Na zijn succes met het tonen van de klapvliezen ging Ruysch voort met het verbeteren van zijn preparatiemethoden. Hij had zich vooral veel moeite getroost om een methode te vinden voor de hersens, die vanwege hun zachte substantie heel lastig waren te prepareren. Met zijn methode van balsemen had hij interessante resultaten bereikt. Hij was er niet alleen in geslaagd menselijke hersens te balsemen, hij had tevens het lijk van een jongen op zo'n manier weten te conserveren dat het gezicht een natuurlijke aanblik had behouden. Het stond nog te bezien of het zo zou blijven, maar vooralsnog was het resultaat opzienbarend.
Op het gebied van het balsemen was zijn reputatie spoedig zodanig dat hij in de zomer van 1666 een overheidsopdracht kreeg. Kennelijk werd de balsemkunst van Ruysch inmiddels hoger aangeslagen dan die van De Bils. Sinds het voorjaar was de Republiek in oorlog met Engeland en in die oorlog vond op 11 juni 1666 bij Oostende een vierdaags treffen plaats tussen de beide vloten. De Engelsen hadden de aanval ingezet, maar ook de grootste verliezen geleden. De slag werd daarom beschouwd als een zege voor admiraal Michiel de Ruyter en er werd zelfs een dankdag voor de overwinning gehouden. Aan Engelse zijde was vice-admiraal Willliam Berkeley al op de eerste dag gesneuveld. Zijn schip was van zijn eskader afgesneden, beschoten en geënterd. Berkeley bleek, terwijl hij bij de roerganger stond, een musketschot in de keel te hebben gekregen en te zijn doodgebloed. Het was de bedoeling dat zijn lichaam aan de Engelsen zou worden teruggegeven en Ruysch kreeg de opdracht het te prepareren. Het was geen eenvoudige opdracht, want Berkeley had wonden en zijn lijk was niet vers meer, maar na de behandeling geleek het, in de woorden van de befaamde arts Samuel Johnson, ‘the fresh carcase of an infant’. De Engelse regering besloot tot een beloning die in overeenstemming was met ‘their grandeur and the artist's merit’.1
Ruysch zette zijn balsemwerk voort. Hij bewaarde in zijn verzameling een baarmoeder met daarin een embryo van vier maanden. Hij was opgetogen dat hij bij het balsemen de ronde vorm had weten te behouden. Een andere gebalsemde baarmoeder stuurde hij aan de Amsterdamse chirurgijn Job van Meekeren, die goede relaties onderhield met Van Horne en DeleBoë.
Frederik Ruysch werd niet alleen beroepshalve, maar ook in eigen kring regelmatig met de dood geconfronteerd. In september 1665 stierf zijn oudste broer Hendrik, die jarenlang de steun en toeverlaat van hun tak van de familie was geweest. Diens overlijden, op 35-jarige leeftijd, leidde tot de nodige consternatie. Zijn zusters kregen ruzie met hun moeder over de inkomsten uit de lijfrenten die op hun naam waren afgesloten. Hun moeder had daarover kunnen beschikken om na het huwelijk van Hendrik het gezin te kunnen onderhouden, maar inmiddels woonde er nog maar één kind thuis, de bijna dertigjarige Gijsbert, die bovendien salaris genoot als klerk. De zusters eisten de inkomsten uit de lijfrenten daarom voor zichzelf op en de ruzie kon pas worden beslecht na bemiddeling door andere familieleden. Er werd overeengekomen dat hun moeder voortaan de helft van de rente zou trekken. De andere helft konden de dames in hun eigen huishouden besteden.2
Het huishouden van Frederik Ruysch zelf was inmiddels uitgebreid. Zijn eerste kind, anderhalf jaar na zijn huwelijk geboren en naar zijn vader Hendrik genoemd, was kort na de geboorte overleden, maar sinds het voorjaar van 1664 had hij een dochter, die naar zijn schoonmoeder Rachel was genoemd. Een tweede kind was onderweg. In december 1666, terwijl Maria Post hoogzwanger was, werd Frederik Ruysch gevraagd anatomisch onderwijs te gaan geven in Amsterdam. Hij kreeg het aanbod om daar praelector, of ‘voorlezer’, van de chirurgijns te worden, de functie die Cornelis Stalpart in Den Haag vervulde. De functie was vacant geworden door het overlijden van de praelector Jan Deijman.
In Amsterdam had het anatomisch onderwijs een veel langere traditie dan in Den Haag, en dat gold in het bijzonder voor het aanschouwelijk gedeelte, de ontleding van een menselijk lijk. Het privilege van het chirurgijnsgilde om jaarlijks een ter dood veroordeelde te mogen ontleden dateerde van 1555. Het Amsterdamse gilde ging er prat op dat al in 1550 het lijk was ontleed van een dief, die bekend stond als Suster Luit. De huid van het slachtoffer was geprepareerd en werd als trofee bewaard in de gildekamer. Louis de Bils had de authenticiteit ervan in twijfel getrokken, maar volgens de Amsterdammers was dat de kift: terwijl de preparaten van De Bils ‘op zommige plaatsen seer mijtende’ waren, was de huid van Suster Luit nog glad en gaaf, aldus een stadsbeschrijving.3
Aanvankelijk waren de ontledingen verricht door een ervaren gildebroeder, maar sinds 1578 werden de anatomische demonstraties verzorgd door een gepromoveerde medicus. De docent werd praelector genoemd. De demonstraties vonden plaats in het theatrum anatomicum, op de bovenverdieping van de voormalige kapel van het Sint-Margarethaklooster in de Nes, dat in 1578 was geconfisqueerd door het protestantse stadsbestuur. Op de begane grond was een vleeshal ondergebracht. Behalve dat hij ontledingen zou verrichten werd van de praelector vooral verwacht dat hij de chirurgijns tweemaal per week theoretische lessen
gaf. Die lessen werden gegeven in de ruimte van het chirurgijnsgilde in de Waag op de Nieuwmarkt.
Frederik Ruysch aanvaardde het aanbod en werd op 29 december benoemd. Hij ging 350 gulden per jaar verdienen. Op 12 januari 1667 was hij voor de eerste keer in Amsterdam aanwezig bij een sessie van het bestuur van het chirurgijnsgilde. Twee weken later volgde de officiële bevestiging van zijn aanstelling door het stadsbestuur. Ruysch was aangesteld bij het gilde, maar de benoeming viel onder de verantwoordelijkheid van het stadsbestuur, dat het initiatief ook had genomen. De benoeming van Ruysch paste in het streven van het bestuur om de medische zorg in de snel gegroeide stad te verbeteren en te reorganiseren. Tot dan toe was het praelectorschap vooral gezien als een erefunctie. De vorige praelector, Deijman, had de functie gecombineerd met een aantal andere. Maar het was de bedoeling dat Ruysch van het onderwijs serieus werk zou maken. De drijvende kracht achter de benoeming was de arts Claas Pietersz Tulp, die deel uitmaakte van het stadsbestuur en die zich in 1666 nadrukkelijk kon laten gelden omdat hij het jaarlijks roulerende burgemeesterschap vervulde. Tulp was zelf jarenlang praelector geweest, in welke functie hij door Rembrandt was vereeuwigd op een schilderij, dat een van de wanden van de vergaderkamer van het gildebestuur sierde.
Tulp was een arts uit de generatie voor die van Ruysch. Hij was al gepromoveerd lang voordat de theorie van de bloedsomloop was gelanceerd. Maar hij had in Leiden in het anatomische theater les gehad van een vooruitstrevende docent, een volgeling van Vesalius, die aanschouwelijk onderwijs had gegeven, en Tulp had naam gemaakt als een nauwkeurig observerende anatomicus. Hij had gezegd: ‘niets kan vast zijn, dat niet op reden steunt. Veel minder konnen enige besluiten der konst zeker zijn, welke de ondervinding niet bevestigt’. De observatie ging ‘de leeringen van alle meesters te boven’, aldus Tulp, die in zijn houding tegenover medische kennis in Ruysch in elk geval een geestverwant had getroffen.4
Tulp was als politicus geen echte zwaargewicht, maar hij zat al zo lang in de raad dat hij daarvan inmiddels het oudste lid was en als zodanig had hij wel enig gezag. Hij had druk uitgeoefend op het bestuur van het gilde om Ruysch op de nominatie te zetten en hij had ook zijn collegae, de overige drie zittende burgemeesters, gestimuleerd om Ruysch aan te stellen.
Voor Frederik Ruysch was het uiteraard een eervolle benoeming, maar een onverdeeld genoegen zou het niet worden. Dat stond bij voorbaat vast, want het Amsterdamse chirurgijnsgilde was een beruchte slangenkuil. In de voorgaande jaren was er de nodige heibel geweest. In onderlinge geschillen, vooral als er boetes wegens nalatigheid waren opgelegd, waren bestuursleden door hun gildebroeders ‘seer qualijck bejegent’ en ‘met scheldwoorden, dreijgementen ende andersints gelastert en verongelijckt’.5 In 1663 was daarom bepaald dat wangedrag voortaan zwaar zou worden bestraft. In 1665 was er een hooglopende ruzie
ontstaan tussen het gildebestuur en de chirurgijns van het gasthuis, onder wie Job van Meekeren, een protégé van Tulp, aan wie Ruysch een van zijn gebalsemde baarmoeders had geschonken. Er gingen geruchten over corruptie, en in het algemeen genoten de bestuursleden van het gilde, doorgaans aangeduid als ‘overlieden’, een tamelijk kwalijke reputatie. Tulp wist er alles van. Hij raadde Ruysch aan ‘geen groote gemeenschap met de overluijden te houden, alsoo sij een partij dronke flickebroers waren’.6
Als kandidaat van Tulp en Van Meekeren (die inmiddels was overleden, maar die hem had aangeprezen als een onvergelijkelijke en ‘zinnelijke’ ontleder) was Ruysch voor de overlieden al bij voorbaat besmet. Zijn voorganger, Deijman, had juist aan hun kant gestaan, tegenover Van Meekeren. Deijman had als ontleder geen grote naam nagelaten, maar hij had in de Amsterdamse medische wereld wel veel invloed kunnen uitoefenen omdat hij tevens had gefungeerd als dokter van het gasthuis. Deijman was vooral een man geweest met connecties.
Om in het gilde enige autoriteit te kunnen laten gelden, was steun van regentenzijde onontbeerlijk en dat gold zeker voor een buitenstaander als Ruysch. Het trof daarom ongelukkig dat hij al direct bij zijn aanstelling zijn politieke protectie kwijt raakte, want de factie waarvan Tulp deel uitmaakte verloor bij de burgemeestersverkiezing begin 1667 de macht. Het waren woelige jaren in de Amsterdamse politiek, met veel wisselingen in de onderlinge verhoudingen.
Niet iedereen had er behoefte aan gehad om in de positie van Ruysch terecht te komen. Matthew Slade, de eerste kandidaat om Deijman als praelector op te volgen, had voor de eer bedankt. Matthew Slade was een geboren Amsterdammer, maar hij was genoemd naar zijn Engelse grootvader, een fanatieke puritein, die naar Amsterdam was uitgeweken en daar rector was geworden van de Latijnse school in de Koestraat. Zijn vader, Cornelis Slade, had het rectoraat in 1628 overgenomen. De jonge Matthew was in Leiden medicijnen gaan studeren en in 1649 was hij gepromoveerd. Daarna had hij zich in Amsterdam als arts gevestigd. Hij was veelzijdig: hij was vaak te vinden in de belangrijkste chirurgijnswinkel van de stad, maar hij blonk vooral uit door een grote eruditie. Hij had pas nog een kritisch stuk geschreven over het onderzoek van William Harvey. Het voorgaande jaar was hem gevraagd naar Leiden te komen om daar de opvolger te worden van de overleden hoogleraar Van der Linden. Hoewel hem een buitengewoon hoog salaris was geboden, achttienhonderd gulden per jaar, had hij ook dat aanbod afgeslagen. Hij was wel bereid om Deijman op te volgen als eerste dokter van het gasthuis. De regenten van het gasthuis waren op hun beurt wel bereid om Slade in die functie te benoemen, ‘mits dat hij 's mergens in de somer voor seven uijren, des winters voor acht uijren de visites aen de siecken sal komen doen’.7
Ruysch wachtte een moeilijke taak. Hij was het gilde min of meer opgedrongen en bovendien was hij ook nog een ‘vreemdeling’. Tot dan toe waren gereputeerde doctoren uit de stad zelf als praelector opgetreden. Als gewezen apotheker uit Den Haag had Ruysch niet bij voorbaat alle krediet.
Tussen de drie categorieën waarin de georganiseerde medische wereld was opgedeeld bestond een taakverdeling, maar ook een hiërarchisch onderscheid. Bovenaan in de hiërarchie stonden de doctores medicinae, de artsen die een universitaire opleiding hadden genoten. Zij werden geacht verstand te hebben van de totale geneeskunde, maar waren niet praktisch geschoold. Ze stelden bij zieken de diagnose. Als ze vonden dat er geneesmiddelen moesten worden gebruikt, schreven ze een recept voor een apotheker, en als ze meenden dat een praktische ingreep noodzakelijk was, schakelden ze chirurgijns in. Doctoren oefenden een vrij beroep uit. Om zich te kunnen vestigen hoefden ze alleen hun bul te tonen. Ze waren niet gebonden aan gildebepalingen, zoals chirurgijns.
Chirurgijns waren ambachtslieden, die hun vak, de heelkunde, in de praktijk hadden geleerd. Ze waren gerechtigd uitwendige ziekten en gebreken te behandelen. Veel aandoeningen konden ze zelfstandig behandelen, maar niet zelden werkten ze als uitvoerend heelkundige onder toezicht van een dokter. Chirurgijns opereerden en verzorgden wonden en ze werden zeer vaak gevraagd om een aderlating te verrichten. Dat was het gevolg van de in de geneeskunde heersende opvatting dat gezondheid afhankelijk was van een harmonieuze vermenging van de lichaamsvochten. Men meende dat door overmaat aan of bederf van een der vochten het evenwicht verloren kon gaan en dat dat de oorzaak was van de ziekteverschijnselen die men waarnam. Doctoren konden uit de verschijnselen afleiden welk vocht het probleem vormde. Soms kon de schadelijke stof rechtstreeks worden bestreden, via medicijnen, maar meestal werd getracht het evenwicht te herstellen door middel van aderlating.
Een Engelse chirurgijn, die in 1666 krijgsgevangen was gemaakt, merkte op dat de chirurgijns in Holland meestal ‘barbers and men of small note’ waren.8 Ook in Amsterdam waren de meeste chirurgijns kleine middenstanders. Ze hadden een winkel waar patiënten terecht konden om zich te laten behandelen aan wonden, breuken, zweren en gezwellen, maar waar ook zalf, verband en olie werd verkocht en waar men zich tevens kon laten knippen en scheren.
