Papieren tijgers


auteur: Gerrit Komrij


bron: Gerrit Komrij, Papieren tijgers. De Arbeiderspers, Amsterdam 1980 (vierde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 99]

De literaire anekdote

Al maanden lagen de drukproeven van het literaire-anekdotenboek Zachtjes knetteren de letteren (samengesteld door Jeroen Brouwers) op mijn bureau; maar om redenen waar u niets mee te maken hebt en die ook te verschrikkelijk zijn om mee te delen, kwam ik lange tijd niet aan lezing toe.

En dat had zijn voordelen, want zo kon ik afwachten of de ‘boekenbesprekers’ in de val zouden trappen die voor ze open stond, wijdopen. Het lag ten zeerste voor de hand, namelijk, dat je het boek als volgt zou aanpakken: eerst verklaar je met veel nadruk dat je eigenlijk niet van anekdotes houdt, maar het boek niettemin met veel plezier hebt gelezen. Vervolgens haal je er ter vergelijking het enige maanden eerder verschenen The Oxford Book of Literary Anecdotes bij, om te laten zien dat je wel degelijk eens een buitenlands boek leest. En tenslotte zal je met geen mogelijkheid kunnen nalaten zelf wat anekdotes op te boeren, om te laten zien (leve de gezelligheid) dat je-n-et óók kan. Welaan, ik lees nooit recensies - maar ditmaal heb ik toch de moed opgebracht, en zie: alle recensenten vielen glansrijk in deze kuil. Het ging precies zoals je dacht.

Ik geef toe, het is heel jezuïtisch om op zoiets te wachten.

Maar omdat je voor zo'n aanpak nu eenmaal zélf niets hoeft te verzinnen (wat door velen wordt beschouwd als het hoogtepunt van kritiek), wil ik hun voorbeeld toch ‘eigenlijk’ wel heel graag volgen. Ik zou dan beginnen met instemming de rijmensmid Henry S.Leigh te citeren:

 
Of all the bores whom now and then
 
Society permits
 
To speak to literary men,
[p. 100]
 
And mix among the wits,
 
The worst are those that will devote
 
Their little minds to anecdote.
 
 
 
[...]
 
 
 
I like the man who makes a pun,
 
Or drops a deep remark;
 
I like philosophy or fun -
 
A lecture or a lark;
 
But I despise the men who gloat
 
Inanely over anecdote.
 
 
 
I quake when some one recollects
 
A ‘little thing’ he heard,
 
And, while he tells the tale, expects
 
A grin at every word.
 
Can any one on earth promote
 
Good fellowship through anecdote?

Natúúrlijk vertelde ik daarna (‘nu we toch eenmaal bij de Engelse literatuur zijn beland’) dat er een Oxford Book of Literary Anecdotes was verschenen en ik zou 'n paar wijze, ongetwijfeld rake woorden wijden aan de zozeer in het oog springende verschillen qua geestesgesteldheid en (helaas!) qua kwaliteit tussen de cis- en transkanaalse collegae. Ik zou beslist onder geen stoel of bank steken dat het buitenlandse boek in het algemeen bij mij kind aan huis was. (Nee, ik zou zelfs zover gaan dat ik verhaalde van mijn hartstochtelijke zucht naar ‘het boek’ en hoe ik tijdens de jongste orkaan vurig hoopte dat de universiteitsbibliotheek in de lucht zou vliegen waardoor alle boeken omhooggeslingerd zouden worden. Ik lag op de hoek van de Singel op de loer, met een grote oranje wasmand op mijn hoofd gebonden, gereed om elk moment als een topzware idioot van hot naar haar te draven om elk boek op te vangen dat ik kon.) Ja, zo'n bespreking van Zachtjes knetteren de letteren leek me ook zélf wel wat.

Een reuzezwaai! Ik geef toe, dit is niet langer jezuïtisch, dit komt regelrecht uit de katholieke vakbond.

[p. 101]

Laat ik me maar tot wat kanttekeningen beperken.

Jeroen Brouwers laat in zijn Vooraf A. Roland Holst zeggen dat herinneringen aan letterkundigen een heilzaam antidotum vormen tegen ‘het ordinaire horizontale collectivisme’.

Dit is typerend voor de eigendunk en zelfvergroting van de meeste in dit boek voorkomende schrijvers. De pikanterieën en aardigheden draaien immers meestentijds om zuipen, vloeken, hoereren en bluffen: exact dezelfde zaken dus waarin het ordinaire horizontale collectivisme zo uitblinkt.

Het punt is dat Dichters blijkbaar álles vergund moet worden, en dat hun brutaliteiten en dronkenschappen van een wezenlijk andere orde zijn dan die van de gewone sterveling.

Omdat de heer Boutens niet schreef met een betonnen ganzeveer, maar integendeel! door het verstilde leven kon boren en nergens, werkelijk nergens tieren wou, is het hem vergund om wél met een betonnen plaat voor zijn hoofd te lopen, ja dit dient zelfs met alle macht aan de vergetelheid ontrukt te worden en in gouden letters neergeschreven. Wanneer ik de onbehouwen gedragingen van de Boutens uit de anekdote over hem, die tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat hij een proletariër was met een wat moeizaam aangeleerd laagje beschaving, een verwaande aansteller en schobbejak, een sinjeur meer dan een seigneur, bij iemand die ik ken zou tegenkomen, dan zou ik hem regelrecht plompen in het water van de gracht. En zo zijn er meer van die slechts in schijn excentrieke blaaskaken en opsnijders. Vervalst zo'n anekdote nu of geeft die juist een goede kijk op iemand?

