Het nationaalsocialisme als geestelijk gevaar


auteur: Ph. Kohnstamm


bron: Ph. Kohnstamm, Het nationaalsocialisme als geestelijk gevaar. Van Gorcum & Comp., Assen [1936]


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 26]

III. De nood van nu.

§ 12. De techniek der propaganda.

Daarmede zijn wij gekomen aan de vraag, waarom waakzaamheid geboden is, ook in ons land en onze omgeving, tegenover een beweging, die zó zwak aan geestelijke kracht en zo on-Nederlands van herkomst schijnt.

Inderdaad, de geestelijke kracht van wat wij schetsten in het vorig hoofdstuk, is merkwaardig klein. Maar het was juist de fout van het intellektualisme, waarvoor wij in § 3 reeds waarschuwden, om den mens te uitsluitend als geestelijk wezen te zien. En onze tijd heeft om twee redenen die gevaren scherper dan ooit geaccentueerd. De wereldoorlog heeft plotseling, en bijna zonder overgang, in het grootste deel van Europa het traditionele gezag vernietigd, de bindingen van eerbied en gewoonte doen wegvallen, waarmede in Midden- en Oost-Europa de stabiliteit van den staat verzekerd werd door den invloed van bepaalde personen en instellingen.

Maar veel sterker nog hebben de nieuwe hulpmiddelen van de techniek gewerkt, waardoor men de massa tot massa kon maken en door het overwicht der massale emoties de individuele kritiek tot zwijgen kon brengen. Radio, film, pers en verkeersmiddelen werken samen aan de ontpersoonlijking op een in vroeger eeuwen volstrekt ongekende wijze. En de suggestieve invloed daarvan blijkt verrassend groot. Slechts een zeer kleine minderheid houdt het uit een mening te blijven aanhangen, waardoor men zich isoleert en buiten die felle, hartstochtelijk beleden overtuigingen plaatst. Ja het is zeer de vraag, of op den duur de individuele uiting tegen den massa-aanval bestand is. Zelfs een Elia vlucht uit zijn volk, omdat hij zich de enige waant, die het oude geloof nog belijdt. En eerst de ver-

[p. 27]

zekering, dat hij daarin niet alleen staat, geeft hem den levensmoed terug. Zo sterk werkt de sociale zuiging zelfs op de grootsten der mensheid. En juist daarom dienen wij den strijd voor de geestelijke goederen, die wij noemden, te organiseren, dienen wij waakzaam te zijn en waakzaam in gemeenschap.

§ 13. Massa en intellektueel.

Laten wij ons vooral niet in slaap laten wiegen door de bewering, dat ons bezonnen en nuchtere Nederlandse volk ‘natuurlijk’ weerstand zal kunnen bieden aan verleidingen, waaraan meer primitieve en meer simplistische volkeren gemakkelijker ten offer vallen. Wie zo spreekt - en ik wees er in § 1 reeds op, dat men van mannen van volstrekt onverdacht goede trouw vaak opmerkingen in dien zin kan horen - heeft den tegenstander reeds een pink geboden. En deze zal niet aarzelen de hele hand te nemen; uit de wijze, waarop ook in ons land de propaganda wordt gevoerd, blijkt dit helaas maar al te duidelijk.

Niet een onveranderlijke ‘aanleg’, niet bloed en ras hebben Nederland tot een land van vrijheid en afkeer van geweld gemaakt, maar historie en traditie. Naar ik hoop zullen in deze reeks korte samenvattende beschouwingen volgen, die ons laten zien enerzijds hoe het nationalisme juist in Duitsland en Italië een reactie is op het wankele nationale bewustzijn in die landen, die met zo ontzaglijke moeite en zo laat, vergeleken bij West-Europa, tot nationale staatsvorming zijn gekomen, en andererzijds, wat juist ons volk te danken heeft gehad aan diezelfde eeuwen, die de diepste verscheurdheid brachten voor de genoemden. In deze inleidende brochure ontbreekt de gelegenheid om

[p. 28]

daarop in te gaan. Slechts hierop wil ik wijzen, dat wat in de geschiedenis ontstaan kan ook weer kan vergaan. Ons verleden geeft ons, ongetwijfeld, een waarborg tegen nationaalsocialistische besmetting, zolang dat verleden een levende werkelijkheid is. Maar naar het bekende woord van Goethe moeten wij in elke generatie opnieuw veroveren, wat wij uit het verleden ontvangen hebben, om het waarlijk te bezitten. En hebben wij dat, juist in de laatste generaties, wel naar behoren gedaan?

