|
|
|
| |
Willem Bilderdijk (1756-1831) [1]
Tien jaar jonger dan Van Alphen, enkele jaren jonger dan Rhijnvis Feith, behoort Bilderdijk naar de leeftijd tot de generatie van de doorbraak. Toch is hij een figuur op zich, een figuur die om tal van redenen tot op de dag van vandaag een teken van tegenspraak gebleven is. Hij is de boeiendste figuur van zijn generatie en van de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij is, naar aanleg en uiting, onze enige grote romanticus die ‘op tijd’ kwam.
Willem Bilderdijk werd 7 september 1756 te Amsterdam geboren als de zoon van Isaac Bilderdijk en Sibilla Duyzentdaelders1. De vader genoot naam als dichter en bewerker van een paar Franse toneelstukken. Van beroep was hij medicus, maar daar zijn praktijk verliep, nam hij een administratieve betrekking aan bij de belastingen, - dit laatste dank zij de bemiddeling van de weduwe van Willem IV. Onder de voorouders van zijn moeder komt de naam Pellegrom voor, welke Pellegrom Bilderdijk vereenzelvigt met het aanzienlijk geslacht van de Pellegroms dat in Brabant gewoond heeft. Een van deze Pellegroms was in 1568 getrouwd met een zekere Judith van Veen, die Bilderdijk dan weer vereenzelvigt met een adellijke Judith van Veen, van wie gezegd wordt dat zij door de heren van Heusden afstamde van de graven van Teisterbant2. Op grond van deze veronderstelling noemde Bilderdijk
| | | |
zich later officieus Willem van Teisterbant.
De vader was, volgens de zoon, een man van ‘netelige’ geest, zijn moeder een vrouw met een driftig en licht ontvlambaar gemoed. De conflicten tussen beiden maakten het leven van het kind, vooral vanaf zijn zesde jaar, ‘tot een vloek’. Dit zesde jaar is van belang, doordat hij toen door een trap op zijn linkervoet dusdanig geblesseerd werd, dat hij, wellicht mede als gevolg van een onjuiste behandeling, tot zijn achttiende jaar niet kon uitgaan. Ziekelijk en eenzelvig, gespeend van de normale omgang met kinderen van zijn leeftijd, getuige van de humeuren zijner ouders, ontwikkelt de knaap zijn stellig niet onbelaste psyche sterk eenzijdig. Voor wat het intellectuele deel betreft, leest hij uit de bibliotheek van zijn vader rijp en groen; autodidactisch bestudeert hij werken over de meest uiteenlopende wetenschappen, talen en kunsten. Zelf oordeelt hij het resultaat van zijn ‘oppervlakkige’ kunde onvoldoende om zijn geest te verzadigen, en vaderland en maatschappij van nut te zijn. In zijn correspondentie3 klaagt hij er voortdurend over, hoe niet alleen zijn lichaams-, maar ook zijn geestkracht zwak en onvoldoende is. Dit verhinderde niet dat in de Algemeene Vaderlandsche Letteroefeningen van 1772, buiten zijn medeweten overigens, een aantal gedichten afgedrukt werd, dat hij al op twaalfjarige leeftijd, op zijns vaders voetspoor en dat van ‘zijn oudste en beste vriend’ Cats, geschreven had4. Na deze publikatie leert hij de nieuwe psalmberijming kennen en het werk van Antonides van der Goes, de Van Harens en De Lannoy. Zij slaan in hem het bewustzijn
| | | |
wakker dat ook hij dichter is, en in 1775 dingt hij mee in een prijskamp over De invloed der dichtkunst op het staatsbestuur. Twintig jaar oud, verwerft hij in 1776 anoniem de gouden bekroning voor zijn lierzang. De jonge kamergeleerde sprak in dit gedicht uiteraard niet krachtens enigerlei praktische ervaring over zijn onderwerp; hij had de stof ervoor dan ook bij elkaar gebracht uit geschriften vanaf de oudheid. Het typeert hem: via papieren benadert hij, de mensenschuwe, de wereld buiten zijn studeervertrek.
