Toen mij het verzoek bereikte de hier volgende scriptie van 1956 te doen publiceren, moest ik mij afvragen of dit nodig en verantwoord was. Het is dikwijls pijnlijk met het eigen verleden geconfronteerd te worden, vooral als gesproken wordt over een ‘voorlopig onderzoek’ dat verder niet is uitgewerkt.
In 1957 vertrok ik echter naar Suriname en mijn contact met het Surinaams-Nederlands was sindsdien zo intensief dat veel verschillen tussen het Europees- en het Surinaams-Nederlands mij al spoedig niet meer opvielen.
Nu, na ruim twintig jaar, geloof ik dat de meeste beweringen nog juist zijn, ook die op sociolinguïstisch (men sprak toen nog over taal-sociologisch) gebied.
Het Nederlands is nog steeds de enige officiële taal en de schooltaal in Suriname en heeft als zodanig prestige.
De positie van het Sranantongo is versterkt door de nationalistische beweging en de onafhankelijkheid, de groeiende literatuur in deze taal en het steeds toenemend gebruik in de politiek en in de voorlichting. Code switching vindt frequenter en soms midden in een gesprek of zelfs in een zin plaats. Men blijft echter voorzichtig een onbekende of iemand van een andere sociale positie, bevolkingsgroep of sexe in het Sranantongo toe te spreken.
Aan studies over de aard van het Surinaams-Nederlands is grote behoefte ontstaan, daar men zich bewust wordt van de wens te komen tot een eigen, Surinaamse, standaard van het Nederlands en deze standaard ook nodig is bij het ontwerpen van Nederlandse taalmethoden voor het onderwijs.
Als deze oude scriptie hiertoe een bijdrage kan leveren en kan stimuleren tot verder onderzoek, is de publikatie verantwoord en niet on-
nodig geweest.
Object van het onderzoek
Beperkingen: De afwijkingen in uitspraak, woordaccent en zinsintonatie zijn hier niet behandeld.
Materiaal - In dit onderzoek werden als schriftelijk materiaal gebruikt 112 opstellen gemaakt door creoolse leerlingen bij het eindexamen van de Hendrikschool (neutrale M.U.L.O.) te Paramaribo, gemaakt naar opgegeven onderwerpen, in de jaren 1945, 1946 en 1947. Deze opstellen bevinden zich in het archief van het Bureau voor Taalonderzoek in Suriname, te Amsterdam.
De opstellen zijn door de onderwijzer gecorrigeerd en van een cijfer voorzien.
Verwijzingen naar een bepaald opstel zullen geschieden met het jaar van eindexamen, m of v ter aanduiding van het geslacht, en het examennummer.
Omdat aan een uitbreiding van het materiaal werd gedacht, is steeds H (Hendrikschool) toegevoegd. Voorbeeld: 1946 H m 22. Bovendien werd bij elk citaat vermeld of de afwijking door de onderwijzer gecorrigeerd was of niet door: (verb.) of (niet verb.).
Als mondeling materiaal diende voor mij het spraakgebruik van mijn informanten, allen afkomstig uit de creoolse hogere of middenklasse. Tijdens een gewoon gesprek van mij met een informant of van infor-
manten onderling, maakte ik geregeld zo onopvallend mogelijk aantekening van afwijkingen die mij opvielen. Tussen de informanten en mijzelf bestond reeds voor het onderzoek een vriendschappelijke verhouding. Ik ben mij ervan bewust, dat een nauwkeurige en verantwoorde analyse pas mogelijk is na een volledige opname van een aantal gesprekken op de band.
Bewerking - Alle afwijkingen van het Europees beschaafd Nederlands in de onderzochte opstellen werden met een verwijzing naar de context geficheerd.
De fiches werden geordend naar de aard van de afwijking. (Zie ‘Demonstratie van het materiaal’.)
Met informanten werd nagegaan of de afwijking in Suriname algemeen was en of deze door hen als beschaafd of onbeschaafd werd beschouwd. Een belangrijke aanwijzing hiervoor was ook het wel of niet voorkomen van een verbetering door de onderwijzer.
Vervolgens werd naar een verklaring van de afwijking gezocht.
Zonder veel risico kunnen we aannemen, dat de creoolse en Joodse geslaagden van het eindexamen Hendrikschool, die uit de top, midden- en in enkele gevallen uit de volksklasse afkomstig zijn, vrijwel alle in meerdere of mindere mate tweetalig zijn.
