begin  verder
[p. t.o. III]



illustratie
PL.I.

[p. V]

Voorberigt.

Tegen dat dit werkje een' recensent in handen valt, moet ik toch eenige rekenschap geven van den trant, waarvan de titel spreekt. Voor kinderen is dat niet noodig. Zij vragen niet, waarom een perzik lekker smaakt, maar zeggen alleen: ‘Die smaakt naar meer!’ en zij zijn er soms geen minder goede recensenten om, - althans van kinderboekjes.

Wie kent de Sprookjes vanandersenniet, die nieuwe Noordsche phantasieën, die niet alleen door het nieuwe en phantastische hem een' wereldkundigen naam hebben verworven, maar ook door de diepte van gevoel, door den adel zijner groote kinderziel, die er in spreekt? - Niet allen vatten het, en niet al zijne wakende droomen zijn misschien te vatten. Onze Hollandsche nuchterheid ergert zich wel eens aan de toovenaars en feeën van het Noorden, of de narrenbellen der vertelling; - maar zij noodigen toch weêr telkens, die Sprookjes, tot droomen en tot denken beide. Er spreekt het geloof in van een kind, de ondervinding van een' man, de hoop van een' christen.

Intusschen zijn ze niet voor kinderen geschreven, maar veel eer voor volwassenen, die nog eens kinderen worden willen. En toch is 't zoo de echte kindertoon: - eenvoudigheid en waarheid in de uitdrukking, vereenigd met echte poëzij en aanschouwelijkheid in den vorm; - dat ik reeds voor jaren mij opgewekt gevoelde, om er ook onze kleine on groote kinderen eens op te onthalen.

[p. VI]

Ik vertaalde eerst den Nachtegaal; - ik gaf daarop van den Dennenboom en 't Vlas eene vrije vertaling; - maar ik gevoelde, bij 't laatste Sprookje vooral, dat mijn overbrengen hoe langs zoo vrijer werd, en reeds naauwelijks meer eene vertaling heeten kon. Ik vertaal over 't geheel ongaarne. Liever leen ik bij anderen ent en zaad en stekken, als dat ik het elders reeds gegroeide weêr overplant.

Intusschen hadden anderen letterlijke vertaling gegeven, waarbijandersengeheelandersenbleef, ook in de misgeboorten zijner vruchtbare phantasie. En wat nog onvertaald overbleef, scheen mij, althans zoo als 't was, voor kinderen minder geschikt. En zoo kwam ik er toe, om hier en daar een enkel denkbeeld vanandersenaan te grijpen, maar ook wel zelf geheel oorspronkelijk te phantaseren, - zoo als in de helft dezer Sprookjes gedaan is.

Alles zaam genomen mogt ik, - misschien op de drie eerstelingen na, - gerust zeggen, dat ik alleen den trant had overgenomen. Mogelijk oordeelt nu een kenner, dat ik, dien trant wijzigende, hier en daar meer tot de Novelle, elders tot de Fabel genaderd ben, en er dus, voor een Sprookje, wat al te veel de bedoelde zedeles doorschemert. Mogelijk ook vindt men, even als bijandersen, het niet altijd helder, of ik voor kinderen schreef of voor volwassenen. Mogelijk.......... Maar een ander oordeele. Aan deze eerste proeve is zoo veel niet verbeurd, al ware zij mij ook mislukt. Niet ligt, en zeker niet spoedig denk ik haar te herhalen.

 

C.E. van Koetsveld.
's Gravenhage,
1 September 1858.

 begin  verder