|
|
|
| |
J.A. Alberdingk Thijm (1820-1889) [1]
Toen Thijm geestelijk de ogen opende, kon hij waarnemen hoe Le Sage ten Broek uiterst bedrijvig ten gunste van het katholicisme ageerde; hij nam niet minder waar, hoe protestantse schrijvers en dichters tegen rationalisme en verlichting in het geweer waren gekomen. Vooral tot deze protestanten moest de dichterlijke jongeman zich aangetrokken voelen; zij immers konden, beter dan Le Sage en andere katholieken, als de grote meesters op het terrein van kunst en schoonheid fungeren. Wanneer zijn vader dan ook Withuys en Hendrik Harmen Klijn raadpleegt over de letterkundige vorming van zijn zoon1, wijzen de heren hem, vanzelfsprekend, op Bilderdijk. Bij hem en, maar in mindere mate, bij Da Costa sluit de jonge Thijm zich con amore aan.
| | | |
Aansluiten is hier het juiste woord: Thijm is ruim twintig jaar later geboren dan Da Costa; hij kon diens Bezwaren tegen den Geest der Eeuw nog niet eens lezen, toen die in 1823 verschenen. Toen Da Costa geestelijk al gevormd was, begon Thijm, hoezeer ook vroeg ontwikkeld, pas te denken. Hij vormt zich dan vooral in de school van Willem Bilderdijk, die hij levenslang met grote eerbied is blijven vereren. Van de vierentwintigjarige Thijm dateert een gedicht bij een borstbeeld van Bilderdijk met de bekende aanvang:
U min ik, Oude! met Uw stroefgeplooide trekken!
U, met dat starend oog, door borstels overbraauwd ...,
en kort voor zijn dood, met Beets corresponderend over Bilderdijk, schetst hij hem als ‘den grootsten geest’, ‘dien het Vaderland in de 19e Eeuw te huldigen heeft’2, terwijl hij reeds eerder niet aarzelde hem een genie te noemen3.
Deze verering voor Bilderdijk mag niet al te zeer verwonderen: Bilderdijk en Thijm waren verwant naar het gemoed, zij waren ook congeniale geesten. Verwant naar het gemoed: de jonge Thijm heeft zijn ‘zware tijd’ gekend (met name in de jaren 1840-1844, van zijn twintigste tot zijn vierentwintigste jaar4); de meest uiteenlopende gemoedsstemmingen beheersten hem in deze periode, maar de somber-zwartgallige domineert; op bepaalde ogenblikken schenkt de poëzie, zelfs de liefde hem geen bevrediging meer en verlangt hij ‘los van de aarde’, ontbonden te zijn: ‘waereld-warschheid’, een typisch romantische trek, bezielt hem:
Van zelve gaat zij (de melancholie) ook gewoonlijk over in een kalm berusten en in een opzien naar de Eeuwigheid, in de gedachte, dat er voor den Christen geen graf bestaat, dat machtig genoeg is de dooden van de levenden af te scheiden.5
De dood van zijn jeugdliefde Mimi van Berkel heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen hem ‘de dingen van de waereld’ op hun juiste waarde te leren schatten, een waarde die overigens geenszins een geringe, eerder een ‘overheerlijke’ is6!
Aan zijn gevoelens gaf Thijm ook uiting in dichtvorm; zijn eerste publikatie in boekvorm was de bundel Drie Gedichten (1844), waarin het bovengenoemde gedicht op Bilderdijk en het romantisch verhaal Ermingard van Voorne opgenomen werden.
Zijn eerste grotere werk is het romantisch verhaal De Klok van Delft (1846): de kunstenaar Ewout stelt zijn liefde voor Josina, de dochter van de klokkegieter, achter bij zijn artistiek ideaal: het volmaakte
| | | |
kunstwerk (zijn klok), waarin streng verstand en teer gevoel, maat, vorm en melodie samenwerken tot hoger doel. Maar hij blijkt niet in staat het ideale kunstwerk te vervaardigen. Liefde, kunst en schoonheid vinden op aarde nimmer hun volle verwerkelijking! Men kan dit gedicht plaatsen naast de beste gedichten die in dit genre toen in Nederland geschreven werden; nochtans ligt Thijms eigenlijke kracht niet in de dichtkunst. Als zodanig hoort hij, als vrijwel allen uit de eerste helft van de eeuw, tot de mindere goden. Viooltjens (1844), Legenden en Fantaiziën (1847) en Palet en Harp (1848) zijn produkten uit de periode, waarin de jonge Thijm nog zoekt naar zijn persoonlijke vorm.
