De doodskunstenaar


auteur: Luuc Kooijmans


bron: Luuc Kooijmans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2004  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 423]

[11]
De erfenis

Frederik Ruysch had altijd een opmerkelijk sterk gestel gehad. Volgens de overlevering was hij in zijn hele leven misschien een maand ziek geweest. Maar in de laatste maanden van 1730 werd duidelijk dat het einde nu toch echt naderde. De eerste voorbereidingen werden getroffen. In november werd een akte opgemaakt waarin zes familieportretten werden gelegateerd aan de drie nog levende kinderen, de dochters Rachel, Anna en Elisabeth. Het belangrijkste deel van zijn nalatenschap, zijn verzameling, was nog niet verkocht en omdat hij het persoonlijk niet meer kon doen, gaf hij aan het einde van het jaar zijn twee oudste schoonzoons, Jurriaan Pool en Isaac Hellenbroek, volmacht om die te verkopen, inclusief ‘alle cassen, doosen, vlessen, huijsies, instrumenten van injectie, ciraeden, nog eenige flessen met insecten, animalia etc.’. Een gedeelte van de verzameling was beschreven in de twee gedrukte catalogi die Ruysch had gepubliceerd en de rest in een manuscript. De verkoop moest minstens 22.000 gulden opbrengen, en Ruysch wilde de collectie bij voorkeur verkopen aan het Engelse hof of de Royal Society. Zijn schoonzoons machtigden een Engelse medicus, Imanuel Mussapha, die kort daarvoor was afgestudeerd in Leiden, en inmiddels als arts was gevestigd te Londen, om de collectie, plus de kruidboeken, in Engeland te verkopen. Mussapha was op dat moment in Amsterdam en hij was de laatste die zijn naam in het album van Frederik Ruysch zou zetten.1

11.1 De nalatenschap

Frederik Ruysch stierf op 22 februari 1731 in zijn huis op de Bloemgracht. Hij was 92. Jurriaan Pool en Isaac Hellenbroek traden op als executeur-testamentair. De begrafenis werd vastgesteld op 27 februari, en op die dag werd het lijk van de ontleder in de Nieuwe Kerk in een graf gelegd. Een week later, op 6 maart, werd een begin gemaakt met de inventarisatie van de nalatenschap. De inventarisatie begon op zolder, en werd voortgezet op de bovenverdieping, waar in een voorkamer de tafellakens met een roos erop werden bewaard. Zo werden de kamers van

[p. 424]

boven naar beneden afgewerkt. In een achterkamer trof men ‘eenige rariteijten & liefhebberije van de chirurgie’ en twee boekenkasten. In totaal werden er in het huis 187 folianten geteld, 160 boeken in quarto en 300 kleinere boeken, plus enige pakketten boeken die niet waren ingebonden. In het portaal stond een kast met anatomische rariteiten. In het voorhuis (met witte glasgordijnen voor de ramen) bevonden zich, naast een vaste kast met kleren, een zitbank en een barometer, achttien schilderijen. De centrale ruimte was de ‘grote zaal’, die was voorzien van zijden behangsel. Daar hingen de zes familieportretten die waren gelegateerd aan Rachel, Anna en Elisabeth. In totaal hingen er zeventien schilderijen. Naast een eettafel, een twaalftal stoelen, een grote spiegel met een vergulde lijst, een staande klok in een notenhouten kast en een cupido, bevonden zich in de zaal de acht kabinetten met achter glas de ‘anatomische rariteijten’. Voorts stond er een houten tombe, en werden er gedroogde bloemen bewaard, in drie lijsten met glas.

De ‘grote zaal’ fungeerde als ontvangstruimte, de ‘eetkamer’ als woonkamer. Daar trof men een vaste porseleinkast (met porselein en zilveren serviesgoed), een kast met koper en tinnen serviesgoed, een drietal inktkokers, een trechter, een vierkante spiegel met glazen lijst, een rustbank, stoven, schenktafeltjes, theeblaadjes en een haard. Er was nog een kamer, wellicht die van Elisabeth, waarin zich enkele schilderijen bevonden, onder meer ‘twee glase lijsjens daar in blomstukjens & beesjens’.

In het kantoor werden geld, medailles, sieraden en effecten bewaard. Er stond een ijzeren geldkist. Onder de bezittingen van Frederik Ruysch bevonden zich een gouden medaille van de koning van Polen, een gouden penning met zeeheld Tromp (waarschijnlijk gemaakt door de vader van Jurriaan Pool) en een goud gemunte penning en medaille van de koning van Engeland (vermoedelijk vanwege het balsemen van admiraal Berkeley). Er was voor een bedrag van 2804 gulden aan zilvergeld in kas en voor 1792 gulden aan gouden munten. Ruysch had effecten bezeten ter waarde van 29.000 gulden, ongeveer het bedrag dat hij had gekregen voor zijn eerste verzameling. Daarvan had hij 27.800 gulden geïnvesteerd in obligaties ten laste van de provincie Holland, en 1200 gulden ten laste van de verenigde provincies, de Generaliteit. Hij had een schuld van 4250 gulden aan zijn schoonzoon Jan Heijn, de man van zijn overleden dochter Maria Jacoba, waarop hij nimmer rente had betaald. Voorts werd bij de inventarisatie nog genoteerd dat Ruysch aan de Bloemgracht behalve zijn eigen huis tevens het huis ernaast had bezeten, dat werd bewoond door Gerrit Opperloo. Na een week kon de akte worden getekend, voor notaris Abraham Tzeeuwen.2