Het jaar daarop behaalt hij, eveneens bij het Leidse Dichtgenootschap, met twee gedichten over De Waare liefde tot het Vaderland de gouden en een van de zilveren erepenningen. De andere viel ten deel aan Juliana Cornelia baronesse De Lannoy. Op stel en sprong voelt de jonge Bilderdijk zich geestverwant van de achttien jaar oudere vrouw, met wie hij aanstonds een briefwisseling begint. Hij zal haar trouwe schildknaap blijven.
In het jaar van zijn eerste bekroning doet Bilderdijk zijn intrede in de zozeer gevreesde en zelfs gewantrouwde wereld. Voorlopig heet dat: hij krijgt een plaats als boekhouder op het kantoor van zijn vader. Zijn besognes daar gaven hem ruim gelegenheid verder te studeren en te schrijven. In 1779 verschijnen in druk twee in alexandrijnen vertaalde toneelstukken5; de vertaling van Sophocles' Epidus typeert de jongeman, die zei er zich bewust van te zijn: genoegzaam alles wat hij schreef, uit de ouden te ontlenen6. Terwijl zijn literaire omgeving in deze jaren praktisch nog geheel de geest van het Frans-klassicisme ademt, gaat Bilderdijk terug tot vóór die tijd om in de klassieken-zèlf inspiratie te zoeken. In dit opzicht is hij modern, in de geest van Lessing, met zijn voorkeur voor de Griekse boven de Latijnse dichtkunst, voor de Griekse tragedie boven het Frans-klassieke en het burgerlijke treurspel. Invloed van Lessing is hier onmiskenbaar. Maar in deze jaren schrijft hij óók aan een toneelstuk dat men als spektakelstuk moest kenschetsen7.
| | | |
In het najaar van 1780 krijgt Bilderdijk verlof de kantoorkruk te verwisselen voor de collegezaal: hij gaat dan naar Leiden om rechten te studeren. Het is intussen geen aankomende vlasbaard die college komt lopen, maar een beroemdheid die immers kort geleden door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bekroond was voor zijn verhandeling over de betekenis van dichtkunst en welsprekendheid voor de wijsbegeerte, - resultaat van een wedkamp, waarin hij Cornelis van Engelen8 overwon. Hij manifesteert zich in Leiden, tegen het overheersende patriottisme in, als vurig prinsgezind.
In die tijd publiceert hij zijn eerste bundel gedichten Mijn Verlustiging (1781), overwegend weelderige minnedichten, waarin hij tevens gelegenheid vond zijn epicuristische opvatting omtrent actuele problemen met betrekking tot de liefde uiteen te zetten. Feith en Van Alphen hadden betoogd, dat het zedelijk lustgevoel in de plaats moest treden voor het zinnelijke; Bilderdijk gunt dit zinnelijke volledig recht van bestaan, op voorwaarde dat het verstand het middel vindt om het genot ervan te kennen zonder het schadelijke te ondervinden. De geest van de geschriften uit de Oudheid beheerst dit bundeltje, dat voor het grootste deel trouwens bestaat uit vertalingen, bijna alle uit het Grieks. De gedichten leggen getuigenis af van een hartstochtelijk zintuiglijk temperament, dat niet alleen maar heeft getracht Cinthia9 te bekóren. Nadat hij zich in 1783 als advocaat in Den Haag had gevestigd, onderhield hij intieme relaties met de achttienjarige Anne Luzac10. Het lieve en knappe kind verbeeldde zich de grote en enige liefde te zijn van de grote en enige man, tót haar al te pijnlijk bleek, dat Catharina Rebecca Woesthoven, een Haagse officiersdochter, hem zo goed bekend was - Bilderdijk en Catharina kenden elkaar reeds vóór Bilderdijk met Anne Luzac vriendschap aanknoopte - dat twee maanden na het huwelijk tussen Bilderdijk en Catharina op 21 juni 1785 hun eerste spruit geboren werd.
| | | |
Het waren geen onkuise lusten, die uw ouders dartel blusten, waaraan het wichtjen het leven dankt; het was God die het het leven schonk op des vaders gebeden; - aldus de gelukkige, bespiegelende, dat wil zeggen zich-een-rad-voor-de-ogen-draaiende vader. De terzake doende opmerking is gemaakt, dat men in mededelingen van iemand als Bilderdijk beschrijvingen moet zien, niet van een feitelijke toestand, maar van zijn bewustzijn daarvan11. Tot op zekere hoogte geldt dit voor ieder mens; voor een nerveus, hartstochtelijk en in de verbeelding levend man als Bilderdijk geldt het in de hoogste mate. - Met name, daar naar Bilderdijks opvatting het eigenlijke huwelijk gelegen is in de congressus; de verificatie door kerkelijke en (of) burgerlijke autoriteiten is een afgeleide plechtigheid. Dat hij, dus denkende en doende, met de maatschappelijke moraal resp. conventie, die eist dat deze verificatie door autoriteiten vooràfgaat, in botsing kwam, interesseerde Bilderdijk maar matig12.