Geleidelijk zal hij die, op het voetspoor van Bilderdijk, vinden, wanneer ook hij zich intellectueel ontplooit als een militant strijder tegen de afgoden van zijn eeuw. Het is op grond van hun beider theologie, dat Thijm als Bilderdijk ‘anti-revolutionair’ was en zich met Da Costa verzette tegen de rationalistische en liberale geest van de eeuw, en de ‘vooruitgang’ van de verlichting hekelt, met name waar die zich op stoffelijk gebied demonstreert als materialisme. Dit gebeurde o.a. in 1851 in Het Voorgeborchte. Dit uit cultuurhistorisch oogpunt belangwekkend gedicht werd geschreven ‘in Herfstmaand van het Jaar der Genade 1851’, zoals de auteur vermeldde onder het 678 alexandrijnen omvattend geschrift. Met onmiskenbare duidelijkheid wijst hij ook in dit gedicht op de zin voor stoffelijk gewin als een der kwalen van de tijd.
En in zijn vertelling Magdalena van Vaernewijck van hetzelfde jaar hekelt hij de ‘jonge mannen onzer eeuw van vooruitgang en zelfbewustzijn’ die slechts spottende minachting veil hebben voor de ridders van vroeger dagen als die zich ten overstaan van een vrouw op hoofse wijze gedroegen; de eerste en enige wetenschap, die van het geldver-dienen echter, beheersen deze
zonen van den wijsgeer van Ferney met den duivelengrimlach ... Waarlijk, wrang zijn de vruchten, die de hedendaagsche maatschappij nog steeds plukt van het voltairiaansche zaad, gestrooid door de drie mannen, die het zaad der twaalve7 zou verstikken in de voor. Wel zijn zij niet geslaagd in het verpletteren van den ‘eerloze’, gelijk hunne door de hedendaagsche poëeten geprezen mond den Godmensch aanduidde - maar toch Hem verloochenen doet gij, met al de kracht die in u is8.
Eng verbonden met deze zucht naar materieel gewin is de genotzucht, waarvan één vorm - de prostitutie - klaarblijkelijk een sterke indruk op de dertigjarige Thijm gemaakt heeft. Een van de beste novellen die hij schreef, de al genoemde Magdalena van Vaernewijck (1851), is aan dit onderwerp gewijd; en in Het Voorgeborchte volgt, onmiddellijk op
| | | |
de passage tegen ‘het stoflijk Werken’, er ene tegen de ontucht met nadrukkelijke verwijten aan de ‘ambtman der Regeering (die) haar (de ontuchtige vrouw) glimlachend den vrijdom tot haar neering verkoopt!’
Thijm ziet het materialisme en de genotzucht als de ‘vrucht’ van de voltairiaanse wijsbegeerte, die zich verzette tegen de katholieke heilsleer. Het pantheïsme ziet hij als de heersende wijsgerige stroming, zg. ‘wetenschappelijk’ verantwoord, maar in Thijms oog volstrekt verwerpelijk.
Tot deze dwaalleren is de mensheid vervallen, doordat zij God verloochende en het christendom, met name het katholicisme, losliet. Thijm sluit zich in deze aan bij Bilderdijks opvattingen, althans bij wat hij voor diens opvattingen hield. Het gedicht over het Voorgeborchte - dat is ‘'t hof der afgestorv'nen’, ‘het voorportaal van 't eindlot aller zielen’, waarin het Thijm vergund is een blik te werpen, en waar hij verschillende figuren uit de geschiedenis, die daar soms met ‘haar vormen van weleer’ terugkeren, aanschouwt - is voor een groot deel ingenomen door een rede van Bilderdijk, die vanuit het voorgeborchte heeft neergeblikt op deze aarde, maar vol smart zijn ogen afwendt om het droevig lot dat, als gevolg van haar opvattingen en levenswijs, de aarde ten deel viel.