De waarde van de verzameling maakte ongeveer een derde uit van de totale waarde van de nalatenschap. Omdat de erfgenamen niet van plan waren om de verzameling te behouden werd een advertentie opgesteld, waarin werd aangekondigd dat hij te koop was. Op 10 april verscheen de advertentie in de Amsterdamsche Courant.

[p. 425]

Herman Boerhaave deed intussen zijn best om de verzameling te slijten aan een vorstelijk hof of een wetenschappelijke instelling. Op 19 april schreef hij aan de geleerde arts Johann Baptista Bassand (keizerlijk lijfarts te Wenen) dat hij zijn beste en dierbaarste vriend had verloren, namelijk Frederik Ruysch, wiens beeld hij in het binnenste van zijn hart zou bewaren. Hij maakte Bassand erop attent dat Ruysch een volledig anatomisch museum en naturaliënkabinet had nagelaten. Het was nu te koop en Boerhaave zou het prettig vinden als het in zijn geheel bij een vorst of een andere aanzienlijke koper terecht zou komen. Het was tenslotte een unieke verzameling: iets dergelijks was er nog nooit geweest en zou er ook nooit meer komen. De koning van Polen had interesse getoond, maar die had er uiteindelijk toch vanaf gezien, omdat hij andere dingen had gekocht, liet Boerhaave weten.3

Begin maart had hij al geschreven aan de plantkundige Philip Miller, die verantwoordelijk was voor de Chelsea Physick Garden, de tuin van de Londense Society of Apothecaries: ‘icy le prince de touts les anatomistes, Frederic Ruysch est mort, a l'age de 93 ans. Son cabinet anatomique, qu'il a fait avec son fils est resté entier entre ses heritiers; il est impossible de trouver un pareil dans toute l'Europe.’ Boerhaave zei te vrezen dat de verzameling in Polen terecht zou komen, of in Rusland, om bij de eerste verzameling te worden gevoegd. Dat zou hij spijtig vinden. Hij had liever dat de collectie in Engeland of in Frankrijk zou worden bewaard. Maar dan moest men daar snel handelen, want anders was het te laat.4

Omdat hij geen reactie had gekregen schreef hij in mei nog een keer aan Sloane. Hij vertelde dat de anatomische schatten die Ruysch had voltooid met zijn laatste adem, waarin de ware structuur van het menselijk lichaam was te zien, werden verkocht door zijn erfgenamen. Iets vergelijkbaars was nooit vertoond en het was onwaarschijnlijk dat dat op korte termijn zou gebeuren. Het was het resultaat van 69 jaar arbeid door een zeer vaardig kunstenaar. Alle lichaamsdelen waren zo geprepareerd dat de subtielste details zichtbaar waren. De verzameling trok veel belangstelling en kon tevens worden gebruikt voor onderzoek en onderwijs. Boerhaave vroeg Sloane erover te denken, misschien zou hij de collectie voor zijn land willen aanschaffen. Het zou een duurzaam bezit zijn, want een instructie voor het conserveren van de preparaten zou worden bijgeleverd.5

Sloane ging niet op het aanbod in. Omdat er ondanks de inspanningen van Herman Boerhaave geen koper werd gevonden, besloot men de nalatenschap te veilen, waarbij het mogelijk zou zijn om onderdelen apart te verkopen. Er werd een veilingcatalogus opgemaakt voor de anatomische preparaten, in het Latijn en in het Nederlands.6 Op 2 augustus werd de veiling aangekondigd in een advertentie in de Amsterdamsche Courant.7 Twee weken later, op woensdag 15 augustus, zou de verkoop plaatsvinden, in het huis met de roos aan de Bloemgracht, onder leiding van de makelaars Gerrit Schoemaker, Vincent Posthumus en Frederik Ruysch Pool, de oudste kleinzoon. Het ging om negen kasten met preparaten, een

[p. 426]

grote hoeveelheid kistjes en doosjes en 27 herbaria. De schilderijen (van onder anderen Willem van Aelst, Jan Davidsz de Heem en Jan Steen) werden twee maanden later apart geveild.8

