|
|
|
| |
| | | | | | | |
Jan Hendrik Leopold (1865-1925)
Naar de leeftijd nauwelijks veel jonger dan diverse Tachtigers, begint J.H. Leopold echter pas op zijn zesentwintigste jaar te publiceren. In vergrote en definitieve proporties vertoont zijn werk dan nog eenmaal, bij alle afwijkingen, het beeld van de Tachtiger. Om essentiële aspecten van zijn levensaanvoeling en wereldbeschouwing kan men hem bij de Tachtigers rekenen; in zijn beste gedichten gaf hij een en ander gestalte op een wijze welke die van de meesten hunner te boven gaat, vertoont hij zelfs een monumentaliteit die hem tot de gestalte bij uitstek van het tachtiger-individualisme maakt. In andere gedichten vertoont hij de vrijere formulering die Tachtig rond het jaar 1890 kenmerkt. Om redenen van chronologie en van mentaliteit dient hij voorop te gaan bij de behandeling van de ‘nieuwe’ generatie.
Leopold publiceerde in De Nieuwe Gids van 1894 het vijftal gedichten dat in zijn latere bundels1 onder de verzamelnaam Scherzo te vinden is. Het laatste ervan (Gij, eersteling, hebt neergezien), een van Leopolds eerste gedichten dus, geeft de dichter wezenlijk en ten volle.
Als wezenstrek van de dichter vindt men er het individualisme, een individualisme dat het eigen mensenbestaan dicht houdt voor de buitenwereld en zich binnenwaarts concentreert. Deze concentratie is minder resultaat van theoretische overwegingen dan van de factoren die in de tweede helft van de eerste strofe worden aangeduid: een smartelijk begeven en verlatenheid. Uit het werk van Leopold spreekt een uiterst gevoelige natuur, een gewaarwordingsleven dat in fijnheid en sensibiliteit voor dat van Gorter niet onderdoet, het veeleer overtreft, maar in één opzicht wezenlijk verschilt van dat van de voorganger: terwijl de mens en dichter Herman Gorter het leven vooral genietend ervoer, ervaart Jan Hendrik Leopold het lijdend en als smart2.
Door het aangeven van deze trek van lijdend individualisme, veroor- | | | | zaakt door de overgevoeligheid van gewaarwordingsleven, is echter het wezen van Leopold nog niet volledig aangeduid. Wanneer hem, in de derde strofe, antwoord gegeven wordt op zijn vraag naar het duister in hem levende, hemzelve vreemd en toch eigen, naar de meest verborgen wezenstrek, wordt hem als grondslag van geheel zijn wezen genoemd het verlangen naar de ‘ééne, onverschenene, ademloos gewacht’. Het individualisme, dat zich uit in een hooghartig streven eenzamer dan de eenzame te zijn, in hovaardij en zelfverheffing, berust dus niet op bewuste wil, maar is de resultante van zijn onvermogen tot de begeerde algehele overgave. Leopolds individualisme is hem dus krachtens dit onvermogen noodlot.
Wat dit gedicht uit Scherzo direct belijdend uitspreekt vindt de lezer in Leopolds andere gedichten uit de jaren negentig volop terug, meteen al in de zes Christus-verzen van 1893 die zijn debuut uitmaakten; zij onthullen Leopold, zijn een zich bewuste sensitiviteit, zelfinkeer en vereenzaming, een zich verdiepen ook in de laatste momenten van een gestorven geliefde, voor wie hier, volgens de exegese van W.A.P. Smit1, Christus als symbool gesteld wordt.
Leopolds poëzie bleef echter niet tot de weergave van deze sensitiviteit beperkt. Hij verwerkt de gewaarwording inwendig. Naar aanleg beschikkend over een ‘diep gemoed en een fijn verstand’, wist hij deze beide door studie en lectuur te ontwikkelen tot hoogste werkdadigheid. Zijn noodlot bleef het, dat beide zielsvermogens zich te ontplooien hadden binnen de grenzen van de vele beperkingen die zijn sensitiviteit hem oplegde. Door deze eigenaardige psychische structuur ontstond de sterk wéderzijdse beïnvloeding van zijn vermogens die Leopold kenmerkt: de ontroering van het gemoed wordt in zelfbezinning voor verstarring behoed, terwijl het denken in de gemoedsbelevenis wordt ‘als tot het denken van het hart en zich vervormt tot peinzen’2. Dit peinzen is, blijkens zijn dichtkunst, Leopolds meest wezenlijke bewust psychische activiteit; het bepaalt de vorm van vele gedichten. Zonder twijfel vindt men in zijn werk verschillende gedichten die de onmiddellijke emotie, andere die de gewaarwording, weer andere die het spel van de fantasie uitdrukken; het meest typisch ‘Leopold’ zijn echter de gedichten waarin de samenwerking van geest en gemoed in zelfbezinnende peinzing zich uitspreekt in verzen met doorgaans korte, rijmende regels met veel enjambement, ritmisch voortlopend; het ge- | | | | dicht lijkt bijna zonder speciaal begin of einde. Het lijkt, alsof de peinzing later moeiteloos hervat zou kunnen worden.