In deze zelfde passage ook legt Thijm Bilderdijk de veelbesproken woorden in de mond:
men haat en vloekt de Kerk,
De Moederkerk, voor wie mijn hart steeds warm geslagen,
Die 't nooit verworpen heeft; neen, zelfs, wier recht te schragen
k Mij-zelf ten spijt bestond!
Hier wordt Bilderdijk door Thijm gekatholiseerd. Ten onrechte9, want hoeveel sympathie Bilderdijk voor de katholieke kerk op sommige tijdstippen gekoesterd moge hebben, een katholiek was hij geenszins, en de ‘drieste Schriftverklaring’, die naar Thijms katholiek inzicht de heilige openbaring tot een weerloos speeltuig maakte, was Bilderdijk lief.
Hier zijn wij gestoten op het punt, dat Thijm gescheiden hield van de andere ‘anti-revolutionairen’ van zijn tijdvak. Mèt hen verzette Thijm zich tegen de Franse revolutie, de ideeën die eraan ten grondslag lagen, en de consequenties die eruit voortvloeiden, maar ànders dan zij, verzette Thijm zich tegen èlke revolutie, met name tegen de opstand tegen Spanje, die, tenslotte, opstand tegen de Spaanse koning verbonden had met opstand tegen de katholieke kerk, en los-van-Spanje identificeerde met los-van-Rome. Agerend tegen de liberale geest van zijn tijd met Bilderdijk en Da Costa, was Thijm óók tegen de overheersing van de protestantse geest, verwierp hij het protestantisme als dwaalleer. Daarin was hij Da Costa's tegenstander, die hij daarom
| | | |
bondig zijn ‘vriend en vijand tevens’ noemde10. Thijm was dan ook de meest radicale anti-revolutionair van zijn tijd.
Dat zijn vijanden, tevens vrienden, van Thijms opvattingen terdege kennis namen, moet worden toegeschreven allereerst aan de kwaliteiten van de persoonlijkheid van Thijm die de omgang met niet-katholieken voor deze laatsten aantrekkelijk maakte, vervolgens aan de omstandigheid, dat Thijm zijn opvattingen artistiek stem verleende, en wel een zodanige stem dat deze door de ‘andersdenkenden’ gehoord werd. Iemand kan zijn ‘bezwaren tegen de geest der eeuw’ beter in proza dan in vers behandelen - zoals Da Costa deed -, gegeven echter de neiging van de midden-negentiende eeuwer om alles op maat en rijm te zetten, kan men Thijms Voorgeborchte als de katholieke, aan de tijd aangepaste formulering van de bezwaren tegen de geest van de eeuw waarderen. Als zodanig bezit het dan ook een duidelijke historische waarde. Het is de betekenis van Thijm geweest, dat hij, nà Le Sage en Broere, van katholiek gezichtspunt uit de strijd heeft aangebonden tegen de geest van liberalisme en materialisme, dat hij de wapens smeedde waarmee hij deze ‘monsters’ kon verslaan. Moedig als hij was en onvervaard strijder voor de moederkerk nam hij daarbij tevens het zwaard op tegen zijn protestantse vrienden die hij in een dwaalleer gevangen achtte.
Hij hoopte echter dat zijn protestantse vrienden tot de moederkerk zouden terugkeren: hun gezamenlijk front zou de gemeenschappelijke vijand gemakkelijker halt kunnen toeroepen.
