Ik zou niet precies kunnen omschrijven welke boodschappen en banvloeken Habakuk II de Balker alias Foel Aos in de driehonderdzestig pagina's van zijn roman Zwijg de wereld instuurt, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze, op zijn zachtst gezegd, zeer gezond zijn. Aardappels, varkens, bevroren voren, oneindige akkers getuigen van een grote bodem-gehechtheid. Het gewone volk, dat dicht bij de aarde staat, bezit de essentie van het leven. De mensen uit de steden zijn abject: ‘Hun taal was de taal van affiches, hun kleren volgden de modes van de stad (met lichten) en de mensen dachten zelfs als steden.’ De ziel en het gevoel, zegt De Balker, daar gaat het om, en ‘de ratio die hier te lande als zuilenheilige bivakkeert op elk willekeurig kruispunt’ balkt hij weg. (Gek, dat het mij nu steeds weer wil voorkomen alsof juist het gevoel en de ziel hier te lande op elk willekeurig kruispunt als zuilenheilige bivakkeren.) De dorpskroeg contra de industrie. De verwarrende volheid van het ware leven contra het belachelijke streven naar volmaaktheid in de kunst.
Terug naar de natuur! luidt de voze filosofie van dit boek, en voor dat doel wordt in het oosten des lands een wereld gecreëerd, die niet bestaat en ook nooit bestaan heeft: een mythologie van boerendochters, notabelen, pittoreske ouden van dagen en plattelandsartiesten, in een decor van kermissen, boerenhoeves, maalderijen en landgoederen waarover de boerenwagens stuiven en razen, razen en stuiven. Zoutlo, Vikingveld, Klotenstad (Hengelo, Boekelo, Enschede) heten de plaatsen des onheils, somber, zout, herfstig, brandschattend en kierewiet.
De wereld van Foel Aos bestaat niet, en daarom wordt ze opgeroepen, er wordt een complete mythologie op stelten gezet, kunst dus, die daarna wordt uitgespeeld tegen de stad, tegen de
‘beschaving’, tegen de kunst. Foel Aos schermt met onechte wapens, of met magische, voor wie dat liever hoort. Alles is voor zijn rekening in deze wereld van oertypes, oerdriften, alles oer.
Alles heel vitaal, heel kosmisch, heel gezond. Zwijg! Leef!
Geen wonder, dus, dat deze roman als een bom insloeg bij christenen en marxisten, de eersten lopend op hun tenen, de tweede op geitewollen sokken. Lidy van Marissing schreef erover, jawel, en de auteur, Habakuk II de Balker, onderwijzer aan een christelijke school, verscheen op de tv, om in een programma van de ncrv over rustieke land weggetjes te wandelen en ethischrabiate vragen te beantwoorden van Wim Hazeu, dat prototype van de beter-gesitueerde christelijke humanist of mohammedaanse vrijmetselaar. Het zit dus wel goed met de boodschap van Habakuk!
Het soort moraal noch het soort publiek is natuurlijk doorslaggevend voor hoe je zelf zo'n boek ervaart, al zijn ze nóg zo alarmerend. Je probeert ze tijdens het lezen te vergeten.
Wat dan op je afkomt is een diarree van woorden, een overdadige vloed (bekend uit Habakuk II de Balkers gedichten) van expressionistische bijvoeglijke naam woorden, van verfomfaaide, maar aansprekende eigennamen, een brij van vergelijkingen en wilde scènes, de taal kortom van het kopjeduikelen en de hink-stapsprong. Driehonderdzestig bladzijden vruchten, door De Balker gebaard na een druiventroszwangerschap.
