|
|
|
| |
| | | |
Bijlagen
Gedeelten uit andere publikaties van Kók, en van Meijer
| |
| | | |
Bijlage 1
Uit: Korte en klare uytlegghing des Christelyken ghelóófs, 1644
A5r-5v: ... Deze mijn vrienden ... baden my, dat ik dit boexken den duytschen wilde ghemeyn, maken, ende schóón ik hen met de antwóórdt van de dienaars tot Zurigh, hier op ghemaakt (die ik, óver eenighe jaren uyt 't hóóghduytsch óvergezet, nu haast door den druck insghelijkx hoop ghemeyn te maken) meende vernoeght te hebben, hebben zy echter dit1 lichtelijk verkregen, midts my niet anghenamer was, als dien man2 mijn landts luyden meêr en meêr bekendt te maken. dies komt het besluyt tót de daadt, en deze na vermoghen volbraght zijnde, heb3 't niemandt liever noch beter op-ófferen4 ghekost5, als u6, die, voor een treflijk Ghódt en taal-gheleerde beroemt zijnde, van alles ten besten óórdelen zult. 'k heb ghepóóght hem7 t'enemaal8 duytsch te doen spreken, om de berispers onzer tael, die ze steedts voor arm schelden, te voldoen, behaghen u de ghevonde wóórden niet, wijt het 't ghebrek myner herssenen; 'k heb d'onduytsche wóórden, die meêr in 't ghebruyk zijn, an de kant doen stellen, om óók de slechte9 en die deze wóórden onghewóón zijn, te voldoen. kan ik u óók met zommigher wóórden spellingh en stelling niet ghenoeghen, 'k hoop u eêr lang reden10 (A5v) te gheven door een letter-konst, by my onderhanden, daar ik van alles wat onze taal belangt op 't breedtst, na my Ghódt, de tijdt ende 't verstandt toe laat, sal handelen. Voor dit maal, Heer, weest met dit mijn kleyn gheschenk vernoeght, vertrouwende, dat schóón ik u onbekent ben, ghy wel nader, maar veel gheneyghder vriendt hebt; ende ik niet11, tót uw dienst altijt bereyt blyvende, wensch u nu een ghelukkigh, en namaals een zaligh leven.
Vaart wel
Uw dienstwillighe
Alhardt Luydwijk Kók.
| |
| | | |
Bijlage 2
Uit: Kort be-ghrijp van 't Reden-konstigh onder-wijs, 1646 (eveneens in Sinopsis Logica, 1648)
Voor-Reden an den ghoedt-hartighen1 Leezer. Wacht2 niet, kunst-lievende3 Leezer, dat ik van de noódt-zaaklijkheidt en voor-treflijkheidt van de Reden-konst eenigh ver-haal4 doen zal, de zaak spreekt en be-veelt zich zelf ghe-noegh, als voor vol ghe-kent5;, en ten hóóghsten ghe-waerdeert van de Ghe-leertste mannen van alle eeuwen; Oók is 't mijn plight niet, die alleen ôver de lichte paerden ghe-stelt ben6, zulke slagh-órdens an te ghrijpen7; 't zelve doet de Schrijver zelf in dit boexken, leest en onder-zoekt, wilt ghy weeten. Ik heb u alleen te zegghen, dat u ghoedt-ghunstigheidt my ver-lókt heeft, om u deze konst, op 't best dat ik konde, in duitsch voor te draaghen, wat ik te weegh ghe-braght heb, óórdeelt ghy zelve, na dat ghy alles ghe-leezen en mijn redenen ver-staan hebt, en zó ghy iet beters onder-tusschen be-denkt, gheeft het in 't licht, ik zal 't willigh vólghen. be-rispt óók niet, als óf ik, meenen de dat den duitschen in deze zaak niet ghe-noegh ghe-daan is, iet voor-treflijkers dacht voort te brengen. Want schóón den Latijnen meêr ghe-riefs8 in deze zaak ghe-daan is, zó konnen zy nóchtans altijdt van een nieuweling iet leeren: ik be-ken dat de ver-taaler van Kekker-man9 veel, de Kamer in Liefd Bloeyende meêr ghe-daan heeft10;, maar ghy zult be-vinden dat onze Landts-man Burghers-dijk niet min ghe-daan heeft; en zó my 't ghe-luk ghe-dient en 't Ghód be-lieft had, dat ik zijn ghróót Onder-wijs u had moghen voor-draaghen11 hyzoud ze buiten alle twijfel óver-treft hebben, die na 't ghe-zonde Oórdeel van veele gheleerde mannen de (v) Latijnen alle, niet zonder ver-wondering óver-treft heeft; waarom óók zijn werk door last van de Staaten van Hóllandt en West-fries-landt, by hem in 't werk ghe-stelt, en an alle Meesters in de schoólen der zelve Landen om haar Leer-lingen voor te houden be-last is12. Is 't nóchtans dat hy erghens u in mishaaght, wijt dat veel eêr óft de zwakheidt van uw herssenen, óft mijn on-ver-moghen in't ver-taalen, 't welk13 schóón 't zijn best ghe-daan heeft niet te min zó wel de zaak, zó
| | | |
on-ghe-meen zijnde, niet in't duitsch heeft konnen treffen, als zy in't Latijn ghe-troffen is. Ist dan nóch dat wy ver-neemen moghen dat u deze kleene daadt an-ghe-naam is, wy zullen ons be-vlytighen u met een meerder te dienen. Onder-tusschen ghe-bruikt dit tót nader ghe-leeghentheydt, en vaar baide na ziel en lichaam wel.
