terug  begin  verderprepost
[p. 205]

[5]
Rivalen

In het begin van de jaren negentig wist Frederik Ruysch, met hulp van zijn zoon, zijn preparatiemethode te perfectioneren, waardoor, liet hij weten, ‘de allerkleenste deeltjens van 's menschen lighaam zeer klaar voor ons gesigt gebragt worden’.1 Ruysch was vanaf het begin vooral uit geweest op het conserveren van lichaamsdelen die door hun weke en vlezige substantie niet goed konden worden bewaard. Het had veel tijd en moeite gekost om een goede preparatiemethode te ontwikkelen. Op een gegeven moment, vertelde hij, ‘scheen het mij toe dat ik een goede en bequame manier uijtgevonden had, maar vond mij wel haast bedrogen; daarna sloegh ik een gants andere wegh in, die mij niet minder verleijde; en soo bragt ik veele jaaren door... tot dat ik eijndelijk daar toe quam, dat door mij niet alleen vleesighe deelen, alsmede de herssene, maar ook selfs geheele menschen met alle hare ingewanden veele eeuwen, en mogelijk voor altoos, soo ik meen, sonder bedervingh sullen konnen bewaard worden’.2

5.1 Perfectie

Bij het prepareren ging het erom een stof te injecteren die pas stolde als hij was doorgedrongen in de allerkleinste vaatjes. Met vloeibare was kon men een heel eind komen, maar niet zover als Ruysch zou willen. Hij was daarom voortdurend op zoek geweest naar een stofwaarmee het nog beter zou gaan. Hij had bovendien allerlei technieken geprobeerd om ervoor te zorgen dat de ingespoten stof zo ver mogelijk in het weefsel doordrong. Hij overgoot een lichaamsdeel dat hij wilde inspuiten bijvoorbeeld eerst urenlang met warm water. De verbetering zat hem vooral in de ontdekking van een nieuwe injectiestof, die mogelijk was gesuggereerd door Hendrik. Met de nieuwe stof bereikte hij bij het inspuiten van vaten verbluffende resultaten. Hij slaagde erin de allerkleinste vaatjes te vullen en hij deed daardoor allerlei nieuwe ontdekkingen, waarvan hij bijzonder opgetogen raakte. Hij was ronduit lyrisch over wat hij te zien kreeg: ‘alle die slagaderlijke vaten in de ingewanden verspreit, en regelrecht in de aderen uijtgaande’!3 Het

[p. 206]

was, vertelde hij, alsof de kleinste deeltjes van het lichaam die nu te voorschijn kwamen tegen hem zeiden: ‘al lang genoeg van ons met onwaarheid gedisputeert en gesprooken, nu heb je gelegentheit om ons van agteren, van vooren, van onderen en van boven te zien, zeg nu wie en wat wij zijn’.4

Door ze in te spuiten met zijn nieuwe stof kon Ruysch lichaamsdelen nu zo prepareren dat hun uiterlijk nauwelijks verschilde van het uiterlijk in levende staat. De meeste preparaten bewaarde hij in het vervolg in glazen potten en flessen, in een bijzondere heldere vloeistof, zijn ‘liquor balsamicus’. Daarin behielden ze niet alleen hun levensechte kleur, maar bleven ze bovendien soepel en buigzaam. Dat was het voornaamste verschil met de methode van conserveren waarmee hij was begonnen. Dat was een methode waardoor ‘de voorwerpen wel steenhard en onvergankelijk worden, edog sij veranderen veel van couleur en gesteltenisse’.5

Doordat hij nu de allerfijnste vaatjes kon vullen was het mogelijk geworden ‘dat een doodt mensch van mij als weder verleevendigt word, dat is, zoo natuurlijk ons voorkomt als of hij weder leefde... Men ziet dat er bijna niets aan ontbreekt als de ziel; de leeden zijn buijgzaam; vel, vlees, vet, en ook ingewanden zoo natuurlijk, en zommige roodt, als in een levendig mensch.’6

Zijn vroege preparaten waren nu verouderd, al waren ook die destijds revolutionair geweest. Bij een lijkje van een foetus dat hij in zijn begintijd had gebalsemd merkte Ruysch op dat hij de manier waarop hij dat destijds had gedaan zelf had uitgevonden, ‘want voor die tijd was mij niemand bekend die deze methode gebruijkte’. Maar nu had hij een nog veel betere manier, ‘waardoor ik de lighaamen van de mensche zoodanig balseme dat ze na veele jaaren nog schijnen te leven’.7

Hij had er 34 jaar over gedaan om de juiste methode te vinden. ‘Het zal mij niet ligt vergeten wat moeijte van mij daar toe is aangewendt’, verzuchtte Ruysch. Men moest vooral niet denken dat hij zijn geheim zomaar had ontdekt. Iedere ochtend was hij om vier uur opgestaan, hij had er elke cent die hij bezat in gestopt. Menigmaal had hij gewanhoopt. Hij claimde meer dan duizend lijken te hebben gebruikt, en niet alleen van mensen die pas waren gestorven. Vaak waren het lichamen waar de wormen al uitkropen, waardoor hij werd blootgesteld aan gevaarlijke ziekten.8 Hij verrichtte met zijn lijken een klein wonder: ‘de lichamen die mij vuijl, ja zomtijds zeer stinkende toegebragt worden, worden door onze konst bijkants in die staat gebragt als van een levendig en slapendt mensch’.9 Alleen de beweging ontbrak. Zijn geprepareerde lijken stonken niet meer, in tegendeel: ‘de doode lichamen door onze konst bereijdt, brengen de neusgaten een aangenamen en zoeten reuk toe’. De ingewanden, die anders ‘de bederving onderworpen zijn en zeer ligt verrotten’ bleven ‘onbedurven, zuijver en zeer aangenaam voor 't gezigt’. Ze konden zelfs de zomerhitte doorstaan.

‘Harten op mijn manier gebalsemt zijnde, konnen honderde van jaaren bewaart worden, en dat levendig van couleur en zeer aangenaam van reuk, zonder de minste bederving’, verzekerde hij, en hetzelfde gold dus voor alle ingewanden:

[p. 207]

‘weshalven ik niet noodig heb het herte, herssene, nog ook andere ingewanden uijt de lighaamen te nemen wanneer ik dezelve kom te balsemen, en is deze methode bij gevolg veel beter als die van anderen, dewelke genootzaakt zijn de ingewanden uijt te nemen en apart te doen begraven’. Hij had nog een tip. Onder de Engelse elite was het gebruikelijk om ter nagedachtenis aan overleden vrouwen uit een lok van hun haar een ring te maken. Hun haar werd daartoe zeer kunstig ineengevlochten, maar het zou een nog veel beter idee zijn om de harten van de overledenen te balsemen en dan in een gouden of zilveren bus te bewaren, ‘tot een eeuwige gedagtenisse, waardoor onze konste zoude komen te floreeren’.10

Toen Ruysch de resultaten van zijn techniek voor het eerst liet zien sprak men erover alsof het om toverij ging. Bezoekers van zijn museum en toeschouwers bij zijn lessen spraken steevast hun bewondering en verbazing uit. Ruysch hoorde dat gaarne. Hij exploiteerde zijn kunst mede voor het opzienbarende effect, waarvoor hij zelf ook gevoelig was. Net als de toeschouwers was hij gecharmeerd van de gebalsemde lijken die leken op levende lichamen van slapende personen. Zijn favoriete werkstuk was het gebalsemde lichaam van een zeven- of achtjarig jongetje dat hij altijd zeer fraai opschikte als hij het tentoonstelde. Het zou de directeur van de schouwburg, Jan Pluimer, inspireren tot een vers.

 
_‘Had dit liefjongske, toen het stierf, omtrent acht jaaren?
 
Hoe kon men, naar zijn dood, hem dertien jaar bewaaren?
 
Ruysch heeft alleen die kracht; zijn kunst en wijs beleid
 
geeft 's lichaams wezen en zich zelfs de onsterfelijkheid.’11

De jezuïet Papin, die uit Oost-Indië was gekomen, componeerde Latijnse verzen op de gebalsemde kinderlichamen die hij bij Ruysch had gezien.12 Een bereisde arts uit Lübeck liet weten dat hij in Duitsland, Frankrijk noch Spanje dergelijke balsemkunst had aangetroffen.13 Maar niet iedereen was even positief. Er heerste ook ongeloof. Sommigen meenden dat Ruysch bedriegelijke trucs hanteerde om zijn preparaten mooier te doen lijken. Ruysch verzekerde dat dat niet het geval was. Hij liet weten dat zijn lijken zonder blanketsel en zonder verfkwast of enige andere vorm van bedriegerij werden geprepareerd. Maar hij was niet van plan bekend te maken hoe hij het precies deed. Dat leek hem wel begrijpelijk als men in overweging nam hoeveel lieden ‘als de kraaij van Aesopus liever met een anders veeren willen pronken’.14 Hij wilde niet verder gaan dan zijn injectiestof te omschrijven als ‘wasachtig’.

Er waren ook lieden die alle ophef die hij maakte maar aanstellerij vonden. Waar ging het nou helemaal om? ‘Vaten, vaatjens, noch kleender vaatjens, vaatjens, jens, vaseltjens &c. Inspuitingen die lopen van nauwer tot nauwer, jaa tot d'onsigtbaare engtens’, schreef een geïrriteerde beschouwer, ‘o! anatomice wonderen! die tegenwoordig meer geschreeuw maken als eenige andere studiën’. Met dergelijke dingen werd je beroemd ‘bij 't onkundige volk die door diergelijke ver-

[p. 208]

baast werden’. Maar al zagen de lichaamsdelen er door de ‘inspuijtende, opvullende en vernissende’ kunst fraaier uit, in de doden viel het leven nog steeds niet te vinden.15

Voorts klonk er de aloude kritiek op de manier waarop Ruysch zijn anatomische materiaal presenteerde. Waartoe diende al die opschik? Ruysch stelde zijn critici een wedervraag: ‘waartoe zo kostbare begravenissen der doden, daar de wormen met zoo grote stank al in zitten te smullen?’ ‘Ik doe het om den mensch alle afkeer te benemen, die dog van natuure anders gewoon is een schrik te hebben voor dode menschen en hare delen. Ten tweeden, ik doe het ter eere en waardigheidt van de ziele die er in gehuisvest is geweest’.16 Bovendien bestond er voor Ruysch een duidelijk verband tussen het uiterlijk van zijn preparaten en hun wetenschappelijke overtuigingskracht. Hij pretendeerde dat hij een lichaam kon herstellen in de staat waarin het voor de dood was geweest. Het was niet alleen verbluffend dat zijn lijken eruit zagen als slapende mensen, het was ook significant. Ruysch meende de organen te kunnen tonen in de toestand waarin ze waren geweest: ‘want die vaatjes, welke bij 't leven met vogten vervult waren, en na de doot van vogten berooft... vul ik wederom door mijn kunst op’.17

De perfectionering van zijn methode was, behalve voor het uiterlijk en de conservatieduur van zijn preparaten, uiteindelijk vooral van belang omdat hij er de allerkleinste vaatjes mee zichtbaar kon maken, en zo inzicht kon krijgen in de weefselstructuur. Het ging om vaatjes die zo klein waren dat ze alleen met een microscoop waren te zien, en dan moest het nog zonnig weer zijn ook. De fijnste uiteinden van de preparaten werden bekeken met een microscoop van de ‘vijfde’ soort, dat wil zeggen de op een na sterkste. Dat Ruysch tot dergelijke subtiele inspuitingen in staat was, kwam doordat hij nu een injectiestof had waarmee hij de vaatjes verder kon opvullen dan de haarvaten, tot het punt waarop ze zo fijn waren geworden als spinrag. De kunst was om een vloeistof in te spuiten die dun genoeg was om door te dringen in de kleinste vertakkingen van de haarvaten en die vervolgens voldoende solide werd om het preparaat blijvend te maken. Bovendien moest de inspuiting met de juiste kracht worden gedaan, zo hard dat de vloeistof wel ver genoeg doordrong, maar niet te hard, om geen oneigenlijke openingen te maken. En ten slotte moesten de bloedvaten op subtiele wijze ‘bevrijd worden van al 't geene 't welk ons gezichte eenigzints komt te verhinderen in 't beschouwen der vaten’.18

Ruysch meende dat dankzij zijn nieuwe techniek de kennis omtrent de structuur van de organen aanzienlijk zou toenemen. Door zijn kunst kwamen zaken aan het licht die anders nooit bekend zouden zijn geworden. Zonder zijn injecties kon je de fijnste vaatjes niet zien, omdat ze zo klein en bovendien transparant waren. Met zijn methode van prepareren was het mogelijk vaatjes te tonen die zelfs in het lichaam van iemand die pas was gestorven niet meer te zien waren. Toen hij een keer een zieltogende patiënt gadesloeg had hij bedacht dat wat hij in een lijk te zien kreeg waarschijnlijk niet overeenstemde met wat er in een levend

[p. 209]

organisme waar te nemen zou zijn. ‘Ik zag dat de bloos van 't aangezicht van uur tot uur afnam, dus quam mij in den zin of ook desselfs ingewanden en andere partijen niet wel der zelver natuurlijke gestalte op dezelfde wijze zouden verliezen.’19 Hij kon nu vaststellen dat dat inderdaad zo was: duizenden kleine onderdeeltjes van het lichaam werden na de dood onzichtbaar.

