|
|
|
| |
Vernieuwing binnen het klassicisme
Dat, naast het voortbestaan van tal van traditionele elementen, nieuwe inzichten voorzichtig en aarzelend terrein verkenden en soms zelfs duidelijk de overhand verkrijgen, blijkt uit de opvattingen in de sfeer van de classici. Voorzichtig en aarzelend gaan ouderen uit dit milieu te werk; een man echter als Frans Hemsterhuis kan figureren in de geschriften over de buitenlandse romantiek; Rijklof Michaël van Goens heeft gevoel voor het moderne en is georiënteerd op de contemporaine buitenlandse letterkunde.
Het aloude klassicisme ondergaat in deze tijd een duidelijke vernieuwing, al schuilen juist onder de dragers van deze vernieuwing, onder de classici dus, óók de tegenstanders van Van Alphens Theorie. Maar aan de invloed van het nieuwe konden kenners van het Grieks en Latijn, deze zoekers naar schoonheid en wijsheid bij de Ouden, zich niet onttrekken.
Men verwerpt het klassicisme. Dat wil zeggen: men verwerpt het zich onderwerpen aan regels en voorschriften, zelfs al komen die uit de eerbiedwaardige oudheid; men verwerpt de oudheid als normatief. Haarzèlf blijft men bewonderen; maar men ziet ànders: men exploreert opníeuw haar waarden, en men waardeert haar níeuw. Men heeft aandacht minder voor haar vormen en vormvolmaaktheid, meer voor haar innerlijke waarden als humaniteit, vrijheid, natuurlijkheid en on- | | | | bevangenheid. Vooral in Duitsland is de klassiek-gevormde hiervoor ontvankelijk en vindt een duidelijke vernieuwing plaats, die op haar beurt de eigen letterkunde beïnvloedt en de romantiek voorbereidt. Maar ook in Nederland zien wij hetzelfde verschijnsel.
De meest briljante figuur is stellig Rijklof Michaël van Goens (1748-1810). Van Goens heeft het de ongunst der tijden èn persoonlijke karaktertrekken toe te schrijven, dat hij in de nationale cultuur niet de rol heeft kunnen spelen waartoe zijn schitterende gaven hem voorbestemden. Twaalf jaar oud, had hij in 1760 de Latijnse school al achter de rug; het volgend jaar student te Utrecht, verbaasde hij eenieder door zijn uitstekende Latijnse gedichten, waarop niet veel later Griekse, Franse en Nederlandse volgden. In zijn vijftiende jaar publiceerde hij1 zijn eerste wetenschappelijke verhandeling in het latijn, handelend over de geschiedenis van het begraven in de oudheid en bij de christenen. Het jaar daarop (1764) liet hij zich inschrijven als student te Leiden, waar hij o.a. met zijn vriend Frans van Lelyveld deelnam aan de uitgave van de Nieuwe Tael- en Dichtkundige Bijdragen en mede-oprichter was van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde2. Zijn studies en publikaties, alsook de faam van zijn intelligentie en originaliteit - hij promoveerde op zestienjarige leeftijd - bezorgden hem, achttien jaar oud, het buitengewoon hoogleraarschap in Grieks, welsprekendheid, oudheden en geschiedenis te Utrecht.
Naast zijn klassieke studies bleef hij intussen de moderne letteren trouw, vooral de buitenlandse, de Engelse en de Franse, bovenal echter de Duitse. Voltaire, Rousseau en Montaigne, Winckelmann, Lessing en andere auteurs uit de periode van de Aufklärung bestudeerde hij zó ijverig dat aanvankelijk zijn orthodoxie op het gebied van de godsdienst vrijwel verloren ging. In deze crisisperiode werpt hij zich, in 1785, met grote ijver op de bestudering van het werk van de Zweedse mysticus Emanuel Swedenborg; het fascineert en beangstigt hem. Na 1785 keert Van Goens weer terug, nu tot de ‘innige’ christelijke vroomheid van de Zwitser Johann Kaspar Lavater, en kan men hem beschouwen als een vertegenwoordiger van de christelijke preromantiek, op wie ‘contradictions in Religion and religious matters’ een
| | | |
grote aantrekkingskracht uitoefenen3.