Hoe weinig de feitelijke, maatschappelijke werkelijkheid Bilderdijks gedachten- en gevoelsleven vult, hoezeer dit van binnenuit gevoed werd, blijkt uit zijn correspondentie en uit de dichtwerken van deze periode. De bundeltjes Bloemtjens (1785) en Odilde (1808 uitgegeven) brengen veeleer zijn verbeelde wensdromen op het gebied van de liefdesverhouding met zijn vrouw tot uitdrukking dan ervaren werkelijkheid. In elk geval behield de verbeeldingsvorm van deze werkelijkheid voor hem zijn waarde, lang reeds nadat een eraan ten grondslag liggende werkelijkheid had opgehouden te bestaan.
In deze tijd ook gaat Bilderdijk zich toeleggen op het schrijven van wat een modedichtvorm uit die dagen was: de romance. Van 1786 dateert de uitvoerige romance in zeven zangen Elius; daarna volgden o.a. Urzijn en Valentijn, Ada, Bertha, De Indiaansche Maagdenroover, Ahacha, Yrwin en Vredebag, alle van vóór 179513. Hiermee treedt hij in het door Percy gebaande voetspoor, met deze restrictie nochtans, dat de meeste van deze romances onder de schijn van verhalen over objectieve gebeurtenissen verkapt zelf-belevenissen vertolken.
Zijn meesterlijke beschrijvingskunst in het humoristische bewees hij
| | | |
in deze jaren met Ridder Sox (1793), een oud gegeven dat Bilderdijk bewerkte naar Voltaires Ce qui plait aux Dames14.
In 1795 verliet Bilderdijk het land15. In maart van dat jaar werden de ambtenaren en de bij de hoven ingeschreven advocaten namelijk verplicht, hun instemming met de op 31 januari afgekondigde Rechten van de Mens te bezweren. Bilderdijk verklaarde, dat deze beginselen ‘in verscheidene opzichten streden tegen zijne bijzondere godsdienstige en juridische begrippen’. De wijze echter, waarop hij zijn bezwaren had kenbaar gemaakt, bracht de Voorlopige Regering ertoe op Bilderdijk maar meteen de Rechten van de Mens toe te passen en hem, ‘als gevaarlijk en schadelijk mensch’, te gelasten Nederland te verlaten. Over Amsterdam reisde Bilderdijk naar Groningen, dat hij na korte tijd te ontwijken had voor Hamburg, welke eclips hem ‘verloste’ niet alleen van zijn schuldeisers, maar ook van zijn levensgezellin. Sinds geruime tijd was de verhouding tussen beiden, al dan niet onkuise lusten en vurige gebeden ten spijt, niet ideaal; de humeurige, soms bepaald kwaadaardige man had zijn vrouw het leven stellig niet tot een paradijs op aarde gemaakt.