| |
| | | |
Bijlage 3
Uit Institutio logica, 1646
B5r: De ver-taaler an den zelfden [ t.w. de lezer]. Ik zoud uw ghe-dult niet langer mis-bruiken, ghoede Leezer, waar my niet een slach van Menschen ghe-moet, welke roemen rijk te zijn, en nóchtans niets doen als trogghelen1 voor ghe-breklijker Luiden dueren, en welker lange óóren te teêr zijn, om eenighe zaak in haar Moeders-taal an te hóóren, klaaghende dat zy de zelve2 niet ver-staan, daar3 hun in 't kort Be-ghrijp van dit zelfde werk wijt-lóópighe ver-klaaringen van de zelve an-ghe-richt zijn, 't welk ik nu niet weder-om doen zal, om u ghe-dult, be-leefde4 Leezer, niet in on-ghe-dult te ver-anderen, die ze be-gheert, kan ze daar vinden: Ik heb, om niet te honts te willen schijnen, dan óók die Bastaart-duitschen en On-natuurlijke kinderen van onze ghe-meene Moeder, daar in be-lieft, dat ik haare ghe-wóóne wóórden, die zy immers zó wel ver-staan als een Papeghaay die zijn Meester om een Sópken5 bidt, op de kant ghe-stelt6, op-dat zy immers al-zó de zaak zelve ('t welk hun, o schandt! in ghoedt duitsch te vatten on-móóghlijk scheen) als met leepels in slurpen; Maar 't is wel eer ghe-buert, dat een quaadt Werk-man de schuldt op de ghe-reedtschappen leide; dóch 't ver-driet u buiten twijfel langer na my te wachten, en my u op te houden, ik zal eindighen, en tót een Toe-ghift u de zaak in 't kortste voor-stellen met dat on-waerdeerlijk ghe-dicht by de Kamer in Liefd Bloeyende uit-ghe-gheeven, het welk te edel is om ver-lóóren te ghaan,
En al is 't niet na ons ghe-wóóne trant,
Zó voecht het nóchtans wel op onze standt en schant.
[op B5v-6r volgt hierop hel Revierein uit de Twe-spraack]
| |
| | | |
Bijlage 3a
Uit: Institutio logica, 1646
424-425: Na-reden. Tót hier toe, Ghoedt-hartighe1 Leezer, hebt ghy mijn vlijt2 in 't ver-taalen van dit Boek in-ghe-zien, hoe wel óft quaalijk het ghe-schiedt is, stel ik an u ghe-zondt en be-leefdt óórdeel; en mits my niets ghe-wisser is, als niet allen te zullen be-haaghen, zó stuer3 ik my óók dies te min an veeler Nues-wijzen on-ghe-rijmdt heekelen, de welke niet anders weeten te be-ris-pen, als dat de Konst-woorden4 ver-taalt zijn, 't welk, haars óórdeels, teghen reden is: Maar anders hebben die oude Latijnen, die de Konst eerst uit Ghrieken ghe-kreeghen hebben, en anders zó veel ghe-leerde Mannen ghe-óórdeelt, de-welke in 't ver-taalen niet eerder5, in 't ver-tooghen niet liever ghe-hat hebben, als ver-standighe6 duitsche woorden te spreeken, en meêr ghe-acht een nieuw duitsch woordt te vinden, als met een oudt Bastardt-woordt een zuivere reden te stóppen7 en ver-duisteren; dóch veel-licht8 zult ghy zegghen, Ik ver-sta deeze woorden niet: Maar waar-om? ghy ver-staat de Konst9 niet, ghy ver-staat de zaak niet. Hoe vreemdt luidt ons het woordt van Schiften in onze ooren? en wat hebben wy eêr, als te zegghen de Saus is ghe-schift? wisten wy nu slechts het ghe-bruik des wóórdts zó wel in 't een10 als in 't ander11, wy waren be-recht12; en zó in allen, waar van ik gheen meêr op-haal, om-dat in het kort be-grhijp van dit werk, by ons ver-taalt en met eenighe korte ver-klaaringen ver-rijkt, der zaak na ons ver-moghen vol-daan is. Maar mits nóch eenighe andere Hinder-paalen óverigh zijn, welke den Duitsen be-letten tót volle kennis dezer Konst te komen, als onder anderen de ghroote ghe-meenschap13 van de dry Al-ghe-meene Konsten, de Letter-konst naamlijk, de Reden-rijk-konst en Reden-konst, zó zullen wy, slechts vermerkende eenighen dienst ghe-daan te hebben, de zelve Konsten onze Landts-luiden door Ghóds ghenade trachten mede te deelen, om alzó by trappen van onderen op tót de ver-standighe kennis van hooghere weetenschappen te ghe-raaken. Onder-tusschen, be-leefde Landts-ghe-nooten ont-fangt met deze kleene (425) ghaaf, dóch met gheen kleene moeyte voort-ghe-braght, mijn nooyt ten vollen be-toonbaare ghunst, en uwe redelijkheidt, die ik alleen zoek te be-haaghen, be-scherme mijn arbeidtsaamheidt teghen aller on-redelijke laster-monden, op dat uw ghunst, even als in dit, my ook in 't voort-brengen van iet anders op-muntere. Vaart wel.
A.L. Kók.