Uiterst belangrijk is de activiteit van Van Goens op esthetisch gebied. Hij is een duidelijk vernieuwende geest. Hij was dit al in zijn inaugurele oratie van 1766, waaruit zijn voorliefde voor het Grieks sprak, zijn verlangen Homerus op ‘natuurlijke’ wijze te verstaan (al tracht ook hij nog diens werk in overeenstemming te brengen met de klassicistische wetten) en zijn verwerping van de allegorische exegese. Hij was het duidelijk ook in de drie grote essays uit het midden van de jaren zestig4.
De conformistische sfeer van de pruikentijd is ver te zoeken in deze zeer persoonlijke opstellen met hun aandacht voor Rousseau, Ossian, Gessner, en de moderne Duitse auteurs. Hij verwerpt de beklemming van de traditionele vooroordelen waardoor tallozen in dit land gehanteerd worden en de heersende kanselstijl.
De vernieuwing die de buitenlandse auteurs de literaturen van hun land gebracht hebben, schrijft hij toe aan het feit dat zij de klassicistische regels en schemata lieten voor wat zij waren, en een kunst produceerden die uiting was van, en sprak tot hart en gevoel.
Van Goens meende dat men het lage peil van onze eigen letterkunde kon verbeteren door kritische arbeid en ontwikkeling van de nieuwe wetenschap der esthetica. Niet aan rede en regel komt, aldus meent hij op het voetspoor van de Franse zeventiende-eeuwse geleerde en schrijver Dominique Bouhours, de oppermacht toe in zaken van schoonheid en kunst, maar aan goede smaak, gevoel en verbeelding. De schematische, naar normen oordelende kritiek en de op normen gebaseerde schrijftrant maken bij Van Goens dan ook plaats voor een door persoonlijke, door smaak, gevoel en verbeelding geïnspireerde werkwijze, die zich niet aan wetten onderworpen acht, maar de bewogen gemoedsgesteldheid zich laat uitdrukken in de ‘onorde der vrijheid’ zoals hij het noemt. Van Goens is het gevoelstype uit deze tijd, sterk ontvankelijk voor al het nieuwe dat in deze jaren in het buitenland leefde en tot ontwikkeling kwam.
Door zijn vertaling van Moses Mendelssohns5 verhandeling Ueber das Erhabene und Naïve (van 1758; met inleiding en aantekeningen)
| | | |
maakte hij in 1769 zijn lezers opnieuw attent op de nieuwere gezichtspunten op esthetisch terrein. Van Goens heeft Van Alphen waarschijnlijk de studie aanbevolen van Riedel, met wie Van Goens correspondentie onderhield, zodat hij ook op deze indirecte wijze tot de vernieuwing der esthetische inzichten heeft bijgedragen.
Veel langer dan tien jaar heeft intussen deze literaire activiteit niet geduurd. Hij verzeilde - uit een prinsgezinde familie stammend - in de politieke en godsdienstige twisten van die dagen; eigengereid en ijdel, verwarde hij zich in vijandschap en getwist. In 1776 moest hij ontslag nemen als hoogleraar. In 1786 verliet hij om gezondheidsredenen ons land voor Zwitserland en Duitsland, waar hij omgang had met veel vooraanstaande figuren. Naar Nederland is hij nimmer teruggekeerd en voor de nationale cultuur was hij vrijwel verloren. Maar zowel om zijn persoonlijke merkwaardigheid als om zijn rol in de literair-theoretische beweging van 1764 tot 1774 kan hij - gangmaker voor de veel minder briljante Van Alphen - naar Willes woord gelden als de man die Nederland uit zijn zelfgenoegzaamheid in de stroom van het Europese denken en dichten wist te dwingen.
Naast Van Goens is van belang de overigens veel oudere François Hemsterhuis (1721-1790), wiens denkbeelden zózeer oorspronkelijk waren en met zóveel overtuigingskracht werden voorgedragen, dat zij - betrekkelijk zeldzaam geval in onze cultuurgeschiedenis! - buitenlandse denkers als Novalis en Friedr. Schlegel konden stimuleren voor wat betreft de ontwikkeling van nieuwere ideeën (bijvoorbeeld ten aanzien van liefde en godsdienst)6.
Ook hij is bij uitstek belangwekkend als een van de eerste figuren in wie zich de ommekeer van verlichting naar romantiek voltrekt.