Wanneer hij zich in hetzelfde jaar nog te Londen16 vestigt, vat hij liefde op voor de nog geen twintigjarige Katharina Wilhelmina Schweickhardt, de dochter van zijn gastheer. Dat deze liefde bestónd was ook Bilderdijk duidelijk; zij plaatste hem voor een van de moeilijkste conflicten in zijn leven. Gedachtig aan zijn reeds eerder toegepaste theorie, achtte hij zijn huwelijk met Catharina Rebecca ontbonden. Doordat de congressus en de cohabitatie hadden opgehouden te bestaan, had z.i. het huwelijk een einde genomen. De burgerlijke scheiding behoefde dit feit slechts te constateren en te registreren. Naar zijn mening kon Bilderdijk dus een tweede huwelijk aangaan, hetgeen hij dan ook deed en eigenhandig registreerde, toen hij, in 1797 van Londen verhuisd naar Brunswijk, het eldorado voor Hollandse uitgewekenen, door Katharina Schweickhardt als Mevrouw van Heusden gevolgd werd: uxorem accepi, noteerde hij in zijn bijbel, en wel nobi- | | | |
lissimam virginem Catharinam anno 1797, die 18 Maji. Aantekening in de trouwregisters achtte hij overbodig, daarmede opnieuw in conflict komend met het burgerlijk en kerkelijk recht, niet met het eigen geweten. Wat wèl het eigen geweten knaagde, was de verhouding ten aanzien van zijn eerste vrouw. Hoezeer Bilderdijk haar juridisch trouwbreuk verwijten mocht, hij wist in zijn hart zeer wel deze ‘te hebben uitgelokt en begunstigd’17. En veel meer dan het conflict met de buitenwereld - die hem maar matig interesseerde - hinderde hem een gevoel van schuldbewustzijn ten aanzien van Catharina de Eerste èn van God. Het is aan dit innerlijk conflict, dat wij niet alleen enkele van zijn mooiste gedichten (als het befaamde Gebed)18 danken, maar ook de definitieve doorbraak van het gemoedsleven in zijn kunst, waardoor Bilderdijk mede een der innovators van de romantiek kon worden19.
In zijn Willem Bilderdijk in het paradijs20 heeft K. Meeuwesse getracht dieper door te dringen in de mentaliteit en geestessfeer waaruit Bilderdijks houding en gedragswijze inzake de liefde (afgezien van juridische en kerkrechtelijke aspecten) voortkwam. Meeuwesse doet dit aan de hand van Bilderdijks geschriften en constateert dan, dat Bilderdijks oudste erotische poëzie al naar een paradijselijke streek voert, herinneringen oproepend aan de petrarkistische en pastorale voorstellingswereld uit de poëzie van renaissance en klassicisme. Bij Bilderdijk echter berust, zoals op grond van het hiervoor besprokene te verwachten valt, deze voorstellingswereld op réchtstreekse kennis van de werken der klassieke dichters-zelf.
De in deze voorstellingswereld gelokaliseerde erotische poëzie is inderdaad, zoals Gossaert stelde, uitstorting in klassicistische vormen van een zeer echte, jeugdige hartstocht, maar zij is tevens gloed van een bezíelde hartstocht: het lichamelijke rustte, naar de woorden van Bavinck, in het geestelijke: wie bemint, heeft deel aan Venus' oppermacht over het leven, aan de inwonende, goddelijke geest waarvan
| | | |
Vergilius spreekt. De liefdesgemeenschap was voor Bilderdijk dan ook kern van het paradijs.
Dit paradijs was voor Bilderdijk echter niet alleen de gouden eeuw waarvan de Oudheid sprak, het was ook het bijbels Eden, waarin Adams onvervuld verlangen door Jahwe bevredigd wordt met de schepping van Eva.
In de geest van Plato's opvattingen daaromtrent, betoogt Bilderdijk bij herhaling dat geen sterveling volmaakt is, daar de ‘weêrhelft van hemzelv’ hem van 't hart genomen werd', met als gevolg, dat de mens ‘dat eigendom, dat deel zijns aanzijns, weder zoekt’.
Heeft de mens de ware liefde gevonden, dan betekent zulks, dat beiden zichzélf teruggevonden hebben; in hun wederzijdse liefde vinden zij dan ook ‘zielvervulling en vergenoegend zelfgenot’. Als vorm van zelfgenot, aldus Meeuwesse, betekende de liefdesgemeenschap van man en vrouw tevens een vorm van zekere vergoddelijking; het innig zelfgevoel, had Bavinck al betoogd, wordt in het gevoel van de Godheid zelf verzwolgen.
Naast deze christelijk-geïnterpreteerde platonische opvatting kent Bilderdijk ook de oudtestamentische opvatting van de vrouw als vlees en gebeente van de man krachtens de schepping van de vrouw uit een rib van de man. Wat zich in het paradijs voltrok, is prototypisch, heeft algemeen-geldende betekenis21.
