Montyn


auteur: Dirk Ayelt Kooiman


bron: Dirk Ayelt Kooiman, Montyn. De Harmonie, Amsterdam 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 72]

Fatale vrouwen

De eisen die in het tweede weersportkamp gesteld werden, wogen aanzienlijk zwaarder dan in het eerste. Dat bracht spanningen met zich mee die hun weerslag hadden op de stemming die er heerste. Ronduit grimmig kon die zijn. Om de geringste aanleidingen ontstonden knokpartijen. Hein en ik moesten daarbij soms danig van ons afbijten. We waren vrijwel de enige donkerharigen in een gezelschap van een paar honderd jongens met blonde haren en blauwe ogen, en golden, omdat we altijd in elkaars gezelschap te vinden waren, als twee buitenbeentjes. Geen van beiden hadden we veel groepsbesef. Wanneer het kon waren we met z'n tweeën en wanneer het niet kon waren we alleen.

Vooral een zekere Hans, een boerenzoon uit de Achterhoek met gemillimeterd haar en een grof gezicht dat me vanaf het eerste ogenblik antipathiek was voorgekomen, had het op ons gemunt. Hij had aanvankelijk geprobeerd aansluiting bij ons te vinden, en toen bleek dat we daar niet van gediend waren, was zijn houding honderdtachtig graden omgeslagen. Toen bleken we opeens twee mietjes in zijn ogen. Mijn opmerking dat hij wat mij betrof gerust een boerenhufter genoemd mocht worden, kwam me vervolgens op een fikse aframmeling te staan.

Het aantal afvallers en gewonden was hier nog groter dan in het eerste kamp, wat gezien de zwaarte van de proeven waaraan we onderworpen werden geen wonder was. Al meteen de eerste week werden we bepakt en gezakt in vrachtauto's geladen. Het hooggebergte in, met een groep van veertien man, voor een voettocht van tien dagen, zon-

[p. 73]

der in contact te komen met de bewoonde wereld.

Sommige oefeningen waren rechtstreeks ontleend aan een opleiding tot commando. Ware slachtpartijen waren dat. We leerden bijvoorbeeld van rijdende auto's te springen. Eerst ging het stapvoets, dan sneller, tot een snelheid van veertig, vijftig kilometer per uur. Levensgevaarlijk, maar wanneer je de techniek beheerste, en vooral, je angst wist te overwinnen, bleek het mogelijk. Dat een zekere Hans bij die proef een hersenschudding opliep was intussen iets dat ik niet kon betreuren. Ik had hem desnoods wel een handje willen helpen, maar dat was niet nodig. Het was nu eenmaal onverstandig te springen wanneer er in de berm een boom in aantocht was.

Alle eisen waren strenger in dit kamp. Ook hier werden nachtmarsen en duurlopen gehouden, zij het in een hoger tempo en met een nauwer bemeten tijdslimiet.

Maar het zwaarste was toch wel het leren overwinnen van ravijnen. Daarbij werd met een kleine mortier een lijn met een anker overgeschoten. En dan moest je, terwijl je aan handen en voeten boven de gapende afgrond bungelde, maar hopen dat de verankering aan de overkant het hield. Zo niet dan ging je met lijn en al de diepte in. Het begon ermee dat je zelf schoot, de verankering testte, en als eerste de overtocht waagde. Uitermate griezelig was dat, maar wanneer je in de afgrond zou storten was het tenminste nog je eigen schuld. Ronduit gruwelijk was de volgende stap. Dan schoot jij en een ander was het proefkonijn.

Ik had geschoten, ik had de lijn strakgetrokken en met de veldkijker vastgesteld dat het anker achter een flinke boomtak haakte. Maar het was winter en de boom droeg geen blad. Was het een levende tak? Was het een vermolmde?

‘Vertrouw je 't, Jan?’ vroeg de instructeur. Ik knikte. Maar toen Hein werd aangewezen om als eerste naar de

[p. 74]

overkant te klimmen, durfde ik niet te kijken.

Dat soort proeven staalden je verantwoordelijkheidsgevoel, zei men. En wanneer je bij vorst op je buik door een beek gestuurd werd dan was het je gezondheid die gestaald werd...

 

Wanneer we vrijaf hadden - en in dit kamp kon je zelfs nachtpermissie krijgen - trokken we de naburige dorpjes in. Het was een landelijke, geïsoleerde streek. Dat Europa een strijdtoneel was, viel uit weinig meer op te maken dan het enorme overschot aan vrouwen. Vrijwel alle mannen van tussen de achttien en de vijfenveertig waren aan het front, en de bevolking die we aantroffen in de cafeetjes die we bezochten, was dan ook overwegend van het vrouwelijk geslacht. Ze wilden best, die vrouwen. Het karige zakcentje dat we bij ons hadden, was meestal nog intact wanneer we 's nachts met onzekere tred terugkeerden naar het kamp: het kostte meer overredingskracht het bier af te slaan dan het aangeboden te krijgen. En ik kon niet tegen drank...