Hij was ervan overtuigd dat zijn manier van prepareren en vertonen, die in hoge mate verschilde van de gebruikelijke, een significante vooruitgang inhield. Hij betreurde dat hij in zijn jonge jaren de kunst nog niet volledig had beheerst, want daardoor had hij zijn mogelijkheden bij het ontleden niet optimaal kunnen benutten. Alle ontleders hadden moeten werken met een beperkt beeld van de orgaanstructuur. Reinier de Graaf had bijvoorbeeld een afbeelding van het pancreas gemaakt, ‘zoo natuurlijk dat het niet te verbeteren is, maar niets bijzonders is er van de bloetvaten in te zien.’20 Die werden pas zichtbaar wanneer ze werden geïnjecteerd met de nieuwe stof. Ruysch kon nu de ware structuur van de lever laten zien, want hij kon die prepareren zonder het orgaan te hoeven ontvlezen of koken. Met de oude methoden was het onmogelijk om een goed inzicht te krijgen: ‘soo hebben ons onse voorgangeren in de ontleedkonste veele zaken op de mouw gespelt, die men nu bevind anders te zijn’.21 Zo geloofde men met Galenus nog altijd dat sommige lichaamsdelen geen bloedvoorziening hadden, maar Ruysch toonde het tegendeel aan. Hij wist in 1697 zelfs de allerkleinste adertjes van het beenvlies van de gehoorbeentjes met zijn gekleurde stof te vullen. Zonder zijn techniek, aldus Ruysch, had men nooit de uiteinden der vaten kunnen zien: ‘nu zien we dat de meeste haarer uijteindens zoo fijn als dons of als spinnewebbe eindigen; andere eindigen als in een pulpam of moes, en dat moes tone ik op vele plaatzen ook zelfs vasculeus te zijn’.22 Ruysch wist zeker ‘dat de ouden, zo zij de fijne uijteindens der uijterste vaaties naauwkeurig gekent hadden, in zo vele dwalingen omtrent de wetenschap van 't maakzel van 't menschelijke lichaam niet vervallen zouden zijn’.23

Sinds men was begonnen met anatomisch onderzoek in menselijke lichamen, waren langzamerhand alle delen van het lichaam beschreven en afgebeeld die voor het oog waarneembaar waren. De microscoop had de mogelijkheden van het oog enigszins opgerekt, maar met zijn injecties zou het lichaam nog nauwkeuriger in kaart gebracht kunnen worden, daarvan was Ruysch overtuigd. Hij was er zeker van dat zijn methode beter was dan alle andere. Zelfs met een microscoop kon je de fijnste vaatjes niet zo goed zien, en zeker niet laten zien. Door zijn kunst waren ze zelfs tastbaar geworden.24

Hij kon niet alleen toevoegingen leveren aan de beschrijving van de anatomie van het menselijk lichaam, zijn methode had hem ook nader gebracht tot het geheim van de werking van het lichaam. Toen hij ontdekte hoe de slagaders de ingewanden ingingen was hij bijzonder opgetogen geraakt. Hij was daarna anders gaan denken over de werking van de organen.25 De uiteinden van de bloedvaten leken hem ‘geschikt tot voortbrenginge van deze en geene vochten of zappen uijt

[p. 210]

de voedende weij van 't bloet’. Dat was een revolutionaire gedachte. Nadat halverwege de eeuw her en der in het lijf afvoerbuisjes waren ontdekt, was de Italiaanse onderzoeker Marcello Malpighi tot de conclusie gekomen dat de bewerking en afscheiding van vloeistoffen tot stand kwam in de klieren. Diens voorstelling was algemeen aanvaard, en ook Ruysch had die altijd onderschreven, maar hoe meer organen hij injecteerde, hoe meer hij ervan overtuigd raakte dat de lichaamsvochten werden geproduceerd in de uiteinden van de vaten.

5.2 Rivaliteit

Ruysch was ervan overtuigd dat hij een unieke ontdekking had gedaan en daardoor alle andere anatomen een stap vooruit was. Die voorsprong wilde hij gaarne behouden, vandaar dat hij zijn methode angstvallig geheim hield. Hij meende nu in de positie te verkeren dat hij de wereld de ware structuur van het menselijk lichaam kon uitleggen. Andere ontleders reageerden niet allemaal even welwillend op die pretentie en gingen er soms toe over om zijn prestaties te kleineren, in twijfel te trekken of verdacht te maken. In eerste instantie leidde dat bij Ruysch doorgaans tot ingehouden irritatie, maar als hij vond dat hij systematisch tekort werd gedaan of merkte dat verdachtmakingen effect sorteerden, kon hij fel reageren. Nog meer dan voorheen claimde hij gezag, naar eigen inzicht steeds op goede gronden. Maar niet iedereen was het daar altijd mee eens, en dat leidde tot een aantal aanvaringen.

Hoewel die aanvaringen in de eerste plaats ontstonden uit inhoudelijke meningsverschillen, hadden ze tevens een zakelijke achtergrond, omdat Ruysch ook profiteerde van zijn autoriteit. Dankzij zijn faam als anatomicus was hij een gezocht docent en kon hij lucratieve privé-colleges geven. De conflicten waarin Ruysch betrokken raakte speelden zich bovendien af in de context van toenemende concurrentie tussen medici en heelkundigen. Ruysch was daarbij nadrukkelijk betrokken, omdat hij zich bewoog op het grensvlak van beide disciplines. Dat was ongebruikelijk geweest, maar de aloude scheiding tussen geleerde dokters en ambachtelijke chirurgijns werd inmiddels steeds vaker overbrugd. Beide groepen waagden zich op het territorium van de ander en probeerden tegelijkertijd hun eigen territorium te verdedigen.

De wederzijdse angst voor concurrentie kwam tot uiting na de dood van Gerard Blaes. Na diens dood gaf het stadsbestuur studenten van het atheneum toestemming om de anatomische lessen van Ruysch bij te wonen. Hoewel daar inhoudelijk en praktisch gezien weinig tegen viel in te brengen, protesteerde het chirurgijnsgilde toch, omdat het de eigen positie in gevaar zag komen. Het gilde wilde het privilege voor de heelkundige opleiding behouden om te voorkomen dat doctoren de heelkunde zouden gaan annexeren en zelf operaties zouden gaan verrichten. Tegelijkertijd probeerden de doctores medicinae hun positie te ver-

[p. 211]

dedigen tegen opdringerige heelkundigen. De zwakte van hun positie was door critici als Bontekoe nadrukkelijk aan het licht gebracht en het was de vraag of de plaats die de doctores in de medische hiërarchie innamen nog wel viel te rechtvaardigen. De dokters beklemtoonden daarom het belang van hun academische scholing, die hen deed uitstijgen boven het ambachtelijke niveau van de heelkundigen.26 Chirurgijns zonder academische scholing konden op die manier nog wel op hun plaats worden gezet, maar gepromoveerde heelkundigen niet, en het was vooral die categorie die voor onrust zorgde.

Ruysch verkeerde daarbij in een enigszins merkwaardige positie. Het was dankzij een ongebruikelijke combinatie van kennis en vaardigheden dat hij bovenaan in de medische hiërarchie was beland. Dankzij die combinatie had hij de traditionele scheiding tussen theorie en praktijk kunnen overbruggen. Maar langzamerhand kwamen er meer artsen voor wie dat gold. Naast apothekers waren er ook chirurgijns die aan de universiteit een doctorstitel behaalden en het aantal doctores medicinae met praktische ervaring steeg. Daardoor werd de combinatie van kennis en vaardigheden die Ruysch bezat minder uniek en ondervond hij steeds meer concurrentie, juist op het moment dat hij zich boven elke concurrentie verheven voelde.

De eerste concurrent was Pieter Guenellon, die in korte tijd veel aanzien had verworven. Hij was opgegroeid in een chirurgijnswinkel, maar hij was zo bemiddeld geraakt dat hij een huis kon laten bouwen op de hoek van de Herengracht en de Nieuwe Spiegelstraat. Guenellon was een gepromoveerde arts met veel heelkundige ervaring, die zich nadrukkelijk liet gelden, zowel in de praktijk als op schrift. Hij publiceerde bijvoorbeeld een artikel in de Nouvelles de la Republique des Lettres van maart 1686 over het onderzoek dat hij had verricht naar de ogen van vissen. Hij vatte ook het plan op om ‘une histoire mechanique du corps humain’ te schrijven. Dat wilde hij op een begrijpelijke manier doen, zonder al te veel geleerde termen, zodat het geschikt zou zijn voor zijn kinderen. Hij wilde het werk in drie delen splitsen. Het eerste zou gaan over de volwassen mens, het tweede over de voortplanting en in het derde deel zou hij de meest recente inzichten omtrent de geneeskundige praktijk behandelen. Daaruit zouden dan een aantal conclusies moeten volgen omtrent het bewaren van de gezondheid en de genezing van ziekten, dingen die iedereen zou moeten weten. Guenellon wilde zijn boek over het menselijk lichaam in het Frans schrijven, ‘afin que mes pensées ne soient pas gesnées par le langage’. Hij meende dat een dergelijk boek nog niet bestond, waardoor zelfs mensen die van veel wetenschappen het nodige hadden opgestoken, weinig wisten van het lichaam, dat toch het meest verbazende en beste onderdeel van de schepping was.27

Zijn opkomst riep de nodige weerstand op. In 1686, niet lang na zijn aantreden als gasthuisdokter, was er een pamflet verschenen tegen een niet bij name genoemde arts in het gasthuis die zich qua spraak en gedrag als Fransman liet kennen. Hij zou er onbezonnen en gevaarlijke behandelmethoden op na houden en

[p. 212]

zich bovendien wagen aan allerhande experimenten. ‘Gallo-Petrus’ werd hij genoemd, ‘de Franse quackzalver’, en ‘de Franse windbuijl’. Hij zou zich smalend hebben uitgelaten over andere doctoren, zelfs over Ruysch. Zijn positie zou hij uitsluitend te danken hebben aan zijn schoonvader, ‘een bekend en eerwaardig Amsterdamsch geneesheer’.28

Er kon weinig twijfel over bestaan dat het om Guenellon ging. Volgens Cornelis Bontekoe was hij opgekomen via een kruiwagen van aanbevelingen en had hij de arrogantie gehad ‘om een werk van die braave Bidloo, ook eer het uijt was, en selfs gesien was van dien beknibbelaar, grousaam te hekelen, ten dien einde een oratie van kwaad latijn te samen flansende, en kerk en stoel opsoekende, om se voor te lezen’.29 Wegens zijn cartesiaanse sympathieën had Bontekoe aanvankelijk verwacht dat Guenellon zou toetreden tot het kamp van de ‘nieuwe geneeskunde’, maar mede onder invloed van John Locke had hij zich ontpopt als een voorstander van de empirische praktijk. Volgens Bontekoe behoorde hij tot degenen die ‘bij hun vrinden belijden dat de praktijk vol van abuijsen is’, maar desondanks voortgingen op de ‘oude tret’. Guenellon had volgens Bontekoe te veel inzicht om serieus te geloven in een ‘so dwase en schadelijke praktijk als die van sijn schoonvader, doctor Veen’. Maar kennelijk was hij bereid zijn kennis ondergeschikt te maken aan zijn belangen en aan het respect voor zijn schoonvader.

Guenellon droeg zijn standpunten nogal nadrukkelijk uit. Hij riep voortdurend dat de geneeskunde enkel empirie was en hij ging tekeer tegen alle artsen die zijn standpunt niet deelden. Menigeen had geschokt gehoord hoe hij vermaarde artsen voor ‘verdervers van de konst’ uitmaakte en hun doorwrochte gedachten voor ‘hersendweperijen’.30

Guenellon had toegang tot de snijzaal van het gasthuis en verzorgde tevens privé-colleges, maar toch beten Ruysch en Guenellon elkaar niet. Ten eerste had Guenellon zijn eigen territorium in het gasthuis en bij de admiraliteit, waar hij de scheepschirurgijns onder zijn hoede had, maar het voornaamste was dat hij geen anatomie doceerde. Zijn privé-colleges (afhankelijk van de deelnemers in het Latijn of in het Nederlands) gingen over geneeskunde en chirurgie. Hij had ooit aangekondigd dat hij de mechanica van de spieren zou tonen. Eerst had hij bij hem thuis een aantal jonge artsen en studenten het werk van Niels Stensen over de mechanica van de spierbeweging uitgelegd. Vervolgens had hij beloofd om wat hij had verteld te laten zien in een lijk. Daartoe had hij een select gezelschap van regenten, hoogleraren, predikanten en doctoren uitgenodigd in de snijzaal van het gasthuis, waar een ontveld lichaam klaar lag. Maar na een inleidend betoog had hij de voorstelling afgebroken, omdat hij zich onwel voelde. Sindsdien had hij zich onthouden van aanschouwelijke anatomische lessen.31

Behalve Guenellon was ook Pieter Bernagie een potentiële rivaal. Bernagie (ooit begonnen als chirurgijnsleerling) had zich als een ambitieuze jongeman laten kennen, maar hij had aanvankelijk meer furore gemaakt als toneelschrijver

[p. 213]

dan als medicus. Hij verkeerde veelvuldig in literaire kringen en was bevriend met de hoogleraar Pieter de Frans, beter bekend als Petrus Francius, en met prominente dichters als Jan van Broekhuijsen, Jan Pluimer en Katharina Lescaille. Hij was lid van een literair gezelschap dat elke dinsdagavond bijeenkwam en waartoe naast Francius en Van Broekhuijsen ook de oudste zoon van burgemeester Huydecoper behoorde. In diverse kluchten poogde hij ‘de menschen hunne fouten met derzelve gevolgen aan te wijzen’. Zijn stukken waren nadrukkelijk opvoedend, maar door de losse toon spraken ze toch aan. In drie jaar tijd schreef hij tien blijspelen en drie treurspelen, waaronder Arminius, dat hij opdroeg aan Johannes Huydecoper. Vervolgens was hij hoofdbestuurder van de Amsterdamse schouwburg geworden, samen met Jan Pluimer.

Begin 1689 waren zijn pedagogische ambities op geneeskundig terrein gehonoreerd. Hij kreeg toen van de burgemeesters toestemming om op persoonlijke titel in het anatomisch theater lessen in de chirurgie te geven. Het gewone onderwijs in de anatomie en chirurgie bleef de taak van Ruysch, en Bernagie kreeg geen tractement, maar er bestond kennelijk wel belangstelling voor zijn lessen. Zijn openingsles werd bijgewoond door een groot aantal toehoorders, waaronder ‘veele aensienlijcke heeren en doctoren’, en in 1691 kreeg het stadsbestuur het verzoek van een aantal studenten om de lessen van Ruysch en Bernagie te mogen volgen. In de stad bevonden zich verscheidene medische studenten die hoopten wat van de praktijk te kunnen opsteken. Dat kon in Amsterdam beter dan elders, vanwege ‘de veelvuldige medicinale gevallen’ die zich in een grote stad voordeden. De studenten hoopten tevens te mogen profiteren van de lessen in het nieuwe anatomische theater, maar ze werden daaruit geweerd door de overlieden van het gilde, met het verhaal dat er voor de chirurgijns zelf nauwelijks plaats was. Op last van de burgemeesters werd het volgende jaar een bank ingeruimd voor studenten, die toestemming kregen om de lessen voor de chirurgijnsleerlingen te volgen.32

Toen dat jaar Gerard Blaes stierf, werd Bernagie benoemd tot hoogleraar aan het atheneum. Dat was opmerkelijk, want het stadsbestuur had al in 1679 besloten om het hoogleraarschap bij wijze van bezuinigingsmaatregel te ‘mortificeren’, dat wil zeggen: om voor Blaes geen opvolger te benoemen. Guenellon meldde het nieuws aan Locke: ‘monsieur Bernagie a force d'amis a obtenu la chaire de professeur en medicine’.33 Bernagie was misschien niet de meest prominente medicus in Amsterdam, al werd hij geroemd om zijn ijver en zijn eruditie, maar kennelijk had hij wel goede connecties. In de chirurgie kon hij als docent geen carrière maken zolang Frederik Ruysch professor was, maar op deze manier was er toch een mooie plek voor hem gevonden.