Hemsterhuis' centrale geschrift uit de eerste periode van zijn publicistische activiteit is zijn Lettre sur l'homme et ses rapports (1772), gericht tegen de atheïsten en materialisten. Duidelijk overheersen ideeen van de verlichting die hij echter niet aansprakelijk wil stellen voor minderwaardig geachte denkrichtingen en opvattingen; hij was ervan overtuigd, ‘que la seule raison ne sauroit jamais nous mener aux systèmes du matérialisme et du libertinage’. In het middelpunt van zijn wijsgerige beschouwingen plaatst hij de mens, die hij behandelt onder verschillende opzichten. 's Mensen individualiteit acht hij zijn hoogste bezit, maar het is tevens een beperking, waarvan hij zich - en hier klinken romantische accenten - in een oneindig verlangen naar liefde en dood tracht te bevrijden. Veroordeeld geïsoleerd te blijven, streeft alles naar éénwording. De belangrijkste ontdekking die Hemsterhuis
| | | |
gedaan meent te hebben, is die van het bestaan van een zesde zintuig, dat hij noemt ‘l'organe morale’; hij verstaat daaronder een orgaan dat een nieuw aspect van de werkelijkheid zou ontsluiten, nl. dat van de ‘betrekkingen’. Hier wijkt Hemsterhuis àf van het rationalisme; hij stelt, dat elk wezen tot duizenden andere wezens in een bepaalde, geheel eigen verhouding staat; het wordt beïnvloed en beïnvloedt zelf, en is op deze wijze een deel van het grote geheel van ontelbare ‘rapports’, dat de wereld vormt. Het morele orgaan maakt de mens een maatschappelijk wezen. - Betekende deze invoering van het morele orgaan een afstand nemen van het rationalisme, de consequenties die hij uit zijn leer trok, voerden hem nog verder af van deze leer. Hemsterhuis betoogt namelijk, dat dit orgaan bij de verschillende individuen niet even hoog ontwikkeld is. De mate van die ontwikkeling, van de meerdere of mindere volmaaktheid van dit orgaan bepaalt onze betrekkingen met de andere mensen. En daar onze plichten weer gebaseerd zijn op deze betrekkingen, heeft degene die het minst gevoelige orgaan heeft, ook de minste plichten. Het resultaat is een ethische opvatting van de plicht, die door zijn individualiserende strekking in Sturm und Drang en romantiek opgang maakt.
Op deze wijze inaugureert Hemsterhuis - beïnvloed door de maatschappelijke ideeën van Rousseau, het sensualisme van Locke, en denkbeelden van Shaftesbury, Hutcheson, Burke en Smith voor wat het ‘organe morale’ betreft - ten onzent de opvatting, dat de natuur een wereld van geheimen is, die de mens wellicht door middel van nieuwe organen zou kunnen ontraadselen. Een opvatting die in het romantisch denken een zeer grote rol zal gaan spelen.
In de jaren die volgden op de verschijning van deze Lettre, valt zijn vriendschap met prinses Gallitzin (Adelheid Amalie Gallitzin - gravin Schmettau, 1748-1806)7. Door haar bemiddeling maakt hij, wanneer hij later haar gast is te Münster, kennis met Herder, Lessing, Goethe, Hamann en Jacobi. Hij kan in deze kringen naar voren treden doordat hij bekendheid genoot als auteur van diverse publikaties, geschreven in de vorm van platonische dialogen, als Sophyle ou de la philosophie (1778), Aristée ou de la divinité (1779), Simon ou des facultés de l'âme, en Alexis ou de l'âge d'or (beide gereedgekomen in 1783). In deze geschriften plaatst hij tegenover het rationalisme der verlichting: de zekerheid van de gevoelsovertuiging der nieuwe levenshouding, die aandacht heeft voor het individuele van de menselijke persoonlijkheid, die neigt tot een pantheïstisch godsbegrip, en elementen vertoont van wat later ‘Sehnsucht’ heten zal. Niet langer, verklaart hij, vertrouwe men op de zinnelijke waarneming, maar de ware filosofie is die van Socrates: ‘c'est celle qui se trouveroit au fond de notre coeur, de nos âmes’. Hieruit vloeide voort de Hemsterhuis' látere filosofie ken- | | | | merkende overtuiging van de waarde van het gevoel, die deze wijsbegeerte haar ‘historische’ betekenis verleent: ‘La conviction du sentiment vaut bien celle de l'intellect’.