Kolossale vrouwen waren dat, het blonde haar in twee gevlochten strengen boven de oren, de borsten ingesnoerd onder een laaguitgesneden jakje. De wangen rood, de heupen breed. Ze dansten met elkaar op de neuzige tonen van een blaaskapel.

't Is zaterdagavond, uitgaansavond. Ze lachen met witte tanden, werpen het hoofd in de nek. Ze pronken, de handen uitdagend in de zij, hun wervelende rokken wijd. Ze komen op ons af, verhit, bezweet. Ze ginnegappen, maken gebaren, ze keuren ons als op de markt - wij jongens zitten op de lage, houten bank tegen de muur geleund. De kachel staat te schudden. Bruine muren, rook, rumoer. Het draait, het deint. Zwijnenkoppen, karrenwielen, geweien, koekoeksklokken - alles in één deining. Ze trekken je op schoot. Ze

[p. 75]

hebben grote aardewerken pullen bier. Je drinkt. Het bier is lauw. Nog zo'n slok. Het loopt over je kin. Ze slaan hun armen om je heen. Een tong in je oor, een tong in je nek. Van wat ze fluisteren in hun vreemde koeterwaals, de stem donker en hees, versta je geen woord.

't Is zaterdagavond! Zeg maar ja! Dan krijg je bier of schnaps. Zeg maar ja! Dan word je meegetrokken, de gang door, de achterdeur uit, naar buiten in de winterkou, dan word je in het duister tegen de muur van een stal gedrukt, je hoofd tussen twee enorme borsten, happend naar adem. Een wilde worsteling met vele lagen rokken. In de bankschroef van naakte armen die het gewend zijn in elke hand tien literpullen bier te torsen. In de klem van dijen. Een ritmisch hijgen. Tot er gekreund wordt, diep uit de keel...

Dat was mijn eerste les in liefde.

Maar er waren ook jonge meisjes, rank en smal van leest.

Anna was zo'n meisje. Anna was achttien. We hadden gewandeld met z'n tweeën, hand in hand. Ik had, gekoesterd door een winterzonnetje, met haar achter een bosje in het gras gelegen, mijn lippen stijf op die van haar gedrukt.

Zij was het die me uitnodigde voor het veertigjarig huwelijksfeest van haar grootouders. Een groot feest zou het worden, van de middag tot diep in de nacht zou het duren. Een feest voor de hele streek.

Het erf stond vol karren. Er waren honderden mensen, in klederdracht, van heinde en ver gekomen. Ook daar was een blaaskapel. Lange tafels met voedsel. Aardappelsalade, hammen, witte worst. We dronken pruimenbrandewijn en we dansten. Jan uit Oudewater danste! Met Anna. Met haar jongere zusje Karin. Met Hanna, haar vriendin. Anna was het die me op het hoogtepunt van het feest, kort na middernacht, zonder dat iemand het merkte mee naar buiten troonde. Tussen de karren door het erf over, de vinger op de lippen. De schuur in. De deur werd afgesloten met een balk,

[p. 76]

en ze ging me voor in het donker, haar hand vertrouwelijk knijpend in de mijne. Een ladder op, en we kropen door het hooi, steeds dieper, tot achter in de schuur. Daar was een hol, daar hing een olielampje, maar daar, mijn hemel, was ook Karin. En Hanna. Plus een meisje, niet ouder dan dertien, dat ik op het feest niet had opgemerkt.

Er viel geen woord. Alles leek afgesproken. Het waren Karin en Hanna die me op mijn rug neergedrukt hielden in het stuivende hooi, een hand op mijn mond. Het was Anna die mijn broek naar beneden trok. Anna was het die op mij neerhurkte. En daarna Hanna. En vervolgens Karin. En toen Anna weer. En zo ging dat door, terwijl ik, machteloos op m'n rug, geen vin kon verroeren. Drie paar ogen boven me, drie monden. Tastende handen. Borsten boven witkanten lijfjes. Meisjesbenen onder opgeschorte bonte rokken. Van wie was wat? Wie was wie? - Terwijl het jonge meisje roerloos toekeek, met grote ogen. Haar eerste les in de liefde was dit. En voor mij was het de tweede.