Katharina Wilhelmina, die Bilderdijk naar Duitsland gevolgd was - aanvankelijk woonde ook zij in Brunswijk, maar later verhuisde zij naar Berlijn, waar Bilderdijk haar regelmatig bezocht - deze jonge vrouw is voor Bilderdijk de grote liefde en het grote geluk geweest. Zij bezat de zachtheid en lieftalligheid van gemoed, het geduld en de zichzelf opofferende liefde die de oudere man ontzagen en troostten. Of het haar lieftalligheid was, die hem inspireerde tot zijn grote produktie in deze jaren? Uiteraard dwong zijn financiële toestand hem in zijn Brunswijkse ballingschap zijn pen produktief te maken, maar de tien
| | | |
bundels gedichten danken in elk geval ten dele hun inspiratie aan Katharina Schweickhardt. Uit deze jaren dateren zijn Mengelpoëzy (1799), de Poëzy (eerste deel 1803 - vierde 1807), de Mengelingen, in vier delen, tussen 1804 en 1808 verschenen, en vele vertalingen en bewerkingen, o.a. naar Delille Het Buitenleven (1800) en de Zangen van Ossian. Uit deze bundels blijkt de invloed van zijn verblijf in Engeland; een nieuwe reeks vertellingen en romances voegt aan de vroegere gedichten in dit genre een aantal toe, waarvoor de vaderlandse geschiedenis stof tot het verhaal leverde. Belangrijk is ook de invloed van Ossian, met wiens werk hij te Londen had kennis gemaakt: vrijwel alle zangen bracht hij in het Nederlands over. Interessant is de motivering van zijn voorkeur voor Ossian: ‘Eenvoudigheid en Natuur, met de rijkste en vruchtbaarste dichtgeest; verhevenheid van gevoelens en innige tederheid van het hart, een allervurigste verbeeldingskracht, een welgekozen klare en doorwrochte schikking met een altijd beeldrijke en de ware Dichter kenmerkende uitdrukking gepaard!’ Deze vele grote en ‘zeldzaam bijeenvergaderde hoedanigheden’ ‘verkleven het hart aan zijn lezing22. Bilderdijk had begrip voor het eigenaardige van deze romantische prozakunst van een ‘geïnspireerd dichter’, een bezield profeet die groot ontzag wekt, die het hart raakt van het volk welks tolk hij is. Overigens bewerkte Bilderdijk dit proza op de wijze van het achttiende-eeuwse klassicisme, namelijk in klassicistische verzen23.
In deze jaren van ballingschap grijpt ook, naar uit deze gedichtenbundels blijkt, een belangrijke verandering plaats in zijn godsdienstig leven. ‘Als kind en als jongeling - schrijft Bilderdijk24 - was mij 't Christendom altijd problematicq’. Hij kende toen wel de geestelijk-religieuze zielsverheffing; deze is echter zeer wel bestaanbaar buíten het geloof aan een positieve openbaring. Dit geloof nu vestigt zich in zijn latere jaren in Bilderdijk, o.a. onder invloed van de lectuur van Cats, als een verstàndelijke overtuiging van de juistheid van de christelijke waarheid; hij is positief christen, gelooft aan een rechtstreeks geopenbaard woord Gods, de bijbel.
Wat hij echter nog niet ervaren had, was wat Da Costa gekenschetst heeft als de wasdom tot het lévend christendom. Verstandelijke overtuiging wordt thans in de psyche lévend bewustzijn; bespiegeling wordt ervaring en ondervinding25.
| | | |
Mogelijk hebben in dit proces de omgang met aanhangers van Emanuel Swedenborg tijdens zijn verblijf in Engeland en de kennismaking met Swedenborgs geschriften een rol gespeeld. Hierbij op te merken dat Bilderdijks belangstelling voor Swedenborg overigens al dateert van vóór zijn ballingschap26.
Stellig bleef het levend christendom in Bilderdijk niet onaangevochten, met name niet toen gesprekken met ‘verlichte’ tijdgenoten en de kennisname van Kants wijsbegeerte hem dwongen zich te bezinnen op zijn theologie en filosofie, - maar wezenlijk dateert toch uit déze periode Bilderdijks ‘protesterende’ houding tegen de geest van een tijd die zich steeds verder van christendom en openbaring verwijderde. Dáárover verderop27.
|
1Uitvoeriger levensbeschrijvingen van Bilderdijk gaven Is. da Costa, De Mensch en de Dichter Bilderdijk, Haarlem, 1859, en R.A. Kollewijn, Bilderdijk, zijn leven en zijn werken, Amsterdam, 1891, twee delen. Onder de titel Dichterlijke Zelfbeschrijving van Bilderdijk, gaf J. Wille een keuze uit Bilderdijks korte gedichten, Amsterdam, 1943 ( Bibl. der Ned. Letteren) met inleiding en voetnoten. Van groot belang is nog altijd H. Bavinck, Bilderdijk als Denker en Dichter, Kampen, 1906.