| |
| | | |
Bijlage 4
Uit: Idea Philosophiae naturalis, 1648
A2r-3v: Den ghoedt-hartighen1 Leezer. Ik ghe-loóf wel, waerde Leezer, dat men by na zó wainigh Menschen vinden zal, die de Wijsheydt zoeken, na-jaagen en zich der zelve be-vlijtighen, als'er wainighe zijn, die zich niet voor lief-hebbers der zelve uit-gheeven. Want laat de een des anders oeffening en ghe-negentheidt al ver-achten, als teghen zijn ghe-moedt strijdende; laat een Spil-penning2 smaalen op de ghierigheidt van een gheldt-zuchtighe; Laat een Boer een Krijghs-man, een Rechts-gheleerde een Arts, een Koóp-man een Ambachts-ghezel ver-smaaden: Wie ver-acht de Wijsheidt? wie lieft ze niet? wie kuert ze met de mondt zelf niet boven alles? Maar oók wie arbeidt'er om? Die de taal der ghe-leerden3 ver-staan zijn hier van minst te ver-schoónen, die hebben gheen uit-vlucht: En even ghe-lijk veele der zelve zich der wijsheidt wainigh be-moeyen, zó schijnen zy meest alle min voor u, en meêr voor (ik had by (2v) na ghe-zeght oudt Romen) vreemdelingen ghe-boóren. Dit is, lants-luiden, uw' hinder-paal, hier in zijt ghy te ont-schuldighen; 't ghe-breekt u an gheen verstandt, ghe-leghentheidt en (na uw' eighe be-lijdenis) ghe-neeghentheidt; maar alleen an noódighe behulp-middelen, die ver-schaft men u zomtijdts eens ter loóp, en niet als hier en daar een bróxken; zó nóchtans, dat ghy by-kans eêr de sterren ver-plaatsen, als zó veel kennis, als een ghe-meen mensch anders vatten kan, daar uit ver-werven zult. 't is ghe-noegh voor de Platters4 (dit is de eerste naam die men op de hoóghe schoól leert gheeven an haar, om wiens wil men zich daar be-gheeft) zy zouden te wijs zijn, en haar taal is 'er niet be-quaam toe om 't haar te zegghen. Zó oórdeelt niet alleen 't ghe-meen ghraauw van die zich Studenten noemen, maar oók wel zommighe die zich in-beelden, al dicht tót de hoóghste trap van Aristoteles wijsheidt ghe-raakt te zijn. Maar zeker gheen oórdeel5 meêr zonder oórdeel, als de weetenschappen an de taalen te willen binden. Pythaghoras, Piato, (3r) Aris-toteles en andere ghe-leerde Ghrieken, hoe wel zy de ghe-leertheidt ten ghroóten deele uit Eghipten ghe-haalt hebben, leerden ze nóchtans haar Landts-ghenoóten niet in't Eghiptsch maar in't Ghriex. De Romeinen haar na-vólghers lieten zich niet be-tueghelen door de armoedt haarer taal om ghriex te spreeken. En onze Duitsen, die by na niet eerder6 hebben als deze voor-ghangers na te vólghen (dikwijls, met de Schoól-gheleerden, oók in haar buezelingen) ont-houden u de weetenschappen óft om de wil7 van uw taal, die ghy, by-na zonder weder-spreeken, de rijkste hebt, en zy naaulijx weeten te
| | | |
babbelen, óft om haar eer-ghierigheidt, óft om haar gheldt-zucht. Zy lieven als kax8 haar Vader-landt, maar met een liefde zonder liefde, óft tót haar eighe voor-deel. Maar, Mê-burghers, dus-daanigh een be-klagh, hoe wel broederlijk, ghaf9 zonder meêr ghe-vólghs een kranke troóst, en niet meêr als een bloódt mê-lijden an 't ghe-brek van een hongerighe. Ik heb der-halven, door zucht tót mijn moeder-taal en uw weet-(3v)zucht an-ghedreeven, voor-ghe-nómen u na mijn vermoghen be-hulpzaam te zijn, en, na ghe-zien hebbende10 uw' ghraaghte tót de Reden-konst, my tót dit werk ghe-spoet; in welk te ver-taalen ik den uit-neemenden Burghers-dijk voor anderen ghe-koóren heb, zó om u zijn werken, waar van ghy alrê een ghe-deelte had, by elk-ander te gheeven, als, oók om dat hy zó veel in 't kort be-ghrijpt, als veel andere in wijdt-loópigher schriften. Zó u dit an-ghenaam is, ik zal my ver-plicht houden om dus voort te ghaan, en u allenx alzó niet alleen alle de Deelen der Wijs-ghierigheidt, maar oók de noódighe konsten tót de zelve, als, be-neven de Reden-konst, de Letter- en Reden-rijk-konst, te ver-schaffen. Uw' liefde houde onder-wijl de mijne in ghe-staadighe brandt, en ont-fangt dit zó ghunstighlijk als 't u ghe-neeghentlijk mê-ghe-deelt wordt van den ghe-heel uwen.
A.L. Kók
| |
| | | |
Bijlage 5
Uit: Elementa rhetorica, 1648
*2r-2v: Aan den Leser. 't Spoór is ghe-trokken, de Wegh ghe-baant, en mijn be-lófte ghe-spróken, om u alle konsten en weetenschappen met ver-taalen (voor eerst) mê te deelen. Zal ik eerlijk1 zijn, 't is reden2, dat ik, na ver-mo-ghen, vol-doe: en, had my een ander slagh van be-kommernissen niet ver-hindert, mijn be-lófte waar mooghlijk al ten eind ghe-raakt. Nu be-leefde3 Leezer moet u uw ghe-dult zo lang be-vredighen, om welk niet met ver-driet an te doen, zend ik u hier wederom voor uit iet kleins in schijn, maar ghroóts in zijn, de Be-ghinselen der Reden-rijk-konst naamlijk: Be-ghinselen, welke vol-leert en wel be-ghreepen, moghen ghe-zeit worden een by-na vol-maakt Redener uit te konnen reeden4. Maar laat my niet te veel roemen, op-dat mijn roem de zaak zelve niet-ver-dacht maake; 't schijnt oók niet noódigh, de Naam alleenlijk, daar dit mê op't voor-hoófdt pronkt, doet u, dat weet ik, niet als iet treflijx5 ver-wachten. Ghe-lijk ik dan dit op die ver-zekertheidt mede-deel, zo wacht oók ik van u, ghunstighe Leezer, 't welk my noóyt ghe-mist heeft, niet in mijn meening be-droóghen te zullen worden, en dat ghy dit, (2v) even als 't gheen ik u voor dezen7 ghe-meen ghe-maakt heb8, danckbaarlijk en ghunstlijk9 an-vaerden, en my daar door an-moedighen zult, om niet af te laaten van u dienst te doen. Ter-wijl dan ghy ver-wacht, blijf ik bezigh en de ghe-heel uwe.