De volgende dag kon ik amper op mijn benen staan, om van lopen maar te zwijgen. Dat weerhield Hein, die ik verslag had uitgebracht - verkracht door drie meisjes, écht verkracht - er niet van te verzuchten:

‘Natuurlijk! Uitgerekend als ik wacht moet lopen!’

Maar ook hij zou aan z'n trekken komen.

 

Op een ochtend vertelde hij opgewonden dat hij de avond tevoren een werkelijk schitterende vrouw ontmoet had - nu ja, ontmoet... Gesproken had hij haar niet, maar ze had hem een paar keer lang en doordringend aangekeken, met ogen, mooier dan hij ooit gezien had:

‘Bruine ogen Jan, met lange wimpers...’

En toen hij, wilde hij niet te laat terug zijn in het kamp, het café had moeten verlaten, had ze hem beslist heel zeker gevolgd met haar blik en hem zelfs toen hij bij de deur had

[p. 77]

omgekeken ten afscheid een knikje toegeworpen...

Zijn fantasie sloeg, zoals gewoonlijk, meteen oeverloos op hol: ‘Ze was heel chic, met prachtige kleren aan. Ze droeg schoenen met hoge hakken en ze praatte met niemand in dat café. Ze is vast van adel, Jan. Ze woont in een kasteel, met paarden en hazewindhonden. Ik ga met haar op reis... Nou ja, we gaan met z'n drieën natuurlijk. Jij gaat mee, dat spreekt vanzelf.’

De eerstvolgende keer dat we weg konden vergezelde ik hem naar het bewuste café, minder zeker van haar aanwezigheid dan hij. Maar werkelijk: ze was er, en uit haar blik van herkenning viel af te leiden dat Hein niets uit zijn duim gezogen had. Ze glimlachte...

Dat ze heel mooi was viel niet te ontkennen. Ze was slank, had zacht, kastanjebruin haar, donkere ogen, hoge jukbeenderen. Dat was nog eens wat anders dan die blonde, plompgebouwde vrouwen uit de streek. En chic zag ze er ook uit, een sigaret sierlijk tussen de vingers, in haar bontmantel die ze ondanks de warmte binnen had aangehouden. Maar ze was wel heel erg oud, leek me. Misschien al wel dertig...

Gesterkt door mijn aanwezigheid en twee glazen bier waagde Hein het haar aan te spreken. Ik hield mijn adem in terwijl hij voor haar boog en haar iets vroeg. Ze knikte, stond op en trok haar mantel uit. Die werd zolang bij mij over een stoel gelegd. Ik werd voorgesteld:

‘Dit is mijn vriend Jan.’

Ze nam mijn hand, keek me met glanzende ogen aan:

‘Ik heet Monika.’

Ze dansten. Ik volgde Hein bewonderend met mijn ogen. Een echte man van de wereld was hij, zoals hij een buiging had gemaakt, haar volgens de regelen der kunst ten dans gevraagd had, mij aan haar had voorgesteld. En dansen kon hij

[p. 78]

ook. Dat was nog eens wat anders dan het boerse gehos waaraan ik me weleens waagde. - En hij was toch maar mooi mijn vriend!

Toen ze uitgedanst waren en terugkeerden, allebei met een blos, zaten we nog lang gedrieën aan dat tafeltje, Monika en Hein hand in hand. Hij tolkte, want mijn Duits was nog steeds niet veel zaaks. Waar we vandaan kwamen, wilde ze weten. Uit Holland. O, Holland kende ze wel. Scheveningen, Amsterdam. Daar waren wijzelf niet eens geweest... Of we militairen waren. Nee hoor, we zaten in het sportkamp, ons tweede al.

‘Maar we zullen er misschien wel aan moeten geloven,’ zei Hein gewichtig.

Ze was weduwe, vertelde ze. Haar man was al in het eerste oorlogsjaar gesneuveld. Hij was arts geweest. Dat vonden we vreemd, dat ook artsen konden sneuvelen...

Kwam ze uit deze buurt? Nee, ze kwam van heel ver, helemaal uit Servië. Haar echtgenoot was van hier geweest.

Maar daar wilde Hein maar liever niet te veel van horen, van die echtgenoot... Waarop het gesprek tussen die twee op fluistertoon werd voortgezet.

‘God Jan, wat een vrouw...’ verzuchtte Hein toen we de terugtocht naar het kamp ondernamen. Afgesproken was dat we de eerstvolgende zaterdag bij haar zouden komen eten. En daarop had ze hem op beide wangen gekust. En daarna mij.

