Surinaams-Nederlands is een vorm van het Nederlands. Voor Nederlanders is de taal direct verstaanbaar - al kunnen zich een enkele maal misverstanden voordoen. Het omgekeerde geldt eveneens - Surinamers die Surinaams-Nederlands spreken hebben geen problemen met de Nederlandse variëteit. Dit is vermoedelijk een van de oorzaken dat het eigen karakter van de taal lange tijd onderschat is. De andere oorzaak is dat het onderwijs in Suriname heel lang als norm het Nederlandse Nederlands (het ABN) heeft overgedragen, vooral voor schriftelijk taalgebruik. Hierdoor wijkt geschreven Nederlands uit Suriname in veel gevallen weinig af van geschreven Nederlands dat uit Nederland afkomstig is.
Maar de taal hééft een eigen karakter. Met zijn Woordenboek van het Surinaams-Nederlands uit 1977 heeft Van Donselaar eens en voor altijd aangetoond dat de lexicale verschillen tussen Surinaams-Nederlands en het Nederlandse Nederlands niet beperkt zijn tot een ‘twintigtal woorden’ zoals wel eens is verondersteld. Het Woordenboek bevat in de eerste druk 1400 woorden en uitdrukkingen die of in het Nederlands niet voorkomen of in het Surinaams-Nederlands een specifieke betekenis of gebruikssfeer hebben ontwikkeld. (Het is in feite etnocentrisch - in dit geval Neerlando-centrisch - het eigen karakter van een taal weer te geven in termen van afwijkingen van een uitheemse standaard, maar voorlopig zien we nog geen andere mogelijkheid. En historisch gezien is deze voorstelling niet geheel onjuist - het gaat om een geïmporteerde taal, die zijn eigen karakter geleidelijk heeft ontwikkeld.)
Het is gezien de huidige stand van kennis nog niet verantwoord een beeld te geven van de historische ontwikkeling van het Surinaams-Nederlands. Dat is de reden waarom een apart artikel hierover ontbreekt in deze afdeling. Voor een goed begrip zou men bijvoorbeeld moeten weten hoe de Nederlandse bevolking van Suriname in de eerste periode van de kolonisatie was samengesteld; hier is echter nog geen onderzoek naar gedaan. Wel kunnen we globaal een paar factoren noemen. Van groot belang is het gegeven dat het Nederlands in
de hele periode van de slavernij buiten het bereik van de slaven is gehouden. Het werd dus hoofdzakelijk door Nederlanders gesproken; in tweede instantie ook door een zich ontwikkelende tussenklasse van kleurlingen en gemanumitteerden (vrijgelatenen), maar ook daarover is nog weinig bekend. Een deel van de specifiek Surinaams-Nederlandse woordenschat moet gezien worden als het resultaat van de omstandigheid dat de Nederlanders in Suriname, op basis van Nederlandse woorden, nieuwvormingen hebben gecreëerd om de nieuwe omgeving waarin ze terecht waren gekomen te benoemen. Men vindt dit soort Nederlandse nieuwvormingen bijvoorbeeld op het gebied van de planten- en dierennamen: grietjebie (op klanknabootsing berustende vogelnaam), witlip (inmiddels verouderd en algemeen vervangen door pingo, dat via het Sranan uit het Karaïbs komt). Vaak ook werden inheemse planten genoemd naar al bekende planten uit Europa die er enige gelijkenis mee vertoonden, zoals kastanje.
De beïnvloeding vanuit andere talen, in het bijzonder het Sranan, zal vooral na 1876 in betekenis zijn toegenomen, toen door het onderwijs de tweetaligheid begon toe te nemen. Deze beïnvloeding komt tot uiting in een groot aantal leenwoorden, maar ook in leenvertalingen en grammaticale kenmerken. Van betrekkelijk recente datum is vervolgens weer de invloed van het Engels (Amerikaans), die vooral weer veel leenwoorden heeft opgeleverd.
Het Karaïbs heeft ook een aanzienlijke bijdrage aan de woordenschat geleverd, voor een deel misschien rechtstreeks, maar voor een groter deel via het Sranan. Daartegenover hebben de overige talen van Suriname, die in tegenstelling tot het Sranan groepstalen zijn gebleven: Hindi/Sarnami, Javaans, Chinees, tot nu toe relatief weinig woorden geleverd.
De grammaticale bijzonderheden van het Surinaams-Nederlands kan men in veel gevallen in verband brengen met het Sranan. Gezien het bovenstaande mag men veronderstellen dat ook deze zich pas na ± 1875 hebben ontwikkeld. Ze worden besproken in de bijdrage van E. Essed. Het stuk is van 1956 (!) en mag met recht een stukje sociolinguïstiek avant la lettre worden genoemd.
