Meteen al op de eerste pagina's van het eerste verhaal uit Bob den Uyls nieuwe verhalenbundel Gods megen zijn duister en zelden aangenaam lezen we voor Bob den Uyl zeer typerende stellingen: ‘alles loopt verkeerd af omdat een goede afloop niet bestaat. Een goede afloop van wat dan ook is een verzinsel, een fantasie, een wensdroom; verzonnen, gefantaseerd en gewensdroomd door mensen die wat zekerheid in het leven willen roepen. Gevolgtrekking: alles loopt af zoals het behoort, en dat noemen wij dan een slechte afloop, ons daarmee zekerheid verschaffend dat een goede afloop wel degelijk bestaat. Maar mocht er schijnbaar iets eens goed aflopen, is dit slechts tijdelijk.’
En even later laat hij daarop volgen: ‘Een waarschuwing: in dit verhaal gebeurt niets. Inderdaad, eindelijk een verhaal waarin niets gebeurt. Dank u. Jarenlang ben ik gebukt gegaan onder de heersende mening dat er in een verhaal, vertelling of verslag iets wezenlijks dient te gebeuren. Op niet nader te omschrijven wijze is me geopenbaard dat dit een misvatting is. Er gebeurt al genoeg. Dus eigenlijk ook weer niets.’
In een notedop zien we in deze stellingen de techniek van Bob den Uyl; want het is niet alleen een houding, het is ook een techniek waarmee hij in staat is soms knappe verhalen te schrijven. Een angstwekkend optimisme bestaat bij hem niet, hij kent geen bloedstollende pro's en contra's, of louter zwart en wit: niets deugt, niets is van wezenlijk belang, dus alles is mooi meegenomen.
Je hoort het de laatste jaren vaak, onder studenten, dat Bob den Uyl zo'n goed schrijver is, het is een mode. (Meestal gaat dat gepaard met de opmerking ‘dat hij nogal eens onderschat wordt.’ Een soort pedanterie die inhoudt dat de zegsman zich een uitver-
korene waant, een literair peillood dat allang goeie grond gevoeld heeft. Van zo'n onderschatting nu heb ik nooit iets gemerkt.) Ik moet eerlijk zeggen, de zes verhalen uit Gods megen zijn duister en zelden aangenaam zijn helder en zeer aangenaam, en ik zou, heel persoonlijk uiteraard, zonder wetenschappelijke maatstaven (maatstaven die de - literaire - wetenschap ook nooit zal uitvinden, anders zaten ze er zonder brood) de beide verhalen over de milde treurnis van het reizen, ‘Het rechtzetten van een misvatting’, waarin de schrijver een fiets wil laten repareren in Keulen, en ‘Donker Spanje’, waarin ons een en ander meegedeeld wordt over bus-, trein- en taximanieren op het Iberische schiereiland, willen bestempelen als de aardigste die in lang verschenen zijn. Eindelijk een schrijver ook, zonder al de opgeblazen flaptekstenpoeha die er hier zo bij hoort. Het klinkt wat serieus, maar je wordt ook ingetogen van Den Uyls verhalen.
En trouwens, nog één keer dr. Ritters boekenpraatje is óók niet weg.
Een nadeel van het schrijven over boeken (er zijn meer, veel meer nadelen, en ik beklaag me er niet over, integendeel, ze stemmen me juist vrolijk) is dat je op den duur beschaafde uitdrukkingen van waardering tekort komt. (Fens cum suis hebben, nimmer de lezer indachtig, de markt verpest.) Superlatieven, ja, die zijn er in 't Hollands genoeg, dat godverknochte taaltje is één en al superlatief, maar gewone woorden, bedoel ik, niet pathetisch, écht gemeend, woorden waarmee je de eeneiige tweelingbroer zou willen condoleren van een sterfgeval dat je oprecht na aan het hart lag, die houden niet over - woorden die soms passen bij het werk van Bob den Uyl.
Den Uyl manipuleert grote gevoelens uiterst zorgvuldig, hij ‘houdt ze eronder’. Dat zien we in een fraaie passage, wanneer hij 's avonds de Dom van Keulen passeert, ‘zeker geen vreugdevol bouwwerk’. Hij vervolgt dan: ‘Lang vergeten angstgevoelens en ruimtevrezen braken opgewekt in mij los - eindelijk weer werk aan de winkel. Hoewel op zich zelf een onprettige ervaring (eufemisme voor gruwelijke ellende), was ik toch tevreden dat ik ze nog bleek te hebben; ik begroette ze als oude, in lang niet geziene vrienden. Door deze slimme houding, die ze niet verwacht hadden, en ook door zorgvuldig te vermijden naar de
kathedraal te kijken, zakten ze weer teleurgesteld weg. Die had ik mooi te pakken gehad.’
Ik neem als vanzelfsprekend aan dat u door zulke passages het werk zelf zult lezen. Vreugde, getemperd door neerslachtigheid, zal uw deel worden. IJzig geouwehoer, smaakvol opgedist, ook. Een hoogst prikkelend gevoel van desoriëntatie. En een bedrieglijke eenvoud, die goddank de paar mensen af zal stoten die óp gedrukt papier, face à face, geworstel willen zien. En er gebeurt bij Den Uyl genoeg, ook al gebeurt er niets (deze dubbelzinnigheid maakt bij hem de spanning uit): gekken en dronkaards, dubbele moorden, motorraces! Veel de laatste tijd als ‘prachtboeken’ geafficheerde werken kunnen hiervoor gevoeglijk de vlag strijker.