Papieren tijgers


auteur: Gerrit Komrij


bron: Gerrit Komrij, Papieren tijgers. De Arbeiderspers, Amsterdam 1980 (vierde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 175]

Wraak met een bom duiten

De roman Zonder dollen van Hans Vervoort is op het eerste gezicht een zegen voor iemand die er wat over zeggen moet: een dunne roman, ook weer niet té schriel en armetierig, maar zéker niet fors, enfin, je hebt hem uit in de trein van Amsterdam naar Utrecht, wanneer tijdens die reis niet langer dan één kwartier de overweg versperd wordt door een Jehova-getuige met de kolder in de kop, een roman van de toekomst dus.

Het is moeilijk ‘echte romans’ te schrijven als Vaderland en Eer geen rol meer spelen, wanneer je dundoek noch degen aansprakelijk kunt stellen voor de verdrietigheden die mensen elkaar aandoen, voor de spanningen van een verhaal. Trots en Vooroordeel, Schuld en Boete zijn de voorwaarden van de klassieke, grote roman. Het is het Hogere of het Innerlijk dat als een ware drijfveer van de mens fungeren moet, wanneer je hem enkele honderden bladzijden geloofwaardig wilt maken; vandaar dat het onzin is wanneer je hoort klagen ‘dat de echte romans niet meer geschreven worden’. Natuurlijk worden ze niet meer geschreven.

Want het hogere ligt op de schroothoop, goddank, en het innerlijk is ook al overal te koop.

Vervoort nu is erin geslaagd zijn roman een heus klassiek aanzien te geven: de hoofdfiguur wordt bij hem gedreven door Wraak, hij zoekt Vergelding voor het leed dat een overleden vriendin van hem is aangedaan. Antiquarische gedachtenwereld! En tóch de reden dat het een redelijk spannend boek is geworden, met een verhaal dat goed in elkaar zit. De oudtestamentische Truuk der Wrake wérkt. Moderner zijn het ontbreken van veel nevenhandelingen, de voortdurende relativering, het milieu en, ik zei het al, de geringe omvang.

De wraakneming van de ik-figuur is mogelijk door een brutale

[p. 176]

premisse: hij is puissant rijk. Door een erfenis. Dat geld speelt een voorname rol, zoals we dadelijk zullen zien.

Genoemde hoofdpersoon dan (uit zijn gemijmer en gesprekken komen we het verhaal te weten, er is geen Alziend Oog aanwezig) is, na geruime tijd van reizen en trekken, onverwacht opgedoken op een marktonderzoekerscongres in Budapest, waar ook zijn compagnon al vertoeft, die in zijn reis-periode het werk alleen opgeknapt heeft: de ik lummelde wat rond omdat hij ondersteboven was van de dood van een meisje van wie hij hield, Eefje.

Door een korte typering slechts komt Eefje, zoals alle figuren in dit boek, al tot leven: ‘Eefje had kraakheldere oortjes aan haar hoofd en een hongerig gezicht dat altijd recht op de spreker gericht was. Ze las je de woorden van de lippen en als het leuk was dan lachte ze verheugd met een brede mond. Af en toe ontsnapten haar ogen even naar links of rechts, om een kennis te signaleren, want Eefje hield van een smak kennissen. Donkere ogen, donker haar. Een intense meid, kon je wel zeggen.’

Beknopter kan het al niet. Eefje blijkt een fobie te hebben (pleinvrees) en gaat er op zeker moment vandoor (nou ja, vandoor) met Jack de Graaf, ook iemand uit het marktonderzoek en ook met een fobie (maar welke?), die haar op zijn eigen drastische manier aanpakt.

Hoe, zeg ik niet, want ik ben niet ingehuurd om u cadeau het verhaal voor te kauwen, maar het heeft iets weg van de Ziekte van de graficus Heyboer. Een vorm van sadisme is De Graaf, om het voorzichtig uit te drukken, niet vreemd.

Die De Graaf, daar heeft Vervoort ook maar enkele woorden voor nodig: ‘Glad geschoren, fris en jeugdig, vlot springerig haar, het neefje van Bobby Kennedy.’ De hele schertsvertoning van marktonderzoek- en reclameheren komt komisch tot leven. Van Budapest horen we weinig, althans niets van de bezienswaardigheden aldaar: een geïsoleerde wereld die slechts dient als decor van een wraakoefening. Want de hoofdpersoon kwam naar het congres om zich te wreken op De Graaf, die hij verantwoordelijk stelt voor de zelfmoord van de droevige, zieke Eefje. Hij heeft er trek in hem te vernederen, kapot te krijgen.

Dat verloopt niet onaardig. De maniakale doelgerichtheid van de wraaknemer vormt een vreemd contrast met zijn laconieke

[p. 177]

manier van denken, doen en praten. Maar door zijn financiën kan hij zich een geintje veroorloven, zonder onmiddellijk verteerd te worden door een broeierige, pathologische vergeldingsdrang. Hij blijkt al in Nederland allerlei huizen voor de neus van Jack de Graaf te hebben weggekocht (vier stuks), heeft een ton uitgegeven om papieren te bemachtigen zodat De Graaf zijn mededirecteur niet langer kan chanteren, en, als definitieve Deus ex machina, biedt hij die mede-directeur anderhalf miljoen voor hun bedrijf om De Graaf te wippen of althans de baas over hem te kunnen spelen. Soms denk je, sla die jongen toch een bloedneus, en geef het geld den Hongerenden, maar nee, daar valt niet mee te spotten.