Voor wij het eigenlijke onderzoek beginnen, kunnen wij reeds de
volgende mogelijke oorzaken voor eventuele afwijkingen aanwijzen:
Tengevolge van 2 en 3 kan de taal van de opstellen afwijkingen vertonen, die in Suriname niet algemeen zijn of, vooral wanneer het letterlijke vertalingen uit het Sranan betreft, niet als beschaafd worden beschouwd. Deze afwijkingen kunnen echter op den duur wel algemeen worden en in het verleden moet een aantal van de afwijkingen, die thans algemeen zijn ten gevolge van die oorzaken ontstaan zijn. De overige oorzaken van de afwijkingen zullen bij de demonstratie van het materiaal worden besproken en bij de eindconclusie worden gegeven.
Uit het geordende schriftelijke materiaal aangevuld met aantekeningen die werden gemaakt van gesprekken met informanten is op de hier volgende bladzijden een keuze gemaakt.
Een volledige demonstratie zou weinig zin hebben, daar in de loop van het onderzoek bleek, dat het materiaal in verschillende opzichten minder geschikt was. Zo bracht bijv. de aard van de opstellen met zich mee dat het onmogelijk bleek hieruit conclusies te trekken over het systeem van de werkwoordstijden van het geschreven Nederlands van Surinamers. De opstellen behandelen namelijk vrijwel alle een gebeurtenis die zich in het verleden heeft afgespeeld en van de directe rede wordt slechts bij uitzondering gebruik gemaakt.
Wel is getracht om te demonstreren welke typen afwijkingen zich kunnen voordoen en voor welke problemen de onderzoeker gesteld kan worden.
Bij de idiomatische afwijkingen werden de verba niet behandeld, daar tijdens het onderzoek bleek, dat verschillende schijnbaar idiomatische afwijkingen terug te brengen waren tot afwijkingen in het verbale systeem en, zoals hierboven reeds is opgemerkt, het materiaal was niet van dien aard, dat het gehele verbale systeem behandeld kon worden.
Ook een behandeling van het aanwijzend voornaamwoord-systeem is achterwege gelaten, daar het materiaal hiervoor niet uitgebreid genoeg was.
Het lag oorspronkelijk niet in mijn bedoeling ‘gaan’ als hulpwerkwoord van tijd te behandelen, daar dit eigenlijk in het kader van het gehele werkwoordstijdensysteem zou moeten geschieden. Het bleek echter noodzakelijk te zijn in verband met het daarop volgende onderwerp.
Substantiva - In het Nederlands van de beschaafde creool vinden we een aantal substantiva, waarvan de lexicale betekenis in Suriname verschilt van de huidige betekenis in het A.B.N., of die in Nederland geheel onbekend zijn.
Naast deze groepen afwijkingen die volgens de informanten in Suriname algemeen en beschaafd zijn, werden in de opstellen een aantal substantiva gevonden, die onjuist werden gebruikt en die steeds door de onderwijzer waren verbeterd. De oorzaak van deze fouten is waarschijnlijk een onvoldoende beheersing van het Nederlands tengevolge van een minder frequent actief en passief taalgebruik.
Soms werd een woordvorm gebruikt, die wel een zekere vormgelijkenis vertoonde met het woord dat in de context juist zou zijn geweest, b.v. ‘Het schoolgetij’ i.p.v. ‘de schooltijd’.
Een andere keer werd een ook in het Europees-Nederlands minder frequent woord gebruikt met een onjuiste betekenis, b.v. ‘kleinodiën, b.v. lampen, kasten enz.’ (1945 H m 48).
Een enkele fout kan ook verklaard worden uit de plaatselijke omstandigheden, zoals het door elkaar gebruiken van ‘weiland’ en ‘heide’ voor hetzelfde begrip in opstel 1946 H m 22. In Suriname kent men geen heide, en de leerling heeft heide blijkbaar altijd als een variant van weide beschouwd.
In totaal werden door mij 9 (8 m, 1 v) van dergelijke gevallen gevonden.