2Bibliografie over Bilderdijks beweerde afstamming van de graven van Teisterbant bij J. te Winkel, Ontw. VI, 68 noot. Daaraan toe te voegen A. Kluyver, Bilderdijk's afstamming van den Zwaanridder, Ni Tlg 11 (1917), 179.
3Bilderdijks correspondentie zag in verschillende uitgaven het licht: Brieven van Mr. Willem Bilderdijk, uitgegeven door W. Messchert, Amsterdam, 1836-1837, vijf delen (o.a. brieven aan P.J. Uylenbroek, Jer. de Vries, Wiselius, Da Costa, Capadose en J.F. Willems); Briefwisseling van Mr. W. Bilderdijk met de hoogleraren en Mrs. M. en H.W. Tijdeman gedurende de jaren 1807 tot 1831, uitgegeven door H.W. Tijdeman, Sneek, 1866-1867, twee delen; Mr. W. Bilderdijk's eerste huwelijk naar zijn briefwisseling met Vrouw en dochter (1784-1807), uitgegeven door J. van Vloten, Leiden, 1873; verder nog: Brieven van Bilderdijk aan Feith, uitg. door G. Kalff, TNTL 24, 45; de tot 1955 gepubliceerde uitgaven van brieven van Bilderdijk werden behandeld door J. Bosch, Mr. W. Bilderdijk's briefwisseling, Deel I (1772-1794), Wageningen, 1955, die daarin tevens een Aanvullende uitgave bezorgde van brieven van Bilderdijk.
4De vrijwel volledige uitgaaf van Bilderdijks dichtwerk heet De Dichtwerken van Bilderdijk, uitgegeven onder toezigt van Is. da Costa, Haarlem, 1857-1859, vijftien delen; deze uitgaaf is gegroepeerd in verschillende rubrieken naar de dichtsoorten; de chronologie is hier dus verbroken. Ten dele voorzag in dit tekort Bloemlezing uit de Dichtwerken van Mr. Willem Bilderdijk naar tijdsorde gerangschikt, door J. van Vloten, Leiden-Deventer, 1869, vier delen.
Van J. v.d. Valk, die ook schreef over Bilderdijks persoonlijkheid, Ons Tijdschrift 18, 407, verscheen een tweedelige bloemlezing met inleiding, Rotterdam, 1921, terwijl Willem Kloos reeds eerder zijn bekende bloemlezing met uitvoerige inleiding uitgaf onder de titel Bilderdijk, Amsterdam, z.j. [1906?]. Laatstelijk verscheen de bij de levensbeschrijving al genoemde bloemlezing uit Bilderdijks korte gedichten door J. Wille, Amsterdam, 1943.
‘Een overzicht van zijn leven en een keuze uit zijn werken’, bezorgd door Martien J.G. de Jong en Wim Zaal, Kampen, 1960, verscheen onder de titel Bilderdijk.
5Reeds eerder, als achttienjarige, had Bilderdijk zich beziggehouden met de beoefening der toneelschrijfkunst, blijkens bewaard gebleven fragmenten van een treurspel Jephtah uit 1774, die een duidelijke zelfstandigheid tegenover Vondels treurspel van die naam handhaven. Zie M.J.G. de Jong, Bilderdijks treurspel ‘Jephtah’, LT, 1957, 447-57. Een ander teruggevonden jeugdwerk behandelt M.J.G. de Jong in Een dramatische Robinsonade van Willem Bilderdijk, namelijk Zelis en Inkle, VMA, 1958, afl. 1 en 2.