Thijms eerste optreden werd door Potgieter met waardering begroet; bij wijze van spreken heeft Potgieter Thijm zijn plaats aangewezen, toen hij hem als zijn zending aanwees ‘de ontwikkeling eener nieuwe zijde onzer letterkunde: het Hollandsch-Catholieke’. Of Potgieter voorzien heeft, dat Thijm na verloop van zo luttele jaren op zó krijgs-hafte wijze niet alleen de verlichting maar ook het protestantisme te lijf zou gaan, is een andere vraag. De neiging te accapareren zat Thijm overigens in het bloed. Hij was goed en wel tweeëntwintig jaar, toen hij en zijn vriend Cramer werden uitgenodigd mee te werken aan de Spektator voor het tooneel, concerten en tentoonstellingen, die in 1842 door Van Zeggelen en S.J. van den Bergh was opgericht. Maar
| | | |
het duurde niet lang of de beide katholieke ‘kemphanen’11 vulden het tijdschrift, Thijm soms onder het pseudoniem Pauwels Foreestier; in hetzelfde jaar reeds beschouwt Thijm, blijkens zijn correspondentie, het tijdschrift als zijn eigen orgaan; hij plaatst het naast De Gids. Toen men in 1847 voornemens was de uitgave van het tijdschrift te staken, nam Thijm het hoofdredacteurschap ook naar buiten op zich, maar het blad kon zich niet handhaven; in 1849 werd het opgeheven12.
De verhouding tot De Gids was overigens, bij alle principieel verschil, vriendschappelijk, zoals ook de verhouding tot de protestantse letterkundigen. Wel verre van zich van zijn landgenoten te verwijderen, zocht Thijm hun kennis en relatie. Maar in 1853 bracht zijn onvervaard opkomen voor zijn geloof hem toch in een moeilijk parket; blijvende verwijdering heeft echter de tijdelijke situatie, zoals wij verderop zullen zien, niet veroorzaakt.
|
1De zoon werd, toen hij vijftien jaar oud was, door zijn vader à raison van 60.000 gulden, in een zaak van verduurzaamde levensmiddelen gezet om daarin een broodwinning te vinden. Toen Thijm zelf drieënveertig jaar was, kon hij voor zijn zoon een boekhandel kopen om hem een bestaan mogelijk te maken. Verduurzaamde levensmiddelen zetten meer zoden aan de dijk dan dichtbundels. M. v. Can, J.A. Alberdingk Thijm, Rotterdam, 1936, 73. De laatste werken over Thijm werden geschreven door W. Bennink, Alberdingk Thijm, Kunst en Karakter, Nijmegen, 1952 (zie Roeping 28 (1952), no. 9, 465-470 en Ni Tlg 45 (1952) 295), en G. Brom, Alberdingk Thijm, Utrecht, 1956, (Kritiek en aanvullingen van H. Prick, Roeping, jan. 1957). - Een bloemlezing J.A. Alberdingk Thijm, Bloemlezing, werd uitgegeven door een projectgroep van het Instituut Nederlands der Kath. Universiteit Nijmegen, Zutfen, z.j. [1972]; hierin ook een beknopte chronologische opgave van Thijms geschriften.
2Aangehaald M. van Can, J.A. Alberdingk Thijm, 100.
3M. van Can, 187, noot 39.
5M. van Can, 91. Het citaat is van 1843.
6M. van Can, 52. In deze waardering van het aardse wijkt Thijm dus af van Bilderdijk.
7De theorieën van Voltaire, Diderot en d'Alembert trachten het woord der twaalf Apostelen te niet te doen.
8J.A. Alberdingk Thijm, Werken - Verspreide Verhalen, deel V, Bussum, 1909, 317-8.
9Vgl. Gerard Brom, Katholicisme en Romantiek I, 18 vlg., 66.
10Cd. Busken Huet heeft in 1864 betoogd ( 2, 131-62), dat Thijm in zekere zin te laat kwam, vermits hij zich aanmeldde als discipel uit de school van Bilderdijk. La place était prise, door figuren als Da Costa en Groen van Prinsterer. Het is tot op zekere hoogte waar, maar daarbóven niet meer geheel juist, zoals Huet zelf wel zag, toen hij het onderscheid tussen Thijm en de bilderdijkianen in het oog vatte. Thijm mag dan als anti-revolutionair weinig oorspronkelijk zijn en zich aansluiten bij het verzet van auteurs als Da Costa en Groen, hij voegt een geheel nieuwe noot toe aan hun gezang door zijn katholiek uitgangspunt en de daaruit getrokken consequenties, die hem voor de helft zelfs tegenóver de mannen van het reveil plaatsten.
11C.G.N. de Vooys, GLN VII, 128.
12Voor De Spektator, zie H. Duurkens, De Beiaard V (1920).
|
|