Adjectiva - Bij de adjectiva hebben we bij de woordvormen die ook in het Europees-Nederlands voorkomen over het algemeen niet te maken met woorden die in Suriname een geheel andere betekenis hebben, maar met woorden die slechts verschillen in enkele zeer bepaalde gebruiksmogelijkheden.
| In Suriname algemeen: | Europees A.B.N.: | ||
|---|---|---|---|
| 1947 H m 2 | Een slechte droom | - | een boze droom |
| (Sr. wan takru dren) | |||
| 1947 H v 55 | een goed uitziende jonge | - | een knappe jongen |
| snuiter | |||
| 1946 H v 56 | de mondelinge tafel | - | de tafel waaraan het mondeling |
| examen wordt afgenomen. | |||
| een brede rok | - | een wijde rok | |
| een smalle rok | - | een nauwe rok |
Aan omstandigheden gebonden:
| hij kweekt zijn haar hoog | - | hij laat zijn haar lang groeien |
| je haar is groot | - | je haar is lang, staat wijd uit. |
(Kroeshaar groeit veel minder gauw naar beneden, dan het haar van Europeanen en gaat ook wijder uitstaan dan steil haar.)
Leenwoorden uit het Surinaams - Bij de gesprekken van Surinaamse informanten onderling viel het op, dat zij speciaal bij het geven van een typering vaak gebruik maakten van een Sranan woord. Achteraf zeiden zij, dat deze woorden toch eigenlijk niet beschaafd waren. In het schriftelijk materiaal ben ik ze tot nu toe ook nog niet tegengekomen.
| bombel | - | vlot willende doen, zonder het te zijn. Wordt b.v. gebruikt om een ‘oude jonge juffrouw’ te typeren. |
| fast (die jongen is fast, Sr. wan fast boi) | - | die jongen gaat tegenover meisjes snel tot actie over. |
| jaga-jaga | - | hangerig, slordig (gezegd van kleren). |
De individuele afwijkingen zijn waarschijnlijk het gevolg van dezelfde oorzaken die bij de substantiva zijn aangegeven. In totaal vond ik 4 (4 m) verkeerd gebruikte adjectiva.
Staande uitdrukkingen - De staande uitdrukkingen werden door mij in drie groepen verdeeld:
1 Uitdrukkingen, die in Suriname beschaafd en algemeen zijn, maar die hetzij in vorm, hetzij in gebruik afwijken van het Europees-Nederlands. Voorbeeld:
| 1946 H m 24 | Om zeven uur was ik kant klaar |
| 1946 H m 55 | De onderwijzers voerden het hoogste woord. ‘Jongens en meisjes, studeren anders kom je er niet’ dat hoorde men de hele dag. |
In totaal werden door mij 15 van dergelijke afwijkingen gevonden (13 m, 2 v).
2 Uitdrukkingen, die niet beschaafd zijn, maar wel te verklaren vanuit het Sranan.
Voorbeeld:
| 1945 H m 36 | Hij nam het zich tot werk (Sr. A ben mek wroko fu en) | - stelde zich ten doel |
In totaal vond ik 3 (2 m 1 v) van dit soort uitdrukkingen.
3 Uitdrukkingen die individueel en incidenteel zijn en waarvan de verklaring in een gebrekkige kennis van het Nederlands moet liggen.
Voorbeeld:
| 1947 H m 16 | Aan remmen viel natuurlijk niet te denken, daar we anders hals over kop zouden slaan. |
| 1945 H m 11 | Ik liet alles in de steek lopen. |
In totaal werden door mij 9 (7 m, 2 v) van dergelijke afwijkingen gevonden.
Genus (taalkundig geslacht)
Lijst van afwijkingen
| type | m | v | tot. |
|---|---|---|---|
| de hol | 6 | ||
| deze hol | 2 | 8 | |
| het rijst | 2 | ||
| dit rijst | 1 | 3 | |
| een geheime pad | 4 | ||
| onze schooljaar | 2 | 6 | |
| een bergachtig buurt | 3 | ||
| ieder patrouille | 1 | ||
| een of ander plaats | 2 | 6 | |
| relatief gebruikt | |||
| een kaarsje, die | 6 | 6 | |
| een klok, dat | 3 | ||
| een hond, het | 9 | 1 | 13 |
| het rapport, de mijne | 1 | 1 | |
| een nieuw rooster, het was al de vijfde | 1 | 1 | |
| het huis schudde in haar grondvesten | 1 | 1 | |
| de dame, wiens | 1 | 1 | |
| de leeuwin, hij | 1 | 1 |
In het Europees-Nederlands is het genus-verschil vrijwel geheel conventioneel. Wij zien dan ook, dat het creoolse kind, dat minder frequent met het Nederlands in aanraking komt, hier fouten maakt, die
echter steeds door de onderwijzer verbeterd zijn. Het maken van fouten in het genus wordt over het algemeen als typisch onbeschaafd beschouwd.