Zijn geloofsopvatting en wereldbeschouwing berust op een transpositie van de natuurwetten in het geestelijke, die, op voorgang van Leibniz en Shaftesbury, door tal van denkers en romantici werd toegepast8. Hoewel hij gelooft in een persoonlijke God, gaan er toch pantheïstische tendensen schuil in zijn theorie: ‘Tout l'univers ... ne sauroit faire une partie, un atôme, ou un mode de ce Dieu infini. Pourtant il est partout: il est içi: il n'y a dans cet arbuste, dans vous, ni dans moi ... aucune partie, quelque invisiblement petite que nous la concevions, qu'il ne pénètre’. Tot deze alomtegenwoordige God kan de mens steeds nader komen door vervolmaking van wil, verstand en, vooral, organe morale, dat Hemsterhuis thans bij voorkeur noemt ‘principe moral’ of ‘sentiment moral’. Krachtens dit orgaan bij uitstek gaat 's mensen opperste verlangen uit naar het Oneindige, naar God. In veel opzichten romantische denkbeelden en opvattingen, nadat hij zich van de verlichtingsopvattingen had gedistantieerd.
Hij doet dit ook op strikt esthetisch gebied. Zoon van een hoogleraar, had Hemsterhuis een zorgvuldige opvoeding genoten, waarvan een klassieke vorming een belangrijk bestanddeel was. Hij was een groot bewonderaar van de Griekse plastiek en bezat een vermaarde verzameling antieke gesneden stenen9. Hij begòn zelfs zijn publicistische loopbaan, toen hij de veertig al gepasseerd was, met twee werkjes op dit terrein: Lettre sur une pierre antique (1762) en Lettre sur la schulpture (sic) (1769); het laatste herinnert in zijn historisch gedeelte aan Winckelmann. Een van zijn láátste geschriften, Simon, behandelt, naast psychologische, ook esthetische vraagstukken, evenals Alexis, waarin hij het vraagstuk van de poëtische waarheid aan de orde stelt. Geheel in de hiervóór ontvouwde gedachtengang betoogt hij, hoe (par intuition) de dichters in alle tijden waarheden hebben gevoeld die het verstandelijk denken alléén niet vond: om dit te bereiken is nodig het dichterlijk ‘enthousiasme, qui rapproche les idées’. Zowel met deze als met zijn meer wijsgerige denkbeelden sloot Hemsterhuis aan bij de Duitse Sturm und Drang10. Hij beïnvloedde op zijn beurt de romantiek, auteurs als de Schlegels en Novalis.
Zijn wijsgerige werk moge dan al, strikt filosofisch beschouwd, een
| | | |
weinig sluitend geheel vormen en kwalitatief van secundaire betekenis zijn in vergelijking met dat van de grote wijsgeren van de wereld, - als Néderlands vertegenwoordiger, vroeg en eenzaam, van reactie op de verlichting, en als wegbereider van de romantiek, - óók van de Duitse -, is hij in onze cultuur en letterkunde hoogst opmerkelijk11.
De geest die Hemsterhuis gewekt had, bleef leven in verschillende jongeren uit deze klassieke sfeer. Wij kunnen hier hun namen slechts samenvattend vermelden. Een belangrijke figuur was de Zwitser Daniël Wyttenbach (1746-1820), die tot 1799 professor was te Amsterdam en daar tal van leerlingen en vrienden won; in 1799 werd hij hoogleraar te Leiden. Wyttenbach keerde zich tegen de Neolatijnse poëzie en tegen de wijsbegeerte van Kant.
Een leerling van de al eerder genoemde Petrus Burmannus secundus12 (1713-1778), een van de laatste Neolatijnse dichters van betekenis, die echter geen nieuwe waarden had toegevoegd aan de poëtiek van zijn talrijke voorgangers, was Jeronimo de Bosch (1740-1811). Jeronimo de Bosch, bevriend met Daniël Wyttenbach, was een goed kenner van de Griekse letterkunde, een zelf niet onverdienstelijk dichter in het Latijn (welke taal hij gebruikte om Amerika als de moeder van de vrijheid te huldigen) en schrijver van een bekroonde Verhandeling over de regelen der Dicht-kunde (1783), waarin hij, hoewel in veel opzichten Van Alphens nieuwere denkbeelden bijvallend, toch geporteerd blijkt voor het renaissancistisch standpunt van de creatieve imitatio.