‘Alles is immers astatisch en alles krijgt afasie, het facie van het wodka-etiket - dat eenmaal ka! zegt - , van de rat en van de farce: alles bevriest een keer als Antarktika,’ lees je ergens (ergens? op blz. 95), en elders (op blz. 147 dus) doet de schrijver bijna één pagina over het beschrijven van iemands hoofd, omdat hij aan woorden geen gebrek heeft, nooit ergens gebrek aan heeft natuurlijk: ‘Vanachteren beschouwd een monnik, van voren weer op een antieke ketellapper lijkend of marskramer, met iets heel ouds in zijn ogen van verschillende kleuren blauw zoals lucht na on weer, met zijn neus die, gebroken na een botsing met een dronken muur, met twee haarspeldbochten naar met struiken dichtgegroeide tunnelingangen afdaalde, moest Augustus III wel iedere levende slachter van de psyché een levend raadsel toeschijnen, en
ook iedere loodgieter en boer. Op zijn linkerprofiel was helemaal geen staat te maken. Het kon van een stratenmaker zijn, van een frauderende loodgieter, een aftandse koeherder of een stroper in ruste; en wat de rest betreft, als je Anijs vóór je had als beeldenaar op een romeinse cent, zijn kop in de richting van Polen en Siberië gedraaid, dan had je zoiets als een krankjorume keizer, zoeen die zijn eigen hoofdstad aansteekt, of eentje die een bottentelling beveelt in zeker gloriejaar; of een legeraanvoerder die alle veldslagen verliest, zelfs zijn laatste en die met zijn krullende zo prachtig vuurspugende kop op een paal gespiest eindigt.’
Wat is nu de indruk die zo'n passage maakt, en al die passages waarin landen stil als een drinker mist drinken, of nevel uitdrinken met flauwe geuren van sterven die ademen in en uit de ribbenkast van de grond, terwijl de wezel, de bunzing en de lepe steenmarter de herfst vervoeren?
Mooischrijverij? Woorddronkenheid? Verwarring? Ik weet het niet, maar terwijl het in Habakuks gedichten tot zekere effecten kan leiden (niet mijn favorieten, overigens, die gedichten, want zo dynamisch! zo barok! of je een brandslang opendraait), wordt het in een roman als Zwijg wel erg vermoeiend, ondanks die zee van fraaie zinnen, die oceaan van sfeervolle wervelingen, die maalstroom van gedverderrie.
Oneindig is dit boek! Het alfabet laat de schrijver niet met rust. Driemaal hetzelfde zeggen met andere woorden ook niet.
Ik heb het, de eerlijkheid vraagt haar tol, met de grootste moeite doorgeworsteld, me ergerend, niet zozeer aan de boodschap, want Foel Aos houdt van de aardappel en de simpele ziel, ik niet, so what, maar aan de talloze malen waarop hij zich in deze roman indekt tegen mensen die wat op zijn heilsverkondiging aan te merken zouden kunnen hebben, maar toch ook wel verwonderd over ronduit prachtige fragmenten.
‘Tegen die tijd zag hij de wonderlijkste dingen. Eens op een middag, een paar dagen later, overkwam hem dit: hij zag een oud model kookpot merk Tiberius in de lucht hangen; het soort kookpotten waar antiquairs grif een tientje voor betalen en dat je nog weleens tegenkomt in kippehokken, hier en daar. Onder de pot ziedde een vuur. Stoom floot tussen de potrand en het
onritmisch opspringende deksel door, en een akelig gekerm steeg uit de pot op; bijna verbeeldde Augustus zich, als van roggehalmen op het ogenblik dat ze doorgehakt worden door de maaibak. De zon flikkerde in de haver; de blauwe lucht golfde tropisch, Turks, boven de groen en gele vlakte, en daarin stond Augustus Anijs die in zeker jaar op de dertiende van de elfde was verwekt en na een verblijf van tien maanden in de wereldzee aan land was gespoeld niet ver van waar hij nu stond, een stalen sikkel op zijn schouder. Zijn gezicht had de kleur van jute dat in India wordt gesneden. Uit de kookpot stak een hand omhoog en hij kon erop zweren dat hij de stem van zijn grootvader hoorde van vaderskant die hem toeriep, met een Turks accent: “Augias, het ga je goed jongen! Het is hier tamelijk fris!”’
Wie zo schrijft, hij schrijve voort. Hoe slaapverwekkend door overdaad het boek ook is, door af en toe terugkerende uitschieters in de woordenkolk van ordeloze gebeurtenissen is het een roman geworden van een, zoals dat heet, ‘geboren’ verteller. Zwijg is een dynamisch, vitaal, revolutionair, rein, overdonderend boek. Nou ja, ik hou niet van dynamische, vitale, revolutionaire, reine en overdonderende boeken.