terug  begin  verder

De ontwikkeling van de Surinaamse taalsituatie 2

De eerste fase van de kolonisering van Suriname staat in het teken van de handel tussen Europeanen en Indianen. Na 1650, door de inname van Suriname door Willoughby, die er de suikerindustrie introduceerde, worden slaven uit Barbados naar Suriname gebracht (Rens 1953). In 1665 vestigde zich een grote groep van Portugese Joden, die ook plantages stichtten. Deze Joden hielden ook slaven. In 1667 verovert Abraham Crijnssen Suriname op de Engelsen en wordt deze kolonie - met uitzondering van het Engels tussenbestuur van 1804-1816 - een Nederlandse aangelegenheid.

Naarmate de intensiteit van de suikerindustrie toeneemt, wordt het aantal slaven vermeerderd, met het gevolg dat de volksplanting een totaal ander karakter krijgt. Het wordt een plantagekolonie, waarin de verhouding van blanke slavenhouders ten opzichte van de zwarte slaven er een wordt van een kleine minderheid tegenover een grote meerderheid (Van Lier 1977). Het is daarom voor de blanken een grote opgave de zwarte slaven te beheersen. Talloze wetten worden gemaakt, die tot doel hebben de voor blanken ongunstige getalsverhouding te compenseren. Er ontstaat een zeer wreed onderdrukkingssysteem, dat de slaven op allerlei manieren klein moet houden. Toch heeft de geschiedenis van de vrijheidsstrijd die de marrons (weggelopen slaven) zeer consequent gevoerd hebben getoond, dat ze bereid waren ten koste van alles voor hun vrijheid op te komen. In zijn Van

[p. 26]

Priary tot Anton de Kom beschrijft Sandew Hira de geschiedenis van strijd die alle bevolkingsgroepen gestreden hebben, vanaf de allereerste vormen van kolonisatie - in 1674 slaagde een grote indianen-opstand er bijna in de kolonisatie tot een eind te brengen - tot in de twintigste eeuw.

Vanaf het begin van de volksplanting heeft er vermenging plaatsgevonden tussen blanke slavenhouders en de slavinnen. Dit ondanks alle wetten en strafbepalingen die intiem contact tussen blank en zwart verboden.

Van Lier (1977: 71) noemt 1738 het eerste jaar waarvan er opgave bestaat van het aantal vrije kleurlingen en negers. Het aantal vrijen, kleurlingen en negers, bedraagt dan nog 598 tegenover 2133 blanken. Hierna volgt door vrijlatingen van slaven een gestadige groei van het aantal vrijen tot in 1825 de aanvoer van slaven wordt stopgezet. Het aantal vrijlatingen wordt dan sterk verminderd. Als de afschaffing van de slavernij in zicht komt, worden alle beperkingen op de vrijlatingen opgeheven. De groep gekleurden, die al het karakter van een middengroep had, ontwikkelt zich dan snel tot een middenklasse in de Surinaamse maatschappij. Deze groep is door haar positie bi-cultureel en dus ook tweetalig. Een zeer bekende kleurling uit deze middenklasse is F.C. Focke, de samensteller van een Neger-Engels woordenboek (1755).

Voor velen klinkt het feit dat in de 19e eeuw het Sranantongo de taal van het onderwijs aan de slaven is geweest, als nieuwe informatie. In 1844 verkregen de broeders van de Moravische zending toestemming van de koloniale overheid om slaven te leren lezen. Uiteraard is het onderwijs aan slaven vooral gericht op kerstening. Het heeft tot 1854 geduurd voordat het leren schrijven van de taal werd toegestaan. Curieus genoeg geloofden de slavenhouders dat beheersing van de schrijfvaardigheid verdere opstand en strijd tegen hun macht zou stimuleren. De toegift die slaven het recht gaf te leren schrijven, moet gezien worden in het kader van de naderende emancipatie in 1863, die deels door de strijd van de slaven zelf verworven was.

Daarmee was de periode van slavernij ten einde. In deze periode is door de slaven, tegen alle verdrukking in, een heel rijke Afro-amerikaanse taal en cultuur tot stand gebracht. De groei van de taal is vooral in de eerste periode verbluffend geweest (zie verder Voorhoeve's bijdrage).

 

In de ontwikkeling na de periode van de slavernij speelt het jaartal 1876 een centrale rol. In dat jaar werd, met de algemene leerplicht, het Nederlands als (enige) schooltaal ingevoerd.

In feite was er op dat moment natuurlijk al een situatie van diglossie,

[p. 27]

doordat Nederlands de taal van de heersende kaste was en de overige talen alleen door de onderliggende groepen werden gesproken. Maar de uitsluiting van het Sranantongo en de andere talen uit het onderwijs maakt de diglossie als het ware tot een beleidsdoel; het is de officiële degradatie van de volkstalen.