Chirurgijns kregen hun opleiding door in de leer te gaan bij een ‘meester’. Nadat hij had leren lezen, rekenen en schrijven kon een jongen bij een gediplomeerde chirurgijn gaan wonen. Tegen een vergoeding nam de meester-chirurgijn hem voor enkele jaren aan als leerling in zijn winkel. Hoewel het de bedoeling was dat leerlingen in die periode basisvaardigheden werden bijgebracht, werden ze vaak vooral als hulpje benut en kregen ze weinig anders te doen dan scheren en poederen en pleisters aanbrengen. Soms mochten ze met hun meester mee om een patiënt te bezoeken, maar ze werden dan lang niet altijd goed ingelicht over het hoe en waarom van de behandeling. Als ze hun leerjaren hadden uitgediend kregen ze een leerbrief. Daarna volgden de resterende opleidingsjaren waarin ze, als knecht, een bescheiden salaris ontvingen. Wat leerlingen en knechts van het vak
opstaken was sterk afhankelijk van de kennis en de capaciteiten van hun meester en van diens bereidheid om een serieuze opleiding te geven. Een werkelijk kundige leermeester, die alle terreinen van het vak beheerste, was zeldzaam en dus duur.
Hoewel het stadsbestuur er door het gildesysteem weinig greep op had, werd toch geprobeerd het niveau van het onderwijs zoveel mogelijk te verbeteren. In 1664 was een verplichte leertijd van vijf jaar ingevoerd. Met de komst van Ruysch werd er meer aandacht geschonken aan de anatomische kennis. Alle chirurgijns in opleiding waren verplicht diens cursus anatomie te volgen. Twee keer per week moesten ze lessen bijwonen. Een dergelijke cursus vormde een precedent. Geen enkel gilde kende algemeen vakonderwijs naast de opleiding door de meester. Niet alle chirurgijns waren er even gelukkig mee, want ze vonden dat ze hun leerlingen en knechts niet konden missen in de winkel.
Lang niet alle knechts deden het, maar wanneer ze voldoende leerjaren hadden volgemaakt konden ze de meesterproef afleggen, ten overstaan van het gildebestuur. Als ze dat examen hadden doorstaan, konden ze in Amsterdam een eigen winkel openen. Wie in Amsterdam als chirurgijn wilde werken, moest lid zijn van het gilde, dat van het stadsbestuur het recht had gekregen om het lidmaatschap verplicht te stellen. Zoals alle gilden fungeerde het chirurgijnsgilde vooral als vakorganisatie, als belangenvereniging die het beroep verdedigde tegen concurrenten.
De chirurgijns werden vertegenwoordigd door zes ‘overlieden’, die samen het bestuur van het gilde vormden. De samenstelling van het bestuur wisselde jaarlijks. In september moesten twee van de zes overlieden aftreden (de deken en de proefmeester, respectievelijk voorzitter en vice-voorzitter). De twee nieuwe overlieden werden aangewezen door de burgemeesters, maar op grond van een nominatie door de vier overlieden die aanbleven. Feitelijk werd het gildebestuur door coöptatie aangevuld, waarbij een roulatiesysteem werd gehanteerd. De twee aftredende overlieden werden na een jaar weer herkozen. Er was dus steeds een club van acht die de dienst uitmaakte in het gilde. Hun interesse lag niet in de eerste plaats bij de ontwikkeling van hun vak. De overlieden waren vooral begaan met het veilig stellen van inkomsten.
Net als chirurgijns waren ook apothekers gebonden aan gildebepalingen. Bovendien stonden ze rechtstreeks onder toezicht van de doctoren. Hun belangen werden behartigd door een betrekkelijk recente instelling, het collegium medicum, dat zetelde naast het anatomisch theater, boven de vleeshal in de Nes. Het collegium medicum bestond uit drie doctoren en twee apothekers, die werden aangewezen door het stadsbestuur. Het college was in eerste instantie in het leven geroepen om apotheken onder toezicht van artsen te brengen, maar het was uitgegroeid tot een algemeen toezichthoudend lichaam, dat door het stadsbestuur werd gebruikt als adviesorgaan in alle medische kwesties. Het was daardoor een gewichtig gezelschap, dat sinds een paar jaar zelfs was opgenomen
in de zogenoemde ‘herenboekjes’, waarin alle bestuurders in dienst van de stad stonden vermeld. De leden van het collegium mochten in de kerk in een speciale bank plaatsnemen en ze werden uitgenodigd voor het ‘herenmaal’ dat het stadsbestuur jaarlijks organiseerde. De voorzitter van het collegium medicum kon een aanzienlijke invloed uitoefenen op het beleid van het stadsbestuur. Naast Tulp was hij de belangrijkste man in de medische sector. Voor Ruysch kwam het daarom niet slecht uit dat het collegium medicum onder leiding stond van Willem Piso, de vroegere lijfarts van Maurits van Nassau, die in Brazilië was geweest met Frans Post.9
Het chirurgijnsgilde en het collegium medicum vormden twee van de medische bolwerken waarmee Ruysch te maken kreeg. Het derde was het stadsziekenhuis, het Sint-Pietersgasthuis, gevestigd in het gebouwencomplex tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Nieuwe Doelenstraat. Het viel onder de verantwoordelijkheid van het stadsbestuur, maar het dagelijks bestuur werd overgelaten aan een zestal regenten. Het gasthuis was bestemd voor mensen die ernstig ziek waren, geen medische hulp konden betalen en geen familieleden hadden om voor hen te zorgen. Dat waren er veel: soms waren er wel duizend patiënten. Het ziekenhuis had een aantal doctoren en chirurgijns in dienst, en een apotheker. De plaatsen bij het gasthuis waren gezocht, in de eerste plaats omdat ze een vast salaris opleverden. Maar de artsen wisten hun positie bovendien te gebruiken om extra inkomsten te verwerven. Hun patiënten vormden een goudmijn: het waren er veel, en ze konden geen eisen stellen. Wanneer ze leden aan een merkwaardige kwaal werden ze bezichtigd door allerlei belangstellenden. Die belangstelling werd uitgebaat door de artsen, vooral door de chirurgijns. Wie, om de praktijk te leren, wilde zien hoe zij werkten kon voor vijftig of zestig gulden een contract sluiten; wie zelf praktijkervaring wilde opdoen moest honderd tot honderdvijftig gulden betalen.10 Voor een anatomicus als Ruysch was het gasthuis een potentiële bron van ‘materiaal’: een op de zeven patiënten stierf in het gasthuis, en onder hen waren betrekkelijk veel naamlozen, mensen zonder familie in de stad, die daardoor geschikte ‘subjecten’ vormden om te ontleden. Zulke mensen werden ‘vreemden’ genoemd. Doden die niet binnen drie dagen door familieleden werden opgehaald om te worden begraven kregen de status van ‘vreemde dode’. Dergelijke lijken stonden in de eerste plaats ter beschikking van de gasthuisartsen. Ze werden verzameld in een ruimte die door ingewijden doorgaans werd aangeduid als ‘de stal’. Het gasthuis had een eigen snijkamer, in een klein bijgebouw, dat de Anatomie werd genoemd. De snijkamer was bedoeld voor obducties van in het gasthuis gestorven patiënten. Bij voorkeur verrichtten de gasthuisartsen die zelf, maar nu en dan moesten ze een medicus toelaten die van hogerhand toestemming had gekregen om er chirurgische ingrepen te oefenen of anatomisch onderzoek te verrichten. Zulks diende wel discreet te geschieden: de lijken mochten niet publiekelijk worden ontleed en er mochten geen lichaamsdelen worden ontvreemd. Het complete lichaam moest na gebruik ordentelijk worden gekist en begraven.
Vlak voordat Ruysch werd benoemd was er een vierde instelling bijgekomen die een rol ging spelen in de medische wereld van Amsterdam, want in januari was er een hoogleraar in de medicijnen benoemd aan het Athenaeum Illustre.11 Tot dan toe was er te veel oppositie geweest tegen het instellen van een dergelijke leerstoel.
De stad kampte met het probleem dat er in Leiden al een universiteit was gevestigd. In een fase van de Opstand waarin Amsterdam nog aan de kant van het Spaanse gezag stond had Leiden in de provincie Holland het monopolie op academisch onderwijs gekregen, en daarom moest Amsterdam zich behelpen met een ‘athenaeum’, waar wel kon worden gestudeerd, maar geen diploma's konden worden behaald. Het Athenaeum Illustre was, ondanks Leidse tegenwerking, in 1632 gesticht en gehuisvest in de voormalige Agnietenkapel aan de Oudezijds Voorburgwal, vlak bij het Sint-Pietersgasthuis. Een van de evenementen die werden georganiseerd ter gelegenheid van de opening was een anatomische les door Claas Tulp. Dat die les werd afgebeeld door een Leidse schilder (Rembrandt) was symbolisch, want het Athenaeum had zich nadrukkelijk opgeworpen als concurrent van de Leidse universiteit. De eerste twee hoogleraren die werden aangesteld waren Caspar van Baerle en Gerard Vossius, die beiden in Leiden waren ontslagen wegens onacceptabele religieuze standpunten.
Door een groeiend onderwijsaanbod was het Athenaeum steeds meer op een universiteit gaan lijken, maar het aantal studenten was niet te vergelijken met dat in Leiden. In Amsterdam werden ook niet alle vakken gedoceerd. Dat er geen medisch hoogleraar kon worden benoemd was vooral te wijten aan het verzet van het chirurgijnsgilde, dat het anatomisch onderwijs als een verworven recht van het gilde beschouwde en geen concurrentie duldde. Desondanks was er aan het Athenaeum wel wat aan anatomie gedaan, maar dat gebeurde door de docent natuurwetenschap, Arnold Senguerd. Senguerd had zich bemoeid met de discussie over de bloedsomloop en hij had door middel van vivisectie laten zien dat het tussenschot in het hart ondoordringbaar was. Op den duur had hij assistentie gekregen van een lector, die onderwijs ging geven in de medicijnenleer en de chemie, en uiteindelijk ook in de anatomie. Zijn naam was Gerard Blaes.
Omdat zijn vader als hofarchitect in dienst was getreden van de koning van Denemarken had Gerard Blaes aanvankelijk gestudeerd in Kopenhagen, maar hij was naderhand naar Leiden gekomen en daar gepromoveerd in de filosofie en de medicijnen. Hij had zich als arts in Amsterdam gevestigd, was privé-lessen gaan geven en in 1659 was hij aangesteld tot docent aan het atheneum, zij het vooralsnog zonder salaris. Blaes had de sympathie van Claas Tulp weten te winnen door in een debat een vroegere Amsterdamse medicus te verdedigen, die door Tulp werd bewonderd. Aangeprezen door Tulp en Senguerd, en nadat hij van de Lutherse naar de gereformeerde kerk was overgegaan, was hij in 1660 tot buitengewoon hoogleraar benoemd. Zijn lessen in de chemie werden door Niels Stensen bestempeld als ‘dagelijkse nutteloze scheikundige oefeningen’, maar Stensen was
hem natuurlijk niet welgezind en verwachtte misschien ook te veel. De lessen van Blaes speelden zich af op het niveau dat paste bij een onderwijsinstelling als het atheneum, waar leerlingen werden voorbereid op een universitaire studie.12 In de anatomie mocht hij aanvankelijk alleen theoretisch onderwijs geven, want het chirurgijnsgilde hield vast aan het monopolie op het aanschouwelijke onderwijs. Maar in 1662 had hij het stadsbestuur verzocht ‘private anatomie voor sijn studenten somtijts te moghen doseren’, en had hij toestemming gekregen om op persoonlijke titel anatomische demonstraties in het gasthuis te verzorgen. De hoogleraar Senguerd raadde zijn pupillen aan die te volgen. Zo was de anatomie langzaam in het lesprogramma geslopen en in januari 1666 was Gerard Blaes de eerste reguliere professor in de medicijnen aan het atheneum geworden - op voorwaarde dat hij geen openbare anatomische lessen zou geven.
Naast de officiële instellingen bestonden er in Amsterdam diverse vormen van particulier medisch onderwijs, en er bestond tevens een informele onderzoeksgroep, die vooral werd bezield door Jan Swammerdam. Swammerdam was na zijn verblijf in Frankrijk in september 1665 naar zijn ouderlijk huis aan de Oude Schans teruggekeerd. Geïnspireerd door zijn Franse ervaringen, waar hij de bijeenkomsten van geleerden ten huize van Thévenot had meegemaakt, had hij zich aangesloten bij een groepje Amsterdamse medici, die om de week bijeenkwamen om gezamenlijk onderzoek te verrichten.
Jan Swammerdam was overtuigd van het nut van samenwerking, en hetzelfde gold voor Niels Stensen, die in Leiden met hem had gestudeerd en samen met hem de bijeenkomsten van onderzoekers in Parijs had meegemaakt. Onwetend zullen we blijven, had Stensen in 1664 verklaard, als we de auteurs uit de oudheid volgen en ‘als de personen die het meest geschikt zijn om deze onderzoekingen te doen, niet hun werk, vlijt en studie samenvoegen om tot enige kennis te komen van de waarheid, die het voornaamste doel moet zijn van hen die te goeder trouw redeneren en studeren’. Ook Swammerdam meende dat ‘de natuur door een gemeenen arbeijt moet ondersogt worden’, want het was nu eenmaal zo dat ‘een persoon alleen niet als seer weijnig kan uijtvoeren’.13 Swammerdam vormde de kern van het Amsterdamse groepje, samen met zijn beste vriend Matthew Slade, wiens grootvader in Amsterdam al een dergelijk gezelschap had geleid, dat zich had bezig gehouden met de studie van het Arabisch en het Hebreeuws. Voor de onderzoeksfaciliteiten konden Swammerdam en de zijnen terecht in het gasthuis, waar Slade als eerste dokter fungeerde.
Onderzoek op grond van observatie en experiment was bepaald nog geen gemeengoed halverwege de zeventiende eeuw. Aan veel Europese universiteiten hield men vast aan de oude lesstof en heerste nog altijd de geest van Aristoteles. Men las Galenus en Hippokrates en hield zich bezig met de leer der humeuren. Maar in tal van plaatsen waren wel onderzoekers actief en in een aantal steden kwamen zij tot een samenwerkingsverband. In Florence was in 1657 de Accademia del Cimento opgericht, de ‘Academie van het experiment’, waarbij aan het
experiment als bron van kennis nadrukkelijk de voorkeur werd gegeven boven de geschriften van Aristoteles. In Engeland bloeide de wetenschap op onder het bewind van de puriteinen. In Cambridge werd gediscussieerd over het werk van Descartes en er werd daar aan de universiteit meer aandacht besteed aan anatomie. Naast de klassieke teksten werd het werk van Harvey en Bartholin gelezen. Maar het echte onderzoek werd buiten de universiteit verricht, vooral door een groep in Londen. Het was een tamelijk informeel gezelschap, zonder vaste vergaderplaats, dat daarom het Invisible College werd genoemd. In hun midden bevond zich Robert Boyle. Uit dat gezelschap was in 1662 de Royal Society of London for the Improving of Natural Knowledge voortgekomen, een instituut met als oogmerk de ontwikkeling van de wetenschap door experimenten en georganiseerd onderzoek. De koninklijke patronage stelde weinig voor, maar de groep was goed georganiseerd. Leden werden gevraagd om velden van onderzoek voor te stellen en hun observaties te publiceren in de Philosophical Transactions, die vanaf 1665 werden uitgegeven. Er werden correspondenten gezocht in het buitenland.