Net als Blaes in zijn jonge jaren ging hij onderwijs in de praktische geneeskunde verzorgen. Hij had de wens uitgesproken dat hij in het gasthuis ‘aen de studenten in der daet moge doen sien het gene in de lessen alleen met woorden kan geleert werden’.34 Zoals gewoonlijk hadden de regenten van het gasthuis dat

[p. 214]



illustratie
Johan Jakob Rau (1668-1719), volgens Ruysch ‘in de kennisse der beenderen, spieren en steensnijden bijzonder ervaren’.

[p. 215]

niet zomaar willen toestaan. Ze waren met allerlei bezwaren naar de burgemeesters gegaan en het duurde tot het einde van het jaar tot er een definitieve regeling kon worden getroffen. Bernagie had moeten beloven dat hij bij het bezoeken van de zieken in het gasthuis met zijn discipelen altijd ‘discretelijk’ te werk zou gaan en dat die visites 's ochtends uiterlijk om half negen zouden geschieden. In februari 1693 berichtte Guenellon aan John Locke dat Bernagie elke dag het gasthuis bezocht met zijn leerlingen, om hun op die manier een idee te geven hoe de geneeskunde in de praktijk werd uitgeoefend. Ze bezochten dan zes mannelijke en zes vrouwelijke patiënten en leerden op grond van hun klachten een diagnose te stellen.35

Bernagie was zowel praktisch als theoretisch onderlegd en bemoeide zich met de geneeskunde en de heelkunde, maar toch was hij een tamelijk traditionele medicus. Met de scheikunde, die inmiddels bij veel artsen in de mode was, had hij weinig op. Hij zocht in de scheikunde geen alternatief voor de humeurenleer; hij zag er weinig meer in dan een hulpmiddel voor de bereiding van medicijnen. De verregaande pretenties van chemici achtte hij verwerpelijk en schadelijk. De botanie liet hij over aan Ruysch en met anatomie hield hij zich slechts op beperkte schaal bezig, soms samen met zijn collega De Raey. Hij richtte zich dus vooral op de geneeskunde, die hij in de eerste plaats wilde baseren op observatie, maar niet zonder daarbij terdege acht te slaan op de klassieke wijsheid. Hij sloot zich daarmee aan bij de stroming, waartoe ook John Locke behoorde, die een herwaardering van de principes van Hippokrates voorstond.36

Zijn vrienden in het stadsbestuur waren kennelijk tevreden over hem, want na een paar jaar werd zijn salaris verhoogd tot duizend gulden. Maar hij kon daar slechts kort van profiteren, want hij stierf al in 1699, als 44-jarige.37 Zijn baan werd daarna alsnog opgeheven, waarmee het atheneum als medisch bolwerk wegviel. Voor Ruysch maakte het niet zoveel verschil. Net als Blaes had Bernagie zich voornamelijk bezig gehouden met elementair onderwijs (de taak van het atheneum) en dat was niet de markt waarop Ruysch zich richtte. De privé-colleges waarmee Ruysch zijn ambtelijke inkomen aanvulde waren vooral bedoeld voor gevorderden.

Blaes en Bernagie hadden hem dus niet in de weg gezeten, maar inmiddels had zich voor Ruysch een nieuwe concurrent opgedaan en ditmaal een die in het geheel niet van plan was zich te schikken naar de bestaande situatie. Het was een ‘vreemdeling’, genaamd Johann Jakob Rau. In 1695 kreeg hij van het stadsbestuur toestemming om naast Ruysch en Guenellon gebruik te maken van de snijzaal van het gasthuis. Rau, een forsgebouwde jongeman van zevenentwintig, was een pas gepromoveerde arts met een opmerkelijk verleden. Hij was niet, zoals Guenellon en Bernagie, opgegroeid in Amsterdam. Hij was geboren in Schwaben, en hij was chirurgijnsleerling geweest in Straatsburg. Hij kwam uit een onbemiddeld gezin. Op zijn zeventiende was hij gaan varen en hij had in Amsterdam werk gevonden als chirurgijn op een oorlogsschip. Nadat hij op zee enige jaren

[p. 216]

ervaring had opgedaan en wat geld had verdiend, was hij in Leiden medicijnen gaan studeren. Hij had bovendien een reis gemaakt naar Parijs, waar hij had gestudeerd bij de befaamde Joseph-Guichard Duverney, de hoogleraar anatomie in de Jardin du Roi, die onderzoek had gedaan naar de bouw van ogen en oren. Duverney was als anatomicus minstens zo beroemd als Ruysch, maar hij had zijn faam te danken aan andere kwaliteiten. Hij was een bekwaam preparateur, maar vooral een groot spreker. Zijn openbare lessen trokken volle zalen en hij had de anatomie in Parijs modieus weten te maken. Rau had er het nodige van opgestoken.

In 1694 was Rau in Leiden gepromoveerd op een studie over het ontstaan en het herstel van tanden en vervolgens was hij een praktijk begonnen in Amsterdam. Hij verrichtte opzienbarende operaties, waaronder het steensnijden, en hij ontpopte zich als een geduchte concurrent voor Pieter Adriaansz en Abraham Cyprianus, die besloot definitief naar Engeland uit te wijken.38 Hij bleek bovendien niet alleen een concurrent voor de vrienden van Ruysch, maar tevens voor Ruysch zelf. In 1695 begon hij thuis ontleedkundige lessen te geven. Hij presenteerde zichzelf met een uiteenzetting over de zintuigen, die veel succes oogstte vanwege het heldere betoog. Prompt werd er protest aangetekend door Ruysch, die meende dat alleen hij het privilege bezat om dergelijke lessen te mogen geven. Het stadsbestuur consulteerde het collegium medicum en het resultaat was dat Rau niet alleen zijn lessen mocht blijven geven, maar zelfs toestemming kreeg om in het anatomisch theater te werken. Hij mocht daar in het vervolg jaarlijks enkele openbare demonstraties verzorgen. Die anatomische lessen stonden vooral in verband met de chirurgie en hij koppelde ze soms aan operaties. Vanaf 1698 maakte hij ze toegankelijker door ze, in plaats van in het gebruikelijke Latijn, in het Nederlands te gaan houden. Ruysch was niet blij met die concurrentie, maar Rau trok zich daar weinig van aan. Een collega die net als Rau als scheepschirurgijn had gediend, genaamd Abraham Titsingh, wist te vertellen dat in de dagelijkse omgang fijngevoeligheid niet behoorde tot zijn meest in het oog springende kwaliteiten. ‘Als hij het met disputeren niet winnen kon, taste hij zijn tegenpartij bij de lurve’, verklaarde Titsingh.39 Maar vriend en vijand waren het erover eens dat Rau een buitengewoon kundige chirurg was, met een grondige anatomische kennis, en dat hij interessante en heldere lessen gaf. Dat laatste kon van Ruysch niet altijd worden gezegd. In de eerste plaats was diens voordracht wat moeizaam en bovendien ging hij niet erg systematisch te werk. Hetzelfde gold voor zijn onderzoek: Ruysch werkte vooral vanuit een techniek, niet in de eerste plaats vanuit een probleemstelling. Dat betekende niet dat hij geen problemen probeerde op te lossen, maar hij had zich wel gespecialiseerd in vraagstukken waarvoor oplossingen konden worden gevonden via het injecteren van vaten. In zijn lessen neigde hij er ook naar zich te laten leiden door zijn eigen interesse en zijn eigen enthousiasme. Zijn onderwijs werd daarom niet altijd bewonderd, al was de kwaliteit van zijn werk onomstreden. Ook Rau moest erkennen dat

[p. 217]

Ruysch een buitengewoon vaardig preparateur was, maar hij had niets op met diens stijl, die hij afdeed als ‘opgesmukt’. Ruysch op zijn beurt vond Rau een onbeschofte vlerk, maar hij had wel respect voor zijn prestaties.

Dat wederzijds respect ontbrak geheel tussen Ruysch en zijn meest spraakmakende rivaal, opnieuw een tot doctor medicinae getransformeerde heelkundige, Govert Bidloo. Hun verhouding was al beladen sinds de kwestie rond Lysbeth Jans in 1677. In de jaren tachtig had Bidloo zich, net als Bernagie, voornamelijk gericht op literaire roem, maar in de jaren negentig ontpopte hij zich opnieuw als een grimmige tegenstander van zijn vroegere leermeester en ditmaal wist hij in de doorgaans minzame Ruysch een ongekend venijn los te maken.

5.3 Koning Onverstand

Ruysch kon het slecht verkroppen dat een praatjesmaker als Bidloo doorging voor een autoriteit op anatomisch gebied. Maar Ruysch was vooral op hem gebeten omdat hij in het openbaar had beweerd dat hij de preparatietechniek, waarvan Ruysch zo hoog opgaf, al lang kende. De ontwikkeling van zijn preparatiekunst was het levenswerk van Ruysch en hij was er van overtuigd dat zijn techniek een doorbraak betekende in de medische wetenschap. Als het ging om de techniek van het prepareren ging beschouwde hij zichzelf als de grootste ontleder van zijn tijd en hij was absoluut niet van plan te dulden dat iemand hem die glorie zou trachten te ontnemen, en zeker niet iemand als Govert Bidloo.

Govert Bidloo was al privé-colleges gaan geven toen hij nog maar nauwelijks zijn chirurgijnsdiploma had en de meningen over zijn lessen waren sindsdien verdeeld gebleven. Het was duidelijk dat hij talenten bezat, maar iedereen was het erover eens dat hij vaak te hard van stapel liep en ten onrechte meende dat hij overal verstand van had. Vaak beloofde hij meer dan hij kon waarmaken en hij maakte regelmatig beoordelingsfouten. Dat was tot daar aan toe, maar hij wekte alom weerstand doordat hij nooit bereid was om dat toe te geven. Sinds de pamflettenstrijd van 1677 ging hij door het leven als de ‘gescharminkelde Vesalius’. Hij kreeg veel kritiek, maar hij was onverminderd spraakmakend gebleven, niet alleen in de medische, maar ook in de literaire wereld. Al in de jaren zeventig had hij zich, behalve op de dichtkunst, op het toneel gestort. Hij schreef een aantal stukken die in de schouwburg werden opgevoerd. Daarmee oogstte hij, zoals altijd, zowel kritiek als lof. Door Andries Pels was hij neergesabeld, maar hij had ook bewonderaars: daartoe behoorde de rijke kunstverzamelaar Philip de Flines, aan wie hij diverse lovende verzen had gewijd.

In 1685 had Bidloo Vondels Faëton bewerkt voor de schouwburg, in een spectaculaire versie, met extra zingende en dansende personages, vliegende hemelkarossen, muziek en veel ballet. Bidloo legde uit dat de toevoegingen waren bedoeld om zowel de ogen als de oren van de toeschouwers te ‘vergenoegen’.

[p. 218]

Omdat Vondel zijn toneelstukken gewoonlijk ‘op de oude Grieksche en Latijnsche wijze’ had vorm gegeven, en derhalve niet geheel voldeed aan de hedendaagse smaak, had Bidloo de vrijheid genomen om aan diens schone stuk nog enige sieraden toe to voegen.40 Hij had gedacht succes te zullen oogsten met zijn spectaculaire uitvoering van Vondels werk, maar hij kreeg zware kritiek, die zoals gebruikelijk mede werd geuit in pamfletten en verzen. Een van de critici riep in eon vers de overleden Vondel aan:

 
_‘Kom Vondel, zie terug, zie wie uw godlijk rijm en edele gedachten
 
hier omvroet en versmeed, uw vaerzen durft verkrachten.’

Onder de critici was ook Philip de Flines, die verwant was aan Vondel. Bidloo voelde zich vernederd en zon op wraak. Hij prepareerde een verrassing voor de voorstelling die op oudejaarsavond zou worden verzorgd. De toeschouwers werden die avond geconfronteerd met een onverwachte toegift: voor en na de Medea van Jan Vos werd in twee bedrijven een zinnespel van een anonieme schrijver gespeeld. Het stuk heette De muiterij en nederlaag van Midas, koning Onverstand. In naam ging het om een opstand van Midas tegen Apollo, maar de toeschouwers herkenden onmiddellijk de personages waarom het eigenlijk ging, want Bidloo had de acteurs nauwkeurig het taalgebruik, de intonatie en de wijze van bewegen van zijn tegenstanders voorgedaan. In Midas herkende iedereen De Flines en de personages Nijd, Twist, Blaaskaak, Drekvlieg en Speldezoeker stelden overduidelijk de leden van Nil Volentibus Arduum voor. Er werd de draak gestoken met de pretenties van De Flines, die zich op zijn hofstede Spaarenhout bezighield met het kweken van planten. Zijn buiten heette in het stuk Konstverdriet.

Het was niet meteen duidelijk wie de auteur was, maar het stuk was het gesprek van de dag. Een van de belachelijk gemaakte personen, de advocaat Herman Amya (van wie Bidloo twee jaar eerder nog het huwelijk had bezongen) liet op 2 januari een tweetal getuigen voor een notaris verklaren wat zij op oudejaarsavond hadden gezien. De getuigen verklaarden dat in het tweede bedrijf verscheidene personen ‘van aensien bekent’ (waaronder Philips de Flines, Romein de Hooghe en Amya) ‘op een schandelijke wijse voor alle den toezienderen ten toon gestelt en gehekelt’ werden, waarbij gebruik werd gemaakt van ‘de kleding, gesten, 't weesen en dagelijksche manieren van spreeken van de voornoemde lieden’. De getuigen verklaarden dat ze mensen in de schouwburg en in koffiehuizen de namen hadden horen noemen: ‘dat is Amia (die zij verbeelden met dat root aansicht)... dat is Lingelbag, dat is Flines...’.