Uiteraard heeft deze maatregel de tweetaligheid onder de bevolking sterk doen toenemen. Taalkundig is het gevolg daarvan een toename van de wederzijdse beïnvloeding van de talen. In sociolinguïstisch opzicht markeert het jaartal 1876 de overgang tussen twee fasen in een ontwikkeling die heel algemeen is voor gekoloniseerde gebieden. De fase waarin er een grote, met geweld in stand gehouden afstand tussen kolonisators en gekoloniseerden is, wordt gevolgd door een fase waarin de kolonisators, deels uit ‘ethische motieven’, hun cultuur en taal aan de bevolking gaan overdragen (om deze te verheffen). De gewelddadige politieke en legale onderdrukking, tijdens welke de slaven ondanks alles een eigen cultuur konden vormen, uitbreiden en verfijnen, maakt plaats voor geestelijke onderdrukking, waarin stelselmatig de waarde van deze cultuur wordt ontkend en aangevallen. Het effect van een dergelijke politiek is zo mogelijk nog verwoestender dan van gewelddadige onderdrukking: het zelfrespect van de gekoloniseerden wordt ondermijnd, het moederland wordt hèt cultureel oriëntatiepunt, waar alles wat ‘waardevol’ is vandaan komt. De mate waarin iemand zich taal en cultuur van het moederland heeft eigen gemaakt, bepaalt zijn status in de kolonie.

Deze politiek van culturele kolonisatie heeft in Suriname tot ver na de tweede wereldoorlog geduurd (zo werd nog in 1966 een lyceum geheel naar Nederlands model gesticht - dat overigens inmiddels weer is opgeheven). Desondanks zijn de talen en culturen van de verschillende bevolkingsgroepen er niet aan ten onder gegaan. Ook tegen deze verdrukking in, bleef de in slavernij ontwikkelde taal, het Sranantongo, een levende taal, waarin de eigen culturele waarden worden beleefd. Dit vormde de basis van waaruit in de jaren '40 de emancipatie van het Sranan en de cultuur die het vertegenwoordigde kon beginnen.

 

Na de afschaffing van de slavernij zochten de plantagehouders en het Nederlands bestuur vervangende goedkope arbeidskrachten. Achtereenvolgens zijn groepen Chinezen (tot 1870), Hindoestanen (van 1873 tot 1916) en Javanen (van 1890 tot 1939) als arbeidscontractanten naar Suriname gehaald. (De totale aantallen bedragen resp. 2000, 34306 en 32956. Van de Hindoestanen is ongeveer eenderde gerepatrieerd, van de Javanen ongeveer een kwart.) De Chinese immigratie is echter, na de periode van de contractanten, doorgegaan; veel

[p. 28]

Chinese arbeiders vestigden zich na afloop van het contract als winkelier en lieten, als hun onderneming slaagde, familieleden overkomen. In deze vorm gaat de immigratie tot nu toe door.

De talen van de immigranten kwamen uiteraard onder hetzelfde juk van de koloniale cultuurpolitiek als het Sranantongo. Wel werd er aanvankelijk in het Hindi onderwijs gegeven. Dit gebeurde tot 1906 op de zg. ‘koeliescholen’, en daarna, op heel beperkte schaal en vooral als overbrugging naar het onderwijs in het Nederlands, nog op de ‘districtsscholen’. Deze werden in 1929 opgeheven; van dat jaar af was er ook voor het Hindi geen plaats meer in het officiële onderwijs. (De Hindoestaanse immigranten brachten trouwens niet één taal het land in, maar een complex van variëteiten met verschillende functies. Het Sarnami is de dagelijkse omgangstaal die in Suriname uit diverse Hindi-dialecten is ontstaan. Meer hierover uiteraard in de sectie die aan het Sarnami is gewijd.) Voorzover we weten zijn er voor de Chinezen en Javanen nooit dergelijke maatregelen genomen. Ook de immigrantentalen zijn dus in het beleid van de kolonie zo goed als genegeerd en in de L-positie van een diglossie-verhouding gedrongen, maar hebben zich als groepstalen, met een bindende en cultuur-bewarende functie, gehandhaafd. Zowel de Chinese als de Hindoestaanse bevolkingsgroep hebben particuliere cursussen in hun eigen taal en cultuur verzorgd. Tegenwoordig is het bijzondere scholen van de Hindoe- en Moslim-gemeenschappen toegestaan (Hoog-)Hindi of Urdu als vak te geven (N.B. dus niet het Sarnami!) In de stad is echter de beheersing van de groepstalen wel verminderd en vindt er een verschuiving plaats naar Sranantongo en Nederlands, die beide, maar op verschillende wijze en in verschillende functies, op nationaal niveau een rol spelen.