Op verschillende manieren heeft Leopold getracht het noodlot van zijn ingekerkerd-zijn in kwetsbare zintuiglijkheid en sensitiviteit te overwinnen. Hij trachtte het te doen door middel van de liefde, de overgave aan wie hij noemt de ‘ééne’. Tot de treffendste gedichten die hij schreef, behoren de uitspraken van zijn liefdesgevoel1. De ‘ééne’, echter, blééf de ‘onverschenene’, zoals hij haar in Scherzo reeds noemde.
Nog op andere wijze streefde Leopold naar bevrijding; blijkens Oinou hena stalagmon (Van wijn één druppel) door middel van de verwerving van een bepaald intellectueel inzicht. De Griekse titel wijst in de richting van het vak van zijn speciale voorkeur, de studie van de klassieken; hij raadpleegde in de jaren voorafgaande aan het schrijven van dit gedicht verschillende klassieke auteurs, mede in verband met zijn aandacht voor Spinoza. ‘Omstreeks 1900 was Spinoza de alleenheerser die over zijn geest regeerde’, verzekert Schmidt-Degener. Diens Ethica werd hem waarschijnlijk het uitgangspunt van zijn filosofische activiteit; Spinoza voerde hem naar het stoïcisme, en dit tot Epictetus en Marcus Aurelius2. Ook tot Chrysippus. De resultante hiervan vindt men in Van wijn één druppel. Een druppel wijn, die geplengd wordt uit een schaal op de plecht, doordríngt de wateren van de zeeën van Noord- tot Zuidpool, en de spanning ervan duurt, tot zij ‘alomvattend’, ‘een in zich zelve teruggekeerde gelijksoortigheid geworden’ is. De appel die van de tak valt, stoort door zijn val het evenwicht van het heelal; als dit zijn stilte hervonden heeft en zijn stand weer heeft ingenomen, rust het Al in een gewijzigde situatie die door de val van de appel veroorzaakt is. Gelijkerwijs, meent Leopold, bestaat er een relatie tussen individu en wereld, een gevende relatie (als die van de druppel wijn) en een ontvangende (als die van het heelal wanneer de appel valt), - bestaat er dus een eenheid-van-leven tussen individu en gemeenschappelijkheid3. - Maar ook dit inzicht betekende voor Leopold geen over- | | | | winning van het individualisme-zelf, van het beginsel ervan1.
Dieper bevrediging vond Leopold klaarblijkelijk in de oosterse poëzie van Omar Khayyam, die hij in 1904 door vertalingen leerde kennen2. De afdeling Oostersch, die in de eerste bundel Verzen onmiddellijk achter Van wijn één druppel werd afgedrukt, bezit een poëtisch aspect dat Leopolds vroegere poëzie niet kende: een zoetheid en zinnelijke bekoorlijkheid van klank en voorstelling die hem klaarblijkelijk de bevrediging boden welke hij voordien niet kende; en deze zoetheid en bekoorlijkheid vindt men ook in de gedichten die handelen over de vergankelijkheid en ijdelheid van de aardse zaken. In dit poëtisch aroma vond hij de bevrediging van zijn zintuiglijkheid, die de werkelijkheid hem, anders dan de verbeelding, onthield. - Tegelijkertijd trad in deze ‘oosterse’ sfeer een wijziging op in Leopolds versvorm, die daardoor wel sterk contrasteerde met de vroegere: uit de Rubayat ‘bewerkte’ hij namelijk enige tientallen kwatrijnen, de korte, gesloten vorm, die klaarblijkelijk zijn behoefte aan gedachtelijke geslotenheid en omgrensdheid tegemoetkwam3.