Reflexieve verba (wederkerende werkwoorden) - Een aantal in het Europees-Nederlands traditioneel reflexieve verba, hebben in Suriname hun reflexieve vorm verloren.
Het betreft hier verba, die door een niet reflexief verbum met overeenkomstige betekenis gesubstitueerd kunnen worden.
Voorbeeld:
1945 H v 13 De hele avond bemoeide ze alleen maar met de prins. (praatte ze) Hij verbeeldt, dat hij goed Nederlands kent. (hij denkt, dat...)
Intransitieve verba (onovergankelijke werkwoorden) - Sommige werkwoorden die in het Europees-Nederlands intransitief zijn, kunnen in Suriname ook transitief worden gebruikt.
Voorbeeld:
De examinatoren zakten hem.
In de opstellen werden slechts weinig gevallen, 4 (1 m, 3 v), van zulke niet meer reflexieve en intransitieve werkwoorden aangetroffen, maar zij waren nooit verbeterd. In de gesproken taal van mijn informanten komen zij zeer veel voor. Ze worden niet als onbeschaafd beschouwd en men is zich er ook niet van bewust hier een afwijking van het Europees-Nederlands te hebben.
De richtingaanduidende verba - In het Europees-Nederlands wordt richting aangegeven door een voorzetsel, door een speciaal richting-aanduidend bijwoord of door een voorzetsel + richtingaanduidend bijwoord. Het verbum geeft alleen de beweging aan en niet de richting van de beweging.
Voorb.:
Ik ga naar Amsterdam (toe).
Ik ga uit Amsterdam (weg).
Ik vertrek daarvandaan, daarheen.
In het Sranan echter wordt richting niet aangegeven door een voorzetsel of bijwoord, maar door de lexicale betekenis van sommige verba. Specifiek richtingaanduidende verba zijn o.a.: ‘go’ - gaan naar, ‘komopo’ - komen van, ‘komoto’ - weggaan van, ‘poti’ - plaatsen op, plaatsen in, neerzetten, ‘puru’ - wegnemen, halen uit,
‘kon’ - komen, ‘teki’ - nemen, nemen uit.
Indien de richting bepaald wordt t.o.v. een substantief, wordt voor dit substantief ‘na’ geplaatst. Dit ‘na’ geeft geen richting aan, maar duidt alleen op een locale relatie. Wordt de richting bepaald t.o.v. een locaal bijwoord (‘pe’ - waar, ‘dape’ - daar, ‘de’ - daar, ‘dia’ - hier), dan wordt ‘na’ niet gebruikt.
Voorbeeld: (ontleend aan Donicie blz. 113 vgg.)
| Mi komopo na skoro | - | Ik kom van school. |
| Me go na skoro | - | Ik ga naar school. |
| Mi de na skoro | - | Ik ben op school. |
| Mi komopo dape | - | Ik ben daarvandaan gegaan. |
| Me go dape | - | Ik ga daarheen. |
| Mi de dape | - | Ik ben daar. |
Indien het verbum dat de handeling uitdrukt niet specifiek richting-aanduidend is, wordt een verbum van de bovengenoemde groep toegevoegd.
Voorbeeld:
| Dan a waka go na oso | - | Toen ging hij naar huis. |
| lett.: Toen hij liep ging naar huis. | ||
| Skoifi go na mindri | - | Schuif naar het midden toe. |
| lett.: Schuif ga naar midden. | ||
| Datra koti wan bonjo puru na ini mi noso | - | De dokter sneed een beentje uit mijn neus weg. |
| lett.: Dokter sneed een beentje nam weg in mijn neus. |
In het Nederlands van Surinaamse creolen vinden we, indien een ‘equivalent’ van een Sranan richtingaanduidend verbum wordt gebruikt, dat de richting eveneens door het verbum wordt bepaald. Wordt de richting bepaald t.o.v. een substantief, dan wordt daar wel naar bij geplaatst, maar nooit naar toe. We vinden dus wel: ‘Ik ga naar Paramaribo’, ‘Ik ga naar mijn moeder’, ‘Ik ga naar school’, maar nooit: ‘Ik ga naar Paramaribo toe’, ‘Ik ga naar mijn moeder toe’, ‘Ik ga naar school toe’.