In 1666 werd in Parijs de Académie des Sciences opgericht, een instelling met gesalarieerde leden, onder wie Christiaan Huygens, die was aangezocht als secretaris. Hun bevindingen werden gepubliceerd in het Journal des Scavans. In Nederland bestond minder behoefte aan dergelijke wetenschappelijke instituten, omdat er aan de universiteiten wel modern onderzoek werd gedaan. Maar het onderzoek werd zeker niet alleen aan de universiteiten verricht. Veel onderzoekers werkten op eigen houtje of in los verband, vaak rondom een of andere instelling. In Amsterdam speelde het wetenschappelijke leven zich vooral af rondom het atheneum, maar onderzoek en onderwijs waren er in hoge mate gedecentraliseerd. De verschillende medische bolwerken claimden allemaal hun aandeel en daarnaast was er ruimte voor allerlei particuliere initiatieven. Belangstellenden konden de colleges aan het atheneum bijwonen, terwijl studenten van het atheneum hun kennis aanvulden door lessen van particuliere docenten te volgen. Diverse artsen gaven particuliere lessen, aan huis of bij het instituut waaraan ze waren verbonden. De onderzoeksgroep van Swammerdam was slechts een van de particuliere initiatieven. Het gezelschap had met het athenaeum alleen een persoonlijke band door de deelname van enkele studenten van Gerard Blaes, die zelf de bijeenkomsten ook wel bijwoonde.
Op 22 februari 1667 werd bij de Admiraliteit iemand ‘met de coorde gestraft’, dat wil zeggen opgehangen. Het lijk werd ter beschikking gesteld aan het chirurgijnsgilde. Het werd daarom naar het anatomisch theater in de Nes gebracht,
waar Ruysch de gelegenheid kreeg om het in het openbaar te ontleden. De anatomische les was in principe bedoeld ter instructie van de chirurgijns, maar er bestond van oudsher een veel breder publiek voor. In 1606 was de gang van zaken daarom officieel gereglementeerd. Uit het reglement blijkt dat het in de eerste plaats om een evenement ging en dat de educatieve functie van ondergeschikt belang was. Om te beginnen konden veel chirurgijns niet verstaan wat de praelector zei, want, in tegenstelling tot in de gewone lessen, sprak hij bij een openbare demonstratie Latijn. Bij de toewijzing van plaatsen was de sociale hiërarchie het belangrijkste uitgangspunt. De beste plaatsen waren gereserveerd voor doctoren en meester-chirurgijns en voor de leden van het stadsbestuur. Regenten en predikanten werden bovendien gratis binnengelaten. De chirurgijnsleerlingen en knechts moesten van veraf toekijken, temidden van het overige publiek dat tegen betaling van vier stuivers naar binnen mocht. De knecht van het gilde moest wel zorgen dat er geen kinderen binnenkwamen. Tijdens de ontleding mocht er niet worden rondgelopen, gekletst of gelachen. Het was ook verboden een onderdeel van het lijk mee te nemen. Bij het stellen van vragen moest ‘alle smadelijkheijt en belachelijkheijt’ worden vermeden.14
De anatomische lessen duurden enkele dagen. Het aantal dagen was vooral afhankelijk van de temperatuur. De opbrengst kwam ten goede aan het gilde. Voor het gilde was de openbare les vooral een bron van inkomsten en een gelegenheid om het aanzien van het vak te bevorderen. Vanuit dat oogpunt was de eerste openbare demonstratie van Frederik Ruysch een succes, want er bleek grote belangstelling voor te bestaan. Daarbij speelde een rol dat Deijman nauwelijks enige openbare anatomische lessen had gegeven. Sinds 1659 was er geen openbare les meer gehouden. Het bood Ruysch de kans op een spectaculaire entree. Zes dagen lang gaf hij anatomische les en hij bezorgde het gilde daarmee bijna een recordrecette, vergelijkbaar met die van de laatste les van Claas Tulp in 1650.
Ruysch had zijn naam in Amsterdam gevestigd. De dichter Hendrik de Graef wijdde een hoogdravend gedicht aan zijn anatomische kunsten en de arts Jan Baptist van Lamzweerde, die hem een ‘wel geleerde en seer behendige snijkonstenaer’ noemde, droeg zijn vertaling van een boek van de Engelse anatoom Thomas Willis aan hem op.15 Verwijzend naar de oorlog met Engeland schreef Van Lamzweerde gevat: ‘ick verstoute mij in dit droevig saisoen des tijdts een Engelsman met een Hollandts kleet U op te dragen’. Tien jaar later zou hij zeer ongaarne aan deze opdracht worden herinnerd, maar vooralsnog was het een teken dat er met Ruysch serieus rekening werd gehouden.
Inmiddels was Maria Post bevallen van een tweede dochter, die Anna werd genoemd, naar de moeder van Frederik Ruysch.16 Met zijn vrouw en zijn twee dochtertjes verhuisde Ruysch vanuit Den Haag naar een huis aan de Nieuwezijds Achterburgwal, dat niet ver van het stadhuis lag, boven de stadspaardenstal.17
Terwijl Ruysch zijn entree maakte, vond er een beslissende ontwikkeling plaats in de preparatietechniek. Direct verantwoordelijk daarvoor was Jan Swammerdam. Swammerdam (wiens moeder al was gestorven toen hij ging studeren) was inmiddels achter in de twintig, maar hij woonde nog bij zijn vader in huis. Zijn vader vond het hoog tijd worden dat hij zich zelfstandig als arts zou gaan vestigen en in oktober 1666 was hij daarom naar Leiden vertrokken, om zich voor te bereiden op zijn promotie. Intussen ging hij voort met zijn onderzoek en zijn preparatie-experimenten.
Al in de zestiende eeuw was er geëxperimenteerd met het vullen van vaten met vloeistof. Harvey had in 1651 laten zien dat je de bloedcirculatie kon demonstreren door vloeistof in de rechterzijde van het hart te brengen. Je kon dan zien dat die via de longen naar de linkerkamer stroomde. Door ze te vullen met vloeistof kon ook de loop van de vaten door het lichaam worden getoond. Het vullen van de vaten geschiedde in eerste instantie via koperen buisjes, maar omdat dat zoveel moeite kostte, had Reinier de Graaf een spuit bedacht, waarmee alle bloedvaten in het lichaam in één dag konden worden opgespoten. Om de loop van de vaten zichtbaar te maken kon volgens hem het beste een gekleurde stof worden ingespoten. Hij adviseerde om een koperen munt of kopervijlsel in ‘geest van sout-armoniac’ (ammoniak) te doen, dan kreeg men een mooie blauwe vloeistof. Men kon ook simpelweg viooltjes, korenbloemen of rozen in gewoon water laten weken. Ruysch verhaalde later hoe Reinier de Graaf met zijn spuit het bloed verwijderde en gekleurde gedestilleerde vloeistoffen in de bloedvaten bracht, om hun loop te kunnen waarnemen, en dat dat ‘in 't eerst wel wat genoegen gaf, maar echter naderhand verworpen wierd, omdat die stoffe geduurig daar weder quam uitloopen’.18 De vloeistof liep te vaak weg om de methode echt handzaam te maken als conserveringstechniek. Een met vloeistof ingespoten lichaamsdeel was niet duurzaam geconserveerd en het kon evenmin worden ontleed.
Op 21 januari 1667 liet Swammerdam aan Jan van Horne een ontdekking zien. Hij injecteerde de vaten in een baarmoeder met was. Tot die techniek was hij waarschijnlijk gekomen op grond van een suggestie die Robert Boyle in 1663 had gepubliceerd. Boyle had het idee geopperd dat ter conservering stoffen konden worden gebruikt die vloeibaar werden na verhitting en daarna stolden. Zelf had hij geprobeerd insecten te bewaren door ze onder te dompelen in verwarmde terpentijn, die hij daarna had laten stollen. ‘Perhaps there may be some way to keep the arteries & the veins too, when they are empty'd of blood, plump, and unapt to shrink over much, by filling them betimes with some such substance, as, though fluid enough when it is injected to run into the branches of the vessels, will afterwards quickly grow hard’.19 Waarschijnlijk had Van Horne de suggestie opgepikt en had hij aan Jan Swammerdam voorgesteld om het eens te proberen. Swammerdam had in plaats van de vloeistoffen die tot dan toe waren gebruikt,
witte was genomen, die hij verwarmd, in gesmolten toestand, in de vaten had gespoten. Doordat de was na afkoeling stolde, werd voorkomen dat de vaten weer zouden leeglopen. Het resultaat was verbluffend. Swammerdam had het al laten zien aan Matthew Slade, en hij oogstte veel bewondering toen hij een met was opgevulde lever liet zien in het Leidse theatrum anatomicum.
Swammerdam liet ook Ruysch zien wat hij had gedaan.20 Net als Ruysch had hij eerst het bloed uit de vaten gespoeld. Vervolgens had hij de kleppen in de vaten weggestoten. Met een injectiespuit had hij daarna de vloeibare was in een grote ader gespoten. Eerst had hij witte was gebruikt, maar bij een volgend experiment had hij de was gekleurd. In het preparaat van de baarmoeder had hij verschillende kleuren gebruikt voor slagaders en aders. Dat had hij gedaan door aan de witte was, in vloeibare toestand, rode, gele en groene kleurstoffen toe te voegen.
De techniek voor het kleuren was hem aan de hand gedaan door een befaamde wis- en natuurkundige, Johannes Hudde, die in Amsterdam ook een groepje gelijkgestemde onderzoekers om zich heen had verzameld. Tot dat gezelschap, dat zich vooral bezig hield met natuurkundige vraagstukken, behoorde een studiegenoot van Ruysch en Swammerdam, Burcher de Volder, die in Amsterdam als arts werkte en spoedig professor in Leiden zou worden, en ook Baruch Spinoza. Die onderzoekers, en met name Hudde, waren de ontleders tevens behulpzaam met het vervaardigen van een ander belangrijk hulpmiddel, de lens.
Met de wasinjecties was het mogelijk geworden een permanent preparaat te maken, dat niet leeg liep als het werd ontleed. Ruysch nam de techniek over en probeerde die verder te ontwikkelen. Door er verfijningen in aan te brengen slaagde hij er op den duur in om zeer subtiele vaatjes zichtbaar te maken. Zo kon hij bijvoorbeeld constateren dat bij het ‘ontvlezen’ van een lever het orgaan werd ontdaan van talloze vaatjes. Subtiliteit was het geheim van onderzoekers als Ruysch en Swammerdam. Om door te dringen tot de geheimen van de inwendige structuur van het mensenlichaam moesten zij deeltjes bekijken die met het blote oog nauwelijks meer vielen te zien en hun verdienste was dat ze daarvoor steeds oplossingen wisten te vinden.
Bij de bestudering van zeer kleine onderdelen van het lichaam was het in de eerste plaats belangrijk om zoveel mogelijk licht te hebben. Bij gebrek aan ander kunstlicht dan vuur kon allerlei onderzoek alleen bij helder zonlicht geschieden. Daarnaast konden de mogelijkheden van het menselijk oog worden vergroot door het gebruik van lenzen. Men had aan het begin van de zeventiende eeuw ontdekt dat kleine voorwerpen sterk konden worden vergroot wanneer men ze bekeek door een glazen lens of een combinatie van twee of drie lenzen. Het effect was spectaculair, maar het was toch lang niet eenvoudig gebleken om er onderzoek mee te doen. Onderzoekers kregen met diverse problemen te kampen, die te maken hadden met de aard van het licht, de kwaliteit van het glas en de techniek van het slijpen. Als men door lenzen keek verschenen er bijvoorbeeld gekleurde
randen in het beeld en dat beeld was ook niet overal even scherp. Men begreep bovendien maar half hoe lenzen eigenlijk werkten. Zien was vanouds verklaard door te veronderstellen dat een soort replica van de vorm van een object naar het oog werd getransporteerd. Pas rond 1650 hadden op het werk van Descartes gebaseerde theorieën terrein gewonnen, waarin ervan uit werd gegaan dat licht uit deeltjes bestond. Johannes Hudde, Christiaan Huygens en Baruch Spinoza hielden zich intensief bezig met licht en met het slijpen van lenzen. Zij wisselden daarover ervaringen uit, maar de moeilijkheden waren niet makkelijk te ondervangen. De problemen traden in versterkte mate op bij een combinatie van lenzen en daarom werkten enkelvoudige microscopen vaak beter dan samengestelde.
Hudde experimenteerde met een enkelvoudige microscoop die een zeer kleine, en dus sterk vergrotende, bolle lens bevatte. In 1663 schreef hij daarover aan Christiaan Huygens: ‘ik wenschte wel te weeten (want hier komt het al op aan) of m'er ook niet distincter deur ziet, ik wil zeggen meer deelen in een zelvig object kan door onderkennen: want ik meen hier in haar beste qualiteijt bestaat. Ook weet ik wel dat ik noijt eenige microscopia van 2 of meer glasen daar nevens gezien heb, die in distinctheijt bij dese enkele glaasjes te pas quaamen’.21 Hudde was er dus enthousiast over, maar Huygens vond dat de enkelvoudige microscoop te weinig scherptediepte had. Hij was ook lastig in het gebruik. Het lensje moest heel dicht bij het voorwerp en heel dicht bij het oog worden gehouden.
Frederik Ruysch vond de vertekeningen en de onduidelijkheid een groot bezwaar en stelde spoedig meer vertrouwen in wat hij door middel van wasinjecties te zien kreeg. Hij kon zijn preparaten bovendien aan anderen tonen, terwijl onderzoekers die met een microscoop werkten vaak moeite hadden hun observaties te laten zien aan minder geoefenden. Slechts weinig onderzoekers wisten de bezwaren voldoende te overwinnen. Onder hen was de Italiaanse onderzoeker Marcello Malpighi, die de anatomie systematisch met een (samengestelde) microscoop bestudeerde. Hij had in 1661 de missende schakel in de theorie van Harvey gevonden toen hij een stukje long van een kikker onder een microscoop had gelegd en daarin de haarvaten had gezien, zodat duidelijk werd hoe bloed precies circuleerde. In 1665 had de Engelsman Robert Hooke een boek over microscopen gepubliceerd, Micrographia, waarin hij de overtuiging uitsprak dat de inwendige bouw van organismen met de microscoop zou kunnen worden ontdekt, maar vooralsnog bleef het aantal onderzoekers dat er effectief mee kon omgaan zeer beperkt. Onder hen was naast Malpighi vooral Jan Swammerdam succesvol.