Van aanzienlijke betekenis in Leopolds werk is daarna het grotere ver- | | | | halende gedicht Cheops, dat na de publikatie van zijn bundel Verzen in De Nieuwe Gids (januari 1915) verscheen. Het omvat zeven ‘strofen’, totaal 212 versregels. Koning Cheops maakt na zijn dood met de stoet van de gestorvenen - opgenomen in hun midden als één van hen, én gelijke - de tocht door de kosmische ruimte. Hij zondert zich echter naderhand van de anderen af en keert terug naar de piramide, naar zijn sarkofaag, om zich daar te verdiepen in de ‘symbolen van het voormalige’: het heilig letterschrift, de oud gevormde begroetingen, het statig woordental van de machtsverhoudingen, de lofsprekingen en de reeks rijke namen van de godenzoon. Hij zet daar, naar Egyptische opvattingen, het aardse leven voort tot in het oneindige.
Over dit gedicht verschenen nogal wat interpretaties1, ten dele vrij uiteenlopend. Lezing van het gedicht zelf maakt duidelijk dat Cheops zich afkeert van de kosmische ruimte, niet omdat deze ruimte chaos zou zijn - zij wordt veeleer duidelijk als kosmos, als geordend heelal voorgesteld -, maar omdat in deze op zich schitterende en geordende ruimte ‘verlaten onrust en onbewoonbare leegte’ heersen; anders gezegd: men mist de vertrouwde aardse dimensie. Om deze laatste te hervinden keert hij terug naar de piramide en de sarkofaag: daar beleeft hij de eeuwigheid in zijn voorname, weliswaar beperkte, maar eigen heerserspersoonlijkheid. - Een bijkomend motief tot de terugkeer lijkt de noodzaak zich in de hemelse regionen te moeten voegen in het gezelschap van de ‘doorluchte drommen en den stoet der smetteloos verrezenen’, op duidelijke afstand nog wel van de ‘onontwijde Openenden, de Hooge heerser’. Dit zich voegen zou op den duur misschien geen hinderpaal betekend hebben, indien de kosmische ruimte hem rust gegeven zou hebben; nu dit vanwege de ‘verlaten onrust’ en onbewoonbare leegte die daar heersen, niet het geval is, vervalt het motief te blijven fungeren in een zich voegende en dienende functie. De individualist, de heros, de halfgod aanvaardt dan liever de noodzakelijke beperking (i.c. de dimensie van de contingentie), liever dan uit zichzelf te treden en op te gaan in het absolute.
Kosmos en piramide zijn Leopolds dichterlijke projecties van, respectievelijk, het absolute en de contingentie. De piramide: de grootse realisatie door mensenhanden naar de maat van Cheops.
Martien de Jong meent in de piramide (ook) het symbool te zien van de (dicht)kunst; Karel Meeuwesse is hem daarin bijgevallen2: ook hij
| | | |
ziet in Cheops' verhouding tot de piramide de verhouding van de dichter tot het literaire werkstuk; voor de ziel bestaat geen adequater verblijfplaats dan het door haar zelf bezield bestand van symbolen dat het kunstwerk is.
Leopold drukte zijn gedachtengang uit in een statig, weids verhaal, waarin de uitbeelding van de grote ruimtelijke bewogenheden, de strakke grootsheid van de piramide en de markante details met elkaar in evenwicht zijn1.
Cheops blijft de hoge heerser; hij nadert niet tot enigerlei gemeenschap, in deze zin dat hij zich in die gemeenschap voegt. Sublimering van het individualisme van Leopold, menen De Jong en Lissens. Ook in later werk van Leopold is van toenadering tot de gemeenschap geen sprake, noch in het lange gedicht Albumblad, noch in een tweede reeks Oostersch. Hij vindt, in deze laatste gedichten, een zekere rust in de wijsgerig-religieuze overpeinzing van de vergankelijkheid der aardse dingen, die hij stelt tegenover de Onvergankelijke, in wie hij het zelf na dit lichamelijk leven verliezen zal. Maar de omgang met mensen blijft hem ‘een sleepend zeer, een chronisch lijden’; zijn individualisme heeft niet overwonnen, veeleer blijkt hij te zijn geworden een voorgoed vereenzaamde.
Een vereenzaamde die zich vaak bitter en bepaald schamper uitlaat over zijn medemensen. Dit laatste element spreekt opvallend sterk in de groep Oostersch II2, die daardoor naar mentaliteit aanzienlijk afwijkt van de vroegere gedichten Oostersch. En daardoor blééf kwellen het onoplosbaar levensraadsel, blééf ook wat hij eens noemde ‘de angst des wezens’3, op grond waarvan Minderaa hem indertijd al kenschetste als een ‘exempel van de tragiek der menschelijke existentie op zichzelve’4. Leopold moge overgevoelig geweest zijn, zijn angst is niet de neurose van een zieke geest, maar veeleer het ontologisch duizelen, de ontsteltenis om het eeuwige zwijgen van de oneindige ruimte (Pascal), de angst om de spanning tussen de oneindigheid van het bestaan en de machteloze nietigheid van de mens, zoals existentialisten die alle eeuwen door gekend hebben5, - het gevoel van nietigheid, vergankelijkheid, onrust om onzekerheid en raadselachtigheid van het leven.