De emancipatie van het Surinaams-Nederlands, die moet uitkomen op de erkenning en de waardering van het eigen karakter ervan en op een vrij gebruik ervan in allerlei vormen van taalverkeer, zonder het risico van stigmatisering, is op gang gekomen, maar zeker niet voltooid. Dat het Nederlands in Suriname iets specifieks heeft en daarom een eigen naam verdient, is al voor de oorlog opgemerkt (Schoonhoven 1938). Een bijdrage is zeker ook geleverd door L. Lichtveld (Albert Helman), die in 1953 Marc Connelly's Green Pastures in het Surinaams-Nederlands bewerkte. Uit de inleiding citeren we:
Er is in de laatste jaren, vooral in onderwijskringen, nogal wat geharrewar geweest over het al of niet ‘rechtens’ bestaan van een idiomatisch Surinaams-Nederlands. Zonder op deze kwestie met haar pedagogische impicaties in te gaan, mag veilig worden vastgesteld dat er ‘een’ Surinaams-Nederlands bestáát. Er is zelfs meer dan één Surinaams-Nederlands want het Nederlands dat in dit land gesproken wordt, is vaak verschillend gekleurd - phonetisch, morphologisch, idiomatisch en syntactisch - al naar de sociale en etnische klasse (die soms samen vallen) waartoe de gebruiker behoort.
In de literatuur maken schrijvers als Dobru (R. Ravales) en recentelijk Rappa (pseudoniem van R. Parabiersingh) bewust gebruik van Surinaams-Nederlandse uitdrukkingen. Laatstgenoemde heeft in beschouwingen in het dagblad De Ware Tijd ook gepleit voor een surinamisering van de norm voor het Nederlands in het onderwijs. Mooi gebruik van Surinaams-Nederlands vindt men ook in de jeugdherinneringen van Heilaard, Zij en ik. Een pleitbezorger is ook de schrijver-dichter Edgar Cairo, die in een reeks van romans de mogelijkheden van het Surinaams-Nederlands niet alleen toepast, maar ook probeert uit te bouwen. In zijn eerste roman, Kollektieve schuld, weet hij vooral in de weergave van de gesprekken gesproken Surinaams-Nederlands heel dicht te benaderen. Uit deze roman komt de tekst die we als illustratie gebruiken. In latere romans en in zijn stukjes in het Nederlandse dagblad De Volkskrant (nu in twee bundels verzameld) ‘extrapoleert’ hij de specifieke Surinaams-Nederlandse elementen, dat wil zeggen: de uitdrukkingen en constructies die hij gebruikt komen in principe wel in het Surinaams-Nederlands voor, maar niet in de mate waarín hij ze gebruikt. De taal die hij op deze wijze in zekere zin creëert, wordt door Surinamers in het algemeen niet herkend als het Surinaams-Nederlands zoals dat in Suriname wordt gesproken. Dat komt behalve door deze ‘extrapolatie’ ook door het feit dat Cairo graag ‘klassiek’ Surinaams-Nederlands gebruikt: zegswijzen zoals hij ze zich herinnert maar die nu, door toenemende invloed van het onderwijs dat ‘surinamismen’ bestreed, verouderd zijn. Daarnaast maakt hij ook leenvertalingen van Sranan uitdrukkingen, en soms geheel nieuwe woorden. Beide bundels stukjes worden voorafgegaan door inleidingen waarin Cairo zijn taalpolitieke standpunt en werkwijze uiteenzet.
Ondanks deze pleidooien is Surinaams-Nederlands nog ver van de erkenning van zijn autonomie verwijderd. Er is in het onderwijs wel een toenemende tolerantie, maar tegelijkertijd bij veel taalleraren een angst voor ‘wildgroei’. Officiële stukken, zoals regeringsnota's, en gesproken Nederlands bij formele situaties (zoals interviews voor radio en televisie) bevatten geen of nauwelijks Surinaams-Nederlandse elementen, zeker niet op grammaticaal niveau. Er is dus nog geen sprake
van de officiële, door een bewuste taalpolitiek van de overheid gesteunde, erkenning van het Surinaams-Nederlands waarvoor H.W. Campbell pleit in zijn stuk dat in de laatste afdeling is opgenomen. In Nederland staat het Surinaams-Nederlands onder directe invloed van Nederlandse varianten. Tegelijkertijd gaat het Surinaams-Nederlands hier een symboolfunctie vervullen: vooral bepaalde Surinaams-Nederlandse uitspraakkenmerken krijgen hier een waarde als blijken van Surinamerschap. E. Charry bespreekt de effecten van deze twee tegengestelde factoren.