Wordt de richting bepaald t.o.v. een bijwoord of een bijwoordelijke groep, dan wordt naar weggelaten.
Voorbeeld:
| 1946 H v 32 | 's Middags vroeg ik of ik bij haar gaan mocht | - | ... of ik naar haar mocht toe gaan. |
| (Ik heb bij haar gegeten. | - | idem) | |
| Ik ga veel bij Jan. | - | Ik kom vaak bij Jan aan huis. | |
| (Ik ben bij Jan. | - | idem) |
| Hij gaat boven. | - | Hij gaat naar boven. | |
| (Hij is boven. | - | idem) | |
| Ik ga thuis. | - | Ik ga naar huis toe. | |
| (Ik ben thuis. | - | idem) | |
| Ik ga aan de overkant. | - | Ik ga naar de overkant toe. | |
| (Ik werk aan de overkant. | - | idem) | |
| Wij gaan overal met de auto. (inform. in brief) | - | Wij gaan overal met de auto naar toe. | |
| (Wij planten overal bomen | - | idem) | |
| Hij gaat daar vaak. | - | Hij gaat daar vaak heen, hij komt daar vaak. | |
| (Hij woont daar. | - | idem) | |
| Hij vertrekt daar om 7 uur. | - | Hij vertrekt daarvandaan om 7 uur. | |
| 1947 H m 12 | Ik belde vanuit de steiger | - | ... |
| de garage op, waar hij mij | vanwaar hij mij na enkele minuten | ||
| na enkele minuten terughaalde. | ... | ||
| (Ik bel vanuit de steiger, waar ik met mijn bagage sta te wachten. | - | idem) |
Opvallend is het betekenisverschil tussen:
| Ik ga buiten | - | Ik ga naar buiten (buitenshuis). |
| Ik ga naar buiten | - | Ik ga naar een plaats (boerderij) op het platteland toe. |
In het laatste geval wordt ‘buiten’ substantivisch gebruikt. (Men zegt b.v. ook ‘ik ben de hele dag op buiten (op een plaats buiten de stad) geweest’.) Men kan ‘ik ga naar buiten’ in vele gevallen substitueren door ‘ik ga naar plantage’.
Een ander voorbeeld waarbij de richting blijkbaar reeds in het werkwoord is aangegeven:
| 1947 H m 21 | Ik rende regelrecht | - | ... |
| door op het prik- | op het prikkeldraad toe (af) | ||
| keldraad en sprong | en ... | ||
| er over. |
Geen van de hierboven uit de opstellen aangehaalde voorbeelden was door de onderwijzer verbeterd. Wel verbeterd was het volgende:
1946 H m 55 zodat men bij een vriend naar toe moest om een boek te lenen.
Bovenstaande zin is blijkbaar ontstaan door contaminatie van de in Suriname normale constructie ‘zodat men bij een vriend moest gaan’ en de Europees-Nederlandse constructie ‘zodat men naar een vriend toe moest’.
Een constructie waarbij aan het niet richtingaanduidend verbum een specifiek richtingaanduidend werkwoord is toegevoegd, zoals dit in het Sranan gebeurt, heb ik noch in de opstellen aangetroffen, noch door mijn informanten horen gebruiken.
‘Gaan’ als hulpwerkwoord van de toekomende tijd - In het Europees-Nederlands kan de toekomende tijd op verschillende manieren worden uitgedrukt.
1 Door het hulpwerkwoord ‘zullen’.
2 Door het gebruik van de presensvorm van het werkwoord, wel of niet vergezeld van een tijdsbepaling. Zonder tijdsbepaling wordt de presensvorm gewoonlijk alleen voor een futurum proximum gebruikt, maar speciaal bij het werkwoord ‘gaan’ kan ook zonder tijdsbepaling de toekomst vrij ver verwijderd zijn.
Voorbeeld:
Dat werk doe ik morgen wel.
Pas op, je valt. (je staat op het punt om te vallen.)
Blijf je voorgoed in Nederland? Nee, ik ga weer weg.
