terug  begin  verder
[p. 34]

Sranantongo

Inleiding 1

Sranantongo is de taal die in Suriname op de plantages door de slavenbevolking is ontwikkeld. De snelle uitgroei tot een rijk geschakeerde taal, met veel stilistische mogelijkheden en een heel specifiek idioom, wekt bewondering. De taalkundige historische ontwikkeling is nog weinig bestudeerd, maar een eerste begin is gemaakt. Er is in elk geval een vrij groot aantal geschreven bronnen uit de 18e en 19e eeuw, waaruit zich de fonologische en syntactische ontwikkelingen laten reconstrueren.

Aan de positie van de taal heeft bijgedragen dat de Moravische zending die in het laatste kwart van de 18e eeuw op gang kwam, zich van het Sranantongo heeft bediend. Tot nu toe speelt de taal een grote rol in de Evangelische Broeder Gemeente Suriname (E.B.G.S.). Voor de immigranten uit Azië, die na de slavernij het land binnenkwamen, was Sranan de eerste taal die ze leerden. Op deze wijze bleef Sranan ook de taal van de plantages, nadat de zwarte bevolking deze verlaten had.

Vooral in de periode tot 1940 moet de taal onderhevig zijn geweest aan de negatieve oordelen die typisch zijn voor een diglossiesituatie. Toch bleef de taal, die in de verdrukking was ontstaan en gegroeid, ook onder deze vorm van cultureel kolonialisme bestaan en bloeien. Een prachtige beschrijving van het creoolse volksleven van Paramaribo omstreeks 1930, met zeer veel aandacht voor de taal en de orale literatuur in die taal, is Herskovits (1931). Aandacht van de linguïstiek voor de taalkundige karakteristieken van het Sranan dateert grotendeels van na de tweede wereldoorlog. Met name Voorhoeve wijdde er een reeks van studies aan. Van die tijd af dateert ook de emancipatie van het Sranan. Onze afdeling bevat, na de hieronder volgende ‘Kennismaking met het Sranan’, een artikel van Voorhoeve over de eerste ontstaansperiode, waarbij vooral de vraag of de basis ervan een Portugees of een Engels pidgin is geweest, wordt besproken; een schets van E. Essed over de emancipatie van het Sranantongo sinds 1945, de huidige positie en toekomstmogelijkheden van de taal; en een studie van Lie waarin nagegaan wordt in hoeverre het Sranan

[p. 35]

van andere bevolkingsgroepen dan de creoolse, afwijkend is. De tekst die we als illustratie gebruiken is van Koenders, een centrale figuur in de strijd voor de opwaardering van het Sranan; de tekst zelf is een moment in die strijd.

Kennismaking met het Sranantongo

Het Sranantongo is een van de creolentalen van Suriname.

Een creolentaal is in feite niets anders dan een ‘jonge taal’; een taal die in een recent verleden is ontstaan en gegroeid. In de algemene inleiding is dit proces van creolisering besproken. Linguïstisch komt het jonge karakter van een taal tot uiting in:

- afwezigheid van vervoegingen en verbuigingen en relatief vaste woordvolgorde;
- relatief grote doorzichtigheid;
- flexibiliteit;
- een beeldende wijze van uitdrukken.

De groei van een taal, niet in termen van aantallen sprekers, maar van inhouden die erin uitgedrukt kunnen worden, is te danken aan sprekers die voor het eerst bepaalde inhouden in die taal vormgeven. Naast de al bestaande woorden en uitdrukkingswijzen hebben zij daarvoor een aantal universele middelen tot hun beschikking. Hiervan noemen we:

- bestaande woorden in een figuurlijke betekenis gebruiken (beeldspraak);
- gebruik maken van de expressieve waarde van de spraakklanken op zichzelf;
- de vorm van bestaande woorden zó te veranderen, dat er op ‘natuurlijke wijze’ een aspect aan de betekenis wordt toegevoegd. Met name de verdubbeling, van het hele woord of van een lettergreep, speelt bij jonge talen een rol;
- expressief gebruik van de woordvolgorde, wat inhoudt: woorden die een prominente plaats in de boodschap hebben, op een prominente plaats in de zin zetten.

 

De lezer zal deze middelen misschien voor een deel herkennen als de zg. ‘stijlfiguren’ uit het literatuuronderwijs. In ‘oude talen’ (we bedoelen niet dode talen, maar talen met een veel langere geschiedenis) zien we inderdaad deze zelfde middelen gebruikt worden wanneer sprekers streven naar een bijzondere, expressieve manier van zeggen. Bij jonge talen worden ze toegepast om het aantal inhouden dat kan worden uitgedrukt, substantieel te vergroten. Het gebruik van deze middelen leidt tot ‘nieuwe taal’.

[p. 36]

Daarbij is de verhouding tussen vorm en inhoud niet willekeurig (zoals bij de meeste overgeleverde woorden), maar ‘ikonisch’, dat wil zeggen: er is een soort natuurlijke relatie tussen vorm en inhoud, de vorm beeldt op de een of andere wijze de inhoud uit.

Als een stukje ‘nieuwe taal’ algemeen gebruikt gaat worden en tot de overgeleverde vormen gaat behoren, gaat vaak dit ikonische verloren. Het kenmerk van jonge talen nu is dat ze relatief veel van die oorspronkelijke doorzichtigheid hebben behouden. De universele middelen die talen doen groeien, zijn er beter in te herkennen dan in talen met een langere geschiedenis.