De erfgenamen hadden nauwe banden met de makelaars. De jongere broer van Frederik Ruysch Pool, Isaac Ruysch Pool, was een zwager van Gerrit Schoemaker. Beiden waren getrouwd met een dochter van de apotheker Hendrik Esser. Isaac Ruysch Pool was net als zijn vader in de lakenhandel gegaan en Gerrit Schoemaker was de zoon van de lakenhandelaar Andries Schoemaker, die jarenlang in de Bloemstraat had gewoond. Vader en zoon Schoemaker waren enthousiaste verzamelaars van munten en penningen, tekeningen en oude handschriften. In hun gezelschap verkeerden diverse dichtende vrienden, onder wie Ludolf Smids, Claas Bruin en Pieter Langendijk. Terwijl de makelaars zorg droegen voor de materiële nalatenschap, bekommerden de dichters zich om de naam van de overledene. Claas Bruin schreef een vers Op het godvruchtig afsterven van den hooggeleerden heere Frederik Ruysch:

 
_‘word voor een land- of waterheld, schoon door een kwaad gedrag bedorven
 
een prachtig grafgewelf bereid, ten koste van veel bloeds en traanen
 
tot loon voor zijne dapperheid, om dus een weg tot roem te baanen,
 
wat zuil word dan niet opgehaalt! wat tombe van geduurzaam marmer
 
dan niet voltooit, 't geen blinkt en praalt voor Ruysch, dien moedigen beschermer
 
der kranken! ja dien staf en stut der blinden, dooven en gewonden!’

Een groot deel van de te koop aangeboden preparaten werd uiteindelijk toch verkocht aan de koning van Polen, de Saksische keurvorst Friedrich August, die het eerste recht van koop had gekregen. Hij betaalde er twintigduizend gulden voor. De collectie werd opgesteld aan het hof in Dresden. De nieuwe eigenaar stierf echter spoedig, reeds op 1 februari 1733. In de jaren daarna werd er gestreden om zijn Poolse troon. De aanvankelijk gekozen koning werd verdreven door een Russisch leger, en zoals destijds Friedrich August met steun van tsaar Peter op de troon was gekomen, werd nu diens zoon als opvolger aangewezen. Friedrich August II schonk de verzameling van Ruysch aan de universiteit van Wittenberg, waar een vroegere leerling van Ruysch, Abraham Vater, als professor in de anatomie fungeerde. Hij gaf een catalogus van de collectie uit.9

Van de rest van de collectie kwam een gedeelte terecht bij de verzamelaar Adrianus Deknatel. Deknatel, een broer van de doopsgezinde predikant Johannes Deknatel, zelf apotheker, had allerlei bijzondere dieren en schelpen verzameld, onder andere uit de collectie van Seba, maar toen zijn verzameling in 1765 werd geveild, werden vooral de preparaten van Ruysch aangeprezen. Daaronder was bijvoorbeeld een foetus van drie maanden, ‘met zijn vliezen en navelstreng’, ‘een zeer fraaij kindje van een zwartin’, met sieraden, en ook ‘de hersenen van een mensch... zeer fraaij opgespooten met roode stof’.10

[p. 427]

11.2 Traditie contra verlichting: Titsingh en Ulhoorn

De dood van Frederik Ruysch was voor diverse dichters aanleiding om hem in verzen te memoreren. Gevierde poëten als Claas Bruin en Sybrand Feitama schreven gedichten en een grafschrift op Ruysch.11 Diens lichaam werd ‘in 't graf ontleed, verteert tot damp en stof’, volgens Bruin, wiens eigen lichaam spoedig hetzelfde lot zou ondergaan. Sybrand Feitama (die Maria Sybilla Merian al had bezongen) componeerde een Praalgraf voor den hooggeleerden heere Frederik Ruysch, waarin Ruysch ‘Neerlands Eskulaap’ werd genoemd. Feitama had ook een vers geschreven ‘op de beeltenissen van den heere Juriaan Pool en mejuffrouwe Rachel Ruisch, door hemzelven kunstig geschilderd’.12 Rachel Ruysch had inmiddels zo'n grote naam dat ze veelvuldig werd bezongen, en in de verzen die aan haar waren gewijd werd ook haar vader steevast gememoreerd. Toen Arnold Hoogvliet een lofdicht voor haar schreef, liet hij haar weten dat hij dat deed met de bedoeling ‘met gezangen, uw kunstpenseelen, groot van faem, naest vaders wijdberoemden naem, aen 't blinkent stargewelf te hangen’. In een gedicht ‘op de uitmuntende bloem- en fruitstukken van mejuffrouwe Rachel Ruysch’ werd Rachel omschreven als de oudste telg van Ruysch, ‘die aan het Y de ontleedkunde op 't volmaaktst ten eertroon heeft verheven’. In een ander gedicht op Rachel heette hij opnieuw ‘Neêrlands Eskulaap, den grooten Ruisch’.