Op de dag voordat Ruysch in Amsterdam zijn eerste openbare optreden verzorgde, promoveerde Jan Swammerdam in Leiden, op een dissertatie over de ademhaling, waarvoor hij het onderzoek al in het begin van zijn studie had verricht.
Het was een onderzoek in de geest van Descartes, dat uitging van een mechanistische conceptie van het menselijk organisme. Vervolgens keerde hij terug naar Amsterdam. Maar hij weigerde een artsenpraktijk te beginnen, zoals zijn vader wilde, en bleef onderzoek doen. (Zijn vriend Matthew Slade was van hetzelfde slag. Hij schreef in oktober 1668 een tweeregelig briefje aan de regenten van het gasthuis, waarin hij hun verzocht om zijn baan als dokter maar aan een ander te geven. Wat hij nog aan salaris tegoed had, schonk hij aan het gasthuis.22) Swammerdam besteedde veel tijd aan zijn studie naar insecten. Hij was voortdurend op zoek naar insecten bij de sloten, plassen en moerassen in de omgeving van Amsterdam. Bij het ontleden van de diertjes gebruikte hij op aanraden van Johannes Hudde ‘seer kleene halve bollekens van glas, daartoe geblaasen’. Hij had een speciale verstelbare tafel en hij maakte gebruik van heel subtiele schaartjes en mesjes, die zonder helder zonlicht en vergrootglazen niet vielen te slijpen.
Thuis op zolder koesterde hij zijn insectenverzameling. Net als Ruysch bezat hij ook een verzameling anatomische preparaten, maar terwijl die voor Ruysch de hoofdmoot van zijn verzameling vormden, waarnaast insecten en planten op de tweede plaats kwamen, was het bij Swammerdam andersom. Zijn studie van de insecten stimuleerde wel de ontwikkeling van conserveringsmethoden die ook voor de ontleding van het mensenlichaam konden worden benut.
Swammerdam had de gewoonte om de insecten en andere diertjes die hij bestudeerde te verstikken in ‘voorloop’ of terpentijnolie. Als hij ze daar een tijdje in hield, werden ze harder en stijver, en dan kon hij ze beter ontleden. Ze vielen dan niet uit elkaar en ze verrotten ook niet. In de terpentijnolie loste het vet op dat in de ingewanden van de diertjes zat. Dat kon hij zo verwijderen. Deed hij dat niet, dan droogde het als opgestoven kalk, ‘die alles soo bedekt dat de ingewanden, daar onder bedolven, geensins konnen gesien werden’, aldus Swammerdam, die wel een volle dag bezig kon zijn met het verwijderen van het vet uit een rups, opdat hij het hart van het dier zou kunnen bestuderen.
Swammerdam gebruikte terpentijnolie vervolgens ook bij het conserveren van menselijke lichaamsdelen. Hij goot de terpentijnolie in een deel dat hij wilde conserveren en liet het enkele maanden staan, zodat de olie het vocht uit het lichaamsdeel kon verdrijven. Zo conserveerde hij in 1669 het lijkje van een baby, een jongetje van een maand. Hij wist ook een heel lam te balsemen.
Hoewel Ruysch met Slade en Swammerdam vaak ervaringen uitwisselde, sloot hij zich niet aan bij hun onderzoeksgroepje. Dat had in de eerste plaats te maken met zijn werkwijze en zijn karakter, maar ook met de aanwezigheid van Gerard Blaes, die erom bekend stond dat hij niet schroomde om met andermans veren te pronken. Het was algemeen bekend hoe Blaes had geprobeerd een ontdekking van Niels Stensen te claimen, en ook de resultaten van het onderzoeksgroepje - vooral het werk van Jan Swammerdam - werden weer door hem geannexeerd. Hij gebruikte onderzoeksresultaten en afbeeldingen van Swammerdam voor een publicatie, waarin hij noch Swammerdam noch diens gezelschap noemde. Swam-
merdam moest dat noodgedwongen accepteren. Hij moest dat ook accepteren van Jan van Horne, met wie hij in Leiden samen onderzoek had gedaan. Hij had weliswaar al het inhoudelijke werk verricht, maar Van Horne had voor de noodzakelijke faciliteiten gezorgd. Het was de consequentie van Swammerdams manier van leven: bij gebrek aan betrekking had hij zelf geen geld en was hij dus afhankelijk van lieden als Blaes en Van Horne. Hij schreef aan Niels Stensen, die naar Italië was vertrokken, dat hij het maar niet kwalijk moest opvatten als ontdekkingen die zij samen hadden gedaan werden gepubliceerd door Van Horne.
Niels Stensen had een andere oplossing gevonden. Na zijn verblijf met Swammerdam bij Thévenot in Frankrijk was hij terecht gekomen in Florence. Op aanbeveling van Thévenot was hij in dienst getreden van Ferdinando de' Medici, de groothertog van Toscane, die zelf nog onderwijs van Galilei had genoten en die ook de Accademia del Cimento financieel had gesteund. De groothertog stelde Stensen een woning in het Palazzo Vecchio ter beschikking en betaalde hem een salaris, zodat hij zich aan onderzoek kon wijden. Als tegenprestatie moest hij een collectie ‘naturalia’ aanleggen voor het Palazzo Pitti.
Nadat de Accademia del Cimento in 1667 was gesloten, werd er vanuit Italië meer contact gezocht met buitenlandse onderzoekers, voor wie het niet meer vanzelfsprekend was om aan Italiaanse universiteiten te studeren. Niels Stensen en Henry Oldenburg, de secretaris van de Royal Society, fungeerden als tussenpersonen. In januari 1668 bracht de zoon van Stensens maecenas, de 25-jarige Cosimo de' Medici, een bezoek aan Amsterdam.23 Cosimo was in oktober vertrokken uit Florence en in december in Holland gearriveerd. Hij werd vergezeld door Thévenot en door Lorenzo Magalotti, een natuuronderzoeker die secretaris was geweest van de Accademia del Cimento. Cosimo kocht in Amsterdam schilderijen van Willem van Aelst en Otto Marseus en hij kwam tevens de verzamelingen van vader en zoon Swammerdam bezichtigen. Voordat hij naar Leiden vertrok om daar de hortus en het anatomisch theater te bekijken, bezocht hij ook de ontleders Dirk Kerckrink en Frederik Ruysch.
Ruysch gaf een anatomische demonstratie en liet hem zijn collectie zien. Cosimo was vooral onder de indruk van het lijk van een jongetje van een jaar of elf, dat Ruysch zo had weten te prepareren dat het leek alsof het kind lag te slapen. Men kende alleen uitgedroogde, gemummificeerde lijken, maar dit was iets heel anders. Het was ook niet zo dat het kind pas was overleden: Ruysch had het al geprepareerd in 1666, het jaar waarin hij ook het lichaam van de Engelse admiraal Berkeley had gebalsemd.
In huize Swammerdam werd Cosimo getracteerd op een demonstratie van de zoon: een ontleding van een rups, waarbij Jan Swammerdam liet zien hoe daarin reeds de vleugels van de vlinder lagen opgerold en opgevouwen. Hij liet zo als eerste zien hoe het kwam dat rupsen een plotselinge gedaanteverwisseling ondergingen. Met een verbazende behendigheid wist hij vervolgens de vlinder uit de rups te snijden en te ontvouwen. De jonge hertog was geïmponeerd. Hij liet weten dat hij de insectencollectie wilde kopen. Hij bood er twaalfduizend gulden
voor, maar hij stelde als voorwaarde - en daar was het ongetwijfeld eigenlijk om te doen - dat Swammerdam de collectie zelf naar Florence zou brengen en daar aan het hof in dienst zou treden. Het was een verleidelijk aanbod. Swammerdam zou dan worden herenigd met Niels Stensen, die het plan om hem naar Florence te lokken wellicht had bedacht. Maar hij wist dat Stensen inmiddels was overgegaan naar de rooms-katholieke kerk, en daartoe was hij niet bereid. Bovendien sprak het leven van een hoveling hem volstrekt niet aan. Hij bedankte daarom voor de eer.
Terwijl Jan Swammerdam, werkloos, bij zijn vader bleef, en Niels Stensen onderzoeksfaciliteiten kreeg dankzij vorstelijke patronage, werden de mogelijkheden van Frederik Ruysch veilig gesteld door het Amsterdamse stadsbestuur. Het stadsbestuur had besloten de verloskunde te reorganiseren en Ruysch kreeg in die reorganisatie een rol toebedeeld. De vroedvrouwen werden onder toezicht gebracht van het collegium medicum, terwijl Ruysch zorg zou dragen voor de examens. Er werd besloten dat alle vroedvrouwen moesten worden geëxamineerd, ook degenen die al jarenlang ervaring in het vak hadden. Ze zouden met name worden getoetst op hun anatomische kennis, maar een eerste vereiste om aan het examen te mogen deelnemen was dat de kandidaten moesten kunnen lezen en schrijven. Na 31 mei 1668 mocht niemand nog als vroedvrouw optreden zonder te zijn geëxamineerd. Voor een examen konden de vroedvrouwen terecht in de kamer van het collegium medicum boven de kleine vleeshal in de Nes, elke maandag en donderdag om twee uur. Vroedvrouwen in opleiding kregen pas toegang tot het examen als ze vier jaar als leerling hadden gediend. Zoals alle veranderingen waarbij gevestigde belangen in het geding waren, stuitte ook deze verandering op het nodige verzet - in de eerste plaats uiteraard bij de vroedvrouwen zelf, maar ze waren niet de enigen met bezwaren. Het chirurgijnsgilde had er bezwaar tegen dat de vroedvrouwen onder toezicht van de doctoren werden geplaatst, terwijl de verloskunde vanouds tot hun terrein behoorde. Bovendien had het voor de hand gelegen als de functie van examinator was toebedeeld aan de stadsvroedmeester, Hendrik van Roonhuijsen, die was belast met het onderwijs aan de vroedvrouwen. Zijn onderwijs beperkte zich echter tot wat uitleg bij zware bevallingen en ongetwijfeld was die taakopvatting een belangrijk argument om hem te passeren.
Naast zijn benoeming tot examinator van de vroedvrouwen ontving Frederik Ruysch van stadswege de titel hoogleraar. Hij mocht zich voortaan professor in de anatomie noemen. Het was een hoogleraarschap op persoonlijke titel, zonder connectie met het atheneum. Dat was voor beide partijen een patente oplossing voor een probleem dat ongetwijfeld zou ontstaan. Gezien zijn groeiende reputatie was het onvermijdelijk dat Ruysch vroeger of later een verzoek vanuit Leiden
of van een andere universiteit zou krijgen om professor te worden. De stad wilde hem ongaarne kwijt en Ruysch wilde ook niet weg, want een universitair professoraat zou eigenlijk niets voor hem zijn. Net als Swammerdam wilde hij vooral onderzoek doen. Hij was een man van de praktijk en miste de belezenheid die hij als universitair docent nodig zou hebben. In Amsterdam kon hij gewoon blijven doen wat hij wilde en nu hoefde hij zich niet meer in de verleiding te laten brengen door de status van de titel.
In Den Haag werd dat jaar dezelfde maatregel genomen: Johan Stalpart van der Wiel, die zijn broer opvolgde als docent in het anatomisch theater, kreeg eveneens de titel professor.