A.L. Kók
6
| |
| | | |
Bijlage 6
Uit: Logica practica, 1649
***2r-***3v: Op-dracht an de E.E. Ghroót-achtbaare, Eerentveste1, Wijze, voor-zienighe2 Heeren, Mijn Heeren de Burgher-meesteren der ver-maarde Stadt Amstelredam. Zucht3 ten vader-lande heeft Natuur den mensch, by-na van zijn ghe-boórte af, ten boezem in-ghe-etst, en ont-menscht4 schijnen zy, die 'er gheen ghe-voel af hebben; zo dat zy met recht onder Vader-moórders ghe-reekent worden, die haar liefste Vader-landt eenigh on-ghe-mak ten hals op-schroeven. Ieder tracht het zelve5 ver-scheidelijk, na de ghe-neghentheidt zijner aart helt, ten toon te stellen; dóch voelt 'er iemandt t'zijnent6 vonk af, t'onzent blakert het met luchter-laye7 vlammen, en, van dat mijn oórdeel voet vatte8, heb ik ghe-tracht het zelve te doen blijken en ghe-wenscht, dat mijn maght met de wil, mijn woorden met de daadt, mijn ghe-legenhtheidt met de ghe-neghentheidt moghten evenaaren9. Niet te min heeft mijn on-macht mijn wil, nócht mijn on-ghe-leghentheidt mijn ghe-neghentheidt zo konnen doen ver-flensen10, óf zy hebben eenighe (hoe-wel kleene) vruchten voort-ghe-braght, van welke dit werxken een is, welk in dus-daanigh een tijdt tusschen hoop en vrees, als speel-ghe-noóten, voort-komt11; Hoop, mits het in deze on-ver-wachte, ja by-na on-ghe-(2v)hoopte, Vrede, baar-moeder en voedster van alle eerlijke12 en heerlijke konsten en weetenschappen, ten minsten als bel-hamel13 hoopt te zijn, om alle deftighe14 ver-standen15 op te munteren16 en an te maanen met ghroóter17 haar Vader-landt te ver-ghlimpen18 en haar Moeder-taal ten toón te stellen: Vrees, mits onze daghen als voor-teelsters zijn van zo door-zichtighe19 Ver-nuften, dat'er by na niets on-be-rispt het licht be-schouwt20. Dwaas acht men 't echter te vreezen 't gheen on-ver-mijdelijk is: 'k heb oók nooyt ghe-stribbelt my het oór-deel van Wijzer t'onder-werpen; zo ghraagh21 ben ik om te leeren als te leeraaren en onder-wijzen. Spijtigh22 is 't nóchtans voor alle ver-standen, van on-ver-standighen ghe-hekelt, zonder billijk rechts-pleeghen ghe-oórdeelt en on-ghe-hoórt on-ghe-zien ghe-vonnist te worden. Van alle oudt-heidt hêr heeft men hier teghen de be-schutting van edel-aartighe zielen voor de beste hulp-middel ghe-koóren; des loóp ik oók
| | | |
Ghe-nadighste Heeren onder de vlueghelen uwer ghoedertierentheidt schuil, an-ghe-moedight door de baar-blijklijke23 gunsten, die uw E.E. den Vader-lande en des zelfs In-woóners, en voor-neemlijk an uw Stadt en In-boórlingen24, be-weezen, en waar door ghy u met recht den naam van Vaderen des Vader-landts ghe-waerdight hebt. In welke zo ik slechts de ghe-ringste plaats (ghe-lijk ik niet twijfel) vinde, het zal ghe-wislijk my, en met my mooghlijk veel andere en be-quaamere, ghe-hartighder25 maaken, om met meerder en meerder vlijdt26 den Vader-lande ten dienst te zijn in dat, in welk 't alleen schijnt ghe-brekkigh te zijn, daar 't ander-zins de hoóghste eeren-trappen van de be-roemste Ghe-meene-besten27 niet alleen be-klautert, maar te boven ghaat. Want zo wel, als Ghrieken en Romen, hebben wy onze halzen het on-ghe-rechtigh juk en bal-daadighe28 dwing-landy der Koningen ont-trokken, en be-toónt dat die oude ghroót-moedigheidt der Batavie-(3r)ren, die Al-dwingers dwingen kosten, in ons nóch niet ver-smoórt was; Zo wel, als zy, hebben wy door hulp van onzen Ghódt en de billijkheidt29 onzer wapenen onze vryheidt ghe-hant-haaft, en, dat wel eêr on-ghe-loóflijk scheen, de er-kentenis daar van onzen vyanden zelfs ten monde uit-ghe-haalt; Zo wel, als zy hebben wy eindlijk de ghe-rechtigheidt onzer Oórlógh met een be-roemste30 Vreede (van onzen vyandt zelfs ver-zócht) be-paalt31. Maar niet zo wel, als zy zien wy de Weetenschappen en Konsten in onze moederlijke taal voort-ghe-plant, en onze Landt-ghe-noóten daar door als een baak der wijde Werldt ten toón ghe-stelt: Dit eenighe hebben in de voorighe en deze eeuw veel ghroót-moedighe32 Mannen be-klaaght en ghe-zócht te boeten33, waar door ons Vader-landt en in-zonderheidt onze ghe-boórt-stadt zich be-ghon te be-roe-men op mannen, daar zich na-maals ghansch Duits-landt op be-roemt heeft, en welker naamen ik, op-dat ik niet schijne te vleyen, na-laate: Maar gheens ghe-meenen34 Mans werk was 't, zo hoógh een zaak ten doel-wit te ghe-ley-den35, nóchtans hebben zy, zo men tijden met tijden ver-ghe-lijkt, veel ghe-daan, en, hadden zy deze ghe-ruster en weet-ghierigher tijden be-leeft, zy hadden mooghlijk meêr ghe-daan. Dit eenighe dan, Ghroot-achtbaare Heeren, is uwer acht-baarheidt36 over-ghe-laaten, om een on-sterflijke naam an uw Stadt, u zelven en uw laate Na-komelingen, na verloóp van veel eeuwen zelfs, te ver-krijghen. Alles hebben wy, dat elders is; en al, wat wy hebben, is elders, be-halven dit alleen; het welk in-dien wy ver-werven, zo zie ik lichtlijk ons Vader-landt tót de praal van 't oude Ghrieken37 en Romen stijghen, onze taal
| | | |
der ghansche Werldt door ver-breiden, onze Steden tót het hoóghste ghe-luk ghe-raaken, als in welke niet alleen de Overheden maar oók de Onder-daanen Wijs-ghieren38 zullen zijn, en weeten wetten te ghehoórzaamen (3v) eêr zy ghe-gheeven zijn, en de wijsheden haarer Overheden, die zy nu menigh-maal door on-weetenheidt laaken en lasteren, be-ghroeten en be-wonderen; en zo zal eindlijk (op-dat ik alles in een be-sluite, en uw goedertieren ghe-dult niet langer mis-bruike) onze Stadt boven allen uit-munten, en ghy waerdighste Burgher-Vaderen over honderden van jaaren by de laatste Na-komelingen over deze en alle andere uwe dueghden, onzen Vader-lande be-weezen, ghe-roemt en ghe-lieft zijn; ghe-lijk Camdenus39 in zijn Britannien na zo veel eeuwen van dier-ghe-lijk een daadt der oude Zaxen (onze Voor-ouders) in zeker stadt van Engelandt ghe-waaght. Welk op-dat ghe-schiede, zoo bid ik, neven40 de beste uwer Onder-daanen, dat de al-ghoede Ghódt uw leven ver-lange41, en u al-tijdt met een ghe-zondt verstandt in een ghe-zondt li-chaam be-kroóne, en ik zy en blyve, ghe-lijk ik ben
Uwer E.E. aller-oôt-moedighste en Onder-daanighste Diener en Onder-zaat.