Bram Titsingh had Ruysch al vaak in woord en geschrift geprezen, maar liet in zijn eerste publicatie na de dood van de oude man niet na om nogmaals zijn lof te zingen. Hij citeerde Boerhaave, die over Ruysch had gezegd dat hij ‘de wiskonst aan geneeskonst heeft gegeven, en uit der dooden geur aan halve dooden 't leven’. Tot zijn spijt moest de Amsterdamse heelkunde het in het vervolg stellen zonder Ruysch, ‘aan welkers klare ontdekkingen de geneeskunde meer verpligt is als aan alle andere ontleedkundige schrijveren; hij is of was een parel aan de kroon der stad Amsterdam, die de tijd noch de nijd kan roven. O hij was een treffelijk man!’13

Toen Frederik Ruysch werd geboren was de bloedsomloop nog een omstreden ontdekking. Hij had een heroïsche periode meegemaakt, waarin veel ontdekkingen werden gedaan en veel nieuwe inzichten ontwikkeld. Toen hij stierf was het tijdperk aangebroken dat de geschiedenis zou ingaan als ‘de verlichting’. In de Amsterdamse heelkunde werd de geest van de verlichting gepersonifieerd door Hendrik Ulhoorn. Ruysch behoorde voor hem duidelijk tot een generatie die nog te veel had vastgehouden aan traditionele inzichten. Ulhoorn erkende de verdiensten van de voorgaande generatie, maar hij vond dat er een nieuwe tijd was aangebroken, waarin rationele inzichten alle traditionele denkbeelden zouden moeten vervangen. Daardoor kwam hij in conflict met Titsingh, en een van hun strijdpunten was de betekenis van Ruysch voor de Amsterdamse heelkunde.

Ruysch had nog meegemaakt dat het anatomiehuisje bij het gasthuis werd verbouwd tot een lokaal waar twee- tot driehonderd toeschouwers konden wor-

[p. 428]

den samengepakt om de lessen in de chirurgie te volgen, die Hendrik Ulhoorn er zou gaan geven. Ulhoorn gaf sinds 1720 al demonstraties in het gasthuis, maar de ruimte daar was veel te klein voor het aantal belangstellenden. Bovendien was de lijkenlucht er nogal nadrukkelijk. Begin 1731 kon het nieuwe lokaal worden ingewijd. Op 19 januari hield Ulhoorn een rede ter gelegenheid van de opening van de nieuwe ‘vertoonplaats’. Het was een beschouwing over ‘het nutte der heelkonst en haare verknochtheijd aan de geneeskonst’.14 Hij kondigde aan te zullen beginnen met de heelkundige handgrepen, ‘omdat zeer weinig heelmeesters in dit stuk handig en ervaren zijn, uit oorzake dat deze leerstukken in vroeger tijd nooit in order, nog in volkome uitvoer hier ter stede vertoont zijn’. Daarna ging hij over tot zijn lessen, en tijdens de eerste les na diens dood wijdde hij ‘een billijke, dog kleijne lijkreeden’ aan Frederik Ruysch.

Zijn colleges waren een groot succes. De zaal bleek al direct weer te klein te zijn. De toevloed was soms zo groot dat wel honderd belangstellenden moesten worden teleurgesteld. Ulhoorns onderwijsopdracht werd vervolgens uitgebreid en hij kreeg van stadswege een salaris als lector in de praktische heelkunde. Tot dan toe hadden de leerlingen wel de lessen van Ruysch gekregen, maar de praktische chirurgie hadden ze van hun meester moeten leren, en omdat de meeste chirurgijns slechts een beperkte heelkundige kennis bezaten, was de opleiding meestal gebrekkig. Het college van Ulhoorn moest het fundament leveren voor de praktische vaardigheden van de leerlingen. Hij deed zijn best om de leerstof op begrijpelijke wijze te presenteren. Hij werkte volgens een duidelijke systematiek en probeerde de stof niet alleen met woorden in te prenten, maar ook met afbeeldingen. Hoewel hij veel nadruk legde op het belang van vaardigheid in het opereren, beklemtoonde hij tevens dat die vaardigheid niets waard was als hij niet werd ondersteund door gedegen kennis. Op die manier probeerde hij een brug te slaan tussen het theoretische onderwijs aan de universiteit en de praktische scholing van de chirurgijns.15

Ulhoorn had dus succes als docent, maar op het politieke front had Titsingh het pleit in zijn voordeel beslecht. In september werd hij in het gildebestuur benoemd. Hij probeerde daar nog Adriaan Verduijn aan zijn zijde te krijgen, met een beroep op de reputatie van diens vader, die tenslotte een van de grootste helden van de Amsterdamse heelkunde was geweest, maar Verduijn koesterde weinig respect voor Titsingh en diens pogingen bleven daarom vergeefs.16 Vervolgens ging Titsingh ertoe over om de hele overliedenkliek in diskrediet te brengen.