De volgende dag, donderdag 3 januari, werd het stuk opnieuw vertoond. De beledigde advocaat rustte niet voor hij de auteur had achterhaald. Het duurde enige tijd, maar uiteindelijk wist hij de toneelschrijver Ludolf Smids zover te krijgen dat hij voor een notaris een verklaring wilde afleggen. Amya profiteerde van een ruzie tussen Bidloo en Smids, die ten tijde van de opvoering familiair met

[p. 219]

elkaar waren omgegaan, maar vervolgens gebrouilleerd waren geraakt. Smids verklaarde dat Bidloo hem in november en december ‘ten zijne huyse verscheyden malen heeft voorgelesen seeker pasquil onder de naam van Strijd tusschen Apollo en Midas, Konink Onverstant’, waarvan Bidloo had gezegd dat het bedoeld was om enkele heren, onder wie De Flines, ‘op het schouburg ten tooneele wakker door te strijken’. Smids vertelde dat hij had gezien hoe het stuk werd ingestudeerd en hoe Bidloo de acteurs dresseerde. Van Philip de Flines had hij diens ‘liefhebberij voor herbariseeren’ op de hak genomen en De Hooghe had hij opgevoerd als een pedant criticus, van wie ‘zijn liefhebberij omtrent het teekenen van blomperken’ werd bespot. Romein de Hooghe was advocaat, maar vooral bekend als etser. Hij had werk van Constantijn Huygens en Hugo de Groot geïllustreerd, het boek over scheepsbouw van Nicolaas Witsen, en ook een hoogdravend gedicht getiteld De Gemartelde Apostelen, dat Govert Bidloo in 1675 had gepubliceerd. Maar kennelijk had Bidloo met hem een rekening te vereffenen. Bidloo had nog een tweede stuk geschreven tegen dezelfde heren. In dat tweede stuk was hij voornemens om in een oproer koning Midas en zijn veldheer gevangen te laten nemen ‘en dan Midas, beteekenende de heer Philips de Flines, seer haatelijk toegemaakt, op een levende ezel te laaten op 't toneel komen’, achterstevoren zittend, met de staart in de hand.41

Bidloo was op het matje geroepen bij de burgemeesters, maar had zijn literaire carrière kunnen voortzetten. Hij was in 1686 directeur van de schouwburg geworden, samen met Jan Pluimer en Pieter de la Croix. In die hoedanigheid werd hij fel aangevallen. In het pamflet De klaagende schouwburg werd gezegd dat de schouwburg werd onteerd door ‘klucht op klucht’.42 Bidloo, met zijn ‘wild gezicht en magere ingevalle kaaken’, werd beschreven als ‘een havik, scherp gesleepen van bek en klaauw’, een man die vaak ‘zijn God en vriend verried’, ‘een schelm’, ‘als de wind zo licht’. Hij werd te kijk gezet als iemand op het toneel goede zeden propageerde, maar intussen van zijn huis een bordeel maakte.

‘Gij hebt u docterschap verlaaten om met mijn winst uw maagre keel te vullen’, besloot de klagende schouwburg.43 Maar dat zou spoedig veranderen. In 1688 werd Govert Bidloo een collega van Ruysch. Als opvolger van de naar Leiden vertrokken Anthony Nuck werd hij benoemd tot docent in de ontleed- en heelkunde in Den Haag. Dat hij voor een dergelijke baan in aanmerking was gekomen was te danken aan de publicatie, in 1685, van zijn langverwachte anatomische atlas. Jarenlang had hij de door Gerard de Lairesse getekende afbeeldingen al laten zien, vol trots ‘als de kinderen, op alle hoeken van de straten’. De Lairesse had nog in de oude traditie een skelet getekend dat uit een graf klom, maar verder vooral gespierde naakten en opengesneden lichamen. In tegenstelling tot Ruysch, die in zijn afbeeldingen en in zijn museum juist elke verwijzing naar snijden en bloed vermeed, had hij nadrukkelijk ook de ontleding weergegeven, op ‘moderne’ naturalistische manier. Hij had dus niet alleen de lichaamsdelen getekend die door Bidloo werden beschreven, maar tevens het geopende lijk, inclusief doeken,

[p. 220]



illustratie
Portret van Govert Bidloo uit zijn anatomische atlas, Anatomia humani corporis (Amsterdam, 1685). Naar Gerard de Lairesse, gegraveerd door Abraham Blotelingh.

[p. 221]

touwtjes en schaartjes, en ook huid en vet. Ergens had hij zelfs speels een vliegje op een preparaat getekend. De illustraties oogstten grote waardering, maar er zaten wel anatomische fouten in en bovendien werden er diverse discrepanties tussen tekst en afbeelding geconstateerd. Bidloo had De Lairesse onvoldoende gewezen op de niet direct zichtbare delen en hij had de tekeningen niet zorgvuldig gecontroleerd, vonden de recensenten. Zijn teksten bij de afbeeldingen waren oppervlakkig, stelde men vast, en literatuurverwijzingen ontbraken. Onderwerpen waar hij verstand van had (zoals ogen, genitalia en vooral vrouwelijke borsten) waren wel goed behandeld, maar onderwerpen die hem niet interesseerden waren er bekaaid vanaf gekomen. Dat gold bijvoorbeeld voor het vaatstelsel, de specialisatie van Ruysch. Toen hij een tekening zag van het arteriële stelsel van een kind van zes maanden, merkte Ruysch op: ‘Bidloo beweert dat hij dit preparaat bewaard heeft. Ik zou het graag willen zien, want in de tekening zijn zoveel onwaarschijnlijkheden, dat we het geheel wel op rekening van fantasie moeten schuiven.’44

Ondanks alle lof voor het werk van Gerard de Lairesse werden er nauwelijks exemplaren van de atlas verkocht. In 1689 werd een Nederlandse versie op de markt gebracht, maar dat mocht niet baten. Voor anatomen was de kwaliteit onvoldoende, voor leken was hij te duur. De Nederlandse versie was bij wijze van inleiding voorzien van de tekst van de oratie die Bidloo in Den Haag had gehouden bij het aanvaarden van zijn ambt. De oratie heette Inleijding tot de ontledingskunst, maar behelsde in feite niet meer dan een korte geschiedenis van de anatomie. Volgens Bidloo had het ontleden bij de Grieken hoog in aanzien gestaan. Daarna was veel kennis verloren gegaan door de volksverhuizing en door kerkelijke verboden, maar Vesalius had de anatomische wetenschap in zijn vroegere glorie hersteld, vertelde hij. Verder werd de anatomie alleen aangeprezen. Wie de wereld bereisde trof minder wonderlijke zaken dan degenen die de anatomie bedreven, aldus Bidloo. In zijn inleiding noemde hij coryfeeën als Harvey, Bartholin, Stensen, Malpighi, Van Horne, Duverney en de Utrechtse hoogleraar Jacob Vallan, en in het voorwoord dankte hij als leermeesters onder anderen Van Dortmond, Slade en Allard en Abraham Cyprianus. De naam Frederik Ruysch bleef zorgvuldig ongenoemd.

In de tekst van zijn atlas had Bidloo zich van zijn gemakzuchtige kant laten zien, maar hij kon zijn werk ook serieus nemen. De Haarlemse chirurgijn Wouter Schouten, een aangetrouwde neef van Ruysch, beschreef hoe hij, kort nadat Bidloo in Den Haag was benoemd, met enige anderen werd geconsulteerd bij een vrouw in Haarlem met een ‘bedorve borst’, vol gezwellen. Ze was in Den Haag geweest om Bidloo te raadplegen en die had aangeraden om de borst te amputeren. Het was bekend dat men op zijn adviezen niet altijd kon vertrouwen, maar in dit geval waren de Haarlemse artsen het met hem eens. Er werd afgesproken dat Bidloo zou opereren. Op de afgesproken dag stond er een stormachtige wind en viel er sneeuw, maar Bidloo kwam en Schouten moest betuigen dat hij het werk zeer handig verrichtte.45

[p. 222]

In Den Haag wist Bidloo het vertrouwen te winnen van stadhouder Willem III. Ooit had hij een lofzang op Johan de Witt geschreven en een vers waarin hij de stadhouder en raadpensionaris Fagel bespotte als ‘twee Goden van 't Jan Hagel’.46 Inmiddels werkte hij aan een lofzang op Willem III, nota bene samen met Romein de Hooghe, die hij in Amsterdam in de schouwburg had geprobeerd belachelijk te maken. De Hooghe, had, hoewel hij werd geroemd om zijn ‘groot vernuft en vindingen’, Amsterdam moeten verlaten ‘om zijn ergerlijk levensgedrag, en om 't maken van stekelige pasquillen en ontuchtige en schandelijke printverbeeldingen’.47 In Den Haag werkten Bidloo en De Hooghe broederlijk samen aan een publicatie gewijd aan de kroning van Willem III tot koning van Engeland. Toen Willem III in de winter van 1691 uit Engeland terugkeerde werd hij in Den Haag verwelkomd met een fraaie triomfpoort, waaraan opnieuw Bidloo en De Hooghe hadden meegewerkt. Bidloo hield een lofrede in het Latijn. Een criticus schreef morrend over de lof die Bidloo toegezwaaid had gekregen voor de triomfpoort. Daarop waren volgens hem ‘door behulp van den baartscheerder en gewaanden orateur G. Bidlo niet dan kieremieren met wat kramers Latijn geschildert’.48

Govert Bidloo bleef ook in Den Haag onverminderd spraakmakend. Samen met onder anderen Romein de Hooghe produceerde hij diverse anonieme paskwillen waarin de draak werd gestoken met bekende personen. Een daarvan werd hem bijna fataal. Toen in het voorjaar van 1692 de Haagse advocaten protesteerden tegen maatregelen van de Hoge Raad, die de tarieven van advocaten en procureurs aan banden probeerde te leggen, publiceerde Bidloo anoniem een pamflet, waarin hij dat protest belachelijk maakte. Hij schreef dat de Haagse heren kennelijk vonden dat hun cliënten hun luxe leven moesten betalen en hekelde, weliswaar onder schuilnaam, en passant verscheidene prominenten. Diverse personen voelden zich beledigd en er ontstond grote ophef over het pamflet. Er werd een onderzoek ingesteld door het Hof van Holland, dat leidde naar een boekhandelaar die de pamfletten van Bidloo had uitgegeven. Het Hof van Holland besloot Bidloo te laten arresteren. Omdat hij klaagde dat hij ziek was, mocht hij in zijn huis op het Buitenhof blijven en werd hij daar bewaakt. De volgende dag al schreef Willem III vanaf 't Loo dat de zaak tegen Bidloo niet moest worden voortgezet en dat alle stukken naar 't Loo dienden te worden gezonden.

Na een maand kwam de stadhouder met de volgende oplossing: Bidloo diende diplomatieke onschendbaarheid te genieten. Hij was zogenaamd sinds twee jaar secretaris van de Engelse ambassadeur, die zich zou hebben beklaagd over de vervolging. Willem III verzocht de bewaking op te heffen. De leden van het Hof, onder leiding van procureur-generaal Johan Ruysch, een neef van Frederik Ruysch, sputterden tegen en claimden dat Bidloo onder hun jurisdictie viel, want Bidloo woonde niet bij de gezant. De bewaking werd desondanks opgeheven, nadat Bidloo had beloofd dat hij zijn huis niet zou verlaten. Vervolgens eiste Willem III hem op als militair arts voor de komende veldtocht, waarop Bidloo

[p. 223]

Den Haag verliet en zich bij zijn beschermheer voegde. Prompt werd hij door Willem III aangesteld tot oppertoezichthouder over alle militaire hospitalen in Nederland. Hij vervoegde zich bij diens secretaris, Constantijn Huygens junior, met de opdracht een aanstellingsbriefbrief voor hem te schrijven, en vertrok met het leger naar Vlaanderen.49

Procureur Ruysch beklaagde zich nog wel dat Bidloo zijn woord had gebroken, maar de vogel was gevlogen. Na de veldtocht liet Willem III de magistraat van Den Haag een gratieverzoek indienen, dat hij onmiddellijk inwilligde. Bidloo hoefde alleen 169 gulden aan gerechtskosten te betalen. Spoedig verdween hij geheel uit Den Haag: dankzij koninklijke pressie werd hij benoemd tot hoogleraar in Leiden, als opvolger van de overleden Nuck. Zijn salaris van duizend gulden werd na een half jaar verhoogd tot zestienhonderd gulden.

De benoeming vormde aanleiding voor bijtende poëzie van de hand van een zoveelste ex-vriend, Laurens Bake, die nog een loflied bij de Nederlandse versie van Bidloos anatomische atlas had geschreven, maar nu venijnig naar hem uithaalde:

 
_‘Den heer professor Eigenbaat, die (naar 't gemeen verhaal is)
 
dit kunsje ruim zoo wel verstaat als d'Arkus Triomphalis
 
en 't anatomiseren, die zuiver open winkel hout
 
voor elk, getrout en ongetrout, voor hoeren en voor heeren.
 
Al haald' men daar wat quaats vandaan, men heeft daar niet te vreezen
 
voor gelt hij weer gereet zal staan om yder te genezen.’50

5.4 Actie Beschadiging Rivaal

Voor Frederik Ruysch was het nauwelijks te verdragen dat Bidloo een hoogleraarschap in Leiden had gekregen. In het jaar na diens benoeming startte hij een project dat in eerste aanleg diende om zijn eigen anatomische ontdekkingen wereldkundig te maken, maar daarnaast tevens als een actie Beschadiging Rivaal. Het heette Epistolae anatomicae.

Ruysch had besloten de bevindingen die het resultaat waren van zijn verbeterde preparatietechniek wereldkundig te maken in de vorm van brieven. In die brieven lanceerde hij een aantal inzichten die de medische wereld in heel Europa nog lang stof voor discussie zouden bieden. Dat gold vooral voor zijn bewering dat weefsel geheel uit vaten bestond en voor zijn relativering van het belang van klieren. Het was niet toevallig dat hij de briefwisseling als medium had gekozen om zijn ontdekkingen te publiceren. Omdat belezenheid niet zijn sterkste punt was, liet hij de literatuur over de kwestie behandelen door de briefschrijver die als aangever fungeerde - doorgaans iemand die een college bij hem had gevolgd. Hij

[p. 224]

kon dan op ingaan op diens brief zonder zelf literatuuronderzoek te hoeven doen. Bovendien kon hij op die manier rechtstreekse kritiek op zijn gebrek aan literatuurkennis vermijden. In de brieven vormde kritiek op Bidloo een soort running gag. Vrijwel altijd had de aangever bij het literatuuronderzoek fouten aangetroffen in het werk van Bidloo, die Ruysch in zijn antwoord gaarne wilde verbeteren. Bij zijn antwoorden voegde Ruysch bovendien afbeeldingen, waarin de fouten in de door Bidloo gepubliceerde afbeeldingen waren gecorrigeerd.