3 Door ‘gaan’ gebruikt als hulpwerkwoord van tijd.
Voorbeeld:
Ik ga rechten studeren. (Dit kan binnenkort, maar ook over enige jaren zijn.)
In het gesproken Nederlands van Surinaamse creolen wordt de Nederlandse presensvorm in de regel alleen4 gebruikt voor handelingen, die niet aan tijd gebonden zijn of die in het heden plaatsvinden. Om de toekomende tijd uit te drukken dienen de hulpwerkwoorden ‘zullen’ en ‘gaan’. Op het verschil in betekenis tussen ‘zullen’ en ‘gaan’ wordt hier niet te diep ingegaan. Waarschijnlijk correspondeert dit geheel met het betekenisverschil tussen ‘sa’ en ‘go’ in het Sranan. Simons zegt, dat ‘go’ alleen gebruikt wordt bij een futurum proximum en ‘sa’ bij een meer verwijderde toekomst. Voorhoeve noemt de ‘sa-’ categorie een categorie met de waarde van een irrealis, terwijl ‘go’ een veel grotere werkelijkheidswaarde heeft. Donicie meent dat ‘sa’ gebruikt wordt ‘zonder affectrelatie tot 't heden’ en ‘de go’ met affectrelatie tot 't heden.
Daar het niet mijn doel is het Sranan te beschrijven, wil ik hier volstaan met op te merken dat in het Nederlands van Surinamers het hulpwerkwoord ‘gaan’ opvallend veel gebruikt wordt in die gevallen waarin een Nederlander een presensvorm zou gebruiken. Tot nu toe ben ik geen gevallen tegengekomen waarin de Surinamer ‘gaan’ zei,
als de Nederlander zeker ‘zullen’ zou hebben gebruikt.
Voorbeeld:
Pas op, je gaat vallen.
Toon gaat kwaad zijn. (wanneer hij straks buiten komt en merkt dat de straat spiegelglad is.)
(Over iemand die met verlof in Nederland is) Je moet Coleridge in de gaten houden, want die man gaat weer weg gaan.
Je gaat nog ziek worden als je je niet warmer kleedt.
De informanten zijn zich er in deze gevallen absoluut niet van bewust, dat zij een niet Europees-Nederlandse constructie gebruiken, ook niet nadat hun dit nadrukkelijk is gevraagd. ‘Pas op, je valt’ voelen zij als fout.
Actieve vorm, passief subject - Een van de meest opvallende afwijkingen in de gesproken taal van de Surinaamse creolen is het gebruik van de actieve vorm in enkele gevallen waarbij het grammatische subject passief bij de door het verbum genoemde handeling is betrokken.
De volgende gevallen werden door mij genoteerd:
| Ik ga operatie doen | - | ik zal geopereerd worden. |
| Ik heb operatie gedaan | - | ik ben geopereerd. |
| (De dokter gaat een operatie doen | - | de dokter zal opereren.) |
| (De dokter gaat opereren | - | idem) |
| Het kind gaat dopen | - | het kind zal gedoopt worden. |
| (Pater gaat het kind dopen | - | de pater zal een kind dopen.) |
| Hij gaat aannemen | - | hij zal (als lidmaat van de kerk) aangenomen worden. |
| (De dominee gaat een nieuw lidmaat aannemen | - | idem) |
| Ik ga een foto maken | - | ik zal worden gefotografeerd ik ga fotograferen. |
| Ik heb een foto gemaakt | - | van mij is een foto gemaakt. ik heb een foto gemaakt. |
| Bij die kapper kap ik | - | bij die kapper pleeg ik me te laten kappen. |
| Ik ga mijn haar knippen | - | ik ben op weg naar de kapper om mijn haar te laten knippen. |
| De kapper gaat haar knippen | - | de kapper zal gaan knippen. |
De oorzaak van deze afwijkingen moet gelegen zijn in de tweetaligheid, daar wij hier met vrijwel letterlijke vertalingen uit het Sranan te maken hebben.