Hij vertelde dat hij op een maandag in oktober bij Boerhaave in Leiden was. Een week later werd hem door een van de overlieden onverwacht geld overhandigd. ‘Ik vroeg, waarvan? Wij hebben, zeide hij, voorgaande maandag een barbiertie gemaakt, en daar van is dit uw portie.’ Kennelijk meenden de overlieden dat ze Titsingh met geld wel aan hun zijde konden krijgen, maar ze hadden zijn rancune onderschat. ‘Ik schoof het geld van mij af’, vertelde hij. Toen hij vervolgens

[p. 429]

de gildeknecht het ‘formulierboek’ had laten pakken om een protest aan te tekenen, hadden de overlieden dat trachten te beletten.17 Behalve geld voor de examens verdeelden de overlieden ook wat overschoot van de entreegelden voor de openbare anatomische lessen onder elkaar, en er werd onevenredig veel geld aan de gezamenlijke maaltijd besteed. Dat werd verhaald op weduwen en zieken, die te weinig steun ontvingen, en op knechts, die werden gedwongen allerlei extra bedragen te betalen om hun meesterproef te kunnen afleggen. Titsingh spoorde alle benadeelden aan om klachten in te dienen bij het stadsbestuur, en in december waren er vijf rekesten ingediend met klachten tegen de overlieden - door de meesterbarbiers, door diverse chirurgijns en door weduwen van chirurgijns. De burgemeesters stelden de klachten in handen van een commissie, die moest uitzoeken of ze gegrond waren. In de onderzoekscommissie werden naast Willem Röell en stadssecretaris Jan Trip Jacobsz drie medestanders van Titsingh benoemd. De commissie concludeerde spoedig dat alle klachten gegrond waren, waarop de hele bestuurskliek werd afgezet en niet herkiesbaar verklaard. Geen van de overlieden uit de periode 1721-1731 mocht ooit nog worden verkozen. De burgemeesters besloten af te zien van gerechtelijke vervolging.18

Nadat ze het vonnis hadden vernomen kwamen de overlieden bij de president-burgemeester, Jan Trip, vragen of ze hun jaar niet mochten uitdienen. Die was niet geamuseerd. Volgens Titsingh antwoordde hij: ‘doen burgemeesteren U lieden geen gratie genoeg... of weet gijlieden niet wat men doed met meineedigen?... vertrekt, of wij zullen met U lieden wat anders doen’. Daarop dropen de overlieden af.19 Titsingh kreeg de opdracht om een nominatie van tien op te stellen, waaruit het stadsbestuur vijf nieuwe overlieden zou kiezen.

Op de nominatie kwam ook de naam van Hendrik Ulhoorn te staan, maar hij werd niet verkozen. Titsingh zorgde ervoor dat hij vijf onervaren medebestuursleden kreeg, van wie hij kon verwachten dat ze zijn aanwijzingen zouden opvolgen. De nieuwe overlieden lieten zich, als aandenken aan hun aanstelling ter hervorming van het gilde, onmiddellijk portretteren door Jan Maurits Quinkhard, voor zeshonderd gulden. ‘Elk ten kosten van zijn eigen beurse’, verzekerden ze, ‘zonder het gilde te belasten en om 't schilderije aan den gilde te schenken.’ Op verzoek van Willem Röell werd zijn portret aan het schilderij toegevoegd. Hij was gaarne bereid daar extra voor te betalen. Weliswaar had hij zich al een keer als docent laten portretteren, maar in het gezelschap van overlieden die inmiddels wegens corruptie waren weggestuurd, en dat was dus geen gezelschap waarmee hij gaarne voor eeuwig verbonden wilde zijn.

De coup in het chirurgijnsgilde had in de stad veel opzien gebaard. De chroniqueur Jacob Bicker Raye liet niet na er een aantekening over te maken. Volgens hem waren de overlieden ‘infaam en inabiel en nooijt nominabel verklaart’, omdat ze meer dan dertigduizend gulden hadden onttrokken aan de gildekas, ten nadele van weduwen en wezen.20 Na de ingreep van het stadsbestuur regende het satirische pamfletten, waarin de wandaden van de afgezette overlieden breed

[p. 430]



illustratie

De overlieden van het chirurgijnscollege, door Jan Maurits Quinkhard, 1732. Geheel rechts Abraham Titsingh en in de lijst rechtsboven Willem Roëll (collectie Amsterdams Historisch Museum).


[p. 431]

werden uitgemeten. De overlieden hadden allemaal een rijtuig gekocht zodra ze een plaats in het gildebestuur hadden gekregen en dat vertoon van status keerde zich nu tegen hen. Naast pamfletten als De schreijende Amsterdamsche Weeuwen over het ontsteelen van haar inkomsten verscheen er ook een zogenaamde aankondiging van een Verkoopinge van extra schoone barbierskoetspaarden.