A.L. Kók.
| |
| | | |
Uit: Logica practica, 1649
***4r: An den Leezer. Ik heb u, be-leefde1 Leezer, voor dees tijdt wainigh, ja schier niet2, te zeggen, en had wel stil ghe-zweeghen, waar ik niet voor dezen van veel de on-be-schaamste laster-tongen, die niemandt by na ont-vluchten kan, over-vallen; maar oók zouden zy my tót spreeken niet ghe-kreeghen hebben, had de noódt, niet van my (die al-tijdt voor my stel, dat het Koninglijk is wel te doen en ghe-lastert te worden) maar van u, die men, ik weet niet wat al zoekt wijs te maaken en, 't gheen men nu wel langer niet kan, te ont-houden, hetzelve niet ver-eischt. Alle lasteringen op te haalen en te be-stoóken3 is mijn voor-neemen niet; dit alleen, welk zy meest in de mondt hebben en minst be-wijzen konnen, dat men, naamlijk, de vrye Konsten niet wel in Duitsch ver-taalen kan, spreek ik teghen, en heb het in 't ver-taalen der Reden-konst en Natuur-weet be-toónt, en tart hier mê (gheen roem ver-zel mijn woordt) alle Lasterers, wie zy zijn, my in de zelve een eenigh woordt an te wijzen, 't welk de zin en de zaak niet zo wel uit-drukt, als het Latijnsch óft Ghrieksch: en daar mê be-sluit en blijf ik uw toe-ghe-neighde
A.L. Kók
| |
| | | |
Bijlage 7
Uit: Institutio Metaphysica 1649
A2r-2v: An den Leezer. Al, wat ter werldt is, leidt ons an1 zo wy'er op letten, om ons haar Werk-meester2 te ver-toónen en te over-reeden3, dat'er een is, die het alles stuurt, dat na de órde der Natuur zo ghewislijk zijn loóp loópt, en dien wel te kennen het hoóghste ghoedt en het laatste Eind is. 't Valt nóchtans ieder een niet even ghe-maklijk hier in ter rechter be-schouwing te ghe-raa-ken. Vêrst zijn zy wel van de wegh, die ze minst ter handt slaan4; maar nader komen zy, die op alles achting neemen; dóch aller naast, die het zelve zoeken met wissen voet te doen. Dit schijnt de eenighe reden, waar-om de oude Wyzen de reegels harer er-vaarentheden te boek stelden, en an haar na-komelingen over-lieten5, op dat zy naamlijk de zelve in haar ghe-hueghen prentende, zo veel levens voor uit moghten winnen als de andere beleeft hadden, het haare alzo door nieuwe onder-vindingen ghe-lyk als te ver-lengen, en haar na-zaaten, even als haar voor-ghangers, iet van 't haare tót erf te laaten. Ziet daar de bron van alle Konsten en Weetenschappen, welke, by't daaghlijx op-merken ghe-voeght, de zekerste reeghels zijn, om het beste leven en weeten te ver-kiezen. In dus-daanigh een erf van onze Voor-ouders te bueren6, zijn wy leider7 wat on-ghe-lukkigher, als andere Vólkeren: Mits8 wainighe van onze Voor-zaaten zich onzer9 hier in be-kommert hebben; moghelijk door de rampen der oórlógh óft an-(2v)der-zins belet: zo dat wy alleen eenigh-zins moghten ghe-scheenen hebben óft voor Bastaarden óft vondelingen van haar ghe-acht ghe-weest te zijn. Maar die ter keel toe inde modder steekt, poóght 'er niet in te blyven: heffen wy dan oók, be-leefde10 Lands-ghe-noóten handen en voeten op, om dit ghe-brek te boeten11. Ghaern gha ik u voor en wenschte aller ghe-leerden weetenschappen te moghen be-zitten; óft zo niet? aller menschen over-schietende tijdt te moghen ghe-nieten, om alles in mijn moederlijke taal te ont-dekken12. Maar dit weighert Natuur en Ghe-boórte: die't nochtans niet alles weigheren; zo wy 't slechts van weêr-zyden be-trachten willen. Ik heb na mijn krank13 ver-moghen, en dik-wijls niet na mijn wensch, my be-vlytight, om u weder-om met iet van de zelfde slagh, als voor dezen, te voor-zien; en mits u het voorighe niet on-an-ghe-naam schijnt ghe-weest te zijn, zo zal u oók dit zonder om-zien14 be-
| | | | haaghen. Want daar wy voor dezen, om-trent de zienlijke schepselen bezigh waren: klimt men hier tót het On-zienlijke, en leert men uit de natuur, wat de Schepper en de Vader der Natuur zy: ja kortlijk, niemandt wijs, die hier niet t'huis is. Dóch ziet ghy 't zelf, be-leefde Leezer, en ont-fangt dank-vaardigh 't gheen u wil-vaardigh mê-ghe-deelt wordt en zal worden van den ghe-heel uwen.