In het najaar van 1695 liet Ruysch bij een ontleding zien dat de afbeelding van de slagaderen rond het hart in de atlas van Bidloo niet klopte. De grote slagader, de aorta, stond daar afgebeeld met een aparte opgaande en dalende stam, maar zo kon je hem alleen vinden bij dieren, aldus Ruysch, die dankzij zijn nieuwe preparatiemethode had gezien dat de grote slagader bij mensen geen aparte opgaande en dalende stam had. Hij liet een leerling uit Heidelberg, Johann Gaub, er een brief over schrijven. Hij antwoordde vervolgens dat het hem verwonderde dat professor Bidloo die grote slagaderen niet goed had gezien, terwijl hij in het openbaar had verkondigd dat hij de wijze waarop Ruysch lichamen prepareerde en conserveerde al kende voordat Ruysch ze had ontdekt. Het was duidelijk, stelde hij vast, dat ‘onze konst tot nog toe verborgen geweest is’, en dat kon je zien aan sommige tekeningen die ontleders hadden gemaakt, bijvoorbeeld die in de atlas van Bidloo.51

Ruysch benutte een volgende gelegenheid om Bidloos reputatie aan te tasten in zijn antwoord op een brief van een arts uit Lübeck, Gerhard Frentz, die in Leiden had gestudeerd en in Amsterdam bij Ruysch was geweest om zijn museum te bezichtigen. Ditmaal liet hij de wereld weten dat Bidloo wortels uit de bodem van de galblaas had laten afbeelden, niet omdat hij die had gezien, maar omdat hij ze had overgenomen van de Engelse anatomicus Highmore. In de bodem van de galblaas waren namelijk hoegenaamd geen wortels te bekennen, er bevonden zich daar alleen takjes van bloedvaten.52

Een van zijn toegewijde privé-leerlingen, Johannes Campdomerc, gaf de volgende voorzet. Hij prees eerst zijn leermeesters welwillendheid tegenover allen die zich in de anatomie of geneeskunde trachtten te bekwamen, beroepsmatig of uit belangstelling. Zelf voelde hij zich als een zoon behandeld. Vervolgens vertelde hij dat Ruysch tijdens het college dat hij had gevolgd in de milt dingen had getoond die in de literatuur niet te vinden waren. In de literatuur stonden fouten, niet alleen doordat sommige lichaamsdeeltjes moeilijk waren te zien, maar ook omdat ontleders zich soms baseerden op lichaamsdelen van dieren. Campdomerc had verwacht in de milt kliertjes te zien, zoals die waren afgebeeld door Bidloo, maar in de menselijke milt vielen helemaal geen kliertjes te zien. Ruysch vertelde hem dat de door Bidloo afgebeelde vezels alleen bestonden bij kalveren. Bidloo had dezelfde vergissing gemaakt als DeleBoë destijds. Hij had bevindingen in een kalfsmilt geëxtrapoleerd op de milt van de mens, zonder te controleren of dat mogelijk was. In Bidloos atlas was dus een gedeelte van een kalfsmilt afgebeeld

[p. 225]

- opgeblazen, gedroogd en overdwars opengesneden. De manier van prepareren die hij daarbij had beschreven - inspuiten met water en uitspoelen - was ook geschikt voor een kalfsmilt. Maar zo kon je geen mensenmilt behandelen. Bij een kalf was het vlies dat de milt omkleedde taai en dik, maar bij de mens zo fragiel dat het bij de door Bidloo genoemde behandeling zeker zou scheuren.

Ruysch vertelde dat hij in de milt een belangwekkende ontdekking had gedaan: wat men tot dan toe had aangezien voor kliertjes, waren in feite helemaal geen kliertjes. Hij bekende dat hij zelf ook kliertjes had menen te zien toen hij nog op de oude manier te werk ging. Maar toen hij op zijn nieuwe manier de bloedvaten van de milt had gevuld, had hij geconstateerd dat de weke uiteinden van de vaten takjes van bloedvaten waren. Dat ze op kliertjes leken, kwam doordat de takjes ‘bondelsgewijs geschikt zijn, en gebragt tot zeer weeke, zappige en ronde lichaamtjes’. Het waren geen klieren, omdat ze niet met een eigen vliesje waren omvangen en niet op zichzelf bestonden. Ruysch concludeerde ‘dat het geheele gestel van een mensche milt niet anders was, als een zekere t'zamenhang van slagaderen, aderen, watervaten en zenuwen, dewelke door de omringende vliezen bij malkanderen gehouden worden’.

Op deze manier publiceerde Ruysch zijn stelling dat weefsel geheel bestond uit een netwerk van steeds subtielere vaatjes. Galenus had aangenomen dat verscheidene organen geen bloedvoorziening hadden, maar Ruysch had dankzij zijn injecties kunnen vaststellen dat het bloed alom tegenwoordig was. Hij ging zelfs nog verder: volgens hem bestond het weefsel van de organen geheel uit vaatjes. Hij ontkende het bestaan van een substantie tussen de vaatjes, de substantie die vanouds parenchyma was genoemd. De organen bestonden volgens Ruysch uit bloedvaten in diverse arrangementen. Daarmee ging hij in tegen de gevestigde, door Malpighi gevormde opinie dat ze waren opgebouwd uit klieren.53 Hij ontkende niet dat het weefsel klieren bevatte, maar ook die bestonden volgens hem grotendeels uit vaatjes.

Ruysch liet er geen twijfel over bestaan dat zijn nieuwe inzichten het gevolg waren van zijn verbeterde preparatietechniek. In een beschrijving van de ontwikkeling van die techniek gaf hij aan dat hij had voortgebouwd op ontdekkingen van Reinier de Graaf en Jan Swammerdam. Hij had de techniek vervolgens verfijnd, vertelde hij. ‘Na mij waren er verscheijde van mijne discipulen, waaronder de prof. Bidlo, die het zelve nagebootst hebben’.

Ruysch bleef de mogelijkheden van zijn preparatiekunst adverteren, zelfs letterlijk. Op 29 mei 1696 verscheen in de Amsterdamsche Courant de aankondiging dat hij van plan was ‘een begin te maken van een publyke Anatomie, en dat in 't heetst van den zomer, in ligchamen die nog schijnen te leven en omtrent voor 2 jaren gestorven zijn’. Een anatomische les in de zomer was tot dan toe ondenkbaar geweest, maar Ruysch had besloten om demonstraties te gaan verzorgen met preparaten. Dat was ongebruikelijk, maar anatomische demonstraties met verse lijken waren natuurlijk minder geschikt om zijn kunsten te vertonen. In prepara-

[p. 226]

ten kon hij de subtiele vaatstructuren laten zien die hij had ontdekt.54 Sommige critici vonden het een verachtelijke breuk met de traditie, maar ten onrechte, meende Ruysch, want in tegenstelling tot lichaamsdelen in ‘verse’ lijken, hadden geprepareerde lichaamsdelen hun natuurlijke vorm.55 Om critici die beweerden dat hij bedrog pleegde de mond te snoeren liet hij tijdens een van zijn openbare lessen zien dat er aan de conservering van de kinderlijken geen verf of blanketsel te pas was gekomen. Op verzoek van een van de aanwezigen wreef hij het gezicht van een van zijn lijken in met zand, zout, zeep, water en een doek, ‘bijna tot ontvellingh toe’.

Met de hete adem van Bidloo en Rau in de nek deed Ruysch zijn uiterste best om van zijn openbare demonstraties aantrekkelijke voorstellingen te maken. Toen hij samen met zijn zoon Hendrik het lijk van een vrouw opende en ze in een gezwel in een van haar eierstokken tanden aantroffen, besloot hij de eierstok slechts aan één kant te openen. De rest van de tanden liet hij in hun vlies zitten, om ze te bewaren tot hij de gelegenheid zou krijgen ze tijdens een openbare demonstratie te laten zien. Bij de eerstvolgende gelegenheid vertelde hij de toeschouwers het hele verhaal en haalde hij de rest van de tanden tevoorschijn.56

Hoezeer hij er ook werk van maakte, niet iedereen was geïmponeerd door zijn optredens. Een verveelde toeschouwer imiteerde hoe Ruysch geestdriftig zijn ontdekkingen aanprees: ‘sie daar iets... dat hebt gij noeit gesien, alzoo het voor mij niet ontdekt is geweest; ei, wat zijn dat vlegtingen van vaten’. De toeschouwer was niet onder de indruk: alsof men voordat die vaatjes zichtbaar werden gemaakt niet snapte dat vaatjes zich in steeds kleinere vaatjes vertakten. Doordat Ruysch met preparaten werkte hoefden de toehoorders niet meer af te haken door de stank, maar volgens de criticus verminderde de belangstelling na een dag of vijf, zes niettemin zodanig dat de anatomicus zijn demonstratie meestal toch moest beëindigen.57

Ruysch bleef zijn ontdekkingen onder de aandacht brengen in gepubliceerde correspondentie. Zijn leerling Johann Heinrich Grätz, die afkomstig was uit Dessau en in Anhalt had gestudeerd, mocht van Ruysch niet alleen demonstraties bijwonen, maar had ook de gelegenheid gekregen om zelf te ontleden. Als tegenprestatie schreef hij een brief waarin hij memoreerde dat bepaalde lieden Ruysch de ontdekking van de longpijpslagader betwistten. Enkele ‘muggesiftende’ critici hadden gezegd dat Erasistratus die slagader in de oudheid al had genoemd. Er was ook een arts te Padua geweest, De Marchetti, die veertig jaar terug al een dergelijke slagader had genoemd, onder een andere naam. Maar in hun werk ging het om duistere passages, betoogde Grätz, terwijl Ruysch een heldere beschrijving had gegeven. Ruysch benutte de gelegenheid om vast te stellen dat sommige lieden meer tijd besteedden aan polemiek dan aan onderzoek. Hij zei dat hij het werk van De Marchetti niet kende en de slagader zelf had gevonden. Hij voegde een afbeelding van de longpijpslagader van een kind bij zijn antwoord. Hij verontschuldigde zich daarvoor, want in een kind waren de onderdelen natuurlijk

[p. 227]

kleiner dan bij een volwassene, maar hij had geen lijk van een volwassene bij de hand.

Grätz stuurde nog een brief, waarin hij er zijn verwondering over uitsprak dat er in de literatuur niets was te vinden over het dunne hersenvlies. ‘Ik heb ook niets in de anatomische tafelen van de heer Bidlo, waar uijt egter zeer vele tevergeefs zich veel belooft hebben, kunne vinden, dat van anderen niet meermalen al gezegt was’, berichtte hij. Ruysch stuurde hem, en de wereld, een afbeelding van het vlies.58

De procedure was inmiddels duidelijk. In een openbare les behandelde Ruysch een lichaamsdeel waarvan de structuur hem dankzij zijn injecties duidelijk was geworden. Als dat lichaamsdeel in Bidloos atlas foutief of gebrekkig was afgebeeld, waarschuwde hij zijn toehoorders daarvoor en liet hij aan de hand van een preparaat zien hoe het werkelijk in elkaar zat. Naar aanleiding van zo'n college liet hij een leerling een brief schrijven waarin hem een vraag werd voorgelegd, waardoor hij de gelegenheid kreeg om over het behandelde onderwerp nog eens breed uit te pakken. In zijn antwoord vertelde hij dat hij Bidloos fouten had ontdekt dankzij zijn geavanceerde preparatiemethode. Vervolgens kon hij uitweiden over de mogelijkheden van zijn preparatietechniek en aantonen dat Bidloo niet dezelfde subtiliteit kon bereiken, want als Bidloo dezelfde techniek zou beheersen, zou hij niet zoveel fouten hebben gemaakt. Vervolgens publiceerde hij de correspondentie.

Bidloo had in Leiden tijdens zijn colleges al diverse keren woedend gereageerd op de kritiek van Ruysch, die hij had afgedaan als een subtiele slager, maar zo langzamerhand was hij gedwongen zich ook op schrift te verweren. Inhoudelijk viel de kritiek niet te pareren, maar daar wist hij wel raad mee. In zulke gevallen was het zaak om de tegenstander te kleineren. Om Ruysch op zijn ziel te trappen verklaarde hij tijdens een van zijn colleges dat onderzoek naar de bloedvaten en de nauwkeurige beschrijving van hun loop in alle lichaamsdelen niets te beduiden had en volstrekt overbodig was, omdat inmiddels wel duidelijk was geworden dat alle lichaamsdelen van bloedvaten waren voorzien omdat ze werden gevoed.

Hij componeerde een gedicht, dat werd gepubliceerd onder de titel ‘Aan N.N.’, maar over wie er werd bedoeld kon geen misverstand bestaan.

 
_‘Men noemd U hooggeleerd, met recht, nadien geen man,
 
Hoe wijs en welgeleerd, Uw taal bevatten kan.
 
Veel minder nog den zin, misschien daar in gedommeld;
 
Maar spreek eens klaar latijn, klaar Grieks, waarvan gij mommeld,
 
En doe de waereld zien, dat gij u zelf verstaat,
 
Dan weer ik, tot den roem, daar gij naar jankt, wel raad.
 
