terug  begin  verderprepost
[p. 166]

Kunst is een bandenwipper

Ik moet iets bekennen. Ik heb een roman geschreven. Toen ik vijftien was. Ik was een echte wijsneus, toen. Ik wist wat er in de wereld te koop was. Ik zat vol kalenderspreuken.

Het was 'n navenante roman. Grote woorden voor kleine gedachten. Ronkerig dikdoen van je c'est la vie. Kruiwagens met platitudes. Spoorwegwagons met pretenties. Af en toe kwam er een regel in voor die op 't eerste gezicht spits en aardig leek, maar toch ook niet al te lang standhield. Als je 'm een paar keer zou overlezen, dan zou hij zo helder als modder lijken. De mens is eenzaam. Het wonder van de lente. Zeeën van tranen, want je fictieve Geliefde nam de Benen. Als je betrapt werd op de diefstal van welig tierend ooft: naar de psychiater. Als je betrapt werd op de diefstal van een kwartje: zelfmoord. Het was een sentimentele roman. Het was een roman met een kunstmatig wereldbeeld, waarin al te gemakkelijk de gevolgen voor de oorzaken werden aangezien, en het servet voor het tafellaken.

Het gekke is nu, ik kom die roman steeds weer tegen. En de laatste jaren, lijkt het wel, vaker dan ooit. Ook de romans Twee dagen Wolkenbak, enzovoort en Koekjes in de zon van Roeland Kerbosch komen me bekend voor. Ik heb ze zelf geschreven. Toen ik vijftien was.

De wijsneus, die de wereld met klinkende definities onder de knie heeft, is ook in deze romans aan het woord. De problemen kunnen hem niet groot genoeg zijn.

Luister eens hoe Kerbosch voor niets terugdeinst.

‘Honger is het langzaam slopen van een lichaam, cel voor cel, een leven lang van pijn.’

‘Kunst zelf is gereedschap. Kunst is een bandenwipper, het haalt de binnenband tevoorschijn. Kunst is een knijpkat die het leven verlicht.’

[p. 167]

‘Verliefdheid wordt geen sleur, maar toch... Je went er aan. De komende en gaande vriend. Je houdt van 'm zolang als 't duurt. Je weet dat er altijd weer een volgende is. Een doorgaand proces, tot de dood er op volgt. Perpetuum mobile van de mensheid. Dat is liefhebben, ongeveer.’

‘Seconden die elk, stuk voor stuk als gave ronde druppels in een gewichtloze ruimte zweefden, en dan, zonder opdracht, verdampten tot verleden.’

Honger, kunst, liefde, tijd, Kerbosch wast 't varkentje wel.

 

Grote woorden, kleine gedachten. En ook het verhaal zelf: grote emoties, kleine mensen. Als er iemand huilt, begrijp je nooit waarom, als er iemand kwaad wegloopt, komt het als een volslagen verrassing bij je aan. De reacties zijn reusachtig, de aanleiding is miniem.

Je leest een hoogst beuzelachtig gesprek, maar uit de manier waarop de sprekers reageren blijkt dat er iets héél diepzinnigs is geschied. 't Is je blijkbaar ontgaan. Er eindigt (in Wolkenbak, enz.) iemand in het gekkenhuis, zonder dat je ook maar éven in de gaten had dat die persoon aan het gek-worden was. Je volgde zo'n persoon in al z'n gedachten, en dan denk je: Hoe nu? Zit ik ineens in een ander boek? Vanwaar dat drama? Het is 'n Medea in de poppenkast, 'n Electra onder de marionetten van de automatiek.

De heer Wolkenbak die zo zonder crescendo, zo geheel zonder plastisch vermogen in Kerbosch' eerste roman gek is geworden, figureert ook in zijn tweede. Als een toevallige voorbijganger. Iets als Hitchcock in zijn eigen films, nietwaar. Kerbosch laat hem, bij wijze van grap, opnieuw optreden. Je begrijpt de ‘grap’ alleen als je zijn eerste roman kent. En wie kent zijn eerste roman? Het is dus niets anders dan 'n mateloos koketteren.

Koketteren doet de vijftienjarige Kerbosch graag. In Koekjes in de zon wordt van de beide protagonisten, de broeders Hadde en Bink, steeds weer gesuggereerd dat niet een zekere Maurice Staertbeen (bij Kerbosch heten de mensen ook Waterslag, Klunderstoom, Brukkelaar) hun vader is, maar een te Baarn vertoevend koninklijk persoon, zonder dat diens naam één keer wordt genoemd. Het gaat zelfs zover dat deze (dus zo écht actuele) roman over de beide broertjes van prinses Beatrix in 'n wikkel is gestoken waarop staat: Een koninklijk boek.