Wat Frederik Ruysch nog wel in verleiding zou kunnen brengen was een hoger salaris. Een titel was mooi, maar Ruysch wilde ook meer verdienen. Hij wachtte nog op een goede aanleiding, maar die kwam al snel. Op 21 april 1668 werd Maritje Roelofs ‘met de coorde verwurght’. Ze was een vreemdeling, afkomstig uit Bergen in Noorwegen, en daarom een geschikt ‘subject’ om te worden ontleed. De terechtstelling op zaterdag was zoals altijd een gebeurtenis die veel publiek trok. Als voor het stadhuis het schavot werd opgesteld, stroomde de Dam vol. Hetzelfde gold de volgende dag voor het anatomisch theater in de Nes. Onder grote publieke belangstelling ontleedde Ruysch het lijk van de terechtgestelde vrouw. De dagen daarna gebruikte hij het voor nog vier lessen. De eerste dag, wanneer het lijk nog vers was, was de belangstelling altijd het grootst. De lessen daarna waren voor de fijnproevers en degenen die waren uitgerust met een sterke maag en een stevige tolerantie voor stank. De recette voor het gilde was wederom hoog. In dat opzicht waren de overlieden tevreden met hun professor, maar niet voor lang, want Ruysch vroeg onmiddellijk opslag. Omdat zijn voorgangers de functie meer om de eer dan om het honorarium hadden vervuld, was het salaris van de docent in de anatomie tamelijk bescheiden. Maar voor Ruysch was het een serieuze baan en bovendien wilde hij een inkomen dat vergelijkbaar was met het bedrag dat hij elders zou kunnen krijgen. In augustus kreeg hij de opslag toegezegd. Het gildebestuur kreeg van de burgemeesters de opdracht om daartoe een verzoek in te dienen en de burgemeesters bepaalden vervolgens dat het salaris moest worden verhoogd van 350 tot 750 gulden. Het stadsbestuur betaalde de helft van de opslag, voor de andere helft moest het gilde zelf opdraaien.24
Daarmee waren de mogelijkheden van Ruysch veilig gesteld. Met een dergelijk inkomen kon hij zijn anatomisch onderzoek blijven financieren. Dat onderzoek trok steeds meer belangstelling. In september kreeg Ruysch een jonge, maar in de ontleedkunde reeds zeer ervaren arts op bezoek: Edward Browne, de oudste zoon van de beroemde Engelse arts en schrijver Thomas Browne. De jonge Browne had op zijn reis door Holland eerst Leiden en Delft bezocht en was daarna door een Rotterdamse kennis geïntroduceerd bij Adolf Visscher, een medicus die tegelijk met Ruysch in Leiden had gestudeerd en vervolgens in Amsterdam een praktijk was begonnen. Visscher bracht hem bij Gerard Blaes, bij Frederik Ruysch en bij
Jan Swammerdam. In een brief aan zijn vader beschreef Edward Browne zijn wedervaren in Holland. Hij vertelde daarin over zijn bezoek aan het Leidse anatomietheater. Hij beschreef de vele skeletten die daar tentoongesteld stonden en enkele gebalsemde preparaten, waaronder het werk van De Bils. Wat hij had gezien waren ‘divers skeletons of men and women, some with muscle, one with the whole flesh and skin, but I have since seen far neater curiosities of this kind at Amsterdam, performed by dr. Ruysch’. Ruysch, vertelde Edward Browne, had hem diverse anatomische bijzonderheden laten zien, waaronder skeletjes van jonge kinderen en foetussen in diverse stadia. Voorts had hij hem de kleppen in de lymfevaten getoond en een lever waarin zeer fijne vaatjes zichtbaar waren gemaakt. Browne had gebalsemde spieren gezien en zelfs hele gebalsemde lichamen. Het meest verbazende van de hele collectie was volgens hem het gezicht van het kind waarvan ook Cosimo de' Medici eerder dat jaar onder de indruk was geraakt. Het gelaat had een volstrekt natuurlijke kleur en het kind zag eruit alsof het lag te slapen. Dat was het grote verschil tussen Ruysch en De Bils, aldus Browne: ‘the preserving of the face, without the least spot or change of colour or alteration of countenance from what it is immediately after death’.25
De Bils had de concurrentiestrijd definitief verloren. Sinds zijn confrontatie met Ruysch had hij zich teruggetrokken in Sluis. Reinier de Graaf had inmiddels uit de doeken gedaan hoe levende dieren bloedeloos konden worden ontleed: door voor de demonstratie vaten af te binden, de sporen daarvan te verhullen en daarna pas de toeschouwers binnen te laten. ‘Als men dit proefstuk met een seekere handigheijdt volvoert sal het veelen een toverwerk toeschijnen’, aldus De Graaf.26 Toch werd De Bils nog benoemd aan de Illustere School in Den Bosch, tot professor honorarius anatomiae. In augustus 1669 hield hij daar een inaugurele demonstratie, die zou worden gevolgd door een serie openbare lessen. Maar de serie moest voortijdig worden afgebroken, omdat, zo werd gezegd, hij ‘van voorgaende sieckte noch swack zijnde, wederom swackelijck is ingestort’. Waarschijnlijk had hij longtuberculose, die volgens een bevriende arts was bevorderd door de vele laster die hij had moeten verwerken. Hij stierf kort daarop. Het geheim van zijn preparatiemethoden had hij al eerder vastgelegd in twee notariële acten. Zijn zoon mocht daarvan gebruik maken, maar die had er weinig belangstelling voor. Hij volgde zijn vader op als baljuw van Aardenburg en zou naderhand burgemeester van Tholen worden. Daarom trachtte zijn weduwe, Elisabeth van Peene, het geheim te verkopen aan de stad Amsterdam. Er waren mensen die het hem kwalijk zouden nemen dat hij een arme weduwe het brood uit de mond stootte, maar zodra Ruysch van de voorgenomen transactie hoorde, greep hij in. Als de stad behoefte had aan gebalsemde lijken kon men beter met hem in zee gaan, vond hij. Hij verzekerde het stadsbestuur dat zijn balsemmethode te prefereren was boven die van De Bils. De voorbeelden waren bij hem thuis te bezichtigen. Daarop ketste de transactie met de weduwe De Bils af.27
Het stadsbestuur bleef volharden in zijn pogingen om Amsterdam een centrum van moderne wetenschap te maken. Voor het atheneum werd een aantal coryfeeen aangezocht, onder wie Johannes de Raey, omdat hij de belangrijkste cartesiaanse filosoof zou zijn, ‘volgens het seggen van den heer Hudde, die onder hem heeft gestudeert’.28 Ook Tulp zou de hand hebben gehad in de benoeming van De Raey, die werd weggelokt uit Leiden, waar hij sinds 1653 filosofie en geneeskunde had gedoceerd. Zijn lessen waren daar zeer succesvol, maar Amsterdam bood hem een buitengewoon hoog salaris van 2500 gulden. Wellicht verwachtte hij in Amsterdam ook meer vrijheid te genieten. Aan de Leidse universiteit was het verspreiden van de denkbeelden van Descartes nog altijd omstreden, door de radicale consequenties die er op religieus gebied aan konden worden verbonden. De Raey had overigens betrekkelijk weinig problemen gekend, want hij had zich een gematigd cartesiaan getoond. Hij had de filosofie van Descartes trachten te beschermen door die zoveel mogelijk te verenigen met de denkbeelden van Aristoteles en door zich te beperken tot de fysica.
Het Amsterdamse stadsbestuur verwachtte ongetwijfeld dat hij zijn gematigde interpretatie van Descartes zou verdedigen tegen Spinoza en diens radicale geestverwanten, die in Amsterdam nogal wat ophef maakten. Voor de medici was zijn aanstelling ook interessant, gezien de nauwe band die er bestond tussen de natuurwetenschap en de geneeskunde. Maar hoewel De Raey veel belangstelling had voor geneeskunde en anatomie vond hij geneeskunde van een lagere orde dan fysica.29 Het geneeskundig onderwijs liet hij dus gaarne over aan Gerard Blaes. Ook op diens terrein had het stadsbestuur modern onderwijs gestimuleerd, door hem zes bedden in het gasthuis ter beschikking te stellen voor lessen aan het ziekbed. Van patiënten die in een van ‘zijn’ bedden dood gingen mocht Blaes bovendien het lijk schouwen.
Ruysch kreeg eveneens het privilege om lijken van overleden patiënten te schouwen en ook Jan Swammerdam maakte gebruik van de anatomiezaal van het gasthuis. Zolang Matthew Slade er de leiding had was de medewerking van het gasthuis geen probleem, maar nadat Slade zijn baan had opgegeven, was die medewerking niet meer zo vanzelfsprekend, want de gasthuisartsen hielden hun patiënten en hun snijzaal liever voor zichzelf. Maar Swammerdam en Ruysch werden door het stadsbestuur officieel gemachtigd om gebruik te maken van de faciliteiten van het gasthuis. Blaes mocht, om het medisch curriculum aan het atheneum compleet te maken, plantkunde gaan doceren in de kruidentuin van het gasthuis. Hij had ook gaarne openbare demonstraties willen geven in het anatomisch theater van het chirurgijnsgilde, maar daarvoor kreeg hij geen toestemming. Dat privilege werd door de overlieden en de praelector van het gilde streng bewaakt.
In het voorjaar van 1670 verzorgde Ruysch wederom een openbare les, ditmaal op het lijk van Pasquier Jorisz van Iperen, die de vorige dag was opgehangen. Ruysch gaf vijf lessen, van 30 maart tot en met 3 april. De eerste, op zondag, trok zeer veel publiek. De opbrengst was een record: 255 gulden. De gelegenheid werd aangegrepen om Ruysch als praelector te vereeuwigen. Dat gebeurde op initiatief van de overlieden van het gilde, die in de eerste plaats zichzelf geportretteerd wilden zien. Net als bij de officieren van de schutterij en de bestuurders van allerlei andere instellingen was het onder bestuursleden van het gilde gebruik om een statieportret te laten maken. De vorm die het groepsportret van overlieden en praelector kreeg was traditioneel de anatomische les: een schilderij waarop de leden van het gildebestuur werden afgebeeld als toeschouwers bij de ontleding van een lijk door de praelector. In de vergaderkamer van het gilde hingen al verscheidene van dergelijke portretten. Het oudste dateerde van 1603. De meest recente waren de anatomische lessen van Ruysch' directe voorgangers, Tulp en Deijman, in 1632 en 1656 geschilderd door Rembrandt.
Rembrandt, die zich naar aanleiding van de opdracht in Amsterdam had gevestigd, had in 1632 in de anatomische les van praelector Claas Tulp niet, zoals zijn voorgangers, slechts een collectie individuele portretten geschilderd, maar toeschouwers die echt geconcentreerd waren op het lijk. Het lijk, tot dan toe weinig meer dan een alibi voor het groepsportret, had veel meer een centrale functie gekregen. Bij zijn tweede opdracht, in 1656, had Rembrandt het lijk vanuit een gewaagd perspectief, vanaf de voeten, geschilderd, op een groot doek van drie bij tweeëneenhalve meter. Beide doeken oogstten veel bewondering bij reizigers, die er soms speciaal voor naar het gebouw van het gilde kwamen.
De opdracht werd dit keer verleend aan Adriaan Backer, een neef van de bekende schilder Jacob Backer. Hij had als jongeman meegewerkt aan de decoratie van het nieuwe stadhuis op de Dam, dat in 1655 was voltooid: boven de ingang van de pleitkamer had hij gewerkt aan een uitbeelding van het Laatste Oordeel, waarin men ‘konstig geteekende naakten’ kon zien. Hij had daarna langdurig in Italië gewerkt en na terugkeer was hij in Amsterdam aan de Kolk gaan wonen. Het vorige jaar was hij getrouwd. Hij was inmiddels vijfendertig. Zijn vaardigheid in het schilderen van naakte lichamen strekte uiteraard tot aanbeveling en hij gold tevens als een goed portrettist. Backer beeldde Ruysch uit terwijl hij het lieskanaal op de linkerdij van een lijk demonstreerde, omringd door de zes chirurgijns die hadden betaald om op het schilderij te komen. Om het verschil in status tot uitdrukking te brengen werd Ruysch als enige geschilderd met een hoed op. Elke verwijzing naar de openbare ontleding die Ruysch dat jaar verrichtte ontbrak. Die vormde niet meer dan de aanleiding voor het schilderij. Op de achtergrond plaatste Backer twee beelden, waarvan er een Asklepios, de patroon van de chirurgijns, voorstelde en het tweede Galenus, of wellicht ook wel Apollo, de god van kunst en wetenschap.

De anatomische les van Frederik Ruysch door Adriaan Backer, 1670. Afgebeeld, van links naar rechts, Leendert Fruijt, Aert van Swieten, Frederik Ruysch, Gillis Hondecoeter, Reinier de Coen, Joris van Loon en Jacob Brandt (collectie Amsterdams Historisch Museum).
Zijn werk viel zodanig in de smaak dat hij nog een aantal opdrachten voor groepsportretten kreeg, onder meer van het collegium medicum en van de regentessen van het weeshuis.
Voor de compositie van zijn anatomische les van Frederik Ruysch had Adriaan Backer zich ongetwijfeld laten inspireren door het werk van Rembrandt, maar het lijk zag er bij hem veel minder doods en bloederig uit dan bij Rembrandt. Het afgebeelde lichaam was stellig niet dat van de terechtgestelde: het was nog vrijwel intact en het leek meer op het lichaam van een slapende dan van een dode. Backer toonde op deze manier zijn vaardigheid in het afbeelden van naakten en verwees zo bovendien naar de balsemtechniek waarmee Ruysch steeds meer furore maakte.30
In de zomer van 1670 kreeg Henry Oldenburg, de secretaris van de Royal Society, uit Padua een brief van de Deense geleerde Laurids Foss. Foss was in Padua om er tot doctor medicinae te promoveren, maar hij had eerder in Leiden gestudeerd, en hij was tijdens zijn verblijf in Holland ook in Amsterdam geweest. Hij schreef dat Ruysch een bijzondere manier had ontwikkeld om lichamen te conserveren, die wel zeer bewerkelijk was en veel tijd kostte, maar die hem in staat stelde om lichamen hard en droog te maken terwijl hun vorm en schoonheid behouden bleef. Ruysch had hem verzekerd dat de lichamen niet aan bederf onderhevig waren. Foss had een elleboog gezien met spieren die zo waren geprepareerd dat de bouw ervan precies kon worden getoond. Ruysch was bezig met het balsemen van een compleet lichaam, waarvan de geleerden die Foss had gesproken hoge verwachtingen koesterden.31
Er was inmiddels zoveel belangstelling voor zijn werk, dat Ruysch had besloten zijn verzameling tegen betaling open te stellen voor bezichtiging. Jan Swammerdam schreef het als nieuwtje aan Thévenot. Hij meldde dat Nicolaas Witsen naar Engeland was en dat diens boek over de scheepsbouw nog niet was verschenen. Verder was er weinig nieuws: ‘Ruijs heeft een anatomiekamer opgerigt, en laat die om gelt sien’.32
Ruysch was in Amsterdam niet de enige met een anatomische verzameling. In het huis van Dirk Kerckrink aan de Keizersgracht was de grootste kamer ‘met tapijt noch schilderkunst versiert’, maar met doodshoofden en geraamten. ‘De bleke doot had daer haer plaets genomen’, aldus een dichter.33 Maar de verzameling van Ruysch bevatte veel meer dan alleen beenderen. Bij Ruysch konden bezoekers voor het eerst ook allerlei inwendige organen zien, die bovendien niet waren uitgedroogd, maar hun natuurlijke vorm bezaten. Voor veel mensen was dat een verbijsterende ervaring en de tentoonstelling werd spoedig een attractie. Ruysch bracht zijn collectie onder in een huisje naast zijn huis aan de Nieuwezijds Achterburgwal. Hij huurde dat voor vijftig gulden per jaar van de stad. Het huisje was niet als woning bestemd, maar ‘alleenlijck tot het plaetsen van geraemten, doodshoofden ende van andere doodsbeenderen, mitsgaders gebalsemde lichamen en partijen van menschen’, registreerde een klerk, die noteerde dat het
ging om preparaten ‘die hij van tijt tot tijt vergaart heeft, op dewelcke hij demonstratiën gewent is te doen aan jonge chirurgijns en andere desbegerende’.34
In de zomer van 1672 heerste er alom in het land crisis. Sinds 23 maart was de Nederlandse republiek in oorlog met Engeland en sinds 6 april tevens met Frankrijk. Een Franse invasie dreigde. Nadat op 20 juni Naarden was ingenomen, bestond er grote vrees dat de Fransen zouden proberen ook Amsterdam in te nemen. Onder leiding van burgemeester Huydecoper werd daarom de Amsteldijk doorstoken. Op de zeedijk werd een fort gemaakt onder aanvoering van het raadslid Nicolaas Witsen. De regenten gingen dus voor in een poging om de stad te verdedigen. Maar ze kregen ook zware kritiek te verduren omdat ze het zover hadden laten komen. In Den Haag werd de dag na de inname van Naarden een aanslag gepleegd op hun leidsman Johan de Witt en twee weken later moesten de regenten onder grote druk toestaan dat de jeugdige prins van Oranje, Willem III, tot stadhouder van Holland werd benoemd.
In Amsterdam was de bevolking de hele zomer zeer onrustig. Er werd voortdurend geprotesteerd tegen het regentenbewind, in oproerige pamfletten, maar vooral op straat. De regenten waren geïntimideerd, zeker nadat op 20 augustus Johan de Witt in Den Haag aan stukken was gescheurd. Op 7 september verzamelden zich honderden burgers in de Kloveniersdoelen om hun bezwaren tegen het heersende bewind te uiten, waarbij de tot dokter gepromoveerde apotheker Abraham van Poot als hun woordvoerder fungeerde. De klachten van de burgerij werden voorgelegd aan de nieuwe stadhouder, die vier dagen later een zuivering van het stadsbestuur liet doorvoeren. Vanaf dat moment was de macht in Amsterdam in handen van Gillis Valckenier. Tot zijn kring van medestanders behoorden Johan Huydecoper, Johannes Hudde, Nicolaas Witsen en Coenraad van Beuningen. Uit die kring werden in het vervolg de burgemeesters gekozen.