 

Een andere bron die een taal kan doen groeien, wordt gevormd door andere talen in de omgeving. Het gaat daarbij niet alleen om het overnemen van woorden, waarvoor vaak de bovenliggende taal als toeleveraar dient (in Suriname het Nederlands). Op dieper niveau ontlenen creolentalen veel aan de oorspronkelijke moedertaal- of -talen: ook wel woorden, maar daarnaast ook ‘manieren van zeggen’. In het Sranantongo zijn de invloeden van Afrikaanse talen duidelijk herkenbaar in de syntaxis en in het idioom. Het doorzichtige karakter van de taal maakt dat hij bij eerste kennismaking makkelijk te leren is. De taal echt in zijn nuances te leren vergt evenveel inspanning als bij elke andere taal. Het is vooral ook een taal die in zijn cultuur-historische achtergrond begrepen moet worden (dit geldt voor iedere taal, maar bij het Sranantongo dringt dit besef zich wel heel duidelijk op).

 

Ter illustratie van het bovenstaande willen we nu een aantal lexicale en grammaticale voorbeelden geven:

- woorden in overdrachtelijke betekenis (dit heet wel ‘metaforische extensie’):
mofo (van Engels mouth), mond, komt men tegen in bijvoorbeeld bobimofo, ‘borstmond’ - tepel, mofoneti ‘mond nacht’, vooravond.
- overgang zonder vormveranderingen naar andere woordklassen (multifunctionaliteit);
siki: ziek (bijv.nw.), ziek zijn (intransitief werkwoord), ziek maken (transitief werkwoord), ziekte (zelfstandig naamwoord).
Dezelfde afleidingen zijn mogelijk bij bijvoorbeeld hebi, zwaar, blaka, zwart.
koni, slim, kennis, wijsheid.
bosro, borstel, borstelen.
‘De taal wordt hierdoor zeer plooibaar en in staat om met een kleine woordenschat veel uit te drukken.’ (J. Voorhoeve, Encyclopedie van Suriname, p. 573).
[p. 37]
- verdubbeling: naast een aantal woorden die een verdubbelde vorm hebben terwijl de enkelvoudige niet voorkomt (puspusi, kat; gorogoro, keel), zijn er woordparen van enkele en verdubbelde vorm. De verdubbeling kan diverse betekenisaspecten uitdrukken: versterking: wanten, meteen, wantenwanten, onmiddellijk; safri, zachtjes, safrisafri, behoedzaam.
verlenging van duur gepaard met afzwakking: siki, ziek zijn, sikisiki, sukkelen; waka, lopen, wakawaka, slenteren.
overgang van werkwoord naar zelfstandig naamwoord, dikwijls met instrumentale betekenis: kan, kammen, kankan, kam; kosi, schelden, koskosi, scheldwoord.
De verdubbeling is nog steeds een levend (produktief) procédé.
- aaneengeschakelde werkwoorden (seriële constructie):
de invloed van de Westafrikaanse talen komt opvallend tot uiting in de mogelijkheid in één zinsconstructie twee of meer werkwoorden aan elkaar te schakelen. Ook andere creolentalen uit het Caraïbisch gebied hebben deze constructie.
A saka komoto na tapu a sodro kon na gron.
(Hij zakte, kwam af van de zolder kwam op de grond)
A koti wan pisi brede puru gi mi.
(Hij sneed een stuk brood nam weg gaf mij) - hij sneed een stuk voor voor mij af.
Lon go teki a buku tjari kon gi mi.
(Ren ga neem het boek breng kom geef mij) - breng me vlug het boek.
- vooropplaatsingen: het Sranan heeft twee stilistische regels ontwikkeld waardoor zinsdelen op de prominente eerste plaats van de zin kunnen worden gezet.
Topicalisatie: het vooropplaatsen van niet-werkwoordelijke zinsdelen, die dan vaak worden ingeleid door (n)a. In andere contexten moet dit vaak in het Nederlands worden vertaald met een vorm van het koppelwerkwoord zijn:
kofi, katoen nanga ken den mu prani
(Koffie, katoen en suikerriet zij moeten planten).
Watramama, na yu sidon na ston?
(Watramama, is jíj zit op die steen?)
Vooropplaatsing van het werkwoord: dit is in feite een verdubbelingsregel, omdat het werkwoord herhaald wordt op de plaats die het ín de zinsconstructie heeft. Als het werkwoord ontkend wordt, neemt het die ontkenning mee naar de eerste plaats van de zin:
Wasi den mu wasi
(Wassen zij moesten wassen)
[p. 38]
Na kisi mi kisi a sani
(Is krijgen ik heb gekregen dat ding)
A no feti wi de feti ma a pré wi de pré.
(Is niet vechten wij vechten maar spelen wij spelen - We vèchten niet, we zijn aan het spélen.)

 

In het bovenstaande hebben we veel voorbeelden gebruikt uit de zeer informatieve grammatica van A. Donicie, De creolentaal van Suriname (1959). Verder willen wij wijzen op de verschillende artikelen en boeken over het Sranan van Jan Voorhoeve, vermeld in de bibliografie, op de tweetalige (Sranan-Engels) grote bloemlezing van Surinaamse literatuur Creole Drum verzameld door Jan Voorhoeve en Ursy Lichtveld (1975), en tenslotte op de prachtige verzameling teksten verzameld in Herskovits (1936).

terug  begin  verder