Is het niet een waarschuwingsteken, ja een aanklacht, dat men het Wilhelmus, het lied bij uitnemendheid van ootmoed voor God, van vrijheid en gerechtigheid onder mensen, heeft kunnen verlagen tot een strijdlied voor dat Leidersbeginsel, waarin elk dier waarden wordt verloochend? Bewijst dat niet, dat wij allen schuldig staan aan een gebrek aan waakzaamheid, dat wij - in tegenspraak met Troelstra's woord van Augustus '14 - de nationale geschillen de nationale gedachte hebben laten overwoekeren? Is niet het feit, dat men kon trachten het Nederlandse lied bij uitnemendheid te gebruiken als propagandamiddel voor een beweging, die in haar gehele slaafse goed-praten van wat elders geschiedt, in haar propagandistische en journalistieke houding ook ten opzichte der binnenlandse strijdvragen, in botsing komt met onze historie en traditie, een duidelijk teken ervan, dat wij den opvoedenden invloed van die historie en traditie te veel hebben verwaarloosd?

In zijn boek over Opvoeding tot Autonomie wijst Nieuwenhuis erop, hoe groot de invloed is, die in de Amerikaanse opvoeding aan aanschouwelijke symbolen, aan liederen, aan de vlag, de Stars and Stripes, wordt toegekend. Hebben wij, Nederlandse intellektuelen, deze dingen niet over het hoofd gezien in een te gemakkelijk

[p. 29]

vertrouwen op de kracht van onzen geest, op den invloed, dien wij blijvend zouden hebben op de massa? Terecht zegt Prof. Pos in zijn Openingswoord voor deze reeks, dat ons land zijn plaats in de beschavingsgeschiedenis dankt aan zulke mannen als Willem van Oranje, als Erasmus en Grotius. Maar wat hebben wij als intellektuelen gedaan om te maken, dat deze namen meer zijn dan klanken voor ons volksgeheel, dat zij levende krachten zijn, ter bestrijding van invloeden, die even vijandig zijn aan hun geest als aan den onzen?

Of zijn wij wellicht tot zulk een taak niet in staat?

§ 14. Impasse of Uitweg?

Eerst als wij ons deze vraag voorleggen zien wij de volle tragiek der huidige situatie. Wij willen strijden met de wapenen van den Geest tegen een tegenstander die zich door zijn ganse taktiek daarvoor onkwetsbaar weet. Dan wordt het gevaar groot dat wij ons van zijn middelen gaan bedienen.

Krachtens zijn leer heeft de nationaalsocialist er recht op niet te overtuigen maar te overweldigen. Hij behoeft den tegenstander, die immers volksverrader is, in niets te sparen. Wat indruk maakt is goed, zelfkritiek mag de propaganda niet remmen. Want de kracht van het Volk, d.w.z. de macht van den Leider, is het hoogste Goed.

Inderdaad zo beschouwd schijnt het uitzicht hopeloos. En ik weet dan ook slechts één antwoord, dat al het paradoxale heeft van een Geloof: Wij moeten afsteken naar de diepte.

De intellektueel, die een massa-beweging als het nationaalsocialisme wil bestrijden, moet afleggen den hoogmoed van

[p. 30]

zijn intellekt. Hij moet gaan beseffen, dat hij in het diepste bewogen wordt door dezelfde krachten als zijn naaste; hij moet leren meevoelen wat er leeft in zijn volk; hij moet zich een taal eigen maken, die daar wordt verstaan; hij moet het isolement verbreken, waarmee hij zich vaak maar al te veel heeft gevleid.

Is hij bereid tot dit offer, dan zal hij ook de grenzen leren kennen van alle ‘intellekt’. Hij zal zien dat Geest meer is dan Intellekt. En dat zelfs Geest tot heil van Volk en Mensheid alleen dan den weg kan wijzen, als hij iets anders is dan Geest zonder meer, als hij is gelouterde en geheiligde Geest.