| | | |
Krachtens het sensitivistische kenmerk van zijn wezenlijke aanleg gaf Leopold aanvankelijk overwegend impressionistische dichtkunst. Weliswaar stond dit impressionisme in dienst van het hiervoor behandelde conflict, maar het deed zich met zoveel kracht en nadruk gelden dat het, in de krachtige heerschappij van het noemende en nuancerende woord, als ‘voertuig’ van de stoet der gewaarwordingen, voorstellingen, ontroeringen, mijmeringen, tot ‘woordkunst’ in de enge zin leidde. Woordkunst die de zin niet handhaafde maar ondergeschikt maakte aan het impressionistisch behandelde woord. Evenzeer werd de versvorm verzwakt en verbroken. Zijn taalbehandeling is, bij alle rijkdom aan detail, ‘vol van typische ontbindingsverschijnselen’1 zoals Van Eyck constateert. Van Eyck acht Leopold voor het overgrote deel van zijn werk een typische ‘minor poet’, de dichter van die intieme poëzie die door de zuiverheid en intensiteit van haar intimiteit tracht te vergoeden wat zij ons door haar begrensdheid ontberen doet2. Daarin is hij de poëet in wie de poëzievorm van de Tachtigers zijn eindpunt bereikt heeft. - Maar naast dit ‘overgrote deel’ staat een aantal gedichten waarin Leopold dwars door zijn individualistische stamelingen naar universeler waarden wijst, blijvender waarden vertolkt dan zijn gewaarwordelijke gevoeligheid. De harmonie van de droombevrediging in Oostersch, de erkenning van de noodzaak van zijn individualistisch lot en de objectivering ervan in Cheops, de uitbeelding van het innerlijk conflict in het fragment van de geknotte genius, zijn als hoogtepunten van zijn kunnen geroemd3; daaraan moeten worden toegevoegd de gedichten die het typisch tragisch-existentiële levensgevoel tot uitdrukking brengen. Gebeurde dit - ook! - reeds in Oostersch uit de eerste bundel Verzen, het vond met grote nadruk plaats in de beide latere groepen Oostersch, die de verbrokkeling van zin en ritme door woord en impressionistische beweging poogden tegen te gaan en in die poging in aanzienlijke mate slaagden; daarin wist hij harmonischer geformuleerde ideeënrijkdom te doen flonkeren in de schittering van de beheerste detailschoonheid.
|
1Zijn eerste bundel verscheen onder de titel Verzen (1913, herdruk 1920); daarna verscheen Verzen, tweede bundel (1926); Van Eyck gaf in 1935 uit. J.H. Leopold, Verzamelde Verzen, later in twee delen dundruk Verzameld Werk (1951). Nieuwe varianten van enkele Leopold-gedichten werden uitgegeven en ingeleid door J.M. Jalink, Amsterdam, 1959.
2P.N. van Eyck, De Gids, 1924, III, 403-47; ook in VW 4, 170-83, 316-69 en 526-86. Het opstel van A. Roland Holst in De Gids, 1921 (maart), herdrukt in VW 4, is meer typerend voor Roland Holst dan voor Leopold. Over Leopold verder A. Donker, De Gids, 1929 (februari), 257-76; herdrukt in Fausten en faunen, Amsterdam, 1930, 7-35; M. Nijhoff, De Gids, 1929 (februari), 277-86; ook in VW 2, 493-5 en 576-86; P. Minderaa, De dichter J.H. Leopold, in De weegschaal, Kampen, z.j. [1936], 105-29; J.A. Rispens in De geest over de wateren, Kampen, 1950, 55-76; F. Schmidt Degener, Groot Nederland, 1927, II; herdrukt in Phoenix, Amsterdam, 1942, 35-70.
1Over deze Christus-verzen P.N. van Eyck, De Gids, 1924, III, 406 vlg., ook in VW 4, 316-24; W.A.P. Smit, De Gids, 1946, IV, 17-38, ook in Twaalf studies, Zwolle, 1968, 126-46.
2P.N. van Eyck, De Gids, 1924, III, 443; ook VW 4, 324.
1De gedichten die hierop betrekking hebben, werden behandeld door P. Minderaa in De weegschaal, 119-26.
2F. Schmidt-Degener, Phoenix, 51 vlg.; zie ook J.C. Kamerbeek, Leopold en de oudheid, De Nieuwe Stem, 1956.