Voor lieden als Frederik Ruysch was het niet onbelangrijk welke regenten er aan het bewind waren, want de burgemeesters beslisten over elk voorrecht en elke benoeming. Aanvankelijk had Ruysch kunnen profiteren van de steun van Claas Tulp, maar die telde na 1672 niet meer mee. De nieuwe sterke man, Gillis Valckenier, legde niet overdreven veel achting voor Tulp aan de dag. Hij maakte de oude man uit voor een ‘onweetende pluijmstrijcker’. Toch had Ruysch niet te klagen: onder de mannen die het voor het zeggen kregen waren verscheidene intellectuelen, die persoonlijk waren betrokken bij wetenschappelijke ontwikkelingen en bereid waren vernieuwingen te steunen. Bovendien konden ze hem in zekere zin als een der hunnen beschouwen: zijn voorouders waren ooit burgemeester van Amsterdam geweest.
De belangrijkste onder de nieuwe generatie regenten was Johannes Hudde. Hij was een zoon van een grote koopman die op Italië handelde. Zijn oudste broer
had in Amsterdam in de raad gezeten totdat hij in Den Haag in de Hoge Raad was benoemd. Johannes Hudde zelf had wiskunde en filosofie gestudeerd, samen met Johan de Witt en Christiaan Huygens, en hij werd beschouwd als een zeer groot talent, als ‘philosophus et mathematicus incomparabilis’. Een Deense reiziger had in 1661 in zijn reisjournaal genoteerd dat hij had vernomen ‘dat Spinoza in de wijsbegeerte van Descartes excelleert, ja hem met heldere en probabele concepten in vele zaken overtreft, maar dat allen overtroffen worden door de Amsterdammer Hudde’.35
Hudde had zich ook verdiept in de geneeskunde. In 1657 had hij aan een cartesiaanse medestander, die hem een boek over de ontwikkeling van de mens had gestuurd, geschreven dat hij over die ontwikkeling nog geen idee had, maar dat hij van plan was ‘zoo haast als ik de fondamenten van de medicijnen zal geleert hebben, door vergrootglazen te onderzoeken of men ad oculum de generatie van veel dingen niet zal konnen vinden en demonstreeren; en hiertoe zie ik door verscheijde experimenten die ik alreede gedaan heb, groote hoop, zulx ook dat ik tegenwoordigh daardoor bewogen zijnde, bezigh ben om de beste vergrootglazen te determineren’.36 Hij had Jan Swammerdam geleerd enkelvoudige microscopen te maken en hem geadviseerd omtrent het kleuren van injectievloeistof. In 1667 was Hudde lid van de raad geworden en in 1672 werd hij voor het eerst tot burgemeester gekozen.
Eveneens gekozen werd Coenraad van Beuningen, die in tegenstelling tot Hudde al een heel politiek verleden had, vooral als diplomaat. Ook hij behoorde, zoals hij zelf zei, tot ‘de luijden van verstant’.37 Hij was een aanhanger van Descartes en vulde zijn bibliotheek steeds aan met de nieuwste werken op het gebied van de geschiedenis en de natuurwetenschap. Nadat hij secretaris en pensionaris van Amsterdam was geweest, was hij in 1660 gekozen tot lid van de raad. Maar hij verbleef jarenlang in het buitenland. Van 1665 tot 1669 was hij ambassadeur geweest in Parijs, waar hij bevriend was geraakt met Thévenot, op wiens buitenverblijf hij Jan Swammerdam had ontmoet. Van Beuningen had vaak getwijfeld aan de zin van zijn politieke werk. Eigenlijk had hij zijn leven liever gewijd aan de studie. Maar in 1669 had hij zich tot burgemeester laten kiezen en in 1671 had hij dat voor een tweede keer geprobeerd. Dat was toen mislukt, maar in 1672 werd hij opnieuw gekozen.
Jan Swammerdam had geprofiteerd van zijn connectie met Van Beuningen toen hij, na het overlijden van zijn beschermheer Van Horne, dankzij Van Beuningen toestemming had gekregen om ontledingen te verrichten in het gasthuis, ‘tot bevorderinge van sijne ondersoekinge omtrent de constitutie van 's menschen lighaam’.38
Een derde burgemeester uit dezelfde kring van ‘curieuze’ regenten was Johan Huydecoper, die vooral belangstelling had voor planten, die hij op grote schaal kweekte op zijn buiten Goudestein bij Maarssen. Hij ging gaarne om met geleerden, schrijvers en schilders. Willem Piso, naast Tulp de grand old man onder de doctoren, behoorde tot zijn familiekring. Toen in 1674 het lijk van zijn zwager
Willem Bartolotti werd ontleed, was hij van de partij en deed hij er uitvoerig verslag van.39
Huydecoper was een protégé van Hudde, net als Nicolaas Witsen, die in de raad was gekomen in 1670, na het overlijden van zijn vader, die als schout en burgemeester had gediend. Witsen had zijn tijd tot dan toe voornamelijk besteed aan reizen en studie. Nadat hij in Amsterdam de Latijnse school had bezocht, had hij aan het atheneum filosofie, wiskunde en astronomie gestudeerd en hij had zich tevens bekwaamd in het etsen en plaatsnijden. In dezelfde tijd als Frederik Ruysch had hij vervolgens in Leiden gestudeerd. Hij interesseerde zich toen vooral voor de colleges van De Raey, maar hij was gepromoveerd in de rechten. Daarna was hij naar Rusland vertrokken als lid van het gevolg van de ambassadeur Jacob Boreel, die in Moskou de belangen ging verdedigen van Nederlandse kooplieden die in en op Rusland handelden. Tot die kringen behoorde ook de familie Witsen. Nicolaas Witsen was vier maanden in Moskou geweest. Daarna had hij nog door Frankrijk, Italië en Engeland gereisd, en recent had hij een boek over scheepsbouw gepubliceerd, met een hoofdstuk van Hudde. Niels Stensen las het boek in Florence, vol enthousiasme over de uiteenzettingen die aan de mechanica waren gewijd.
Ook Nicolaas Witsen had zich aangesloten bij de nieuwe sterke man, Valckenier, die bekend stond als een botterik, maar zich wel gaarne omringde met kundige lieden. Valckenier zou Witsen hebben gemogen ‘omdat hij vermaak vond in sijn geselschap’ en in de verhalen over ‘'t geene hij op zijne reisen hadde ontmoet’.40
In 1672 deden zich verscheidene gelegenheden voor waarbij Ruysch politieke steun hard nodig had. Het begon met het overlijden van Hendrik van Roonhuijsen, de stadsvroedmeester. Ruysch had belangstelling voor diens functie. De stadsvroedmeester was degene op wie vrouwen die geen medische hulp konden betalen een beroep konden doen wanneer zich bij een bevalling complicaties voordeden. Maar hij gold tevens als de specialist bij uitstek, die ook vaak werd geraadpleegd door welgestelden. Het stedelijk vroedmeesterschap was daarom lucratief en voor Ruysch was het bovendien aantrekkelijk, omdat het toegang bood tot interessant anatomisch materiaal.
De vroedmeester kwam alleen in actie in uitzonderlijke situaties. Bevallen was in principe een zaak van vrouwen. Een barende vrouw werd geassisteerd door een aantal vrouwen uit haar familie of uit de buurt, en door een vroedvrouw. Alleen bij een problematische bevalling kwamen er mannen aan te pas. In geval van complicaties moest een vroedvrouw de hulp inroepen van een chirurgijn en eventueel een dokter. Chirurgijns die zich in de verloskunde hadden gespecialiseerd, vroed-
meesters, konden een gecompliceerde bevalling soms tot een goed einde helpen brengen, bijvoorbeeld als het hoofd van het kind klem zat. In tegenstelling tot vroedvrouwen konden zij namelijk gebruik maken van instrumenten. Wanneer operatief moest worden ingegrepen mocht een chirurgijn dat alleen doen onder toezicht van een dokter. Bij zo'n operatie ging het meestal om het halen van een voor of tijdens de bevalling gestorven kind. Dat gebeurde niet door middel van een keizersnede; die werd alleen toegepast om te proberen het kind te redden als de vrouw was overleden.
De stadsvroedmeester kon dus worden geraadpleegd bij gecompliceerde bevallingen en was bovendien degene die was belast met het onderwijs aan de vroedvrouwen. Het was een functie die van oudsher was vervuld door een chirurgijn, en het gilde steunde de kandidatuur van de 34-jarige, oorspronkelijk uit Emmerich afkomstige Andries Boekelman, die bekend stond als een zeer bedreven operateur en verloskundige.
Hendrik van Roonhuijsen was een chirurgijn geweest met veel prestige en zijn zoon, Rogier van Roonhuijsen, die het vak van zijn vader had geleerd, probeerde van dat prestige te profiteren. Hoewel hij nog jong was en juist zijn opleiding had voltooid, vond zijn kandidatuur steun binnen het collegium medicum, mede omdat hij had aangekondigd een universitaire opleiding te zullen gaan volgen. Dat was voor het stadsbestuur geen onbelangrijk argument, omdat de vroedmeester ook was belast met het onderwijs. Maar als het daarom ging was er een veel geschiktere kandidaat: Frederik Ruysch. Ruysch had een ongeëvenaarde kennis van de anatomie en hij was bovendien al belast met het anatomisch onderwijs aan de chirurgijns en de examens voor de vroedvrouwen. Het bezwaar was alleen dat hij weinig praktische verloskundige ervaring had. Hij verklaarde zich echter bereid om die op te doen.41 Het stadsbestuur toonde daarom een voorkeur voor Ruysch. Het gilde moest accepteren dat er voor het eerst een doctor tot vroedmeester werd aangewezen.
Ruysch zelf verklaarde zijn benoeming uit de wens van het stadsbestuur om de opleiding van de vroedvrouwen te verbeteren. Hij vertelde dat het collegium medicum, onder leiding van Willem Piso en François de Vicq (die beiden behoorden tot het patriciaat), het stadsbestuur erop had gewezen dat er onder vroedvrouwen allerlei achterhaalde denkbeelden leefden en dat er hoognodig wat aan hun opleiding moest worden gedaan.
Vroedvrouwen beoefenden de verloskunde zonder opleiding, op grond van wat ze van andere vrouwen en uit eigen ervaring hadden opgestoken. Onder hen bevonden zich vrij veel weduwen, voor wie het een van de weinige mogelijkheden was om in hun levensonderhoud te voorzien. Jongere vrouwen gingen meestal enige tijd in de leer bij een ervaren vroedvrouw voordat ze het vak zelfstandig gingen uitoefenen. Maar ze deden daarbij niet altijd evenveel praktijkervaring op, omdat ze bij een bevalling doorgaans niet zo gek veel meer mochten doen dan de navelstreng doorknippen. Het verwerven van enige anatomische kennis was
vroedvrouwen al langer aangeraden, bijvoorbeeld door de populaire arts Johan van Beverwijk in de jaren dertig, maar pas in de tweede helft van de zeventiende eeuw werden in diverse steden eisen geformuleerd waaraan vroedvrouwen moesten voldoen. Er werden vervolgens ook artsen aangewezen om hun relevante anatomische kennis bij te brengen. Een probleem was dat de meeste artsen geen praktijkervaring als verloskundige bezaten en regelmatig met de mond vol tanden stonden als er praktische vragen werden gesteld. Doorgaans behandelden ze een handboek op het gebied van de verloskunde. Er bestond een aantal van die handboeken, bijvoorbeeld 't Boeck van de vroetwijfs, maar dat stamde uit 1554. In 1668 verscheen in Parijs een nieuw handboek, gebaseerd op nauwkeurige anatomische en fysiologische kennis, geschreven door François Mauriceau, Des maladies des femmes grosses et accouchées avec la bonne et veritable methode de les bien aider en leurs accouchemens naturels. In het zelfde jaar was het Amsterdamse stadsbestuur, op instigatie van het collegium medicum, begonnen met maatregelen om het niveau van de verloskunde te verhogen. Eerst was het examen ingesteld. Door de dood van Hendrik van Roonhuijsen kon ook het onderwijs worden gereorganiseerd.
Na de sanering in 1668 waren er 137 vroedvrouwen overgebleven. Voor hen werden anatomische lessen georganiseerd, te geven door Ruysch, onder auspiciën van het collegium medicum. Ruysch kreeg de opdracht om de vrouwen de relevante anatomische kennis bij te brengen en hen bovendien te onderwijzen in ‘alle die dingen, welke mogelijk onder 't baren konde voorvallen’. Om daartoe in staat te zijn beijverde hij zich om verloskundige ervaring op te doen. Bij gecompliceerde bevallingen deed hij zelf ingrepen, wat zeer ongebruikelijk was voor een gepromoveerde medicus.
Ruysch was al het nodige te weten gekomen over de gangbare verloskundige praktijk sinds hij de examens afnam. ‘'t Is niet te geloven hoe groote onwetenheijdt, welke beuzelingen en hoe vele dwalingen er toen te voorschijn gekomen zijn’, riep hij verbijsterd uit. Zelfs vrouwen met jarenlange ervaring hielden er de merkwaardigste opvattingen en praktijken op na. Maar dat was eigenlijk geen wonder, besefte Ruysch: ze hadden het vak immers geleerd van vrouwen die even onbedreven en onwetend waren.42
Bij een ‘gewone’ bevalling, waarbij de baby zonder complicaties ter wereld kwam, konden vroedvrouwen een glansrol spelen. Het doorknippen van de navelstreng wilden ze nog wel aan een leerling overlaten, maar daarna namen ze de hoofdrol weer over. De nageboorte werd door de vroedvrouw zelf gehaald, want men achtte het van groot belang dat die onmiddellijk werd verwijderd. Nadat de kraamvrouw naar bed was gebracht om te rusten, liet de vroedvrouw de aanwezige buren en familieleden de placenta zien. Vervolgens werd die in het haardvuur geworpen. Daarop werd de baby gewassen en de navelstreng verzorgd. Het kind werd gecontroleerd op gebreken en meestal werd het daarna ingebakerd. Intussen schonk men brandewijn met suiker. Het kind werd aan de vader aangeboden en aan de bezoekers getoond, die de vroedvrouw wat geld toestopten. Sommige
vroedvrouwen voorspelden op grond van het aantal ‘knopen’ in de navelstreng hoeveel kinderen er nog zouden volgen.43
Maar een gewone bevalling was niet zo gewoon. Tijdens bevallingen ging vaak iets mis en voor een deel was dat te wijten aan fouten van vroedvrouwen. Onder vroedvrouwen was het bijvoorbeeld gebruikelijk dat ze ‘de vinger in den aars van de barende vrouwen op 't allerdiepste steken, om in eene zwaare baring de vrugt uijt te lokken’, aldus Ruysch. ‘Welke kneuzingen, ontstekingen, stikkingen, aambeijen en verstervingen heb ik daardoor wel in die delen gezien!’ Bij bevallingen werden allerlei overbodige en schadelijke handelingen verricht, op grond van traditie en bijgeloof, en een stuitend gebrek aan elementaire kennis. In het algemeen werd er veel te veel ingegrepen; voor, tijdens en na de bevalling. Vroedvrouwen bemoeiden zich overal mee, deels om zichzelf onmisbaar te maken, maar ook omdat het nu eenmaal zo hoorde, of omdat het van hen werd verwacht.