Terecht krijgen de grootste sjacherijnen in dit boek de meeste ruimte, en wanneer de van Godswege gezonden Literator de dommen en de opdringerigen op hun plaats zet, kan ik daar heel best vrede mee hebben, maar dat voortdurende schofferen van volstrekt niets-vermoedende mensen, nee. Zoiets kan je gerust aan de straatjongens overlaten. Heel bont maakt Stijn Streuvels het - hij terroriseert de halve bevolking van zijn dorpje Ingooigem, door, zodra hem iets niet zint, zodra hij niet wordt behandeld als de Maestro die hij is, brieven naar de Minister te schrijven, waarna de arme dorpelingen - de postbode of de groenteman - hem met knikkende knieën om genade komen sme-

[p. 102]

ken: ik heb van die stuitende Vlaming nooit iets gelezen en weet nu dat ik het nooit doen zal ook.

Het is vaak moeilijk de aardigheid in te zien van dit contrast, waarop de anekdote meestal berust: dat tussen de in de Wolken toevende dichter en het Alledaagse. Nog pijnlijker wordt het wanneer mensen wie het geheel aan geestigheid schort het middelpunt van de anekdote vormen: de grappigheid, de legende is dan onvrijwillig, het is ze overkomen - veel van onze grote letterkundigen blijken dan net zo geestig als de slachtoffers van gijzelingen helden zijn.

Je wordt langzaam moe, heel moe van het lezen van al die verhaaltjes in dit boek, dat overigens consciëntieus is samengesteld, al staan er enkele mystificaties e.d. in die niet tot het eigenlijke domein van de anekdote behoren, en al kan men de samensteller een onder het mom van objectiviteit schuilgaande partijdigheid niet ontkennen (zie het veelvuldig voorkomen in het boek van Vlamingen, van Godfried Bomans, van katholieken in het algemeen, maar ook de talrijke merkwaardige lacunes, met name voor wat de moderne tijd betreft).

Moe word je van de onsmakelijkheid. Ik hoef niet te lachen om dichters die eten, drinken en snurken, zoals ik ook niet hoef te lachen om ‘gewone mensen’ die eten, drinken en snurken. Het is de mythe die vaak de glans verleent aan het verhaal. Dichters gaan ook nooit met liften, zo las ik hier, ze rijzen met liften, vanzelfsprekend naar de hogere sferen waar ze thuishoren. De enige, maar dan ook de enige keer dat ik schuddebuikte en hikte van de lach was om het verhaal van Marsman en het aapje.

 

‘Een wederzijdse vriend in Utrecht hield op zijn groteske vrijgezellenkamer een klein aapje in een grote kooi. Wanneer er een onbekende voor die kooi verscheen, reageerde het ouwelijke diertje met uitingen van diepe wanhoop. Hij sloeg met een gebaar van ontzetting zijn kleine, zwarte handjes aan weerszijden van zijn gerimpelde kopje en schudde nadrukkelijk en ontroostbaar van nee. Ik herinner mij de ontzetting, die Marsman beving de eerste maal, dat hij voor de kooi verscheen. De vriend had hem verteld dat het aapje een feilloos instinct bezat, waar het 't herkennen van dichters betrof. “Als hij een echte dichter ziet, doet

[p. 103]

hij erg blij. Ben je een prutser, dan voelt hij dat onmiddellijk en wordt hij diep bedroefd.” Marsman naderde de kooi voorzichtig, kennelijk niet op zijn gemak en het aapje had hem nauwelijks opgemerkt, of de kleine handjes gingen in wanhoop omhoog en het wonderlijke lilliputterhoofdje schudde smartelijk heen en weer... Nu te zeggen, dat Marsman zich een aap schrok, zou wel een erg vreemde beeldspraak zijn. Maar het heeft hem wekenlang dwars gezeten. Hij vond het verschrikkelijk.’

 

Ja, dat is om te lachen! Vermits je, dat spreekt, voor ‘Marsman’ de woorden ‘Nederlandse literatoren’ invult... Nog bang voor de mening van een aap!

Scherpe waarnemers zullen hierboven, bij mijn Roomse Reuzezwaai, hebben gemerkt dat ik de fijne, gezellige anekdote van eigen hand vergat. Dat was, zul je begrijpen, met opzet, want zoiets misstaat ook aan het einde niet. Ze handelt over schrijvers die u misschien niet zo direct zult kennen, maar dat is geen bezwaar, want er worden in het boek zelf ook anekdoten verteld over Basiel de Craene, August Snieders, Mireille Cottenjé en de alombekende veelschrijver E.H. van Lidth (sic) de Jeude. Het gaat toevallig over de samensteller van dit boek, destijds redacteur van de uitgeverij Mantau (of zoiets), en het veelgeprezen wonderkind Adriaan Venema, die bij deze uitgeverij zou publiceren. Ik (Gerrit Komrij) zag eens in een boekenstalletje in de Molsteeg te Amsterdam het boek Een sterfgeval in Duitsland van Adriaan Venema, en in dit boek las ik als opdracht: ‘Voor Jeroen Brouwers. Mijn vriend na één nacht.’

Erg leuk is het niet, ik weet het, en ik herinner me ook nauwelijks of het niet eigenlijk omgekeerd was, of de opdracht niet in een boek van de ander stond. Ja, het is een stomvervelende anekdote, rustig-aan! Maar ze beantwoordt aan de roddelzucht van enkelen (‘slechts één nacht mocht ik u omarmen, heb ik de heuvlen van uw rug gekust’), aan het peil van een anekdotenboek over Nederlandse schrijvers en, wederom denkend aan die ene nacht met iemand die al na veertien dagen de bibliofiele herinnering eraan gaat verpatsen, aan ordinair horizontaal collectivisme. Nee, het was toch omgekeerd, bedenk ik me nu. Het was een boek dat door Adriaan Venema was verpatst. Die jongen verkoopt van alles.