 

In een kasteel bleek ze niet te wonen, wel in een groot, afgelegen landhuis, omgeven door een uitgestrekte tuin, een uur lopen van het dorp. Wat was ze mooi in haar strakzittende japon, wat lachte ze stralend toen we onze jas uit hadden gedaan en binnentraden!

Het huis was deftig van inrichting, met tapijten en antiek, maar ook vrouwelijk, dankzij de vele tinten roze en

[p. 79]

violet. De tafel was gedekt met wit damast, porselein, kristal. We kregen kleine, fijne hapjes zoals we nog nooit geproefd hadden. Heel wat anders dan boerenkool met worst - hoewel dat altijd een lievelingsgerecht van me geweest was. En er werd witte wijn gedronken. Witte wijn bleek lekker fris, maar toch ook wel een beetje zurig. We kregen koffie. En daarna speelde Monika op de piano stukjes van Chopin, een Poolse componist.

Later zaten we in de zitkamer die door haar ‘salon’ genoemd werd en precies bleek te beantwoorden aan de klank van dat woord. Daar dronken we cognac. En toen zei Monika, naast Hein, die zijn ogen niet van haar af kon houden, op de sofa:

‘Ik moet eens ernstig met jullie praten...’

Over de oorlog ging het, Krieg: met dat woord was ik inmiddels wel vertrouwd geraakt.

‘Wat zegt ze, Hein?’

‘Ze zegt dat de oorlog iets verschrikkelijks is omdat onschuldige mensen gedood worden. Wij moeten haar beloven er nooit aan mee te doen...’

Die oorlog deugde niet. Van geen enkele kant. Duitsland had er de schuld aan. Hitler was een schurk. We moesten ons erewoord geven dat we ons afzijdig zouden houden, anders zouden ook wij gedood worden...

Dat waren geluiden die we nog niet eerder vernomen hadden. Politiek had ons koud gelaten, en de oorlog hadden we beschouwd als een natuurverschijnsel, iets dat om de zoveel tijd onafwendbaar op kwam zetten, net als onweer. Na een periode van vrede kwam er oorlog, zoals er na een periode van droogte regen kwam, en in de oorlog vielen er nu eenmaal slachtoffers.

Maar met die belofte hadden we geen moeite, en een omhelzing was onze beloning. We bleven slapen die nacht. Ik beneden op de bank. Hein boven. En het duurde lang voor het daar stil was.

[p. 80]

De daarop volgende dagen raakte Hein niet uitgepraat over de bekoringen van zijn vriendin. En één ding was zeker. Wanneer, drie weken later, het kamp er voor ons opzat, zouden we bij haar intrekken. Want ze gingen trouwen, Monika en hij...

Maar de eerstvolgende keer dat hij haar ontmoette, midweeks en zonder mij, leek er in hun verhouding een omslag te hebben plaatsgevonden. Hein was gespannen en stil. Over wat er gebeurd was, liet hij niets los. We moesten de komende zaterdag vroeg uit het kamp zien weg te komen. Monika verwachtte ons. Meer wilde hij niet zeggen.

De zaterdag verstreek en Hein werd nerveuzer en nerveuzer. Zo had ik hem nog nooit meegemaakt. Om vijf uur konden we weg. We liepen in de richting van het dorp.

‘Zeg Hein, ze krijgt toch geen baby van je, hè?’

Tot die conclusie was ik na eindeloos gissen en verwerpen gekomen.

‘Jezus Jan, dat kun je niet weten na een week...’

O nee, natuurlijk niet. Maar wat dán? Had Monika hem haar liefde opgezegd? Maar wat deden we dan nu? Ik begreep er niets van. - Terwijl Hein naast me voortsjokte, zwaar transpirerend en bleek, alsof hij de wandeling zo lang mogelijk wilde rekken. Opeens bleef hij staan. Hij schraapte zijn keel.

‘Je laat me toch niet in de steek, hè?’

‘Natuurlijk niet. Maar wat is er toch?’

‘Monika wil ons een bepaald verzoek doen. Ook jou. Maar ze wil het je zelf voorleggen...’

Daar werd ik ook niet veel wijzer van, en het zou nog tergend lang duren voor de sluier werd weggetrokken.

We arriveerden. Hein en Monika zeiden niet veel. De maaltijd, die toch beslist niet minder was dan de vorige keer, leek niet erg aan hen besteed. En er werd geen wijn gedronken dit keer. Monika sprak, Hein vertaalde.

[p. 81]

Zij en Hein waren helemaal gek op elkaar. Het was liefde op het eerste gezicht geweest. Hein zou bij haar blijven. Later, wanneer de oorlog afgelopen was, zouden ze trouwen. Dat stond vast. Maar eerst moest er voldaan worden aan een bepaald verzoek. Hein moest Monika het bewijs leveren van zijn liefde. En ik moest daarbij helpen...

