Society te Londen. Voor een deel vertaalt hij Robinson Crusoe, werk van Bernard de Mandeville en The Guardian. Dit laatste kan hem, mèt de reeds bestaande voorgangers, op het idee gebracht hebben een weekblad in de moedertaal uit te geven. In elk geval verschijnt in 1731 de meest typische uitgave van deze kosmopolitisch denkende Nederlander: De Hollandsche Spectator (1713-1735). Toen Van Effen dit werk ging uitgeven, stond hij op het hoogtepunt van zijn mogelijkheden; een lange periode van voorbereiding, geheel liggend in de richting waarin hij zich nu bewoog, was eraan voorafgegaan. Vandaar dat De Hollandsche Spectator als een kort begrip van Van Effens gedachtenleven en artistieke begaafdheid dienen kan. Nieuwe gezichtspunten brengt het blad niet. Wat op een bepaald ogenblik actueel is, wordt door hem behandeld, kritisch, met veel ‘gezond verstand’, zakelijk-beredeneerd. Het blad is een typisch staal van pedagogische, utilitaristisch literatuur uit de periode van de verlichting, kritisch-afkeurend en goedkeurend-opbouwend, al naar gelang vereist werd door het onderwerp en de omstandigheden; - het lezend publiek wenste zich van tijd tot tijd geprezen te zien: het debiet van het blad hing er ten dele van af! Soms geeft Van Effen zijn kritiek niet rechtstreeks, maar indirect, door middel van een karakterbeschrijving of de tekening van een, gewoonlijk gechargeerd, type, doorgaans toch altijd weer met moralistische bedoelingen. Van de karakterbeschrijving van een enkele persoon komt hij intussen tot de beschrijving van de verhouding van meer mensen ten opzichte van elkaar, waardoor hij onze eerste moderne novellist wordt. Een aanzet daartoe vindt men in stukken als Thijsbuurs Os en Geertje Levens; als complete novelle kan gelden de Burgervrijage van Kobus en Agnietje 1 . Hierin spreekt ook het sentimentele element. Overwegend heerst alom de geest van het rationalisme, zoals die voorkomt in de Lettres persanes van Montesquieu, die Van Effen spoedig na hun verschijnen tot zijn geestelijk eigendom gemaakt moet hebben. De Rede is het almachtige instrument, waarmee men het leven moet regelen en beheersen, de ‘onbevooroordeelde’, natuurlijke rede. Kon Cats als moralist zich nog voortdurend beroepen op de stem Gods, die door het bovennatuurlijk en kerkelijk gevormd geweten in de heimelijkheid van de ziel tot de mens spreekt, Van Effen gaat, hoezeer binnen de perken van het christendom blijvende, op het voetspoor van zijn |
1 In Uit de Hollandsche Spectator, Gorinchem, 1967, vindt men Thysbuurs Os, Kobus en Agnietje en Hoe het publiek de Spectator moet lezen.
|
|
tijdgenoten uit van de subjectieve, spontane redenering, die alleen het verantwoorde, nuttige, ietwat nuchtere als behoorlijk erkent. Krachtens dit beginsel heeft Van Effen mensen en dingen beoordeeld. Hij deed dit in een stijl die streefde naar eenvoud en natuurlijkheid; hij wil schrijven in ‘de gemeenzame stijl, zoals bij luiden van geboorte en opvoeding door 't gebruik ingevoerd is’. Hij is daarin vrijwel geslaagd, al doen zijn taal en stijl minder modern aan dan bijvoorbeeld die van Rotgans. Hij is nuchter, weinig geïnspireerd. Een kunstenaar van betekenis kan hij dan ook bezwaarlijk genoemd worden, al heeft hij er in hoge mate toe bijgedragen de liefde voor de kunst, met name de letterkunde, in ons land te bevorderen. Zijn blijvende verdienste ligt meer op cultuurhistorisch terrein, en wel in het feit, dat hij een belangwekkende spiegel van het leven in de eerste helft van de achttiende eeuw naliet; vervolgens hierin dat hij de stoot heeft gegeven tot het ontstaan van weer nieuwe en talrijke spectatoriale geschriften die in het voetspoor treden van deze voorganger 1 . Hierbij mag overigens meteen worden opgemerkt, dat de schrijvers van bijv. De Philanthrope (1757-1762), De Pedagoog (1766) en De Grijzaard (1767-1769) niet klakkeloos zijn voorbeeld volgden. Twee verschillen vallen op 2 : terwijl essays en brieven negentiende van De Hollandsche Spectator vullen en de bellettrie nauwelijks aan de orde komt, leggen de schrijvers van de spectatoriale geschriften van na 1750 een veel grotere belangstelling aan den dag voor bellettrie. In de tweede plaats hebben de latere spectators een veel rijker scala van literaire vormen. De betekenis van Van Effen als letterkundige is de schepping in moderner trant en stijl van de novelle, waardoor hij de wegbereider werd, krachtens nauwgezette waarneming der dagelijkse werkelijkheid, van de belangrijkste prozaschrijfsters in dit genre: Betje Wolff en Aagje Deken 3 . |
