Allang plukken pest en cholera, als gulzige tuinlieden, geen grote boeketten meer uit de wereldbevolking, allang zijn ze de kalenderspreuk vergeten dat de mens als een bloem opspruit en wordt - gebroken, ze lijken hun hovenierswerk alleen nog op kleine schaal te beoefenen, nauwelijks het vermelden waard.
In zo'n geval deelt de nieuwslezer van het Nederlandse tv-journaal, als het ware terloops en al raffelende, mee dat er in Napels zeshonderd mensen aan de cholera zijn gestorven om daarna, tergend langzaam en elke lettergreep grondig proevend, te vervolgen met de hem aanzienlijk gewichtiger lijkende mededeling dat-er-zich-naar-ons-bekend-is-niet-één-Nederlander-onder-bevond.
Cholera is buitenlands, cholera is een van de vele marginale rampen geworden die je nu eenmaal kunnen overkomen, als straf omdat je geen Nederlander bent.
Ook de oorlog is al geruime tijd iets exotisch geworden, iets etherisch, iets van-horen-zeggen. De laatste oorlog die de Nederlanders hebben meegemaakt suddert alleen nog wat voort in ingezonden brieven, als een papieren voorbeeld om er de meest tegenstrijdige dingen mee te bewijzen, en in de schedelpan van een handjevol inmiddels geheel seniel geworden oud-verzetsstrijders: een legioen van een half dozijn.
Generaals zijn lieden die jouw leven riskeren voor hun land. Zijn ze er dan niet meer?
Pestzuil in Heiligenkreuz