Dog duister, eige wijs, noch blijvende, als voor deezen,
 
Zal geen mensch uw schrift gewaardigen te leezen.’59
[p. 228]

Ruysch ging onverdroten voort met het uitgeven van zijn correspondentie. Hij publiceerde zijn briefwisseling met doctor Bartholomeus Keerwolf, arts te Leiden, aan wie hij diverse geprepareerde harten had getoond. Wat Ruysch had laten zien klopte volgens dokter Keerwolf niet met de literatuur en met wat Bidloo erover had gezegd. Ruysch antwoordde dat het hart tot dusver niet correct was afgebeeld. Dat kwam door de staat waarin het hart na de dood verkeerde. Als ze uit het lichaam waren gehaald waren harten slap. Bovendien gebruikten anatomen vaak dierenharten, meestal van schapen of kalveren. Om het correct te kunnen afbeelden moest het hart eerst in zijn natuurlijke staat worden hersteld.60

Bij een volgende openbare ontleding was 's middags Goverts broer Lambert Bidloo aanwezig. Hij zag hoe Ruysch huidkliertjes behandelde en hij hoorde hem zeggen dat die klieren, zoals de toeschouwers konden zien, rond waren en niet naaldvormig, zoals in de atlas van professor Bidloo. De volgende dag verscheen Govert Bidloo zelf in het anatomisch theater. Hij was er speciaal voor uit Leiden gekomen. Ruysch ging de uitdaging aan: hij herhaalde nog eens wat hij de vorige dag had gezegd, waarbij Bidloo volgens hem ‘van gramschap opzwol’. Daarna ging hij over op de hersenvliezen. Hij vertelde dat het zogenaamde ‘spinnewebvlies’ in de jaren 1665-1666 was ontdekt door de onderzoeksgroep met Matthew Slade, Jan Swammerdam en Abraham Quina (die in de zaal zat), en dat hij het irritant vond dat iemand anders zich die ontdekking wilde toeëigenen. Vervolgens toonde hij Bidloo het vlies en gaf hem daarbij in overweging hoe extreem dun het was. Hij zei het onmogelijk te achten dat iemand in staat zou zijn het los te maken en aan de geleerde wereld te vertonen, en zeker niet met zichtbare bloedvaten doorweven. Hij zelf kon in het vlies in elk geval geen bloedvaten vinden. Toch, zo hield hij de toeschouwers voor, had ‘zekere vermetele’ het vlies los en met bloedvaten afgebeeld, waarschijnlijk bij gissing, omdat hij dacht dat alle lichaamsdelen door bloedvaten werden gevoed. De meeste toeschouwers wisten dat het over Bidloo ging en alle ogen waren daarom op hem gericht. Maar hij reageerde niet. Hij bleef zwijgen tot de toeschouwers waren vertrokken. Toen alleen de geleerden, de mannen die op de eerste rij hadden gezeten, nog over waren, maakte Bidloo aanstalten om ook te vertrekken. Tot dan toe was er Latijn gesproken, maar Bidloo zei in het Nederlands: ‘mijn heer, ik danke u voor uwe beleeftheijdt, ik ben bereijdt u een gelijke dienst te doen als gij eens te Leiden gekomen zult zijn’. Ruysch zei: ‘'t zal lichtelijk kunnen geschieden, dat ik daar eens bij gelegenheijdt kome’. Daarop vervolgde Bidloo: ‘bij aldien ik een vertoning hebben zal, zal ik er u kennis van geven’. ‘Zo 't u behaagt’, zei Ruysch. De woordenwisseling geschiedde koel en beleefd, maar volgens Bidloo had Ruysch met bevende stem gesproken. Dat kwam omdat ik ‘zo onbeschaamt niet ben als Bidloo’, verklaarde Ruysch. Hij bekende dat hij een confrontatie enerverend vond. Hij zei ook dat hij altijd van zijn stuk was gebracht als hij een debat had verloren, maar kennelijk had Bidloo daar geen last van: ‘onze onverzaagde verschrikt niet wanneer hij een geding verliest’, concludeerde hij.61

[p. 229]

Bidloo trachtte Ruysch dwars te zitten waar hij kon. Toen hij eind januari 1697 hoorde dat in Amsterdam een soldaat en een matroos ter dood waren veroordeeld, herinnerde hij schout en schepenen van Amsterdam eraan dat de staten van Holland in 1681 de beslissing hadden genomen om alle lijken van geëxecuteerde misdadigers in de provincie toe te wijzen aan de universiteit van Leiden. Onder zijn voorganger was aan die bepaling nooit de hand gehouden, maar Bidloo wilde dat een knecht van de Amsterdamse snijkamer de lijken van de twee ter dood gebrachte delinquenten naar Leiden zou brengen. Het verzoek werd afgewezen met het argument dat men nog niet had besloten wat men met de lijken zou doen. Wellicht zouden ze als afschrikwekkend voorbeeld aan de galg worden gehangen. Bovendien, liet men weten, was Amsterdam in 1555 niet voor niets met een collegium anatomicum geprivilegieerd. Bidloo klaagde over de gang van zaken bij de curatoren van de universiteit en bij de Leidse burgemeesters en eiste dat men herhaling zou voorkomen.

Toen twee maanden later de 23-jarige matroos Ferdinand Jansz, alias de kleine Nantis, in Amsterdam wegens herhaaldelijk stelen tot de galg werd veroordeeld, samen met een andere delinquent, spraken twee Leidse regenten in Den Haag de Amsterdamse gedeputeerden erop aan. Ze verzochten om een van de lijken af te staan aan Bidloo. De gedeputeerden schreven naar het Amsterdamse stadsbestuur, maar dat liet weten dat het verzoek helaas te laat was ingediend. Het verzoek werd niet alsnog gehonoreerd toen de voltrekking van de vonnissen een dag moest worden uitgesteld. Omdat er in Amsterdam geen beul beschikbaar was, werd de kleine Nantis in plaats van op zaterdag op zondag opgehangen. Van maandag tot en met vrijdag wijdde Frederik Ruysch openbare lessen aan zijn lijk.

Vanuit Leiden ontving Ruysch de week daarop een brief van een medicus uit Anhalt, Andreas Ottomar Gölicke, die was gepromoveerd aan de pas opgerichte universiteit in Halle. Gölicke vertelde dat hij had gezien dat Bidloo fouten had gemaakt in de weergave van het dunne hersenvlies. ‘Eerst konde ik mij dit niet wijs maken van een man die tot nog toe zo vermaart is in de ontleetkunde, en die zoo grootelijks roemt over zijn bequaamheijt en voorspoet in 't ontleden’, verklaarde Gölicke, maar inmiddels had hij een beter inzicht in de kwaliteiten van Bidloo gekregen. Hij liet weten dat Bidloo zich niet ontzag om Ruysch tijdens zijn colleges te beschimpen en zich niet schaamde om hem de allerellendigste ontleder te noemen.

Dergelijke brieven riepen inmiddels de nodige weerstand op. De auteurs werden ervan beschuldigd dat ze op een goedkope manier de aandacht op zichzelf wilden vestigen. Maar Ruysch trok zich daar weinig van aan. Hij antwoordde dat hij al had vernomen dat Bidloo in zijn colleges lasterlijke taal over hem uitsloeg, maar dat hij zich had voorgenomen daar niet op te reageren. ‘Ik stoor mij daar niet eens aan. Laat hij maar op mij uijtvare, zoals hij tegen anderen gedaan heeft, hij is mijn toorn niet waardig... Laat hij zeggen en roepen dat ik een ellendig ontleder ben, nogtans zal hij daardoor niets aan zijn roem bijzetten of mijn naam hinde-

[p. 230]

ren... ik wil liever de naam hebben van een ellendigen ontleder als van een beruchten hoeren voogt.’62

Met die laatste opmerking verwees Ruysch naar Bidloos smoezelige reputatie, die herhaaldelijk naar voren was gebracht in pamfletten en schimpdichten. Bidloos vroegere kameraad Laurens Bake bijvoorbeeld had enige fraaie verzen gewijd aan zijn toneelwerk:

 
_‘Vraagt gij wie Wildzang is, of Koning Onverstand,
 
met weijnig opschik hier zo net verbeeld na 't leeven?
 
't Is Midas Bidlo, pest van jeugd, van stad en land.’
 
 
 
_‘Wilt gij een op'ra zien van zuipen, zwelgen, brassen,
 
vol Bacchenaalspel en baldaadige grimassen?
 
Gij vind het allerbest in Bidloos huis verbeeld,
 
daar hij voor Bacchus en zijn wijf voor Venus speelt.’63

Bake noemde Bidloo een dronkelap en een pooier, die van zijn huis een bordeel maakte en vervolgens geld opstreek voor het genezen van de geslachtsziekten die de bezoekers hadden opgelopen. Hij maakte zich vrolijk om ‘dezen held, die Venus lamme lier en boksvoetspijp herstelt’. In een gedicht op de benoeming van Bidloo als professor te Leiden had Bake er geen twijfel over laten bestaan dat die benoeming geheel was te danken aan Willem III:

 
_‘En nu deez' hoerevoogd zich dus verheeven ziet
 
vreest hij maar een mans dood, maar God of Duijvel niet.’

5.5 Hatelijkheden

Bidloo was in Leiden inmiddels in de problemen geraakt. Hij was door Willem III benoemd tot rector magnificus, maar zijn bijdrage aan het onderwijs was zo mager dat de studenten massaal wegliepen en hij had daarom een formele berisping ontvangen van de curatoren. Ruysch verklaarde in zijn gepubliceerde correspondentie met Gölicke dat hij tevreden was dat hij zijn beloften steeds was nagekomen, terwijl anderen, die graag hoogleraar wilden worden, ‘goude bergen beloven, en voorgeven dat nauwlijks alle de gasthuijzen zo veel dode lichamen zulle kunnen verschaffen als ze tot hare anatomische studie van node hebben’, om na hun benoeming hun beloften niet in te lossen en hun leerlingen teleur te stellen. Het kwam voor dat een professor pas drie jaar na zijn benoeming een eerste openbare demonstratie verzorgde.

Bidloo was inmiddels voldoende geprovoceerd en kwam met een rechtstreekse reactie, een boekje getiteld Vindiciae contra ineptas animadversiones F. Ruyschii. In de in-

[p. 231]

leiding verklaarde hij zich teweer te zullen stellen tegen de dictatuur die Ruysch in de respublica anatomica wilde uitoefenen. Daarna ging hij in op de kritiek die Ruysch in de gepubliceerde brieven had geuit. Als antwoord op de kritiek op zijn afbeeldingen, die door Ruysch steeds waren verbeterd met een tekening naar een injectiepreparaat, voerde hij aan dat hij de dingen tekende zoals ze tevoorschijn kwamen en niet zoals ze er na allerlei kunstgrepen uitzagen. De loop van de zenuwen vond hij belangrijker dan de bloedvaten en het getuigde van weinig anatomisch inzicht dat Ruysch de bloedvaten tot de fijnste vertakkingen probeerde te volgen. Hij dreef de spot met de preparaten van Ruysch. Hij zei dat ze werden behandeld met menie, loodwit en scharlakenrode verf. Hij beweerde dat de conservering berustte op spiritus balsamicus en dat de preparaten met al hun opschik zouden vergaan als ze zouden worden blootgesteld aan de lucht. Wat betreft zijn eigen afbeelding van de aorta en zijn takken, voerde hij aan dat Ruysch zelf had gezegd dat de loop van de slagaderen varieerde, en Rau had dat pas nog gedemonstreerd. Hij beweerde voorts dat het onmogelijk was de slagaderen zo te prepareren als Ruysch ze had vertoond en dat Ruysch dus een bedrieger was. Hij trok de conclusie dat de kritiek van Ruysch ongefundeerd was en dat die daarom moest voortkomen uit kwaadaardigheid. Hij kondigde aan dat hij nu op zijn beurt eens ‘een schets van de konst, geleertheijdt en vlijtigheijdt’ van Ruysch zou vertonen.

Vervolgens trok hij ten aanval. Hij leverde eerst kritiek op de afbeeldingen in het boekje over de klapvliezen en vervolgens op de bijbehorende observaties, die volgens hem niets bijzonders inhielden. Hij maakte aanmerkingen op het Latijn van Ruysch en toonde aan dat Ruysch zelf de milt ook als een klier had beschouwd. Hij bekritiseerde de manier waarop Ruysch zijn preparaten presenteerde, stak de draak met diens schilderkunst en voegde nog wat hoon en laster toe. Hij beweerde dat Ruysch uit winstbejag zo familiair was met vroedvrouwen. Iedereen kon dat navragen bij Annetje Moer in de Blauwe Pot op de Keizersgracht.64 Hij verklaarde dat Ruysch ‘onbeschaamt en eerloos’ was, ‘een schandvlek der ontleedkunde’ en ‘een schandeleuze en eerlooze redenaar’.

Ruysch liet het niet op zich zitten. Hij constateerde dat Bidloo ‘in 't lasteren een schandaleuze meester en autheur niet alleen voor dezen geweest is, maar dat hij nu nog zijn wolfshuijdt niet uijtgetrokken heeft’. Hij publiceerde een verweerschrift: Responsio ad Godefridi Bidloi libellum cui nomen vindicias inscripsit. Het werd vertaald als Antwoort van Frederik Ruysch op het boekje van Govert Bidloo, hetwelk hij den naam van verdediging gegeven heeft.65 Ruysch zei zijn tijd liever te besteden aan onderzoek, maar nu hij was uitgedaagd - al was het door ‘een mensch, die zijn gehele levensloop door, met wien hij ommegang gehadt heeft, altijdt gewoon is twist en tweedragt te verwekken’ - vond hij toch dat hij zijn naam moest verdedigen. Bidloo had in zijn boekje beloofd dat hij de kritiek op zijn anatomische atlas zou weerleggen, maar Ruysch toonde aan dat Bidloo nooit rechtstreeks antwoordde op zijn kritiek en altijd de zaak verdraaide en ontweek. Hij daagde Bidloo uit om in het anatomisch theater te laten zien dat hij gelijk had.

[p. 232]

Ruysch reageerde ook op Bidloo's bewering dat niemand hem voor eerlijk zou houden. ‘Is er ooijt zodanig een spraak van mij gegaan dat ik de jeugt verleijt hebbe? Zijn er ooijt klagten tegen mij over deze zaak van de ouders gedaan? Ben ik ooijt een aanrader geweest, dat de jongelingen met veranderde klederen zich tot hoerderij zoude begeven? Heb ik mij ooijt late gebruijken tot een uijtvoerder van een ongeoorloofde zaak? Heb ik ooijt zaat van onenigheijdt tusschen echtgenoten of bloetvrienden gestrooijt en aangequeekt?... Nooijt ben ik ook verdagt geweest omtrent hoerekonsten’. Ruysch was tot de conclusie gekomen dat Bidloo iemand was ‘die niet beschaamt kan worden, die onkuijsch is, schandelijk en eerloos, onbeschaamt en ondeugent, ligtvaardig, vuijl, ontuchtig, een kanker der zeden, een volslagen vijandt van rust en studiën’.

Hij raadde Bidloo aan de dertiende satire van Juvenalis te lezen. ‘Iedere daad met kwalijke gevolgen keert zich tegen de dader zelf’, had de dichter geschreven; ‘de straf bestaat vooral in 't feit dat er geen zondaar ooit wordt bevrijd van eigen slecht geweten’. Vervolgens behandelde hij nog eens punt voor punt zijn kritiek op Bidloo en diens verweer. Een aorta die verdeeld was in een dalende en stijgende stam had Ruysch nog nooit gezien, terwijl hij toch kon bogen op enige ervaring. Bidloo had tegengeworpen dat Vesalius en anderen de slagader ook zo hadden afgebeeld, maar dat vond Ruysch volkomen irrelevant: ‘wat kan 't hem baten?’, vroeg hij zich af. Wie dezelfde fout maakte als Vesalius, maakte nog altijd een fout. En trouwens: ‘hoe groot een beschermer is nu onze Bidloo van de oudtheijdt, die te voren een gestadige vijant daar van was!’

Ruysch erkende dat hij zelf de milt een klier had genoemd. ‘Ik ontkenne niet dat dit ingewant mij voor dezen, gelijk de andere ontlederen, misleijdt heeft... dit dan te bekennen en te verbeteren schijnt Bidloo een groote misslag te zijn’. Omdat alle ontleders meenden dat het om klieren ging had Ruysch het ook aangenomen. Maar op een gegeven moment had hij zich voorgenomen de complete anatomie opnieuw te overwegen en niets meer voor waar aan te nemen tenzij hij het door eigen waarneming had kunnen vaststellen. Dat moment viel samen met de perfectionering van zijn preparatiemethode. Met zijn nieuwe methode prepareerde hij alle lichaamsdelen opnieuw en zo had hij veel nieuws ontdekt, onder meer dat de milt niet uit klieren bestond. ‘Ik blijve bij mijn voornemen deze manier te volgen, gelijkerwijs het voornemen van Bidloo schijnt te zijn, altoos zijne oude met nieuwe dwalingen te beschermen.’