3Kritiek op de logica van dit gedicht leverde P.N. van Eyck, t.a.p., 426 vlg.; ook in VW 4, 342 vlg. A.L. Sötemann beschouwt het gedicht van de wijndruppel ( Oinou) als de herneming en apotheose van het gedicht van de regendruppel ( Regen), dat hij in zijn analyse en interpretatie schijnbaar objectief noemt, maar in werkelijkheid acht hij het een gesloten symbolisch gedicht met een sterk geladen gemoeds-bewogenheid. Zie zijn studie Ni Tlg 67 (1974), 475-92.
1J.C. Kamerbeek, Leopold's ‘Eén druppel wijn’; ontwerp voor een interpretatie, Ni Tlg 45 (1952), 129 vlg. - A.L. Sötemann, Leopold en Chrysippus, Ni Tlg 60 (1967), 158-64, wijst erop, dat de gedachtenwereld van de Stoa, in het bijzonder die van Chrysippus, Leopold beïnvloed heeft voor wat betreft de keus van zijn exempla (wijndruppel, enz.); zij zijn, aldus Sötemann, in eerste instantie niet anders dan exempelen van de drie zijnscategorieën die de Stoa onderscheidt: zaak (water), groei (van de appel) en ziel (‘deze gedachten’). Bovendien vertonen ze in hun opeenvolging de categoriale hiërachisering van het zijnde, maar tegelijk ook hun fundamentele verwantschap. - In zijn artikel Leopold en Dionysius van Halicarnassus, Ni Tlg 61 (1968), 145-56 heeft Sötemann drie stijlen in het gedicht aangewezen (de ‘kantige’, de ‘zoetvloeiende’ en de ‘gemengde’) alsook hun samenvoeging in het patroon van dit gedicht, waartoe hij de aanleiding ziet in de kort tevoren (1910) weer uitgegeven editie van een werk van Dionysius van Halicarnassus. Door deze procedure van drie stijlen en hun samenvoeging tot één patroon wordt, aldus Sötemann, een ‘fenomenale hommage’ gebracht aan de grootste Griekse dichters. - Ten vervolge op de artikelen van A.L. Sötemann schreef J.D. Ph. Warners, Leopold, Marcus Aurelius en Lucretius, Ni Tlg 68 (1975), 206-10.
2F. Schmidt-Degener, Phoenix, 59 vlg.
3Over deze ‘oosterse’ poëzie P.N. van Eyck, De Gids, 1924, III, 429-34; ook in VW 4, 347-53. J. Hulsker, De bronnen van Leopold's oostersche poëzie, De Gids, 1935, IV, 40-72; J.D. Ph. Warners, Het Nederlandse kwatrijn (diss.), Amsterdam, 1947, 98-171; W. Asselbergs, GLN 9, 317-23. - Met betrekking tot de oorspronkelijkheid van Leopolds ‘oosterse’ gedichten zijn, uitgaande van het vermelde artikel van Hulsker, nogal harde noten gekraakt, o.a. door Menno ter Braak ( Het Vaderland, 8 oktober 1935, niet opgenomen in diens VW, en diens De duistere dichter, VW 4, 70 vlg.); laatstelijk door Jaap Meijer, Vijf maal een dooie hond: J.H. Leopold en het literaire geweten, Kentering 11 (1970, september-oktober), 26-35; J.J.M. Westenbroek, Witte tanden voor Jaap Meijer, Kentering 12 (1971), nr 2, 46-8.
1P.N. van Eyck, De Gids, 1924, III, 434-40, ook in VW 4, 354-61; Martien J.G. de Jong, Leopold's ‘Cheops’, Leiden, 1966; R.F. Lissens, Nogmaals ‘Cheops’, SpdL 12 (1969-70), 284-92; Karel Meeuwesse, De slotverzen van ‘Cheops’, VMA, 1970, 543-52.
2In tegenstelling met R.F. Lissens, t.a.p.
1Over de stijl van Cheops zie vooral Martien de Jong, a.w., passim; R.F. Lissens, t.a.p., passim; ouder: W. Kramer, Ni Tlg 45 (1952), 325-31.
2Verzen (1913) bevat dus Oostersch; Verzen tweede bundel (1926) bevat Oostersch I en Oostersch II.
4P. Minderaa, t.a.p., 129.
5O. Pedersen, Van Kierkegaard tot Sartre, Amsterdam, z.j., 132.
1P.N. van Eyck, VW 4, 366.
2P.N. van Eyck, VW 4, 367.
3P.N. van Eyck, VW 4, 365.
|
|