Men zegt daar namelijk:
| Mi de go du operasi | - | lett.: | ik ga doen operatie |
| Mi ben du operasi | - | ik heb gedaan operatie | |
| (Datra de go opereer | - | dokter gaat opereren) |
(Mijn informant meende dat de constructue ‘datra de go opereer’ sterk beïnvloed was door het Nederlands en alleen in de hogere standen werd gebruikt.)
| A piki de go dopu | - | lett.: | het kind gaat dopen. |
| A de go anneme | - | hij gaat aannemen. | |
| Mi de go meki wan foto | - | ik ga maken een foto. | |
| Mi ben meki wan foto | - | ik heb gemaakt een foto. | |
| Na barbier disi mi de koti mi wiwiri | - | bij kapper deze ik knip mijn haar. | |
| Mi de go koti mi wiwiri | - | ik ga knippen mijn haar. |
Ook in de volgende gevallen wordt in het Sranan een dergelijke constructie gebruikt:
| Mi de go wasi | - | lett.: ik ga wassen (dit is ook de normale betekenis). |
| (in een zeer bepaalde situatie) ik ga naar de medicijnman om magisch te worden gebaad. | ||
| Mi de go puru wan tifi | - | lett.: ik ga trekken een kies. ik ga naar de tandarts om een kies te laten trekken. |
| A de go na atioso fu go dresi en ai | - | lett.: hij gaat naar ziekenhuis om gaan genezen zijn oog. hij gaat naar het ziekenhuis om zijn oog te laten behandelen. |
Een kind dat op straat aan het spelen is zou met de volgende woorden kunnen zeggen, dat hij naar huis moet gaan, omdat zijn moeder zijn voet moet verbinden:
| Mi de go dresi mi futu | - | lett.: ik ga genezen mijn voet. |
De overname van deze laatste groep constructies in het Nederlands schijnt, in elk geval bij volwassenen en meer beschaafden, weinig voor te komen. Mijn informanten hebben ze tenminste nooit in een spontaan gesprek gebruikt.
Een volgend probleem is de vraag waarom juist deze constructie, waarvan de beschaafde creolen weten, dat zij niet Europees-Nederlands is, en die zij in de geschreven taal ook niet zullen gebruiken, in
het gesproken Nederlands van alle sociale klassen voorkomt en ook geenszins als onbeschaafd wordt beschouwd.
De psychologische verklaring bevredigt hier niet geheel. In het Sranan kan namelijk ‘a man dopu’ zowel ‘de man heeft gedoopt’ als ‘de man is gedoopt’ betekenen. Een beschaafde creool zal echter in het Nederlands nooit zeggen ‘de man heeft gedoopt’, wanneer die man niet de ‘actor’ is. Heeft de man de handeling ondergaan, dan zal altijd worden gezegd ‘de man is gedoopt’.
Waarschijnlijk zal de oorzaak voor een deel ook moeten worden gezocht in de verschillende wijze waarop in Nederland en in Suriname de toekomende tijd wordt uitgedrukt (men zie hiervoor het voorafgaande hoofdstuk). Bij de voorbeelden van het gebruik van een actieve vorm met een passief subject is het misschien opgevallen, dat hier vrijwel uitsluitend van toekomende tijden sprake was. Alleen de constructies met ‘doen’ en ‘maken’ komen ook in de verleden tijd voor, terwijl we in ‘bij die kapper kap ik’ een geregeld terugkomende handeling hebben.
Volgens mijn informanten komt in deze gevallen eigenlijk nooit een presensvorm voor, omdat de momentane situatie waarin deze gebruikt zou kunnen worden slechts één punt in de tijd is. Men zou b.v. alleen kunnen zeggen ‘het kind doopt’ wanneer de dominee of pater op datzelfde moment bezig is water op het hoofd van het kind te sprenkelen. Bovendien is in een dergelijke situatie mondeling commentaar gewoonlijk overbodig. Wanneer ik mijn informanten vroeg of ze wel eens ‘hij doopt’, ‘hij doet operatie’, ‘hij maakt een foto’ zeiden, was hun antwoord: ‘dat zeg je nooit, want dat hoef je nooit te zeggen’.
Wanneer aan een Surinamer wordt gevraagd om ‘het kind gaat dopen’ in Europees-Nederlands over te brengen zal hij steeds ‘vertalen’: ‘het kind gaat gedoopt worden’, terwijl wij, zeker in de spreektaal zouden zeggen ‘het kind wordt gedoopt’.
Om de oorzaak op te sporen van de eerste groep constructies zullen wij eerst trachten een verklaring te vinden voor dit verschijnsel in het Sranan.