Titsingh hield grote schoonmaak. De gildekamer werd opgeknapt en de schilderijen gerestaureerd. Iedereen kon zich vinden in het besluit ‘om alle schilderijen te doen ophelderen of schoonmaken’, met name de anatomische les van zijn held Claas Tulp. Men besloot tot reparatie van de mantel van Tulp, die was afgeschilferd, ‘verzengd doordien een vuurge rook langen tijd tegen dat schoone stuk van Rembrandt heeft geklommen’.21 Maar toen Titsingh van zijn volgelingen eiste dat ze een dankbetuiging aan het stadsbestuur zouden presenteren, vanwege het aanstellen van hem zelf tot overman en het ‘deporteren der oude overlieden’, aarzelden ze. Enkelen van hen kwamen daarover Ulhoorns mening vragen. Die zei dat hem dat voorbarig leek, ‘dat wij tot nog toe niet konden weten of de nieuw aangekoome overluiden de zaaken beter zouden behandelen dan de oude en afgezette gedaan hadden’. Bovendien, aldus Ulhoorn, begon men in te zien ‘dat Abram Titsingh niet als reformateur, maar veel eer als usurpateur te werk ging... en dat het daarom veijliger was het dankzeggen uit te stellen omdat men anders mogelijk voor iets kwaads zoude bedanken, namentlijk voor den persoon van Titsingh’. Er werd besloten niet te bedanken.22

Titsingh had zich ontpopt als een ongeduldige alleenheerser, die daardoor spoedig zijn krediet verspeelde. Vooralsnog werd hij gesteund door het stadsbestuur, maar hij had het vertrouwen verloren van Hendrik Ulhoorn, die in belangrijke mate had bijgedragen aan de coup door zijn krediet te gebruiken om de steun van andere chirurgijns te winnen. Ulhoorn publiceerde in januari 1732 een brief aan Titsingh.23 Het was ogenschijnlijk een studie over de spina bifida, maar het ging tevens over de Amsterdamse heelkunde, die ze samen hadden willen hervormen.

Ulhoorn had een nieuwe theorie ontwikkeld over de spina bifida, de splijting van de wervelkolom waarbij ruggenmerg en vliezen uit de wervelkolom traden, de zogenaamde ‘open rug’. De spina bifida was als eerste afgebeeld door Claas Tulp, en daarna door Job van Meekeren, Dirk Kerckrink, Frederik Ruysch, Cornelis Stalpart en Govert Bidloo, maar niemand had er een overtuigende verklaring voor gevonden. Gangbaar was nog de opvatting van Tulp, die meende dat de kwaal werd veroorzaakt door de inbeelding van de moeder. Ulhoorn wilde niet uitsluiten dat de inbeelding van invloed zou kunnen zijn op de vrucht, ‘maar zodra natuurlijke oorzaaken konnen gevonden worden is 't billijk dat wij van de onbegrijpelijke afzien’, vond hij. ‘Het gebrek van spina bifida noemen we geen ziekte van inbeelding, of indrukking van gedagten der moeder, neen, daar schijnbaare oorzaaken te vinden zijn, zal men de zwakke inbeeldinge verwerpen.’24 Als inbeelding de oorzaak was, zou het gebrek verschillende vormen moeten aan-

[p. 432]



illustratie

Afbeelding van een spina bifida uit Hondert anatomische en chirurgicaale aanmerkingen (1690). Daarnaast zijn drie wervelbeenderen afgebeeld.


[p. 433]

nemen, al naar gelang de inbeelding, meende Ulhoorn. Hij had het onderwerp behandeld op 10 december 1731 tijdens zijn lessen in het gasthuis. Daar had hij betoogd dat de wervels werden gespleten omdat er te veel druk op kwam en hij dacht dat de afwijking ontstond door gebrek aan vocht in de baarmoeder, in combinatie met de ligging van het kind. Normaal gesproken had de vrucht voldoende ruimte om zich te wentelen, maar als er in de baarmoeder gebrek aan vocht was ontstaan, ‘zo moet noodzakelijk hier uijt volgen dat de zeer teedere beenstoffe van de ruggegraat der vrugt hoe langer hoe meer in den ander gedrongen en gedrukt word’, dacht hij, ‘tot zoverre dat de lendenwervelen vaneen splijten en alzo werd de spina bifida te weege gebragt’. De beentjes werden dan krom, maar vooral de lendenwervelbeenderen.

Behalve op Tulp leverde hij en passant kritiek op het onderwijs in de ontleedkunde in Amsterdam, en daarmee impliciet op Ruysch, en hij stond daarmee op de tenen van Titsingh, die in de Verdonkerde heelkonst op Ulhoorns tenen was gaan staan door schamper en laatdunkend te schrijven over de Parijse heelkunde.