Het Nederlands is in Suriname tot Surinaams-Nederlands geworden, met specifieke kenmerken op alle niveaus. Deze zijn voor een deel aan invloed van de andere talen toe te schrijven, waaraan het Sranantongo de grootste bijdrage heeft geleverd. Het Surinaams-Nederlands is weer niet homogeen, maar een scala van variëteiten. Er kan gesteld worden dat er een soort continuum bestaat tussen het Surinaams-Nederlands en het Sranantongo, een vloeiende overgang tussen die twee onderscheiden schalen. Vele specifiek Surinaams-Nederlandse elementen worden nog vaak als foutief Nederlands beoordeeld.

Het zal duidelijk zijn dat de term diglossie zeer zeker op de Surinaamse taalsituatie toegepast kan worden, maar dat er in feite sprake is van een serie diglossie-verhoudingen: tussen het Nederlands en de overige talen, en binnen de talen tussen hoog-gewaardeerde en geminachte variëteiten. Bovendien wordt het diglossiekarakter aangetast door de recente emancipatiebewegingen.

[p. 29]

Tot nu toe hebben we gesproken over de taalsituatie zoals die zich ontwikkeld heeft daar waar er sprake was van taalcontact. Het beeld moet nog worden gecompleteerd met de talen die daarbuiten zijn gebleven, of zich - na een korte contactperiode - in een betrekkelijk isolement hebben ontwikkeld. Dit zijn de talen van de indianen en de bosnegertalen. Er worden in Suriname vier Indianentalen gesproken: Arowaks, Kalina, Wajana en Trio, waarvan de laatste drie onderling verwant zijn, de eerste echter een andere taalfamilie vertegenwoordigt. De bosnegertalen hebben zich ontwikkeld in de samenlevingen die de weggelopen slaven (al vanaf het begin der kolonisatie) in het binnenland hebben gevormd. Er zijn er vier, die twee aan twee gegroepeerd kunnen worden: Saramakkaans en Matuwari, en Ndjuka en Paramakkaans. Saramakkaans en Matuwari bevatten veel Portugese elementen, waarvan de oorsprong moet worden gezocht in het Pidgin-Portugees dat in de 17e eeuw op de Afrikaanse westkust werd gesproken; Ndjuka en Paramakkaans zijn overwegend op het Engels gebaseerd, net als het Sranantongo (over mogelijke oorzaken van dit merkwaardige verschil, zie Voorhoeve's bijdrage).

Het schema van figuur 7 vat de ontwikkeling van Suriname's taalsituatie samen door chronologisch aan te geven welke talen er, naast de talen van de oorspronkelijke indianenbevolking, successievelijk bij kwamen.

Tekenen van onderlinge taal- en culturele solidariteit

De weg naar een bevredigende vorm van taal- en culturele integratie in de Surinaamse maatschappij is een lange weg van strijd geweest. Het kan niet genoeg herhaald worden hoezeer hier sprake is van een unieke ontwikkeling. Met name wordt hier gedoeld op de ontwikkeling van de politieke en sociaal-culturele eenwording die zich tegen alle verdeel-en-heers-taktieken in heeft gemanifesteerd.

Dit proces is des te bewonderenswaardiger, aangezien het in eerste instantie geenszins de bedoeling is geweest in de kolonie te werken aan wat genoemd zou kunnen worden de vorming van een natie. Zulks verdroeg zich uiteraard niet met het karakter van een wingewest, hetgeen Suriname in oorsprong was. De basiselementen die hoe dan ook bewerkstelligd en verworven zijn en die een zekere vorm van culturele identiteit voeden, zijn door de keiharde strijd tegen het koloniale onderdrukkingsapparaat ingegeven. Alle etnische groeperingen van de Surinaamse samenleving hebben hiertoe hun bijdrage geleverd. De strijd die gevoerd is, kreeg vorm in de culturele identiteit van de Surinaamse maatschappij. In de loop van de geschiedenis hebben zich genoeg samenbindende elementen ontwikkeld die door de Surinamer als herkenbaar en als eigen bezit worden ervaren.

[p. 30]


illustratie
Figuur 7: Schematische voorstelling van de historische ontwikkeling van de Surinaamse taalsituatie.