Willem Emmery, baron De Perponcher (1740-1819) vatte in De Heedendaagsche Stoïcijn (1786) in een aantal gesprekken de geest van de stoïsche wijsbegeerte samen, zij het, dat hij deze geest benaderde via een Engelse vertaling van Epictetus; hij schreef een beschouwing over Ons Nationaal Karakter, opponeert in Aan de Lieden der beschaafde Waereld o.a. tegen Rousseau, Voltaire en ‘andere leermeesters eener verdwaalde Eeuw’; hij was in zoverre een voorganger van Van Alphen, dat hij in 1770 een geschrift het licht deed zien, waarin hij ook de problemen van de schoonheid behandelde. Bijzondere aandacht trok dit werk niet; het werd overschaduwd door Van Alphens Theorie die acht jaar later verscheen, en De Perponcher aanleiding gaf tot een gedachtenwisseling met Van Alphen.
| | | |
Een invloedrijke figuur was ook Van Alphens studiegenoot Laurens van Santen (1746-1798), eveneens leerling van Burman, bewondederaar van Amerika's vrijheidsstrijd en patriot. Doordat zijn vader het financieel niet al te best maakte, trachtte Laurens als repetitor in zijn onderhoud te voorzien; dit lukte hem uitmuntend: hij droeg prachtig klassieke verzen voor, en werd een waarachtig ‘animateur de la jeunesse’; daartoe kan ook hebben bijgedragen de omstandigheid, dat hij in Duitsland persoonlijk kennis had gemaakt met verschillende dichters en geleerden, onder wie Klopstock en Lessing. Een gelijkgerichte belangstelling toont Theodorus van Kooten (1749-1813).
Deze nog altijd op de klassieken georiënteerde, maar voor het nieuwe zeer ontvankelijke geleerden-dichters hebben een belangrijke invloed uitgeoefend op leerlingen en andere tijdgenoten, doordat zij van de rijkdommen der klassieken, met name op technisch gebied, meedeelden aan de toenmaals moderne literatoren en ontvankelijk bleken voor het nieuwe dat zich openbaarde13.
Een Nederlands auteur, die het best in dit verband genoemd kan worden als overgangsfiguur van de klassicisten naar de Nederlandse auteurs in meer strikte zin, is Pieter Nieuwland (1764-1794). Zoon van een timmerman, trok hij de aandacht door zijn buitengewone begaafdheid. De gebroeders Jeronimo en Bernardus de Bosch, met name de laatste, droegen zorg voor zijn opvoeding. Nieuwland ontwikkelde zich jong tot een van de bekendste geleerden van zijn tijd: in 1789 werd hij lector in de sterren- en zeevaartkunde te Amsterdam, in 1793 hoogleraar in de wis-, natuur- en sterrenkunde te Leiden. De neerslag van deze laatste wetenschap vindt men in het in zijn tijd en nog lang daarna beroemde gedicht Orion, dat de grootheid van de oneindige sterrenwereld tracht te suggereren. Dat de beschrijving en verklaring van de sterrenwereld zelfs de sterrenkundige kunnen voldoen, en dat de beoefenaar der oudheid met welgevallen Nieuwlands vertrouwdheid met de beeldende mythologie van de sterrenwereld opmerkt, zijn in ons oog geen argumenten meer ten gunste van de dichterlijke schoonheid, te minder waar Nieuwlands wetenschap op de oningewijde door de overladenheid ervan lichtelijk verwarrend werkt. Het gedicht mag als geheel al niet geslaagd zijn, de aanhef en het tweede suggestieve gedeelte boeien om hun evocatief vermogen mateloze werelden op te roepen; dit vermogen is zeldzaam in onze letterkunde. Orion verscheen in de bundel Gedichten (1788), waarin ook een groot aantal vertalingen, vrijwel alle uit de klassieke letterkunde, was opgenomen. In 1792 overleed Nieuwlands jonge vrouw tegelijk met hun pasgeboren dochtertje; deze sterfgevallen ontlokten hem een
| | | |
uitvoerige en in zijn eenvoud sympathieke lijkklacht. Twee jaar later overleed hij zelf, jong nog, maar befaamd reeds als geleerde en dichter. Over de dichter denken wij heden ten dage niet meer in de overschattende termen van zijn tijdgenoten, maar een vermelding in de geschiedenis van onze letteren verdient hij stellig14.