Ulhoorn gaf zelf onderwijs, maar het was volgens hem nodig dat meer kundige chirurgijns zouden gaan lesgeven, zoals in Parijs. Heelkunde, betoogde hij nogmaals, kon niet in volle omvang op de universiteit worden geleerd, en daarom kon het onderwijs niet worden overgelaten aan doctores medicinae. Hij had Titsingh, toen die in het gildebestuur was benoemd, voorgesteld dat de overlieden beurtelings zouden gaan lesgeven. Titsingh vond dat een bedreigend voorstel, want hij voelde wel dat van hem, als aanvoerder van de chirurgijns en als auteur van heelkundige werken, het een en ander zou worden verwacht en hij wist dat hij dan door de mand zou vallen. Ulhoorn begreep dat maar al te goed. Hij voorspelde dat als de overlieden de opdracht zouden krijgen om onderwijs te gaan geven ‘zeekerlijk veele, zo zij niet alle wilden bespot worden, van het zoete overmanschap zouden wegloopen’.

Ulhoorn zei dat hij gaarne een heelkundige kweekschool zou zijn begonnen, waarbij hij het onderwijs samen met Röell had kunnen geven. Maar hij had tot zijn spijt moeten constateren dat hij zich niet mocht verheugen in diens vriendschap. Ulhoorn begreep niet waarom Röell hem zijn vriendschap onthield. Hij had daarover al verscheidene keren met Titsingh gesproken en ze hadden geconcludeerd dat het aan Röells karakter moest liggen, want hij bewees hem alle verschuldigde eer. Ulhoorn was niet van plan zich in bochten te gaan wringen om Röell voor zich te winnen: ‘'t is mij onmogelijk iemant, wie het ook zij, met bedriegelijke koesteringen, laffe loftuijtingen en geveinsde beleefdheden en vleierijen op te houden, om daardoor voordeel of gunst te behaalen, wel weetende dat die lafheden en bedriegerijen niet op den duur zijn’.25 Hij moest daarvan dan wel de gevolgen ondervinden, had Titsingh hem uitgelegd, want als hij niet in goede vriendschap met de heer Röell verkeerde, zou het moeilijk worden om in het gildebestuur te komen.

[p. 434]

Ulhoorn had gemerkt dat Titsingh nerveus was geworden van zijn werkje over de spina bifida. Titsingh had beloofd als reactie een vriendelijke geleerde brief te zullen schrijven, maar in plaats daarvan publiceerde hij in juli 1732 een kwaadaardig boekje, getiteld Heelkundige verhandeling over de tegennatuurlijke splijtinge der ruggegraat. Het was een verhandeling die volgens een inmiddels beproefd recept was samengesteld: temidden van een mengelmoesje van geleerde citaten werd een tegenstander zwart gemaakt. Kennelijk was Titsinghs oogmerk dit keer om Ulhoorn als concurrent uit te schakelen. Nu hij in het gildebestuur zat, moest hij Ulhoorn daaruit zien te weren, omdat hij anders onherroepelijk in diens schaduw zou komen te staan. Gestimuleerd door Röell probeerde hij daarom Ulhoorn op zijn plaats te zetten. Hij leverde kritiek op het onderwijs waarmee Ulhoorn zoveel succes had. Hij beschuldigde Ulhoorn ervan dat hij zijn lessen gebruikte om naam te maken en herinnerde hem eraan dat de lessen waren bedoeld als praktisch onderwijs voor de aankomende chirurgijns. Wie dacht Ulhoorn wel dat hij was? Als eenvoudige chirurgijn deed hij een beetje laatdunkend over de universiteit en kwam hij ook nog eens met een geheel nieuw concept omtrent de open rug: de geleerden stonden ervan te kijken ‘als een koei voor een nieuw hek’.26

Titsingh, de kampioen van de chirurgijns, betoogde dat een chirurgijn veel minder onderlegd was dan een doctor. Hij stelde chirurgijns voor als ‘arbeidslieden’ waarover doctores konden beschikken, zoals architecten over timmerlieden. ‘Om deze reden moeten wij tragten met geleerde mannen gemeenzaam te verkeeren’ (zoals hij zelf deed), ‘dat is nutter als ons op te vullen met eigen wijsheid en ingebeelde wetenschap in de heelkonst’ (zoals Ulhoorn). De kloof die Ulhoorn trachtte te dichten, probeerde Titsingh dus in stand te houden. ‘In uw eerste openbare oeffening op het Theatrum in 't gasthuis, in het bijzijn van een aanzienlijk getal, bestaande uit verscheide zoorten van meest onkundige toehoorders, hebt gij na uw zwak vermoogen striktelijk gevolgt de operatiën der chirurgie zoals die zijn voorgeleerd en beschreeven door de hoogleeraar L. Heijster’, hield Titsingh zijn voormalige vriend voor. Terwijl mannen als Tulp en Ruysch hun ideeën hadden gestoeld op een combinatie van jarenlange ervaring en universitaire wijsheid, was Ulhoorn zomaar met een nieuwe theorie gekomen, gesteund door geen enkele autoriteit, alleen gebaseerd op zijn eigen redenering. ‘Wij swakke oeffenaars moeten omzoeken na ware ondervindelijke bewijzen’, verklaarde hij. Een chirurgijn moest leren van de ervaring van andere artsen, en niet gaan theoretiseren.27

Titsingh had eerder een boekje over het steensnijden uitgegeven dat was gericht tegen Jacobus Denijs. Dat was, in het spoor van de Verdonkerde heelkonst, tamelijk effectief geweest, maar dit keer had hij te maken met een tegenstander van een ander kaliber. Hendrik Ulhoorn voelde zich dermate gegriefd dat hij besloot de wereld te tonen wie Bram Titsingh was.