6Van belang is J. Pan, Aanwijzing der oude en nieuwere dichters door Mr. W. Bilderdijk en Vrouwe K.W. Bilderdijk overbragt en nagevolgd. Met aanteekeningen, Amsterdam, 1839 (nalezing 1855), vermeerderd herdrukt achter het vijftiende deel van De Dichtwerken van Bilderdijk, Haarlem, 1859, 317-554. Verder K. Heeroma, Vondel en Bilderdijk als Ovidius-vertalers, Vondelkroniek VII (1936), 145, en F. Jansonius, Bilderdijk op zijn best, Ni Tlg 50 (1957), 317-22 (n.a.v. zijn Ovidiusvertalingen).
7Namelijk het tussen 1778 en 1795 geconcipieerde Willem van Holland, zoals het mogelijk geheten zou hebben. Het sluit aan bij de traditie van de zeventiende-eeuwse spektakelstukken als Jan Vos' Medea. Van de verhevenheid en ‘deftige eenvoudigheid’, die hij vóór en na in het Griekse treurspel roemen zal, bezit het concept niet veel. Vgl. M.J.G. de Jong, Een historisch spektakelstuk van Willem Bilderdijk, Roeping 33 (1957), 185-201.
8Bilderdijk heeft aanvankelijk in een brief aan Tijdeman gesteld, dat hij Van Alphen ‘overwon’, maar hij heeft deze vergissing later hersteld in zijn inleiding op zijn Ondergang der Eerste Wareld. De inhoud van de verhandeling over het verband van dichtkunst en welsprekendheid, opgenomen in deel VI (1783) van de Werken van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (samen met die van Bilderdijk) beantwoordt trouwens precies aan Van Engelens conventionele opvattingen in estheticis, aldus P.J. Buijnsters, aan wie ik deze mededeling dank. Ook F.K.H. Kossmann, Opgang en Voortgang van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden, 1966, 82, wijst met stelligheid Van Engelen aan (in plaats van Van Alphen).
9Mogelijk de op 3 oktober 1780 op vijfentwintigjarige leeftijd overleden Friese dichteres Cinthia Leningen. Haar Mengeldichten werden in 1782 uitgegeven.
10Bilderdijks correspondentie met Anne Luzac werd afgedrukt in Van Vlotens uitgave van Bilderdijks correspondentie met zijn eerste vrouw; zie hier p. 209, noot 3; verder J. Kok, Bilderdijk's Leidsche meisje, Historia 8, 75.
11A. Pierson, Oudere Tijdgenooten3, 153. Piersons studie is, met die van Bavinck, een der grondigste die over Bilderdijk als mens en denker verschenen. Het stuk werd eerst afgedrukt in De Gids van 1886, later in Oudere Tijdgenooten. Pierson beoordeelde ook Kollewijns Leven van Bilderdijk, De Gids, 1891, IV, 1, herdrukt in Uit de verspreide geschriften, verschenen in 1889-1895, Den Haag, 1902, 116-177.
12Geerten Gossaert, Essays, Helmond z.j. [1947], 104 vlg. Bilderdijks correspondentie met zijn eerste vrouw werd uitgegeven door J. van Vloten, Leiden, 1873; zie hier p. 209, noot 3. Over dit onderwerp schreven J.C. ten Brummeler Andriesse, Bilderdijk's eerste huwelijk, Leiden, 1873; P.J. Veth, Odilde, De Gids, 1873, IV, 571 vlg. en J.J. Frederiks, Woesthoven, Ned. Spectator, 1888, nr 38.
13Vgl. A. Zijderveld, De romancepoëzie in Noord-Nederland van 1780-1830, Amsterdam, 1915, 101-141.
14Opnieuw uitgegeven door J.J. Mak, Amsterdam, 1956, tezamen met Koekeloer of de verschalkte vleier, dat Bilderdijk waarschijnlijk in 1817 rechtstreeks naar Chaucer bewerkte. En Chaucers gedicht hangt waarschijnlijk weer samen met een of andere redactie van onze Reinaert; zie Maks toelichting, 57.
15Speciale verhandelingen etc. over Bilderdijks leven tót 1795, A. Kluyver, Bilderdijk's maatschappelijke loopbaan tot 1795, Versl. en Mededel. der Kon. Akad. van Wetenschappen, Afd. Lett. V, dl. III (1918), 394-425; herdrukt Verspreide Opstellen, 1929, 200-228; over zijn ballingschap van 1795 tot 1806, Echte stukken betreffende de uitzetting van Mr. Willem Bilderdijk in Maart 1795, door hemzelf uitgegeven in 1821; Johan Smit, Bilderdijk et la France, Amsterdam, 1929.