[p. 168]

Dit suggereren gebeurt bij voortduring zó ondeugend, dat Kerbosch hiermee z'n kleinburgerlijkheid of, om in onze gedachtengang te blijven, z'n puberteit bewijst.

Want 't verdere verhaal is allerminst suggestief, het gaat nogal van recht op en neer. De oudste broer wil volgaarne naar bed met z'n moeder, maar wordt door haar afgewezen. Daarna loopt hij nog een extra blauwtje bij een vriendin, die hij dan toevoegt: ‘Je lijkt m'n moeder wel.’ De vriendin interpreteert zijn toevoeging, begrijpelijk genoeg, verkeerd, en over deze misinterpretatie zit hij dan weer ten zeerste in de put, maar gelukkig! de jongste broer mag wel naar bed met z'n moeder.

Die jongste broer vertelt nu de oudste dat hij wél met z'n moeder ‘van de kruk is geweest’, om een bij uitstek erotische uitdrukking van Roeland Kerbosch te gebruiken, maar eerst nadat de oudste de jongste van zijn mislukte toenadering heeft verhaald. Nu ja, 't is zó'n klap voor de oudste broer, dat laat zich denken.

Aangezien de gevolgen bij Kerbosch altijd aanzienlijk kosmischer zijn, wereldomspannender, dan de oorzaak ooit deed vermoeden, moet hier op z'n minst een moord op volgen. Op dit punt van het verhaal beland, je hebt dan nog ruim veertig bladzijden voor je, vertellen je eksterogen je al onomwonden dat de roman met op z'n minst een moord zal eindigen. En het komt dan ook precies zo uit.

Over B. van Lippe Biesterfeld doet K. kies, maar incest, daar draait hij dus z'n hand niet voor om. Moeder Bernadette mijmert: ‘Haar gedrag was héél onzedig. Ze glimlachte. Incest heette dat. Maar het was dezelfde heerlijke beleving, hoor! Als het strafbaar was dan moest er snel een actiegroep komen: Moeders doen hun best voor incest! Met een vrolijk gebaar wipte ze de richtingaanwijzer om en sloeg de grote weg af.’

Dezelfde Bernadette heeft nóg zo'n typische Kerbosch-definitie (vooruit dan maar! nog eentje! als toetje dan!) in petto, ditmaal van Moederlijke plicht: ‘Wat is dat, moederlijke plicht? Lariekoek, na de moederkoek.’

 

't Is wazig, profielloos, ik moet me van langere citaten onthouden, ze zouden als slaappillen werken.

[p. 169]

Het is een speciaal taaltje dat Kerbosch hanteert, de taal waarin mensen nog met Lieve en Mijn lief worden aangesproken, de taal van in de politieke partij d'66 verdwaalde domineeszoons die ook zo mooi op de banjo spelen. Het mannelijke geslachtsdeel heet in Kerbosch' boeken onveranderlijk piemel.

Ik zou zeggen: wie een lul een piemel noemt heeft zichzelf buitenspel gezet. Wat-ie ook doet, hij zal alles piemelig doen.

Al het sexuele gaat bij Kerbosch 'n beetje raar. Hij is niet bepaald erotisch als hij de erotische weg bewandelt. Alsmaar zwellen en slinken de piemels, waarbij de tijdspanne van het zwellen duidelijk favoriet is en ‘een lekker gevoel’ heet, al begrijp je nooit waarom. De voornaamste bezigheid, het dominante denkwerk van zijn protagonisten betreft het gluren in damesbloesjes en het mijmeren over de volgende juffrouw in wie de kleurloze piemel zal worden geïnsereerd.

Kerbosch probeert zo eenvoudig mogelijk te schrijven, in een Margriet-stijl van korte zinnen. Ook hier past 't weer niet bij elkaar: de stijl past niet bij de pretenties. Want er is ook 'n pretentieuze eenvoud.

Het is verder de eenvoud van clichés, de sentimentaliteit: ‘Hadde zwierf al jarenlang als een foto-negatief van de ene donkere kamer naar de andere, zonder enige hoop op een herkenbare afdruk’, en ‘Elk woord, in welke taal dan ook, was al een uitgebluste zwakke zucht vóór het gesproken werd. Bernadette's gedachten kenden geen vertaling meer.’

Dat rammelt. Het rammelt overal. Je ziet je zelf weer terug als vijftienjarige. En 't is pijnlijk. Je dikke wereld wijsheid bungelt als een waterhoofd op je dunne ervaringen.

prepostterug  begin  verder