A.L. Kók.
| |
| | | |
Bijlage 8
Uit: Radt van Avondtuuren, 1653
*2r-*3r: Opdracht an Eustathea1. Me-Juffer: Ontfang in uwe ghoedt-ghunstighe2 armen deeze Ouderlooze weeze3, die, by na twaalf jaaren oudt zijnde, nu eerst haar gheboorte-plaats, en de haert, waar by zy ghebaakert4 is, ver-laatende, na haar Vaders doodt voor den dagh komt, om de weereldt te doorwandelen. Zy neemt haar toevlught tót uw vrysterlijke meedooghen-heidt, om (eenighsins, want t'eenemaal5 is onmooghlijk) onder uwe vleughels, en in uw schoot schootvry6 voor 't vinnigh angel-steeken der bitse Nijdt, en 't schamper afterklappen van vuile laster-tongen te zijn; nu zy door een doodt, al te ontijdigh voor haar en haare Landts-ghenooten, verlooren heeft een Vader, die, 't inghe-wandt7 van de verhoolenste dingen, en de kleenste aderen van onze aal8-duitsche Taal doorkroopen hebbende, pits en bloedts ghenoegh after t' oor hadde9, om u de moeite, daar ze u nu om smeekt, af te neemen10. Deeze11 was in zijn leeven haar eenighen troost en toeverlaat: want zy nooit Moeder ghehadt heeft. Weighert haar eevenwel uwe ghoedertieren bescherminge niet, schoon zy daarom12 een misgheboorte schijnt. 'T gheen de natuurlijke tót na-, strekt de konstighe13 Schepselen tót voor-deel. Zy slacht hier in de schrandere Minerva, en stiet, zo wel als zy, door Vaders bekkeneel14 heen, niet met last en onghemak, maar (waar in zy haar15 nóch te boven ghaat) met lust en ver-maak, wanneer hy, met haar te teelen, de ghronden16 heide tót zo moeylijk een timmeraadje17, als hy daar op18 na-maals zo heerlijk en prachtigh ter tinne toe19 opghehaalt heeft: waar (2v) in hy niet slechtelijk20 uit Atheen en Romen tót in Neederlandt: maar zelfs uit Atheensch en Roomsch21 tót in Neederlandtsch (dat by de Gheleerdtsten onmooghlijk gheschat wierdt) de ghoude Konsten en Weetenschappen overscheepte. Wel ben ik verzeekert, dat ghy haar nócht overdwars22, nócht met den nek an zult zien, om dat zy, met zo gheringen en ghemeenen23 naam op't voorhoofdt24, zich onder uw ooghen dar vertrouwen. An de dingen passen aller-bequaamst die naamen, welke haar natuur en aart zo na by, als 't mooghelijk is, ghelijk als in een
| | | |
opslagh an ons verstandt ten toon stellen; en overmits haar ghansche ghe-raamte niet dan door de keeren en draayen van 't wispeltuurigh Radt van Avondt-uuren te zamen kleeft, is zy met gheen beeter naam, dan deeze konnen ghedoopt worden. ... (3r) 'T kleedt (dat wy, op dat zy gheen Basterdt scheene, maar van 't echte25 Bedt bleeke te zijn, op de zelve wijze, als van haar Vaders andere kinderen, hebben doen samen hechten, dat is, op de zelve spelling doen drukken) zijn de hoogh-draaventheidt26 van woorden, de overdrachtighe27 wijzen van spreeken, de reeden-rijk-konstighe oppronkingen28, de zoet-vloeyentheidt der vaerzen...
L. Meyer
| |
| | | |
Bijlage 9
Uit: De Christlijke Ghódt-ghe-leertheidt, 1655
**2r-**3v: Den Lief-hebbers der Ghódt-ghe-leertheidt Kennis en Zaligheidt. Ziet hier, waerde Landts-ghe-noóten, van hem, die zijn yver, vlijt, ver-standt, en kraften te kóst leide, om u de Konsten en Weetenschappen in uw Moe-der-taal, ghe-schuimt1 van Basterdt-woorden, ghe-meen2 te maaken, een stuk werks, dat hy, ghe-lyk de Zwaan zijn doódt-liedt, korts voor zijn sterven voort-ghe-braght, en tót teken van zijn ghunst3 t'uwaarts, ghe-lijk als een ghe-dachtnis, u na-ghe-laaten heeft. Een stuks werks, dat zijn voorighe zo ver, als de Schepper het Schepsel over-treft, te boven ghaat. Na-dat hy de Werk-tuighighe Konsten4, na-dat hy de Wijs-gheerte zelf u mede-ghe-deelt had5, heeft hy willen op-klimmen tót iet heerlijkers, de Ghódt-ghe-leertheidt naamlijk, om te toónen, dat de ghe-lukkigheidt zijner Ver-taaling, niet alleen tót de Konsten en Weetenschappen, maar oók tót de Hoóghere Ver-moghens, ghe-lijk zy ghe-noemt worden, en wel tót der zelver voor-treflijkste toe-ghang hadde. En al over-lang6 zoud dit Werk, om zijn ghroóte ghe-neeghentheidt t'uwaarts te doen blijken, en u ghe-leeghenheidt, om u daar door te oefenen, te ver-schaffen, den dagh be-schouwt hebben, 't en zy7 en de ghe-neeghen-heidt en de ghe-leeghenheidt, om daar in bezigh te zijn, hem be-nómen had ghe-weest van een moeylijke en langh-duurighe ziekte, die hem eindlijk, al-te on-tijdighlijk8 voor de Be-minners der Neder-duitsche Wijs-gheerte, en Taal, ten ghrave in-ghe-sleept, en van de maght, om dit Werk te vol-trekken, ver-steeken9 heeft. Dóch, op-dat het, on-vol-maakt, der Ver-gheetelheidt niet op-ghe-óffert, en ver-slonst en ver-slingert after de bank blijven ligghen, maar u tót uw voor-deel ter handt, en des Ver-taalers zo wel op-zet ten doel-wit, als laatste arbeidt meê in't licht ghe-raaken zoud10, hebben wy by-na het vierde deel daar van, dat nóch On-duitsch sprak, met alle vlijt en naerstigheidt, onze stijl na de zijne, zo veel ons mooghlijk ghe-weest is, buighende, en op zijn wijs spellende, meê Duitsch doen spreeken, en, op-dat ghy 't niet langer ont-bee-ren zoud, al-voort onder de Pars ghe-braght. Waar meê ter-wijl wy bezigh zijn,
| | | |
zijn ons, 't gheen an dus-daanighe zaaken ghe-woónlijk te buert valt, om ons Schip in zijn voor-spoedighe voort-ghang te stuiten, dwars voor de boegh komen drijven, tweërlei slagh van (op-dat ik ze met haar beste naam noem) Be-dillers, die wy, zo haar oóren 't ghe-luidt van reden ver-zwelghen konnen, de mondt ver-hoopen te stóppen.