Bidloo had kritiek geuit op de afbeelding van de watervaten in de lever die Ruysch had opgenomen in zijn boekje over de klapvliezen. Ruysch bracht zijn lezers nog even in herinnering dat het Bidloo was geweest die dat boekje indertijd had vertaald. Volgens Ruysch was hij erg trots geweest op die vertaling, zoals bleek uit de opdracht ‘alwaar hij mij op de wijze der pluijmstrijkers zo hoog verheft, als hij mij nu tragt neder te werpen’. Ruysch erkende dat hij meer dan dertig jaar geleden de vaten en de lever niet in proportie had weergegeven, maar dat was met opzet, omdat het onmogelijk was om in een dergelijk klein boekje een

[p. 233]

paardenlever op ware grootte af te beelden. Hij erkende ook dat die oude afbeeldingen minder nauwkeurig waren dan hij ze nu zou kunnen maken. ‘Ik bekenne gaarne dat ik toen ter tijdt zo diep niet ingedrongen was in de binnenste geheijmen van de ontleedtkunde: ick schame mij ook niet te betuijgen dat ik in den tijdt van dertig jaren veel geleert hebbe’, zei hij. Bovendien wees hij erop dat hij de watervaten van de paardenlever had afgebeeld om de klapvliezen te laten zien. Bidloo had hem bespot omdat hij de afbeelding had gesigneerd. Ruysch begreep niet wat daar zo vreemd aan was: omdat hij in de schilderkunst niet geheel onbedreven was, had hij de afbeelding zelf gemaakt en daarom had hij zijn naam eronder gezet. Hij meende ‘dat het niet te veragten is, indien een ontleder zelfs de tekenkonst, en wanneer de tijdt het toeliet, de schilderkonst bij der handt neemt’, ook al stak Bidloo daar de draak mee.

Pesterig had Bidloo herhaald wat twintig jaar eerder ook al eens in de pamflettenstrijd was gezegd, dat Ruysch in zijn lessen aan de vroedvrouwen op onkuise wijze over de genitalia had gesproken. Ruysch antwoordde daarop: ‘hij oordeelt misschien dat ik zijns gelijk ben’. Waarom, vroeg hij Bidloo, staan die genitalia in de platen 31, 33, 41 en 54 van de atlas ‘zo geil afgebeelt, en wel op die plaats, alwaar gij geen een woordtje van die delen voortbrengt?’ Ruysch verwees naar een viertal platen, waarin De Lairesse van een geopend lijk niet alleen de delen had weergegeven waarover het in de tekst ging, maar ook de geslachtsdelen, met schaamhaar en al.

Hij zei dat hij van de burgemeesters de opdracht had gekregen om de vroedvrouwen te onderwijzen, in de kraamkunde en in de anatomie. Bij dat onderwijs werden geen mannen toegelaten, alleen de leden van het collegium medicum en de overlieden van het chirurgijnsgilde. Bidloo kon dus onmogelijk weten hoe Ruysch dat onderwijs gaf, tenzij hij het had vernomen van zijn broer, die namens de apothekers lid was van het collegium medicum. Ruysch was van mening dat er in de lessen voor de vroedvrouwen niet altijd zulke omschrijvingen hoefden te worden gebruikt als bij andere ontledingen. In andere gevallen gebruikte hij altijd kuise termen, maar wie zou het hem kwalijk nemen dat hij tijdens zulke bijeenkomsten met volwassen vrouwen soms voor de duidelijkheid een schuit een schuit noemde?

Bidloo had Ruysch verweten dat hij twijfelde over sommige zaken waarover hij schreef. Ruysch antwoordde: ‘ik zoude wel, volgens de manier van Bidloo, kunnen geschreven hebben dat het wiskonstig zeker was, maar mijn voornemen is geweest, en blijft, zekere zaken aan te tekenen voor zekere, twijffelagtige voor twijffelagtige, waarschijnelijke voor waarschijnelijke’. Bidloo had ook gezegd dat Ruysch (die hij niet als professor, maar als praelector betitelde) beuzelingen aan zijn leerlingen opdrong. Nee, riposteerde Ruysch, dan het onderwijs van Bidloo: het was bekend dat Bidloo ‘grondige en weergaloze dingen verhandelt’, dat zag je aan zijn vele colleges en het enorme aantal studenten dat hem smeekte om ‘zijne diepe wetenschap en getrouwe onderwijzing’. Ruysch wist daar alles van, uit de

[p. 234]



illustratie
Afbeelding naar een tekening door Gerard de Lairesse uit Anatomia humani corporis, de atlas van Bidloo. Waarom, vroeg Ruysch aan Bidloo, staan de genitalia in deze afbeelding ‘zo geil afgebeelt, en wel op die plaats, alwaar gij geen een woordtje van die delen voortbrengt?’.

[p. 235]

verhalen van de studenten, ‘zo Duijtschers als andere, geleerder als haar leermeester, die Leijden, de stoel der wetenschappen, wegens de achteloosheijdt en onkunde van Govert verlaten’. ‘Alle die de levenswijze van Govert en zijne diepe leeroeffeningen kennen, bekennen rond uijt dat hij is ongeleert, een zwetzer, en de verachting en schande van 't Academie, en van de professorale orde.’

Op de bewering dat zijn gebalsemde lijken bij blootstelling aan lucht met een lelijke zwarte kleur zouden worden besmet, antwoordde Ruysch dat er verschillende soorten preparaten bestonden. Er waren er bij die de lucht verdroegen. Sommige waren al meer dan dertig jaar oud en volstrekt niet aangetast. Andere preparaten moesten op speciale wijze worden bewaard om glanzend te blijven. Maar, vroeg Ruysch zich af, wat maakte het uit op welke manier hij ze conserveerde; als ze maar intact bleven. Bidloo ‘pocht dat onze kunstgrepen hem bekent zijn en hij spreekt van zijn balsemagtige geest; laat het zo zijn, dat die geest hem bekent is... wie benijdt hem dit?’ Dat Bidloo niet op de hoogte was van zijn conserveringstechniek meende Ruysch afdoende te hebben aangetoond. ‘Bidlo moet het mij vergeven dat ik aan deze snorkerijen geen geloof sla, want mij is ten overvloede bekent dat de meeste dingen die in zijn armzalig cabinet gevonden worden, van hem zelfs niet bereijdt zijn... Dog hij heeft zijn studenten een balsemagtige geest geleert; dat geloof ik, want de olie van terpentijn is op zijn manier ook een balsemagtige geest... bewijst dit, dat de geest, van hem geleert, dezelfde is die wij gebruijken?’

Bidloo had kritiek geuit op de wijze waarop Ruysch zijn verzameling presenteerde. Hoewel hij had moeten toegeven dat Ruysch zijn preparaten zorgvuldig bewaarde, mishaagden hem de versieringen. Dat bevreemdde Ruysch, omdat Bidloo voor een openbare promotie de aula van de Academie zo sierlijk liet opschikken. De zaal leek dan meer op een plek voor zangers en toneelspelers, ‘alwaar men gewoon is Bidloos Phaeton te spelen’. Bij wijze van uitvlucht, aldus Ruysch, had Bidloo opmerkingen gemaakt over zijn taalgebruik. Ruysch erkende dat hij meer tijd besteedde aan de ontleedkunde dan aan de verfijning van zijn Latijn, en dat zijn Latijn dus niet altijd even zuiver was. ‘Niet dat ik mij dit tot lof rekene, maar ik hope dat alle die weten hoe weijnig tijdts wij overig hebben, mij dat gunstiglijk vergeven.’

Terwijl Ruysch bezig was aan zijn antwoord verscheen een tweede boekje van Bidloo. Daarin maakte hij er zich vrolijk om dat Ruysch veelvuldig gebruik maakte van woorden als wonderlijk, wonderbaarlijk en verwonderenswaardig.66 Ruysch beschouwde het als een zwaktebod: Bidloo verdedigde zich niet rechtstreeks, ‘want hij weet dat hij daar toe niet in staat is, maar om de oogen van de lezers te verduijsteren, geeft hij gelegentheijdt tot lachen, opdat men minder bespeuren zou hoe schandelijk Govert zijn geding verliest’. Hij vond dat Bidloo maar moest zorgen dat er een biografie van ‘den wonderbaarlijken Govert’ zou worden gepubliceerd, ‘waarin ontelbare wonderlijke zaken zullen voorkomen; namentlijk zijne wonderbare, en tot verwonderens toe bekende zedigheijdt...

[p. 236]

zijne wonderlijke kennis in de ontleet- en natuurkunde, ja zijne verwonderenswaardige en volmaakte ervarentheijdt in de geneeskonst’.

5.6 Peter de Grote in Amsterdam

In zijn museum ontving Ruysch diverse categorieën bezoekers: toeristen, belangstellende amateurs, studenten en ook gepromoveerde medici, uit allerlei landen. Onder zijn gasten waren natuuronderzoekers en andere geleerden, en nu en dan hoogwaardigheidsbekleders. Van tijd tot tijd werd het museum zelfs vereerd met het bezoek van vorstelijke personen. In de zomer van 1695 reisde Johann Wilhelm, de keurvorst van de Pfalz, met zijn vrouw (een dochter van Cosimo de' Medici), incognito door Holland. De keurvorst bezocht in Amsterdam de befaamde verzamelingen van Levinus Vincent en Johannes Smetius, en ook het museum van Ruysch, die tevreden constateerde dat hij vermaak schepte in het bekijken van zijn verzameling.67 De ontmoeting met de keurvorst zou op den duur nog gevolgen hebben, maar eerst volgde een andere cruciale ontmoeting, die het prestige van Ruysch aanzienlijk zou verhogen.

In de zomer van 1697 werd Ruysch bezocht door een aantal geleerden, onder wie de plantkundige William Sherard, die eerst in Leiden en daarna in Padua was geweest. Onder de bezoekers die zomer waren ook enkele Russen. Voor hen was de anatomie een nieuwe wetenschap. Een Duitse reiziger had veertig jaar eerder nog ervaren dat ontleden in Rusland verboden was.68 Een van de Russische reizigers, die in 1697 en 1698 Nederland, Duitsland en Italië doorkruiste, maakte aantekeningen over zijn reis. Over zijn bezoek aan Amsterdam tekende hij aan: ‘bij een doctor in de anatomie heb ik de beenderen, de pezen en de hersenen van menschen gezien, lichamen van kinderen vanaf de ontvangenis tot de geboorte; het hart, de longen en de nieren, en hoe in de nieren steen ontstaat; allerlei ingewanden die in spiritus bewaard worden en vele jaren in goede staat blijven. Ik heb een bewerkte huid van een mensch gezien, dikker dan die van een ram; de huid boven de hersenen is met pezen bedekt, de beentjes in de ooren doen aan kleine hamers denken. Hier worden in spiritus allerlei dieren bewaard: apen van allerlei soort, vogels, slangen, kikvorschen, visschen en vele andere zeer merkwaardige diersoorten... In hetzelfde huis zag ik een groote verzameling zeldzame en zeer eigenaardige kevers en vlinders.’69

De Russische reiziger was gekomen in opdracht van tsaar Peter, de vorst van het grote rijk Moskovië. De nog jonge tsaar - hij was vijfentwintig - had besloten dat zijn land moest worden gemoderniseerd, in de eerste plaats met het oog op de oorlogvoering. Zijn vader had al enige stappen gezet, maar Peter had besloten de zaken grondig aan te pakken. Hij was begonnen met het uitzenden van jongelieden naar het buitenland. Zij kregen de opdracht in de eerste plaats hun licht op te steken over de zeevaart, want de tsaar hoopte met een sterke vloot te kunnen

[p. 237]

concurreren met de Zweden in het Oostzeegebied. Verder dienden ze zich zoveel mogelijk andere nuttige verworvenheden van de westerse cultuur eigen te maken. Ze moesten vooral bedrijven en instellingen bezoeken, maar ook universiteiten en geleerden. Spoedig vertrok Peter zelf ook naar het westen. Om de gewenste hervormingen te kunnen doorvoeren achtte hij het nodig dat hij zich ter plekke op de hoogte kwam stellen van de westerse technologie en wetenschap. Omdat hij vooral was geïnteresseerd in verbetering van zijn vloot wilde hij in elk geval naar Holland, waar hij zich persoonlijk dacht te kunnen bekwamen in de scheepsbouw. Hij had in Rusland Zaanse gastarbeiders ontmoet en wist daardoor waar hij moest zijn. Hij wilde ook Nicolaas Witsen ontmoeten, omdat Witsen een boek had geschreven over de scheepsbouw en bovendien voor hem had bemiddeld bij de koop van oorlogsschepen.

In West-Europa werd Moskovië vooral gezien als een achterlijk gebied, maar de tsaar kon rekenen op enig krediet sinds zijn troepen het voorgaande jaar (bij de vesting Azov aan de Zwarte Zee) de Turken hadden verslagen. Het bericht van die overwinning was in Holland met gejuich ontvangen, want sinds ze in 1683 zover waren opgerukt dat ze Wenen hadden kunnen belegeren, werden de Turken als een bedreiging beschouwd. Er verscheen een Zegezang op de verovering van Asof, waarin de tsaar werd afgeschilderd als een Russische Caesar.70 De tsaar hoopte van zijn krediet te kunnen profiteren en kwam naar Holland met een gezantschap dat steun kwam zoeken voor zijn strijd tegen de sultan.

Die steun zou meegenomen zijn, maar de ambassade fungeerde voor de tsaar vooral als mogelijkheid om de buitenlandse reis te maken. Op 9 maart 1697 was hij uit Moskou vertrokken met een gezelschap van 250 personen. Begin juni had hij vanuit Koningsbergen de Staten-generaal laten weten dat hij op weg was naar Den Haag. Toen zijn brief begin juli arriveerde wekte die enige onrust, want in Den Haag waren juist de vredesbesprekingen gaande die zouden leiden tot de vrede van Rijswijk. Een van de deelnemende landen was Frankrijk, en omdat Frankrijk een bondgenoot was van Turkije, kon het Russische gezantschap niet meteen worden ontvangen. Toen het gezantschap half augustus in Holland arriveerde werd het daarom voorlopig ondergebracht in Amsterdam.

De tsaar voerde het gezantschap niet zelf aan. Hij reisde incognito, als onderofficier Peter Michajlov. Op die manier had hij in de eerste plaats getracht te voorkomen dat men in Rusland zou merken dat hij op reis was.71 Bovendien creëerde hij voor zichzelf zo de bewegingsvrijheid die hij nodig had om iets te kunnen leren.