Jack de Graaf krijgt op zijn snuit, al kost die klap een slordige duit. En het doet je als lezer goed, omdat Vervoort erin geslaagd is het neefje van Kennedy als vrij weerzinwekkend voor te stellen en de vroegere verhouding van de hoofdpersoon met Eefje als teer, ontroerend. De Graaf krijgt een benauwd ogenblik aan het eind, wanneer men er ook achter is gekomen wat zijn fobie precies is... Een benauwd ogenblik, maar ook voor de rest helemaal naar de bliksem; nee, Zonder dollen is met recht wat hier geldt.

U ziet, een keur aan onwaarschijnlijkheden (miljoenen, de eer) uit een ongetwijfeld aan de realiteit ontleend verhaal, anders stak het wel wat waarschijnlijker in elkaar. De Wraak doodt, gesteund door het Kapitaal, het Kwaad dat zich aan de Onschuld heeft vergrepen. Maar het talent van Vervoort om, wars van hysterie alsmede lulkoekloos, efficiënt te schrijven redt veel.

Neem bij voorbeeld uit het slot, als alles voorbij is: ‘Ik zat al een tijdje voor het raam te kijken naar de Donau. Het congres liep op zijn eind, ik had geen enkele lezing bijgewoond en was er in geslaagd om een minimum aan mensen te spreken. Desondanks, Mission Completed, maar ik voelde me niet bevredigd. Eng is dat, uit de boekjes weet je dat dit soort gebeurtenissen altijd een onbevredigend gevoel achterlaat en het klopt nog ook. Ik wist niet wat te doen. Buiten was het somber weer, het regende zelfs een beetje.

Ik had het portret van Eefje uit de koffer gehaald, maar het sprak me niet aan. Eefje was dood, al een hele tijd. Niets aan te doen. Ik keek naar haar, ze stond te lachen, speels met de borst vooruit terwijl ze naar beneden in de camera keek.

[p. 178]

“Arme Eefje,” zei ik, maar ze bleef vrolijk teruglachen.’

 

Dat zijn de zinnen van iemand die weet hoe het moet. Des te meer verbaasde me dan ook een zin in het colofon, die zegt: ‘Het manuscript werd gelezen en van commentaar voorzien door Hennie Brak, Wim van Eyle, Rudi ter Haar, Peter van Heerden, Arend-Jan Heerma van Voss, Maja Indorf, Guus Luijters, Yolande Nusselder, Wim Noordhoek, Rogier Proper, Anjo Schreuder, Mensje van der Steen, Bep Vahl, Bouke Walstra, Emile van Westerhoven.’

Wat iets raars nu. Dat is beslist een zwakke zin, die in en boek als dit niet past. De meest pretentieuze zin van het boek. Behalve als kijkje in de kennissenkring van Vervoort word ik er niet wijzer van, en hij verschaft er slechts voer mee aan de literatoren in Helmond, Nijmegen of Vandercraayenhoeve die tóch al denken dat het in het Westen des lands één coterie is en dat daar altijd weer eenzelfde groepje een soort samenzwering in stand houdt tegen hún grote talent. Nee, dat denken die mensen! Echt! Al die dwergcactussen gaan ervan uit dat ze iedere adelaar of nachtegaal dienen terug te brengen tot hun eigen mestkever-proportie, en wie groter is dan een mestkever, weg met hem! Wie lezen kan, weg met hem! Wie zijn mond opendoet, danst en springt, niet alleen de polka, maar ook nog de Schotse drie, de rumba én de samba, aan de paal ermee!

De grote stad, broeinest van literaire maffia's, weg ermee! Aan J.J. Wesselo de Prijs der Nederlandse Letteren! De P.C. Hooftprijs voor Wim Hazeu! Ton Luiting eindelijk eens de zuurverdiende Reina Prinsen Geerligsprijs!

Er is een samenzwering die d'rlui's oeuvre verloochent... Een ‘wereldje’ dat niet verder reikt dan de stad... Op het terras van Américain wacht Geert Lubberhuizen iedere morgen met een grote stapel contracten op iedere toevallige passant met een niet al te aapachtig gezicht, terwijl uit de verte Rinus Ferdinandusse, door een vensterraam van De Kring, hoerig oehoe roept tegen een mooie meid die op lijn 1 staat te wachten, omdat ze eruit ziet of ze, vanwege de drie op een rijtje in haar panty gestoken ballpoints, wel eens iets zuurs over literatuur in het algemeen en háár goeie in het bijzonder zou kunnen schrijven...

[p. 179]

Aan zulke indianenverhalen geeft Vervoort voedsel door voor te stellen alsof ze met hun zestienen Zonder dollen hebben geschreven. Hij hoeft zich achter niemand te verschuilen. Hij is een goed observeerder, een draaglijk verteller, en stopt al de literaire dwergcactussen, die van nijd bijkans een breuk oplopende, impotente pseudo- en echte Vlamingen zó wel in zijn binnenzak, zonder de steun van Hennie, Wim, Rudi, Peter, Arend-Jan, Maja, Guus, Yolande, nogmaals Wim, Rogier, Anjo, Mensje, Bep, Bouke en Emile.