Het eerste11, waar onder ('t gheen te ver-wonderen is, en zich zelven schaamt) Ghódt-ghe-leerden, voeren ons te ghe-moet, niet meêr de On-mooghlijkheidt; want in't schoól der Er-vaarenheidt zijn nu meê van haar oóghen ghe-licht de ghróve vliezen, waar meê zy in't schoól der Erf-leer12 ghe-blindt-hókt ghe-weest waren; Maar de On-be-hoórlijkheidt van dusda-nigher Boeken ver-taaling; want (gheeven zy tót reden) ghy wordt te wijs, zo dat men u niet meer van pas Preeken kan13. Maar voor-waar een kinderlijke reden, en, nu zy van in de H. Schrift er-vaarene luiden te bórd14 ghe-braght wordt, nóch kinderlijker. Ver-plight ons, om onzen Even-naasten, niet alleen werldlijke, maar voor-naamlijk gheestlijke ghoederen te be-schikken, niet de Liefde, die wy hem, als ons zelven moeten toe-draaghen?
......
(3r) Het twede slagh smaalt op de wijs van spellen, in dit, ghe-lijk als in alle zijn andere schriften den Ver-taaler ghe-bruiklijk: En mits hem het Werk, dat reden15, waar op zy stuent, zoud gheeven, en waar van zijn herssens zwanger ghingen16, zijn te vroeghe doódt ver-hindert heeft te baaren; zo zullen wy eenighe van de on-ghe-woónste, en voor deze Be-dillers an-stoótelijkste op-haalen17, en ver-daadighen met eenighe uit zijn mondt ghe-hoórde redenen. Voor eerst dan valt haar de veelheidt der Kóppel tekens, waar mede twe óft meêr woorden tót een t'zaâm-ghe-schakelt worden, dapper dwars18 in't oógh19. Maar zy zijn om de Hoe-daanigheidt des woordts te ver-toónen, en de dubbel-zinnigheidt, en duisterheidt, die door der zelver na-laating vaak ont-spruiten, te weeren, en, by-zo-ver zom-20, om de een-paarigheidt al-tijdts noódigh. Daar-na leidt haar herdt in 't ver-standt, dat in de twe-klank van dueghdt, vruegdt, en dier-ghe-lijke, de u daar zy by meest alle andere de after-, by hem de voor-tóght heeft. De zelfde Letters, op de zelfde wijs ver-knócht, ver-beelden al-tijdt het zelfde ghe-luidt der stem. By-zo-ver nu in Eufraat, Theseus en dier-ghe-lijke, de eu een andere klank, als in dueghdt, vruegdt, enz. ghe-hoórt wordt, ver-toónt, zo zal niet eu, maar ue daar toe moeten ghe-be-zight worden. Iemandt zal my mooghlijk, dat de eu alleen in uit-heemsche, welke na dier taalen spelling ghe-schreeven worden, en niet in eighe Duitsche woorden zo-daanighen klank heeft, te ghe-moet voeren. Maar zy wordt,
| | | |
schoón niet dan met nóch een e ver-lengt zijnde, in eeuw, leeuw en dier-ghe-lijke, ghe-vonden: Want even-eens als van aau, een a wegh-ghe-worpen zijn-de, au; zo blijft van eeu, een e after-laatende, eu21. Voorder stuit haar oók teghen de borst, dat de g de h tót een by-na on-scheidelijke met-ghe-zellin heeft. Maar by-zo-ver zy die harde uit-aasseming der h in zich ont-beert, als blijkt in zangen, brengen, Koningin, en dier-ghe-lijke, al-waar zy een ghe-luidt, wat na de k hellende, uit-drukt, zal zy om die te verbeelden, de h noódt-zaaklijk te baat moeten neemen22. Ziet daar met reden be-weert23, ons oór-deels, wel des Ver-taalers vreemdste Letter-voeghingen; want ze alle voor te stellen en staan24, zoud het be-ghrip25 niet van een Voor-reden, maar van een ghe-heel Boek ver-eisschen. Uit deze konnen de overighe ghe-schat worden, waar in zo iemandt efter zwaarigheidt vondt, die spreeke ons vry-moedelijk an, zo 't hem de pijne waerd is, 't zal ons de pijne waerd zijn, hem na ons ver-moghen daar uit te helpen. Uit zijn ghe-dachten onder-tusschen banne een ieder vry, dat'er iets, welk niet op de voeten van reden staat, in is: zo dat wy wel ghe-hart zijn26 staande te houden, dat in gheenighe Boeken, die ons ooit ter oóghen ghe-komen zijn, min ghe-brekkigher spelling te vinden is.