Aanvankelijk had hij zich met een klein gezelschap naar Zaandam begeven, waar hij aan de werven de kunst van de scheepsbouw wilde leren doorgronden. Maar dat werd al gauw onmogelijk: een slotenmaker die in Moskou had gewerkt had hem herkend en spoedig werd het gerucht verspreid dat de tsaar van Moskovië in Zaandam zou zijn. Hij werkte daar zelf ook wet enigszins aan mee, want hij gedroeg zich niet heel discreet. ‘Hij stelde sich selven somtijts vrij

[p. 238]

dwaersselick aen’, noteerde een Zaandammer die de opwinding beschreef die het bezoek van de mysterieuze gast teweegbracht. De jongeman uit Rusland vormde alleen al door zijn lengte een opvallende verschijning. Er werd gezegd dat hij wel zeven voeten lang was. De Zaanse toeschouwer beschreef hem als lang en ‘kloek’. Hij had een rond gezicht, met korte bruine krullen, en zijn gelaatstrekken werden als ‘wreed’ omschreven. Hij liep rond in eenvoudige kleren, en bewoog zich op een nadrukkelijke manier: ‘hij liep met een harde gangh’ en bewoog daarbij voortdurend zijn hoofd en armen.72

De vreemdeling had pruimen gekocht. Hij had die in zijn hoed laten storten en met zijn hoed in zijn arm liep hij ze te eten, gevolgd door een grote groep jongens uit het dorp. Sommigen bood hij een paar pruimen aan, maar anderen die erom vroegen weigerde hij pesterig wat te geven. Een stel jongens begon daarop met gras en met rotte appels en peren te gooien. Het dreigde een rel te worden toen een van de jongens een steen in zijn nek gooide, zodat de burgemeesters, ingelicht over de identiteit van de vreemdeling, de dorpsomroeper moesten laten rondgaan met een waarschuwing.

De vreemde gast schafte een pleziervaartuigje aan en zeilde daarmee het IJ op en neer, om de passerende schepen te bekijken. Hij fungeerde daarbij zelf als stuurman. Spoedig werd hij door vele kleine bootjes gevolgd. Hij legde aan in Amsterdam en Haarlem en liet daarbij zien hoe atletisch hij was: om snel aan land te komen kon hij zeer ‘veerdig over eenige boeijers heen springen en loopen’. Aan de wal werd hij voortdurend aangegaapt. Lieden die dat al te onbeschaamd en van te dichtbij deden, konden een ferme klap in hun gezicht krijgen.73

Twee Amsterdammers sloten met elkaar een weddenschap af of de persoon die zich sinds de vorige zondag in Zaandam ophield, ‘en aldaar veele bravades heeft gemaakt’, al of niet de ‘grootvorst of czaar van Moscovien’ was.74 Omdat er spoedig grote drommen nieuwsgierigen naar hem kwamen kijken, vertrok Peter al na een week naar Amsterdam, waar het gezantschap werd ondergebracht in het Oudezijds Herenlogement, als gast van de kooplieden die op Rusland handelden, waartoe ook Nicolaas Witsen behoorde.

Hoewel Peter geen officiële gast was, omdat men bleef respecteren dat hij incognito wilde zijn, liet het stadsbestuur zich niet geheel onbetuigd. De ambassadeurs werden verwelkomd met kanonschoten, en een stoet van ingezetenen met paarden en koetsen voerde hen door de stad naar hun logement, waar de schutterij stond opgesteld. 's Avonds werd er een show met vuurwerk vertoond op de Amstel, waarvoor de toeschouwers zich verdrongen op de bruggen. De dag na hun aankomst werden de tsaar en de gezanten ontvangen in het Amsterdamse stadhuis. Ze kregen de magazijnen van de admiraliteit te zien en werden daar geïnformeerd over de equipage van oorlogsschepen. De Amsterdamse heren waren verrast door de kennis van zaken die de tsaar daarbij toonde. Hij stelde zeer gedetailleerde en relevante vragen. Vervolgens werd voor hem op het IJ een spectaculair ‘spiegelgevecht’ georganiseerd, om hem te laten zien in welke formaties

[p. 239]



illustratie
Portret van Nicolaas Witsen (1641-1717), 1677. Hij publiceerde in 1671 Aloude en hedendaegsche scheepsbouw en bestier. In 1675 begon hij te verzamelen. Toen hij in 1687 de eerste kaart van Siberië (Tartarije) had laten maken, stuurde hij een exemplaar aan de tsaar, aan wie de kaart was opgedragen. In 1692 liet hij een studie over Noord- en Oost-Tartarije drukken, maar hij hield vervolgens de verspreiding tegen, omdat hij steeds nieuwe gegevens wilde opnemen. In de buurt van Nova Zembla werd een eiland naar hem genoemd. Ook een rivier in Australië en een bergketen in Zuid-Afrika kregen zijn naam. In 1689 werd hij benoemd tot lid van de Royal Society (Gemeentearchief Amsterdam).

[p. 240]

een gevecht op zee geleverd kon worden. Voor het oog van duizenden toeschouwers, verzameld op allerhande vaartuigen, werden er allerlei manoeuvres uitgevoerd, waarbij vanaffregatten en jachten werd geschoten.

Peter maakte kennis met Nicolaas Witsen.

Witsen leidde hem rond en bemiddelde tussen hem en het stadsbestuur. Witsen was daarvoor de aangewezen figuur: in de jaren 1664-1665 was hij zelf in Rusland geweest - hij had toen Peters vader ontmoet - en sindsdien had hij zich intensief met het land bezig gehouden. Toen de komst van het gezantschap was aangekondigd, had de commissie uit de Staten-generaal die was belast met de ontvangst onmiddellijk contact met hem opgenomen en hem gevraagd voor tolken te zorgen. Via Witsen kreeg de tsaar toestemming om op de VOC-werf te verblijven om de scheepsbouw te kunnen bekijken. Hij woonde vervolgens enige maanden aan de werf. Omdat die vanaf de stad alleen viel te bereiken via een ophaalbrug was hij daar beschermd tegen nieuwsgierigen. Hij bekwaamde er zich, met een aantal mannen uit zijn gevolg, in de scheepsbouw en van tijd tot tijd keek hij rond in de stad. Hij interesseerde zich voor de kwakzalvers op de Botermarkt, die hem tanden en kiezen leerden trekken.75

Behalve naar de zeevaart ging de belangstelling van de tsaar uit naar de medische zorg, in de eerste plaats om zieken en gewonden in het leger te kunnen behandelen. In Rusland bestond geen opleiding voor artsen. Pogingen om eigen medische scholen op te zetten waren gestrand. Alle geschoolde artsen hadden hun opleiding daarom in het westen ontvangen. In het hele Russische rijk waren slechts enkele tientallen geschoolde medici werkzaam. Witsen was tijdens zijn reis door Rusland verbaasd geweest over de achterlijkheid van de Russische geneeskunde: ‘de Russe medicament is brandewijn, peeper end knuflook’, had hij destijds genoteerd.

Vanwege Peters medische belangstelling bracht Witsen hem in contact met Frederik Ruysch, die hem zijn verzameling liet zien. De tsaar had bij zijn aankomst in Amsterdam al meteen de befaamde collectie bewonderd van Levinus Vincent, een handelaar in damast aan de Oudezijds Voorburgwal. Maar van de anatomische verzameling van Ruysch was hij bijzonder onder de indruk. Hij stelde voortdurend vragen en was niet bij de preparaten weg te slaan. Hij was zo verbijsterd over de levensechtheid van de gebalsemde kinderlijkjes dat hij er een omhelsde en kuste. Een mooier compliment kon Ruysch zich nauwelijks wensen. Vijfentwintig jaar later, toen hij inmiddels een man van in de tachtig was, blikte hij nog eens terug op deze triomf. Met onverhulde trots schreef hij: ‘ik heb 't aangezigt van een jonge zo fraaij toebereit dat een zeker groot monarch in Europa 't zelve omhelst en gezoent heeft’.76

Op 17 september tekende de tsaar het bezoekersalbum. In het Russisch schreef hij: ‘ik, hieronder genoemd, ben - op reis om het grootste deel van Europa te zien - hier in Amsterdam geweest, voor kundigheden waaraan ik al eerder behoefte had, hierbij dingen bekijkend, waaronder ik niet in de laatste plaats de kundigheid

[p. 241]



illustratie
De tekst die Peter de Grote in het bezoekersalbum van Frederik Ruysch schreef. Daaronder staat de enigszins onvaste handtekening van Alexander Menshikov (Universiteitsbibliotheek Amsterdam).

[p. 242]

op het gebied van de anatomie van de heer Ruysch heb gezien, en volgens de gewoonte van dit huis heb ik dit met eigen hand ondertekend’.77

Ruysch leidde de tsaar ook rond in de hortus. Daar werd de vorst opgewacht door de burgemeesters, die hem op enige verversingen onthaalden. ‘Vreemde bomen en planten, ook uit Indië’, tekende Peter op in zijn journaal, ‘in koude tijden worden ze in schuren bewaard.’

De tsaar kwam enkele malen bij Ruysch terug. Hij wilde alles weten over anatomie. Het liefst had hij alles waartoe Ruysch in staat was zelf willen kunnen, net zoals hij zelf de techniek van de scheepsbouw wilde beheersen. Hij volgde daarom lessen bij Ruysch. Onderweg naar het anatomisch theater werd hij gezien door de jonge Deense anatomicus Jakob Winsløv, die naderhand vermaard zou worden onder de naam Winslow. Winslow had in het voorjaar eerst een college van Bidloo in Leiden gevolgd. Tot zijn verbazing had hij Bidloo een uitleg van de bloedcirculatie in de foetus horen geven die helemaal niet strookte met de bestaande inzichten. Hij wist niet dat Bidloo die uitleg had overgenomen van een Franse arts, die er in Parijs de nodige ophef mee had veroorzaakt.78 Toen Bidloo hem tijdens het college vroeg wat hij ervan dacht, had hij naïefgeantwoord dat hij er niets van begreep en dat volgens hem Bidloos demonstratie ook niet klopte met zijn uitleg. Bidloo was daarop in woede uitgebarsten en had hem in het vervolg genegeerd, waarop Winslow naar Amsterdam was vertrokken. Daar was hij onder de indruk geraakt van de anatomische collectie van Ruysch. Tijdens een serie openbare lessen had hij twee kinderlijken bewonderd, die er geheel natuurlijk uitzagen. Op een ochtend had hij ook de tsaar gezien, alleen met Ruysch, zonder gevolg, in een rijtuigje op weg naar het anatomisch theater.79

De tsaar woonde een aantal lessen van Ruysch bij in de Waag, maar dat werd tot zijn spijt spoedig onmogelijk door de toeloop van nieuwsgierige toeschouwers. De penningen die toegang gaven tot de anatomische lessen werden door chirurgijnsleerlingen voor flinke sommen uitgeleend, zodat er allerlei volk binnen kwam dat niet was geïnteresseerd in de lessen, maar uitsluitend in de bijzondere gast. Ruysch reserveerde daarom de woensdagochtend om de tsaar wat bij te brengen over anatomie en over chirurgische ingrepen.

Peter wilde gaarne ook het ziekenhuis bezoeken. Maar als hij vanuit het herenlogement naar het daarnaast gelegen Sint-Pietersgasthuis wilde lopen moest hij zich een weg banen tussen drommen nieuwsgierigen, die op straat stonden te wachten tot hij zich zou vertonen. Speciaal voor hem maakte men daarom een doorgang, zodat hij niet over straat hoefde te gaan.

Op 20 september werd in het Huis te Nieuburg in de buurt van Rijswijk de vrede getekend. Nadat de Franse delegatie was vertrokken kon het Russische gezantschap in Den Haag worden ontvangen. De ambassadeurs verlieten Amsterdam en de tsaar volgde hen, vermomd met een blonde pruik, in het gezelschap van Nicolaas Witsen. Vanuit Den Haag bracht hij een bezoek aan Leiden, waar hij

[p. 243]

een voordracht bijwoonde van Govert Bidloo in het anatomisch theater, dat sinds kort was verrijkt met objecten uit Bidloos verzameling. Hij maakte er kennis met diens neef Nicolaas Bidloo, een veelzijdige jongeman die dat jaar bij zijn oom in de medicijnen was gepromoveerd en die hij in 1702 naar Rusland zou laten komen en aanstellen als een van zijn lijfartsen.80 Hij had ook een ontmoeting met Anthony van Leeuwenhoek, die met behulp van vergrootglazen de bloedsomloop in de doorzichtige staart van een jonge aal demonstreerde. Prompt liet de tsaar microscopen voor Rusland aanschaffen.

Op 27 november bezocht hij met Witsen en Ruysch, begeleid door Hudde, de jonge Zwitserse dokter Johann Konrad Amman, die naam had gemaakt met zijn lessen aan doofstommen. Nadat hij nauwkeurig had bestudeerd hoe spreken eigenlijk precies in zijn werk ging, had Amman bedacht dat hij doven zou kunnen leren spreken door hen de trillingen in hun keel te laten voelen. Na zijn promotie (in 1687, in Basel) was hij begonnen met de toepassing van zijn methode. Zijn sterpupil was Hester Coolaart, de doof geboren dochter van de Haarlemse koopman Pieter Coolaart. Zeven jaar eerder, toen het meisje zeven was, was Amman (destijds een jongeman van 21) met haar begonnen. Op dat moment maakte ze vrijwel alleen gebaren. Ze kon alleen ‘pappa’ zeggen. Haar vader had ook ‘mamma’ geprobeerd, maar dat was nooit gelukt. Amman legde uit dat dat kwam omdat doven uit zichzelf geen nasale klanken maakten. Hij wist het meisje binnen enkele maanden aan het spreken te krijgen. Hij liet haar haar stem ontdekken via de trillingen in haar keel. Vervolgens instrueerde hij haar om zijn bewegingen van kaken, lippen en tong te imiteren, eerst om letters te leren en daarna woorden en zinnen. Hij liet haar de klanken voelen door haar vingers op zijn keel te leggen en vervolgens op haar eigen keel, hij liet zien hoe hij de klanken vormde en hij gaf haar de opdracht in de spiegel kijken als ze het zelf probeerde. De remonstrantse predikant Philippus van Limborch, een kennis van haar ouders, had uitgebreid over haar geschreven aan John Locke. Hij had gezien dat ze binnen een half jaar hele zinnen kon maken. Ze was al in staat om het Onze Vader op te zeggen. Lezen had ze ook geleerd, want als ze letter