16Over Bilderdijk en Engeland schreef J. Wesseling een proefschrift, tot nog toe alleen gestencild (Vgl. Ni Tlg 42 (1949), 317).
17Geerten Gossaert, Essays, 108-113.
18J. Bosch, Bilderdijk's ‘Gebed’ van 1796, Ni Tlg 44 (1951), 221-5; M.J.G. de Jong, Bilderdijks ‘Gebed’ van 1796 als vertaling naar Fénélon, Ni Tlg 49 (1956), 241-9; reactie hierop van K.J. Popma in het tijdschrift Bezinning, 1957; opnieuw M.J.G. de Jong, Toegang langs een achterdeur, De Gids, 1964, 171-190; dez. Toegang via liefdesbrieven, in: Van Bilderdijk tot Lucebert, Leiden 1967, 18-45.
19In 1802 werd de door zijn eerste vrouw aanhangig gemaakte eis tot echtscheiding wegens ‘malitieuse desertie’ toegewezen, maar ook daarna heeft Bilderdijk zijn tweede huwelijk niet voor de wet gesloten. Over Bilderdijks relatie met de beide Catharina's behalve de op p. 209, noot 3 genoemde, door Van Vloten bezorgde uitgaaf van zijn correspondentie, J.F.M. Sterck, Bilderdijk na zijne uitwijking in 1795, Haarlem, 1913; vooral P. Geyl, Een eeuw strijd om Bilderdijk, De Gids, juli, okt., nov., dec. 1956 (die overigens de hele problematiek om Bilderdijk behandelt; herdrukt in Studies en Strijdschriften, Groningen, 1958, en in Van Bilderdijk tot Huizinga, Utrecht-Antwerpen, 1963, 7-81) en het hierboven vermelde artikel van M.J.G. de Jong, De Gids, 1964, 171-190.
20Ni Tlg 53 (1960), 65-73 en 129-37.
21Vandaar dat de vrouw door de man gezien wordt als ‘het eigen ik’, zij het lieflijker en teerder. Het hervinden van het ‘eigen ik’ vond voor Bilderdijk plaats toen hij Katharina Wilhelmina Schweickhardt ontmoette en leerde kennen; zij was voor hem de ‘mannin’ met dezelfde naam (K. Meeuwesse interpreteert een der namen die Bilderdijk haar gaf: Billah, als volgt: Bill, het Engels voor Willem (haar tweede voornaam was Wilhelmina), plus het Hebreeuwse suffix -ah, dat van een woord de vrouwelijke pendant maakt). De verhouding tussen de namen (Willem en Billah) openbaart ook een ontologische verhouding. Zij is hem wezensverwant, hem door wezensgelijkheid geproportioneerd; zij had haar oorsprong (als mannin) in hemzelf (als man), in de zelfheid van zijn wezen. Dat blijkt ook uit het feit dat Katharina Wilhelmina Schweickhart ook dichteres was. - En in haar dichtkunst blijkt zij de mededogende, zij die deernis heeft; deernis is het licht dat neerstraalt in de duisternis van deze wereld, het is een vlam van goddelijke liefde voor de gevallen mens. Dit mededogen harerzijds, mededogen van goddelijke oorsprong, rechtvaardigt in Bilderdijks oog dit tweede huwelijk. - Over dit alles dus K. Meeuwesse in het aangehaalde artikel.
22In Ontwerp eener Vertaling van de Gezangen van Ossiaan, opgesteld te Hamburg, na zijn eerste reis naar Engeland in de zomer van 1795; handschrift te Leiden; aangehaald J. Wesseling, Bilderdijk en Ossian, Ni Tlg 44 (1951), 308 en 312.
23J. Wesseling, t.a.p. - Over de Zangen van Ossian zeer waarderend G. Kalff, GNL VI, 390-402. Over de invloed van deze gezangen, zie Q.W.J. Daas, De gezangen van Ossian in Nederland, Nijmegen, 1961.
25Is. da Costa, De mensch en de dichter Willem Bilderdijk, Haarlem, 1859, 132-144, 427-430.
26P.J. Buijnsters, Willem Bilderdijk en De Geestenwareld, Ni Tlg 60 (1967), 289-304.
|
|