Deze redenen, Ghunstighe Leezers, in de schaal van ons oór-deel ghe-wikt, en wightigh27 be-vonden zijnde, hebben wy zonder enighe be-duchting over alle de steenen des an-stoóts, van deze Be-dillers ons voor de scheenen ghe-worpen, heen ghe-stapt, en alle onze vlijt, dat dit Werk t'uwen voor-deel den dagh moght be-schouwen, in-ghe-spannen. Wy hebben dan te dien einde alle de ver-taalde Konst-woorden28, (waar van dit Werk over-vloeyt, en waar-om tót des zelfs ghrondigh ver-standt een maatighlijk in de Reden-konst ghe-oeffende ver-eischt wordt) om oók die ghene, dien ze in 't duitsch nóch on-be-kent zijn, (3v) te ghe-moet te komen, in 't Latijn op de kant29, een-maal op een zijdtje30, om de over-maatighe her-haaling der zelve te ont-vlieden, doen stellen. Daar-en-boven hebben wy oók alie naestigheidt an-ghe-wendt, dat een-paarigheidt in de spelling, die zonder twijfel, had 'er de Man zelf 't oógh op ghe-hadt, naauwkuerigher be-tracht zoud ghe-weest zijn, door-ghaands in acht ghe-nómen wierd: zo het nóchtans erghens anders uit-ghe-vallen is, dat ver-hoopen wy, dat ten besten ghe-duidt, en dat men niet alles waar-neemen kan, en het dwaalen menschlijk is, ghe-dacht zal worden... Ont-fang het dan, waerde Landts-ghe-noóten, met zo ghoeden hart, als het u op-ghe-draaghen wordt, en zo wy in deze ont-fanging be-spueren, uw liefde en trek ter wijsheidt niet an 't flaauwen te slaan, zal 't ons lichtlijk ten spóór31
| | | |
strekken, om onzes Broeders zal. ghe-d. voet-stappen warm te houden, en de overighe Konsten en Weetenschappen, die de doódt dien schranderen Kók be-let heeft te schaffen, in Neêr-landsche schotels u nóch voor te zetten. Vaart wel, en ghe-bruikt onzen arbeidt t'uwen voor-deel.
L. Meijer
|
1T.w. het ‘ghemeyn maken’ van ‘dit boexken’ voor de Nederlanders.
6De Amsterdamse predikant Heynrijck Gheldorp (1600-1652), die een aantal bijschriften op afbeeldingen van tijdgenoten vervaardigde en bekendheid kreeg door zijn berijming der psalmen op 40 zangwijzen die in 1644 verscheen.
11Het woord niet dient te worden gelezen achter het vooralgaande maar.
3kennis-, wetenschaplievende.
5aangezien ze als volwaardig is erkend.
6geplaatst ben als leider van de lichte ruiterij; i.c. slechts vertaalwerk behoef te vervaardigen, en geen originele gedachten op papier behoef te zetten.
7zulke legers aan te pakken: i.c. zo belangrijk werk te verrichten.
8iets wat men nodig heeft.
10Vgl. p. XXXII, noot 56.
11Vgl. het als derde genoemde werk in de bibliografie, p. XVI.
13T.w. ‘mijn ver-moghen in't ver-talen’.
4vakwoorden, technische termen.
7verstoppen, onduidelijk maken.
10schiften en schiftinge zijn in de Institutio logica van Kók vertalingen van dividere en divisio.
11T.w. in het zojuist gegeven zinnetje.
12onderricht, geïnformeerd.
13samenhang, verwantschap.
1welwillende, vriendelijke.
4Vgl. WNT 12, I kol. 2436-2437 s.v., met name bet. 1 b.
1achtenswaardig, achting waard.
2het is gepast, betamelijk.
4van zijn menselijke aard beroofd.
5T.w. het feit dat men zijn vaderland lief-heeft.
7lichterlaaie, heftig brandende.
8vanaf het moment dat ik mijn verstandelijke vermogens ondergrond kregen.
9gelijke hoogte bereiken als.
13aanvoerder, iemand die voorop loopt.
22vernederend, betreurenswaardig.
28misdadige, onbeschaamde.
33aan te vullen, goed te maken.
35te voeren naar het punt dat men zich als doel heeft gesteld.
36hier gebruikt als titel voor de ‘Ghroot-achtbaare Heeren’.
39William Camden (1551-1623). wiens Brittania in 1586 verscheen.
4die in de minst voordelige omstandighe-den verkeren (?).
9gezond verstand en moed genoeg bezat.
11T.w. de vader. i.c. Kók.
12T.w. vanwege hel niet hebben van een moeder.
13die tot de kunsten en wetenschappen behoren.
24T.w. de titel op de titelpagina.
28rhetoricale opsieringen.
4Artes waarbij instrumenta, werktuigen. ‘gheen lichaamlijke, maar gheestelijke, naamlijk die bequaam zijn om't verstandt te stieren en te helpen’ worden gebruikt (vgl. Kort be-ghrijp 2). Vgl. ook Institutio logica, waar Aristoteles' Organon wordt vertaald met Werk-tuigh. Vgl. ook aldaar p. 13: de ‘An-doeningen’ [ Affectiones] van de tweede soort ‘behóóren tót de Redenkonst, en andere Werktuighighe konsten. als de Letter-konst, oft Reden-rijck-konst’.
5Vgl. het in § 2 onder 4 genoemde werk.
10zowel als bedoeling van de vertaler tot zijn doel geraken zou als als laatste werk van de vertaler verschijnen zou.
12traditionele opvatting (niet in WNT).
13Van dergelijke verwijten heb ik geen sporen gevonden. Ook prof. D. Nauta te Amsterdam was niets bekend omtrent dergelijke theologische bezwaren.
15verantwoording, argumenten.
16Vgl. de inleiding, p. XXVIII.
18niet weinig onaangenaam.
19Leupenius 23 wijst het koppelteken af.
21Leupenius 14 spelt eu, maar spreekt niet over de spelling ue. Wel wijst D. van der Weyden, Inleydinge tot een vast-gegronde Nederduytsche letterstellinge. Utrecht, 1651: 15 ue nadrukkelijk af.
22Zie eveneens Van der Weyden 6 en 28-30.
24Versta: voor te staan: te verdedigen.
30een maal per bladzijde.
|
|