Een vrouw die moest bevallen had in de zeventiende eeuw weinig privacy. Een bevalling werd altijd bijgewoond door een legertje andere vrouwen: buren of familieleden, die kwamen assisteren en een oogje in het zeil houden. Zelden hielden ze daarbij hun adviezen voor zich. De vroedvrouw stond vaak onder grote druk om hen te behagen, al was het maar om de fooien, maar ook vanwege haar reputatie. Als ze niet deed wat er van haar werd verwacht, liep ze het risico dat men een volgende keer niet meer van haar diensten gebruik zou maken.
Ruysch beklaagde menigmaal het lot van barende vrouwen. Vaak verbood de vroedvrouw, ‘wreeder als de beul’, de barende vrouw om tijdens de bevalling te drinken, anders zou de blaas te veel opzwellen en daardoor de uittocht van de vrucht beletten. Het gevolg was dat de vrouw ‘hijgende, brandende en smert lijdende, droger als een puijmsteen wort’, aldus Ruysch. Hij had bemerkt dat men na de bevalling, om de baarmoeder weer op zijn plaats te brengen, de kraamvrouw liet opstaan en opdroeg haar vuisten te ballen, waarop men zei: ‘zuig nu uw lichaam op’. Ruysch vond dat een gebruik ‘dat belachelijk, van geen nut is, en niets kan helpen, alzo zonder zulk opzuigen de baarmoeder van de natuur altoos weder in haar plaatze gebragt werdt’. Het was tijdverspilling, terwijl de vrouw er veel meer bij gebaat zou zijn om zo snel mogelijk in een warm bed te worden gelegd. Waarom zou men ‘zoo een vermoeide, aamegtige en verzwakte patient een moment laten verzuimen om ze ter ruste te brengen, die zo veel heeft uitgestaan, en dat om een malle gewoonte’? Ruysch vertelde de vroedvrouwen dat het een zinloze handeling was, maar die zeiden dat het gebruik moeilijk uit te roeien zou zijn, want als ze het opzuigen zouden overslaan en er vervolgens iets met de kraamvrouw gebeurde, zouden de buren en de familie onmiddellijk vragen ‘is uw lichaam wel opgezogen?’, en als dat niet was gebeurd: ‘wee dan die vroetvrouw!’44
Het gebeurde vaak dat een kraamvrouw de opdracht kreeg om een week lang op een zij te liggen. Dat was een misverstand dat voortkwam uit het feit dat men vroeger bij gebrek aan menselijke lijken was uitgegaan van dierlijke anatomie. Daardoor dacht men dat de baarmoeder links in het lichaam zat. Door de kraam-
vrouw op haar linkerzij te laten liggen veronderstelde men dat de baarmoeder gemakkelijker op zijn natuurlijke plaats kon komen.
Niet alleen kraamvrouwen, maar ook baby's hadden vaak onnodig te lijden. Het was bijvoorbeeld gebruik om de baby te versterken met het bloed uit de placenta, die, om het bloed te verwarmen, op gloeiende kolen was gelegd. Soms werden voor hetzelfde doel uien gebruikt. Ruysch had daarvan sterke staaltjes gezien: grote verse uien sneden ze middendoor en ‘bragten ze onder den neus van het zeer tedere wigt, om zijn geesten daardoor te verquikken!’ Zelfs een volwassene zou dat nauwelijks kunnen verdragen, aldus de verbijsterde vroedmeester.
Er bestond een volgens Ruysch ‘vuijle, schandelijke en schadelijke’ gewoonte, om het hoofd van een pasgeboren kind te verwarmen. Dat werd daartoe bedekt met ‘een rottige, walchelijke, stinkende, afschuwelijke schobbagtige korst’ - terwijl het hoofd helemaal niet hoefde te worden verwarmd. Als men dat per se wilde doen, kon volgens Ruysch beter gewoon een wollen doek worden gebruikt. Hij bestreed de gewoonte dat pasgeboren kinderen ‘met de armen en voeten bij malkanderen gedrukt, zoo naauw gezwagtelt wierden dat ze geen van hare ledematen in 't minste bewegen konden’. Ook dat was overbodig. De vrouwen moesten maar denken aan de toestand van de baby in de baarmoeder. ‘Hadt niet de voorzigtigen natuur haar in warm water gedompelt, opdat er niets hardts haar drukken en hare lichaamtjes naauwlijks iets zou konnen aanraken? Was 't in de baarmoeder niet alles zodanig geschikt, dat het kint, zeer vrij en onbelemmert dobberende in een laauw, beweeglijk en zagt vogt, na zijn behagen alle zijne ledematen en gewrigten zou konnen bewegen?’ En dan zou een vroedvrouw een kind in windsels binden. Dat leidde alleen maar tot bultige ruggen en kromme benen. De vroedvrouwen konden een voorbeeld nemen aan de mensen in Azië, Afrika en Amerika, ‘alwaar de jong geborene in losse doeken gewonden aan de wijsheijdt van de natuur alleen overgegeven worden... Voorwaar, de lichamen dier menschen groeijen daar zeer wel. Ik hebbe nooijt gewilt dat mijne kinderen zodanig gehandelt wierden’, liet Ruysch weten.
Het stijve inbakeren was een gewoonte waartegen nog menig arts zich zou uitspreken, maar het bleef gebruikelijk. Een ander thema dat regelmatig terugkeerde was het bijgeloof onder vrouwen. Er werd bijvoorbeeld vaak gesproken over zogenaamde ‘zuigers’. Alom heerste angst om een zuiger ter wereld te brengen, en die angst werd niet zelden gevoed door vroedvrouwen. Een zuiger, zo werd beweerd, was een mismaakte klomp vlees, zonder beenderen, die voortkwam uit een ‘onvolmaakte of quaade bevrugting’, een wanschepsel dat het voedsel van de vrucht opzoog. Ruysch had gehoord dat ‘al te ligt geloovende vrouwen, en die beuzelagtige fabeltjens toegedaan zijn, verhalen dat zij levendige zuijgers, ja zelfs vliegende ter wereld hebben gebragt’. Er werd beweerd, vertelde hij, dat zuigers levend uit het lichaam van een barende vrouw kwamen, door de kamer heen zwierven, naar de aanwezige vrouwen toe liepen, en bij hen door de schede het lichaam binnendrongen, om zich daar te verschuilen. Ruysch ontkende het be-
staan van zuigers, maar ontmoette wederom taaie weerstand. Regelmatig kwam een van de vroedvrouwen hem een zuiger brengen. Na enig onderzoek stelde hij vast dat het meestal ging om een klomp geronnen bloed, waarvan de vorm enigszins deed denken aan de gedaante van een dier. Soms kwamen de vrouwen met vlezige gezwellen uit de baarmoeder of met achtergebleven stukken moederkoek. Ruysch probeerde uit te leggen wat daarmee was gebeurd. Doordat de baarmoeder na de geboorte weer kromp, werd de moederkoek samengedrukt tot een harde vlezige klomp. Als na een miskraam de nageboorte was achtergebleven, verhardde de moederkoek en wanneer die tevoorschijn kwam, werd zo'n verhard stukje soms voor een zuiger gehouden. Zuigers waren zeker niet het product van een kwade bevruchting. Ruysch deed zijn uiterste best om de mythe van de zuigers te ontzenuwen. Hij ondervroeg alle vroedvrouwen erover. Ze hadden wel harde en vleesachtige lichaampjes gezien, maar nooit levende, bleek algauw. Als zuigers het product waren van een bevruchting, hield hij de vroedvrouwen voor, dan was het wel opmerkelijk dat ook maagden ze soms kwijt raakten. Ook ‘oude wijven, die geen man gebruijken, heb ik veelmaal gezien, dat diergelijke zuijgers hebben ter wereld gebragt’, aldus Ruysch. Het was wel zo dat vrouwen soms ‘onnatuurlijke zaaken’ kwijtraakten, ‘maar ware suijgers, met haijr bezet, en die een bijzonder leven zouden hebben, geloof ik noijt gezien te zijn’, zei hij, en hij kon het weten, ‘alzo men mij dikwils voorwerpen t'mijnen huijze gebragt heeft die van vrouwen waren afgegaan en die sij mij voor suijgers wilde opdringen’. Volgens Ruysch bestonden ze niet, die zuigers, en moesten vrouwen geen geloof hechten aan wat er over werd gezegd, dat ze zouden leven, ‘veel min dat ze zoude konnen vliegen en haar onder de rokken der assisterende vrouwen komen te verbergen’. Ruysch bewaarde een aantal ‘zuigers’ in zijn collectie, zodat hij kon demonstreren dat het ging om verharde stukjes moederkoek, die enige weken in de baarmoeder waren gebleven.45
Vroedvrouwen hadden onder artsen een slechte reputatie. ‘Hardhandig, neuswijs, quaetsprekend, wrevelig, gulzig, dronken en obstinaat’ waren de epitheta die de Haagse arts Cornelis Solingen voor hen over had. In een Amsterdams pamflet werd gepleit voor een grotere rol voor gespecialiseerde chirurgijns bij bevallingen, omdat het niveau van de gemiddelde vroedvrouw bedroevend was. De grootste fout van de vroedvrouwen was hun eeuwige bemoeizucht. ‘O! elendig, swack en onverstandigh geslacht’, verzuchtte de auteur, ‘altijdt onnoodigh voelen... desgelijks veelmaels dat onnoodig clisteeren.’ En ze verrichtten nog veel meer onzinnige handelingen. Er moest voor worden gezorgd dat ze barende vrouwen tijdens de weeën ‘geen pinten heete wijn met roosmarijn in 't lijf gieten, noch mutsjens met anijs, of karweiwater’, en ook geen dure ‘peerl-watertjens’ of ‘dat ongetemperde kaneelwater, daer sij geen verstant van hebben’. Zelf moesten ze afblijven van wijn, anijs, zwaar bier ‘en de kandeelpot, waerdoor sij altijdt dronken en slaperigh zijn’. Het zou beter zijn, zoals op het platteland, ‘dat, soo lang een vrouw in arbeid sit, dat sij den bestemden tijdt des natuurs afwachten’.
Vroedvrouwen, letterlijk ‘wijze vrouwen’, waren eerder eigenwijs: als barende vrouwen in problemen raakten, wachtten ze veel te lang met het waarschuwen van een arts. Ze zeiden: ‘nou keijndt... blaest maer stijf op jou vuist’, en intussen bloedde zo'n vrouw dood. ‘De wijse moers magh men sotte moers noemen’, aldus het pamflet.46
Ook Ruysch had regelmatig kritiek op praktijken van vroedvrouwen, maar hij wees ook op de druk waaronder ze moesten werken, en in verscheidene gevallen vond hij dat ze ten onrechte de schuld kregen van dingen die misgingen tijdens een bevalling. Hij wees er bijvoorbeeld op dat incontinentie na de bevalling niet de schuld was van vroedvrouwen of chirurgijns, zoals men vaak meende. ‘Veeltijts komt het voort van de groote verwijderinge van de scheede, waardoor de krop van de blaas, welke zeer vast vereenigt is aan de scheede, zig zoo uijtzet, dat de kraamvrouwen de pis verscheijde dagen, ja weeken, niet konnen tegenhouden.’47 Ten onrechte werd het vroedvrouwen verweten als de huid tussen schede en anus, het perineum, was gescheurd na een zware bevalling: ‘overweeg eens hoe dun de huijdt hier ter plaatze is, hoe dik en grof menigmaal de kinderen zijn, en hoe naauw dikwils de opening van den weg!’
Bemoeizucht werd hun wel terecht verweten. Ruysch adviseerde de vroedvrouwen met klem niet te proberen bevallingen te verhaasten. Ze moesten niet op de baarmoeder drukken om het kind naar de baarmoedermond te duwen en niet voortdurend hun handen in de baarmoeder steken. Dat leidde maar tot ontstekingen. ‘En wat is er al te zeggen van die stoute en ligtvaardigen die zig niet schamen haar vingeren in den aars te steken om uijtgang te maken voor 't hoofd des kinds, waardoor zoo ligt den endeldarm en de daarbij leggende partijen ontstoken worden’! Vroedvrouwen moesten ook voorzichtig zijn met het halen van de nageboorte. Ze dienden te accepteren dat de natuur haar eigen wetten volgde. Bij problemen moesten ze eerder de hulp inroepen van een ervaren chirurgijn. De vroedvrouwen waren geneigd het als falen te zien, en als aantasting van hun reputatie, wanneer ze een bevalling niet tot een goed einde konden brengen. Daarom waren ze geneigd om te lang te wachten met het inroepen van hulp. Ruysch hield hun voor dat ze er geen schade van zouden ondervinden als ze dat wel tijdig deden, omdat barende vrouwen dan meer vertrouwen in hen zouden krijgen.
Ruysch verrichtte nuttige zendingsarbeid, maar door het vroedmeesterschap op zich te nemen had hij een zeker risico genomen, want niet iedereen was er even enthousiast over dat een gepromoveerde dokter zich inliet met het verloskundig handwerk. Onder medici sprak men er vaak schande van. Er werd schamper verteld dat hij de verloskunde had geleerd van een vroedvrouw. Ook onder chirurgijns leefden veel bezwaren. In de eerste plaats natuurlijk bij Rogier van
Roonhuijsen, die mogelijk het slachtoffer was geworden van de verouderde taakopvatting van zijn vader, en misschien ook gewoon pech had gehad dat zijn vader hem te vroeg was ontvallen. Hij was een jongeman van net in de twintig. Als zijn vader een paar jaar langer had geleefd en hij wat meer ervaring had kunnen opdoen, was hij wellicht wel tot diens opvolger aangewezen. Ook bij andere chirurgijns leefde rancune omdat het vroedmeesterschap bij een doctor was terechtgekomen, en vooral onder de overlieden van het gilde bestond grote weerstand tegen de vernieuwingen die hen door het stadsbestuur werden opgedrongen.
Omdat Ruysch degene was die naar voren werd geschoven om die vernieuwingen vorm te geven, was zijn verhouding met de overlieden van het gilde nogal gespannen. De spanning was kort voor zijn benoeming tot vroedmeester nog tot uiting gekomen in een conflict over een examen. Op 1 september van het vorige jaar was een pupil van Ruysch, Abram Swartepaart, bij het chirurgijnsexamen door de overlieden weggestuurd omdat hij niet bekwaam zou zijn. Swartepaart was volgens een waarnemer minstens zo ervaren in de chirurgie als de overlieden die hem examineerden, en toen Ruysch hoorde dat de overlieden hem het diploma niet hadden willen geven, verleende hij Swartepaart op eigen gezag een acte van bekwaamheid, waarin hij met behulp van een citaat uit Ovidius duidelijk maakte dat de afwijzing uit haat en nijd voortkwam.48 Het was een rel geworden toen familieleden van Swartepaart met de verklaring van Ruysch verhaal waren gaan halen bij de magistraat, die, ondanks Ovidius, weinig waardering had voor het optreden van de praelector. Een van de burgemeesters had Ruysch bestraffend toegesproken. Eigenmachtig een akte van bekwaamheid uitschrijven ging te ver.