De lingua franca, het Sranantongo, oorspronkelijk een puur creoolse taal, wordt door alle etnische groepen gesproken en ervaren als een taal van eigen natie. Het is ook de taal die zich geleend heeft voor beïnvloeding van welke etnische groep ook. Dit alles komt tot uiting in de verschillende functies die deze taal in de samenleving vervult. Naast de contacttaalfunctie in het dagelijks leven, onderscheiden we er nog een aantal die zowel in Suriname als daarbuiten van groot belang zijn. Het zijn functies die unificerend van aard zijn:

- de functie van herkenning
- de functie van gezelligheid
- de functie van kreativiteit
- de functie van literaire taalcultuur
- de functie van taal die de oude Surinaamse geschiedenis belichaamt
- de functie van taal van fatoe.

 

Fatoe is de term voor creatieve taalsituaties die tot doel hebben samen te kunnen lachen. Ook is het een taalkunst die wordt beoefend bij het tegen elkaar opbieden, waarbij ieders vlotheid getest

[p. 31]

wordt. Deze taalvaardigheden kunnen consequenties hebben voor de status van de deelnemers in de groep: degene die het meest creatief met de taal kan omgaan, geniet het hoogste prestige (het is verwant aan ‘signifying’ in de Amerikaanse zwarte cultuur, zie C. Mitchell-Kernan, ‘Signifying, loud talking and marking’ 1972).

Ook het Nederlands in zijn Surinaamse vorm moet gezien worden als een taal die is gaan behoren tot het Surinaamse taal- en cultuureigen. De meeste Surinaamse schrijvers hebben het Surinaams-Nederlands gebruikt als een taal die voldoende uitdrukkingskracht bezit om de Surinaamse cultuur in al haar aspecten tot uitdrukking te brengen. Veel schrijvers hebben op verschillende manieren en bij verschillende gelegenheden te kennen gegeven het Surinaams-Nederlands dan ook te willen beschouwen als typisch Surinaams. In dit verband kunnen worden genoemd: Albert Helman, Dobru, Leo Ferrier, Thea Doelwijt, Bea Vianen, Edgar Cairo.

De creoolse stadscultuur die in de 18e en 19e eeuw te Paramaribo ontstond, is niet langer als uitsluitend creools aan te duiden. Sinds de tweede wereldoorlog is door urbanisatie een groot deel van het van oorsprong Aziatisch deel van de Surinaamse bevolking naar de stad getrokken. De positie van Paramaribo als hoofdstad met de vestiging van alle overheden, maar ook als cultuurcentrum van Suriname, heeft een zeer logische ontmoeting van alle in Suriname aanwezige culturen met zich meegebracht. Moderne communicatiemiddelen zoals radio en televisie hebben het cultuurbeleven en de eigen uitingsvormen ervan van de verschillende etnische groepen tot elkaar gebracht. Talloze organisaties hebben allerlei culturele manifestaties georganiseerd, waarvan het motief was, naast het etnisch eigene tot uitdrukking te brengen, ook de nadruk te leggen op de unificerende ontmoetingsmomenten van de verschillende culturen in Suriname. Hoezeer de enorme westerse invloed in Suriname te bespeuren valt, het is duidelijk dat de typisch eigen culturele vormen die voor een ieder herkenbaar zijn als Surinaams eigen een levendige ontwikkeling hebben meegemaakt.

Op het gebied van religie en wereldbeschouwing zijn er reeds zeer veel vormen van uitwisseling te bemerken die zeer stimulerend zijn te noemen. Er is een toename te constateren van wederzijdse belangstelling en waardering van vormen van religieuze en culturele uitingen die worden ervaren als behorende tot de rijkdom van de totale Surinaamse samenleving. De ontmoeting tussen de culturen is een belangrijk thema in romans van schrijvers als Leo Ferrier en Bea Vianen en in de poëzie van o.a. Shrinivāsi.

Ook als het gaat om de wat meer uiterlijke zaken als kleding en omgangsvormen is er veel wisselwerking gaande.

[p. 32]

Scholen en instituten van hoger onderwijs kunnen een grotere rol spelen daar waar het gaat om het serieus uitwisselen van het verscheiden Surinaamse cultuurbezit.

Van zeer groot belang is te vermelden dat er de laatste tijd studies zijn verschenen van de hand van Surinamers, die naast hun wetenschappelijke waarde de onderlinge solidariteit benadrukken die driehonderd jaar strijd tegen koloniale overheersing heeft opgeleverd. Voorbeelden zijn:

- Van Priary tot Anton de Kom van S. Hira (1982);
- De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij van J.P. Sewpersad (1979);
- Koloniale politiek en transformatieprocessen in een plantage-economie; Suriname 1873-1940 van G. Willemsen (1980).

Zie verder ook het bibliografisch overzicht.

terug  begin  verder