|
1J. Wille, De literator R.M. van Goens, Studiën over de achttiende eeuw, I, Zutphen, 1937; P.J.C. de Boer, R.M. van Goens en zijn verhouding tot de literatuur van West-Europa, Amsterdam, 1938 (over beide werken van Pierre van Valkenhoff, Studiën, 1940, 130-138); J.C. Brandt Corstius, De plaats van R.M. van Goens in de ontwikkeling van de Westeuropese literatuur, Ni Tlg 44(1951), 193-202, aan welk opstel een en ander ontleend werd. Zie ook W.J. Noordhoek, R.M. van Goens in Wernigerode, LT, 1954, 380-93. Voor de oudere literatuur over Van Goens, zie J. te Winkel, Ontw. VI, 19 noot en Nieuw Ned. Biogr. Wdb.3, 473-8.
2H.A. Höweler, De lakenfabrikeur Frans van Lelyveld, Gedenkboek bij het 200-jarig bestaan van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, Leiden, 1966, 1-44.
3P.J. Buijnsters, Swedenborg in Nederland, TNTL 83 (1967), 193-224. Het citaat ontleent Buijnsters aan Collectie-Van Goens, map 130 D 7 A.
4Ze zijn mede op aandrang van Van Lelyveld geschreven, en door de laatste gepubliceerd in Nieuwe Bijdragen tot opbouw der vaderlandsche letterkunde. De titels luiden: Vrymoedige bedenkingen over de vergelyking der oude dichteren, met de hedendaegschen; Bedenkingen van den philosophe sans fard, over den staet der letteren in Nederland, en ontwerp eener noodzakelyke vermeerdering van zyne Nederduitsche boeken-kas; Proeven uit den dicht-kundigen ligger van den philosophe sans fard. Zij werden, naar W. van den Berg (Utrecht) mij meedeelt, in deze Bijdragen hoogstwaarschijnlijk gepubliceerd in drie achtereenvolgende jaren: 1765, 1766 en 1767.
5Moses Mendelssohns Schriften zur Philosophie, Aesthetik und Apologetik zijn opnieuw uitgegeven mit Einleitung, Anmerkung und einer biographisch-historischen Charakteristik Mendelssohns door M. Brasch, 2 delen, Hildesheim, 1968. Nachdruck der Ausgabe Leipzig, 1880.
6Vgl. O. Walzel, DR I, 21, 27, 51, 64, 90.
7Lettres de Dioclès (Hemsterhuys) à Diotème (vorstin Gallitzin) sur l'athéisme, 1787.
8De aantrekkingskracht zou de wereld tot inerte massa doen worden, indien niet een tegenwerkende kracht contrarieerde; het universum is een gespannen veer. Beide krachten vinden hun oorsprong in God, die de ontelbare zelfstandige delen waarin Hij het heelal geschapen heeft, door de aantrekkingskracht of de liefde samenhoudt.
9Zij berust thans in het Koninklijk Penningkabinet te 's-Gravenhage. E. Polak, Een stukje Goethe in Nederland (Goethe en de verzameling van gesneden stenen van F. Hemsterhuis), Haagsch Maandblad, 1932, I, 426.
10Vooral Jacobi heeft hem beïnvloed.
11Dit overzicht berust op L. Brummel, Frans Hemsterhuis, een philosophenleven (diss. Leiden), Haarlem, 1925, en L. Brummel, Frans Hemsterhuis, Alg. Ned. Tijdschrift voor Wijsbegeerte en Psychologie 34 (1940), 17-26; voor verdere bibliografie over en van Hemsterhuis, alsook een chronologisch overzicht van zijn leven, zie Documentatieblad 4 (aug. 1969) van Werkgroep Achttiende Eeuw.
12Secundus, ook wel (vóor 1754) junior genoemd, ter onderscheiding van zijn gelijknamige oom (1668-1741), de hoogleraar te Leiden, die voogd was van zijn neef. Over beiden N.N. Biogr. Wdb. 4, 354-62.
13Over deze groep ‘klassieke’ auteurs, G. Kalff, GNL VI, 149-162 en 585-7.
14Orion en de Lijkklacht op zijn vrouw kan men gemakkelijk lezen in Victor E. van Vriesland, Spiegel van de Nederlandse Poëzie, Amsterdam, 1939, 350 vlg.; over Nieuwland de dissertatie van G.A. Steffens, Pieter Nieuwland en het evenwicht, Zwolle, z.j. [1964].
|
|