Een volgende bron van onenigheid vormde de functie van gerechtelijk geneeskundige. Die functie was vervuld door Arnout Tholinx, een schoonzoon van Claas Tulp. Toen die in 1672 stierf had de schout, Gerard Hasselaar, een opvolger moeten aanwijzen, maar de schout was niet in functie. Tijdens de crisis in juni had hij een been gebroken toen hij 's nachts de wacht inspecteerde bij de stenen brug over de Amstel. Met de genezing ging het helemaal niet voorspoedig. Er werd gefluisterd dat het de schuld was van de chirurgijns die hem hadden behandeld, maar het gevolg was in elk geval dat Hasselaar moest leven met ondraaglijke pijn. Hij moest als schout worden vervangen door de voorzitter van de schepenen, Hans Bontemantel.49 Bontemantel had de functie van gerechtsdokter toegezegd aan Ruysch. Dat lag enigszins voor de hand. De gerechtsarts had de opdracht om de schepenen verslag uit te brengen over de verwondingen van slachtoffers van geweld en Ruysch werd al vaak geraadpleegd om in allerlei gevallen de doodsoorzaak vast te stellen. Maar Bontemantel werd bij de zuivering in september uit het stadsbestuur verwijderd en vervolgens bleef de officiële bevestiging door het nieuwe bestuur uit. Ruysch fungeerde wel als gerechtelijk geneeskundige, maar rond de benoeming was een competentiekwestie ontstaan tussen burgemeesters en schepenen en bovendien vonden de stadschirurgijns dat de forensische geneeskunde hun terrein was. Ze vonden dat ze bij het onderzoeken van door een
misdrijf gewond geraakte of gestorven personen aanwezig dienden te zijn. Maar Ruysch weigerde de bemoeienis van de chirurgijns te aanvaarden.
In het najaar van 1672 raakte er in de medische sector nog een strategische functie vacant, doordat een van de doctoren van het gasthuis stierf. Zijn opvolger moest formeel worden aangewezen door het bestuur van het gasthuis, maar in de praktijk geschiedde de benoeming in overleg met de burgemeesters. De gasthuisbestuurders, zelf aangewezen door de burgemeesters, waren meestal gezeten burgers, voor wie het een eer was om een openbare functie te krijgen, en soms zat er een jonge regentenzoon tussen, voor wie het een eerste opstapje was naar een bestuurlijke carrière. Het gasthuisbestuur had bovendien te maken met een college van regentessen, dat een toezichthoudende rol speelde en grotendeels bestond uit echtgenotes van stadsbestuurders.
Op 4 november deed burgemeester Cornelis de Vlaming van Oudshoorn de regenten van het gasthuis het verzoek om Ruysch aan te stellen. ‘Mijnheer Ruys is een bequaem persoon’, schreef hij, maar dat was hun ongetwijfeld genoegzaam bekend, en hij volstond daarom met het verzoek om zijn aanbeveling te honoreren en Ruysch te benoemen. Maar na nader overleg werd er uiteindelijk anders beslist. Op 29 december, noteerden de gasthuisregenten, ‘is door aenseggen van de heeren burgermeesteren deeser steede tot tweede doctor van het gasthuijs aengenomen den persoon van Bonaventura Dortmondt’.50
Bonaventura van Dortmond, wiens vader lijfarts van de hertog van Holstein was geweest, was een medicus van tegen de veertig, met connecties in regentenkringen. Hij was gepromoveerd in Utrecht en had zich in Amsterdam aan de Herengracht gevestigd. Als arts had hij geen grote faam verworven (hij werd beschreven als ‘een groote lantaren sonder licht’), maar hij was wel getrouwd in betere kringen. Hij ging prat op zijn afkomst en status en kennelijk hadden zijn goede connecties in dit geval de doorslag gegeven. Toch waren die connecties bepaald geen garantie meer voor maatschappelijk succes. Zijn eerste vrouw was een dochter van de befaamde drukker Johan Blaeu, die in Amsterdam raadslid was geweest tot hij in september was gewipt, en ook de familie van zijn tweede vrouw behoorde tot de verliezers van de politieke ommekeer.
Als hij dokter van het gasthuis was geworden (net als de vorige praelector, Deijman) zou Ruysch vrije toegang hebben gehad tot de lijken van de in het gasthuis gestorven patiënten. Nu moest hij maar afwachten of men in het gasthuis een beetje welwillend zou zijn. Dat bleek al spoedig niet het geval. Zowel Van Dortmond als de regenten van het gasthuis zaten Ruysch dwars waar ze konden.
De gasthuisbestuurders hadden geen boodschap aan onderzoek of onderwijs. Ze pasten op het geld. In hun vergaderingen hielden ze zich uitsluitend bezig met financiële en huishoudelijke zaken. Ze zorgden dat er iemand werd verzocht om ‘de stanck van 't zekreet te helpen’ en ze besloten ‘te letten op 't geraes van de kinderen in de kerck’. Ze blusten interne brandjes. Ze zorgden er bijvoorbeeld voor dat de ‘binnenmoeder’ van het verbandhuis (de hoofdverpleegster van de
chirurgische afdeling), die het had bestaan om een van de regentessen te beledigen, haar excuses maakte. In het voorjaar van 1672, toen Franse soldaten het land binnenvielen, werd overwogen of het niet beter zou zijn om de jaarlijkse gezamenlijke maaltijd in plaats van op de eerste, voortaan op de tweede paasdag te houden. Maar toen de regenten te horen kregen dat het anatomiehuisje nodig moest worden gerepareerd, werd besloten om op een later tijdstip ‘nader daer op te resolveeren’.51
In augustus 1674 richtte Frederik Ruysch een verzoekschrift aan de burgemeesters. Hij liet weten dat hij onder de vroedvrouwen een schrijnend gebrek aan anatomische kennis had geconstateerd en hij achtte het noodzakelijk dat hun de relevante lichaamsdelen werden gedemonstreerd in een kadaver. Hij vroeg daarom toestemming om elk kwartaal ‘eenig daertoe bequaem afgestorven lichaem in stilheijt des avonds uijt het gasthuijs deser stede te mogen halen, om nae gedaene demonstratie weder te brengen ter plaetse van waer hetselve gecomen is’. Bij de sectie zou niemand anders worden toegelaten dan de vroedvrouwen en hun leerlingen. Het verzoekschrift werd ter advies aan de inspectores van het collegium medicum gegeven, die overleg pleegden met de regenten van het gasthuis. Die maakten bezwaar. Als bekend werd dat patiënten het risico liepen dat hun lichaam na hun dood zou worden ontleed, zou het gasthuis worden geschuwd en gemeden, beweerden ze. Desondanks adviseerde het collegium medicum positief over het rekest van Ruysch. Het argument van de gasthuisregenten was natuurlijk ook niet sterk, want er werden allang lijken van patiënten voor allerlei doeleinden ontleed. Het collegium medicum achtte het bezwaar van de regenten niet meer dan een excuus, ‘alsoo het gasthuijs weijnigh heeft te klagen van gebreck aan toeloop’. Het stelde de burgemeesters voor om Ruysch niet alleen lijken voor de vroedvrouwen ter beschikking te stellen, maar ook voor de chirurgijnsleerlingen. De burgemeesters (onder aanvoering van Johannes Hudde) verleenden Frederik Ruysch daarop toestemming om jaarlijks vier vrouwelijke lijken uit het gasthuis te gebruiken voor lessen aan vroedvrouwen en bovendien een mannelijk lijk voor de jonge chirurgijns. Na behandeling diende hij de lijken te laten terugbrengen naar het ziekenhuis, zodat ze konden worden begraven. Voor elke ontleding moest hij de burgemeesters om toestemming vragen.52
Ruysch had dus recht op kadavers uit het gasthuis, maar hij kreeg die lang niet altijd. ‘Men weet se de heer Ruijs door eenige practijckjes te onthouden’, aldus een insider.53 De nieuwe gasthuisdokter Van Dortmond toonde een duidelijke voorkeur voor de jonge chirurgijn Govert Bidloo, aan wie hij niet alleen hoofden, armen, benen en ingewanden gaf, maar zelfs gehele lichamen, die Bidloo ‘in 't geraemte zette’ en verkocht.
Govert Bidloo, een schriel mannetje met een opvallende neus, was een opmerkelijke verschijning in de Amsterdamse medische wereld. Hij was ambitieus en daarbij zodanig overtuigd van zijn kunnen, dat hij nogal wat weerstand opriep, niet in het minst bij Frederik Ruysch. Hij had bij Ruysch het nodige van de kunst
van het prepareren opgestoken en trachtte die te imiteren. Hij bezat een eigen anatomische verzameling, waarop de apotheker Jan Antonisz (als dichter vermaard onder de naam Johannes Antonides van der Goes) een fraai vers maakte: Op de anatomische wonderheden van Govard Bidlo. ‘Ontledingkonst! hoe is uw lof door dezen held in top gestegen!’, riep de (zelf in de medicijnen gepromoveerde) dichter uit. Hij roemde Bidloos preparaten, vooral die van de vrouwelijke genitalia:
Een andere beschouwer sprak er op wat minder verheven toon over. Volgens hem was Bidloos huis ‘een anatomi van gekochte en half gestoolen begraven lichamen’ en hij wees er op dat Bidloo een goede bekende was van een doodgraver die in het openbaar was gestraft.
Govert Bidloo was geboren als zoon van een hoedenmaker en opgegroeid in het milieu der doopsgezinden, waarin nogal veel ruzie werd gemaakt. Zijn oudere broer Lambert, een prominent apotheker, had zich nadrukkelijk gemengd in de onderlinge twisten die de doopsgezinde gemeente uiteen had doen vallen. Zijn aanhangers hadden zich in de strijd flink doen gelden, ‘ontziende neus, nog bek, nog wang’. Lambert Bidloo behoorde tot de conservatieve stroming, tot de ‘fijne mennisten’, die hun gemeente als de ware gemeente van Christus beschouwden. Verdraagzaamheid was niet zijn meest in het oog springende eigenschap en tegenstanders ergerden zich aan zijn arrogantie. Een van hen vertelde spottend dat hij niet geloofde dat er in Bidloos apotheek ook maar een conserven- of sirooppotje stond waar niet ‘een vliesje van geveinstheit’ over zat. Bidloo bezat volgens hem ‘niet een doos, of busje, of daer is een snofje van laetdunckentheit in’. Je hoefde in zijn winkel maar voor een kwart stuiver ‘slaepkruit’ te halen en ‘ghij sult terstont uit sijn grootse gesten geen klein staeltje van verwaentheit bemercken’. Hij speelde niet alleen voor ‘doctor, apotheeker, chirurgijn, historicus, quacksalver, maer oock, schrick niet, voor advocaet en procureur’, aldus zijn tegenstrever, die hem karakteriseerde als een ‘verwaende sot’.54
Lambert Bidloo was dus wel een veelzijdig mens. Behalve over religie publiceerde hij een botanische studie en hij beoefende ook de poëzie. Zijn kleine broertje Govert wilde niet voor hem onderdoen. Hij was bij een chirurgijn in de leer gegaan en had ook de lessen van Ruysch gevolgd. Hij had zelfs diens boekje over de kleppen in de lymfevaten uit het Latijn vertaald. Maar volgens Ruysch was hij van kindsbeen af een ‘zotte klapper’ geweest, een praatjesmaker. Bidloo ‘gelooft bedreven en gereedt te zijn om alle verborgentheden uijt te leggen’, aldus Ruysch. Bidloo verzekerde ieder die het wilde horen dat hij in experimenten met de lucht-
pomp, met kwikzilver of met microscopen vaardiger was dan wie ook en hij verklaarde altijd alles wat hij had bedacht voor ‘wiskonstig zeker’.55
Net als zijn broer had ook Govert Bidloo literaire ambities. Op zijn negentiende verjaardag had hij een gedicht geschreven, waarin hij zichzelf aanspoorde om tot in keer te komen. ‘Herdenk eens of gij ooit uw onherhaalb'ren tijt besteed hebt in uw plicht?’, had hij zichzelf retorisch voorgehouden, ‘en of gij uwe vlijt niet meer in ijdelheên hebt trachten in te wikkelen’?
Hij schreef vooral gelegenheidspoëzie: lofzangen, lijkzangen, bruiloftszangen en dergelijke. In 1672 had hij verontwaardigde verzen geschreven na de moord op Johan de Witt. Verder schreef hij voor het toneel. Hij claimde niemand minder dan Vondel als onderwijzer te hebben gehad. In een van zijn verzen liet hij weten:
Govert Bidloo oogstte dezelfde soort kritiek als zijn broer. ‘Desen snappert volght de leer van de mennonisten niet dat men nedrigh en verdraeghsaem sal zijn’, schreef een kritische beschouwer, ‘maer desen grooten nar van ingebeelde wijsheijt meent meer als een ander te zijn, durft yder berispen’.57 Hij werd beschreven als een blaaskaak, die altijd bot en eigenzinnig zijn eigen standpunt bleef verdedigen, ook al was het volstrekt onhoudbaar.
Nauwelijks de twintig gepasseerd verzorgde hij op eigen gezag colleges in de filosofie en de anatomie, waaraan ook werd bijgedragen door de nieuwe gasthuisdokter, Van Dortmond. Er werd verschillend over gedacht. De prominente arts Egbert Veen, die Piso was opgevolgd als lid van het collegium medicum, had de colleges geprezen, maar er klonken ook kritische geluiden over het onderwijs van Bidloo. ‘In de anatomie is hij soo ver gekomen dat zijn discipulen hun gelt werom eijschen, seggende dat hij hun het beloofde niet getoont heeft’, wist een van de critici te melden.58
Van Dortmond liep erg weg met zijn protégé en prees hem overal aan. Hij beweerde dat Bidloo pijnloos kon aderlaten. Er waren lieden die er wat schamper over deden ‘dat dien grijsen doctor met so een jonge gescharminckelde Vesalius verkeert, die pas droogh onder sijn neus is’.
Behalve vanuit het gasthuis ondervond Ruysch gedurig oppositie vanuit het chirurgijnsgilde. Het gilde was ernstig in opspraak vanwege de corruptie die daar plaatsvond. De overlieden van het gilde werden gerecruteerd uit een kleine kring van chirurgijns, die de plaatsen in het bestuur onderling lieten rouleren, op een manier die vergelijkbaar was met de wijze waarop dat in het stadsbestuur gebeur-
de met het burgemeesterschap. Het stadsbestuur had recent nog maatregelen genomen om de onderling