1 J. Hartog, De spectatoriale geschriften van 1741-1800, Utrecht, 1872, 21890.
2 P.J. Buijnsters, Etudes germaniques, 1966, 415-6.
3 Over Justus van Effen schreef P.A. Verwer, Leven van Justus van Effen, toegevoegd aan Hollandsche Spectator, tweede druk, Amsterdam, 1756, zes dln.; W. Bisschop, Justus van Effen geschetst in zijn leven en werken, Utrecht, 1859; W. Zuydam, Justus van Effen. Een bijdrage tot de kennis van zijn karakter en zijn denkbeelden, Gouda, 1922. Verder J. Koopmans, Wat J. van Effen zijn Spectator deed schrijven, Ni Tlg 1 (1907), 61 vlg.; P. Valkhoff, Justus van Effen en de Franse letterkunde, De Gids, 1917, IV, 323 vlg.; L. Brummel, Van Effens Spect. geschriften in hun verband met de Duitsche, Ni Tlg 22 (1928), 242 vlg.
|
|
4. Doorwerking van de verlichte (en andere) ideeën vindt men ook in het genre van de reisverhalen, waarop P.J. Buijnsters opnieuw de aandacht gevestigd heeft, met name in het genre van de imaginaire reisverhalen 1 ; dat beleeft zelfs in deze periode een tijd van bloei. In sommige opzichten zijn zij als reisverhalen een voortzetting van de bekende zestiende- en zeventiende-eeuwse authentieke reisjournalen. De bloei van de reisverhalen in de achttiende eeuw - Buijnsters noemt deze periode de gouden eeuw van het imaginaire reisverhaal - wordt echter gekenmerkt door een duidelijke voorkeur voor juist het imaginaire reisverhaal, d.w.z. het verhaal dat, ook wanneer het de schijn wekt reële handelingen of gebeurtenissen te beschrijven, in wezen gefantaseerd is. Een tweede opvallend kenmerk is het feit, dat deze verhalen zeker niet uitsluitend geschreven werden om de lezer met zijn verbeelding te doen vertoeven in een ‘andere’ wereld, maar veeleer om hem bepaalde opvattingen te doen kennen, in deze tijd met name de verlichte ideeën over opvoeding, religie, economie en staatsbestuur, verlicht ook in zover de geest van tolerantie en kosmopolitisme prevaleert boven het nationale en autochtone. Kan het verhaal als zodanig betrekking hebben op planetarische ruimtevaart of ontdekking van het middelpunt der aarde, de impliciete kritiek kan variëren van goedaardige spot tot bijtend sarcasme, van beschouwing tot hervormingsdrang. Rond 1708 begint een duidelijke opbloei van het genre; maar oorsprónkelijk Nederlandse teksten blijven toch schaars; waar zij ontstaan, zijn zij voor wat hun kwaliteit betreft inferieur aan de Engelse of Franse voorbeelden. Eén Nederlands werk kreeg grotere bekendheid, namelijk de Beschrijvinge van het magtig Koningryk van Krinke Kesmes (1708) van Hendrik Smeeks, dit o.a. omdat men verband heeft menen te kunnen leggen met Defoes Robinson Crusoe. De Zwolse chirurgijn trachtte door middel van dit boek zijn cartesiaanse denkbeelden te populariseren. - Een ander oorspronkelijke Nederlands reisverhaal van meer dan middelmatig gehalte is Walchersche Robinson (1752) van een onbekend auteur. Dit boek herinnert in verschillende opzichten aan Defoes roman (: de neiging zo exact mogelijk te zijn, het streven niet alleen de daden van zijn helden uit te beelden, maar ook hun gedachten en gevoelens tot uitdrukking te brengen); ook dit boek kent een duidelijke tendens, met name de behoefte theologische en apologetische |
1 P.J. Buijnsters, Imaginaire reisverhalen in Nederland gedurende de 18e eeuw, Groningen, 1969. Aan dit betoog is het volgende, soms letterlijk, ontleend.
|
|
inzichten over te dragen. - De Haagsche Robinson (1758), te Alkmaar anoniem verschenen, schildert het utopisch eiland Tirevas, dat gunstig afsteekt bij een nabuureiland; dit laatste stelt het evenbeeld voor van de in de ogen van de schrijver gedegenereerde Republiek; ook in dit boek valt de theologische preoccupatie op, die als deïstisch gekleurde vrijzinnigheid gekenmerkt kan worden.
Wat de tijdgenoten van Justus van Effen en de jaren tot 1766 verder aan proza opleveren is niet van uitzonderlijke betekenis. De nieuwe kunst van de burgerlijke roman, die in het buitenland in deze tijd belangrijke werken doet ontstaan, zal te onzent pas tegen het einde van de eeuw tot ontwikkeling komen. |