Het Sranan kent geen passieve vorm. Het is echter geen regel, dat eenzelfde Sranan vorm in het Nederlands zowel door een actief als door een passief vertaald kan worden. ‘Mi de naki’ betekent alleen ‘ik sla’. ‘Ik word geslagen’ zou men in het Sranan moeten vertalen met ‘den naki mi - lett. ze slaan me’. Eveneens betekent ‘mi de go naki’ alleen ‘ik zal (ga) slaan’.
Het valt echter op, dat in de voorbeelden waar het grammatisch subject passief bij de handeling betrokken is de ‘actor’ een beroeps-
handeling uitvoert en ook in het Europees-Nederlands in de regel niet expliciet wordt genoemd. Men zegt gewoonlijk ‘ik word geopereerd’ en vrijwel nooit ‘ik word door de dokter geopereerd’. Men zal alleen zeggen ‘ik word door dokter A geopereerd’, wanneer men wil mededelen, dat niet dokter B de operatie verricht.
Voor de begrijpelijkheid is het dus niet nodig de ‘actor’ in deze gevallen te noemen. Schijnbare uitzonderingen zijn in de Surinaamse voorbeelden de fotograaf en de moeder, maar men moet bedenken, dat de amateurfotograaf nog van vrij recente datum is, en dat voor kinderen de moeder de natuurlijke en vanzelfsprekende verzorgster is van zieke voeten.
Aan de andere kant is in de genoemde voorbeelden degeen die de handeling ondergaat hierbij bijna steeds lichamelijk en, zeker voor zijn eigen gevoel, in bijzonder hoge mate betrokken. In wezen hebben we hier dus te maken met een subjectief gecentreerde denkwijze en niet met een werkelijk verschillende taalcategorie.
Ook in Nederland heb ik een voorbeeld van deze zelfde denkwijze gevonden. Afgelopen winter werd namelijk in een radioprogramma gewijd aan nieuwe grammofoonplaten, enige malen door de spreker gezegd dat ‘de zangeres een opname maakte bij Philips, terwijl wij zeker zouden hebben gesproken van Philips die een opname maakte van de zangeres (of van de stem van de zangeres). Is de overeenkomst met ‘mi ben meki wan foto - ik heb een foto gemaakt’ hier niet zeer opvallend?
Door het dwingend verschil in tempus categorie van het Europees-Nederlands en het Surinaams-Nederlands zou de Surinamer dus een ingewikkelde vorm moeten gebruiken, die geen steun vindt in het Europees-Nederlandse spraakgebruik. Tegelijkertijd vindt hij in het Sranan een eenvoudige constructie, die hem psychologisch misschien ook meer ligt. Maar wanneer de Surinamer kan ‘kiezen’ tussen ‘het kind is gedoopt’ en ‘het kind heeft gedoopt’, kiest hij steeds de in het Europees-Nederlandse spraakgebruik normale en eenvoudige constructie ‘het kind is gedoopt’. Bovendien kan hij niet beïnvloed worden door de vorm van het Sranan, daar het Sranan in dit geval geen hulpwerkwoord gebruikt, maar alleen zegt ‘a pikin dopu - lett.: het kind gedoopt’.
Uit dit voorlopige onderzoek mag blijken, dat in het Nederlands van beschaafde creolen verschillende idiomatische afwijkingen van het beschaafd Europees-Nederlands voorkomen, die historisch of geografisch bepaald zijn of die zijn ontstaan door een gebrek aan taalbeheersing. Slechts zeer gedeeltelijk zijn deze afwijkingen direct beïn-
vloed door het Sranan.
De afwijkingen van het conventionele systeem vinden voornamelijk hun oorzaak in een gebrekkige taalbeheersing, die voor een deel verdwijnt wanneer de taalgebruiker meer intensief met Nederlands in aanraking komt (vergissingen in het genusgebruik) en die voor een ander deel van die aard is, dat de in Europa bestaande conventie vrijwel geheel is verdwenen (‘zij zakten hem’).
De enkele voorbeelden van afwijkingen van het essentiële systeem die hier behandeld zijn, wijzen erop, dat het verbale systeem van het Nederlands in Suriname in verschillende opzichten sterk van het Europees-Nederlandse systeem afwijkt, en dat de afwijkingen sterk beïnvloed zijn door het verbale systeem van het Sranan.
Eva D. Essed