Het was geen gering verzoek.

Een tiental kilometer van het dorp liep een spoorbaan. Eénmaal per week passeerde er een goederentrein uit Duitsland richting oosten, beladen met wapens, materieel, munitie. Hein moest dat transport saboteren, met mijn hulp. Daarmee zou de oorlog bekort worden en werden er uiteindelijk mensenlevens gespaard...

Ik keek Hein aan. Zijn ogen waren vochtig, zijn lippen trilden. Monika had haar arm om zijn schouder geslagen. Ze keek me strak aan.

‘En wanneer moet dat gebeuren?’

‘Vannacht. Die trein passeert morgenochtend vroeg, nog bij donker.’

Ik dacht na. Of beter: ik deed of ik nadacht. Mijn besluit was al genomen. Wat Hein betrof was ik daarvan niet zo zeker.

‘Wat doen we, Jan?’

‘Hoe moeten we 't aanleggen?’

Er werd een kaart op tafel uitgespreid. Daar liep de lijn. Daar stond een pijl. Een bocht, vlak achter een tunnel. Aan de buitenzijde van die bocht een diep ravijn...

Monika ging ons voor naar de kelder. Daar lag een zware Engelse sleutel. Ze opende een kist. Twee pakken met staven dynamiet.

We overlegden. Met dat dynamiet wisten we niet om te gaan. Monika evenmin.

‘We moeten het zo aanleggen dat het op een ongeluk lijkt.’

[p. 82]

Ik herinnerde me opeens de paardentram, vroeger, in Oudewater. Hoe we als kleine jongens, hangend aan het achterbalkon, in staat waren geweest die zware wagen naast de rails te zetten.

‘Wanneer het lukt om de voorwielen van de locomotief te laten ontsporen wordt hij door de snelheid en het gewicht van de wagons vanzelf in dat ravijn geduwd...’

Ik maakte een schetsje. Monika knikte. Hein zweeg.

De kaart en het schetsje verdwenen in de haard. We wachtten tot de duisternis volledig was en gingen op pad. Tien kilometer, dwars door bos en veld. Met z'n drieën, ondanks mijn tegenwerpingen. Maar Monika bleek verrassend weinig moeite te hebben ons tempo bij te benen. Zij had de sleutel onder haar jas, ik het blad van een kolenschep, Hein de steel.

We vonden de aangegeven plek zonder veel problemen en klommen naar beneden. Monika zou boven op de uitkijk blijven staan. Wanneer het karwei geklaard was, kreeg zij van ons een seintje. Zij zou dan terugkeren naar huis, wij rechtstreeks naar het kamp. Uit veiligheidsoverwegingen was het beter elkaar drie dagen lang niet te ontmoeten.

We togen aan het werk. Binnen een uur hadden we over een flinke afstand de bouten uit de bielzen losgeschroefd. We zweetten als otters, want ze zaten muurvast. Nog een uur later, en we hadden een loodzwaar, plat brok basalt aangesleept en ingegraven. De voorwielen van de locomotief zouden erdoor zijwaarts geslagen worden - en dat moest al met al voldoende zijn. Hein kon het afgesproken seintje geven.

We liepen terug, langzaam, zwijgend. We hadden alle tijd. Pas in de ochtend zouden we ons onopvallend onder de andere jongens kunnen mengen. Om twaalf uur ging onze dienst in: patrouillelopen rond het kamp, een vol etmaal lang.

[p. 83]

In de loop van de middag kwam het nieuws. Er was een goederentrein ontspoord. De lijn was door de ravage volledig geblokkeerd. Over sabotage werd met geen woord gesproken.

We wachtten de afgesproken drie dagen. Toen keerden we terug. Maar er klopte iets niet. Het huis leek verlaten. De luiken waren gesloten, de voordeur zat potdicht en er werd niet opengedaan op ons gebons.

We informeerden in de buurt. Nee, een zekere Monika kenden ze niet. Dat afgelegen huis? Dan moesten we ons vergissen. Het was in de winter onbewoond. 't Was het vakantieverblijf van een advocaat uit Wenen.

Monika weg. Een trein ontspoord.

Pas veel later zou het ten volle tot ons doordringen welke risico's zij genomen had door twee wildvreemde jongens voor haar karretje te spannen, en welke gevolgen onze actie voor onszelf en voor anderen had kunnen hebben.

Wat wisten we? Dat het oorlog was. Maar wat oorlog was wisten we nog niet.