Hij deed dat eerst, in nog betrekkelijk bedekte termen, tijdens zijn college, waarin hij de spot dreef met Titsinghs geschriften. Titsingh reageerde daarop met

[p. 435]

schelden en het verspreiden van smadelijke papieren. Na een les van Röell klampte hij Ulhoorn aan met de vraag waarom hij hem in het openbaar had belasterd. Ulhoorn zei dat het zijn plicht was schadelijke opvattingen te bestrijden en dat Titsingh als een ‘verderf van onze heelkonst’ moest worden aangemerkt. Vervolgens publiceerde hij een Tweede vertoog over de spina bifida, waarin hij zich rechtstreeks tot Titsingh wendde in een vernietigende tirade.

Titsingh had de opvattingen over de spina bifida van zijn helden Tulp en Ruysch verdedigd, maar Ulhoorn wilde eigenlijk niet op de technische inhoud ingaan, om geen ‘roozen voor de varkens te werpen’. Die zouden toch alleen maar worden vertrapt. Hij ridiculiseerde Titsinghs gebruik van geleerde citaten, terwijl de man geen andere taal machtig was dan het Nederlands. Maar hij onthulde vooral Titsinghs malicieuze karakter, en in het bijzonder zijn neiging tot kwaadspreken en intrigeren. In Titsinghs pamfletje had hij niets anders aangetroffen dan een mengelmoes van laster en verwarde denkbeelden. Slechts hier en daar stonden enkele nuttige dingen, ‘die, wanneer ze bij malkander wierden gevoegd een briefje ter grootte van ruijm een blad hadden konnen uitmaaken’.

Ulhoorn had moeten lachen toen hij zag dat Titsingh auteurs als Willis, Winslow, Borelli en zelfs Newton had aangehaald. Om geleerdheid en ontleedkundige kennis te suggereren had Titsingh hulp verzameld van lieden die voor hem stukken en brokken uit het werk van dergelijke beroemde auteurs hadden vertaald, of zelf iets hadden opgeschreven, en dat alles had hij ‘zodanig door malkander gehaspelt en bedurven dat men er hoofdt nog staart aan weet te vinden’.28 Het resultaat, waarmee Titsingh nogal in zijn schik scheen te zijn, werd door ieder ander beschouwd als ‘een hakmoes door malkander... met schelden en schimpen vermengt’. Ulhoorn wist er alles van. Toen Titsingh aan zijn grote boek werkte, had hij de deur bij Ulhoorn platgelopen. Ook anderen hadden Titsingh hun ervaringen verteld. Ulhoorn wist ‘dat veele onser amptgenooten bij monde veele zaaken u hebben verhaalt, die gij daarna, alsof het u zelf gebeurt was, met veel ophef, en ook zomtijts abusief hebt verhaalt en beschreeven, waarvan dan eindelijk een werk is geworden dat met regt den naam van Verdonkerde Heelkonst draagt’.

Ulhoorn vertelde dat Titsingh tijdens zijn lessen altijd naarstig aantekeningen had zitten maken. Aanvankelijk had dat prijzenswaardig geleken, maar naderhand bleek hij dat alleen maar te doen om aan de behandelde zaken ‘een verkeerden draaij te geven’, of om ze als eigen vindingen te presenteren en zich daarmee ‘breed te maken’. Al zijn werk stond vol met zulke gestolen passages. Vaak waren ze verkeerd weergegeven; per ongeluk, omdat hij ze niet begreep, of expres, maar altijd zonder bronvermelding. ‘Over geringe zaaken maakt gij grooten ophef en lapt daar allerhande onnodige bijvoegsels en verwarde stukken, met lompe en grove steeken, bij. Ondertussen pronkt gij hier en daar met de namen van geleerde en uitmuntende mannen, welker schriften gij niet geleezen, en mogelijk noijt gezien hebt, onder welke de heeren Ruysch, Boerhaave en ande-

[p. 436]

re dikwils voorkoomen, het koome te pas of niet.’ Ulhoorn vond dat voortdurend aanhalen van grote namen bespottelijk. Al dat gezwets over hun grootheid was zulke mannen heus niet aangenaam: ‘zij zijn te groot om door u verheven te worden’, hield hij Titsingh voor.

Ulhoorn liet zijn irritatie de vrije teugel. Wat wist Bram Titsingh nou helemaal over de Parijse heelkunde en wat er in het buitenland viel te leren? Of meende hij dat hij alles over het buitenland wist omdat hij scheepschirurgijn was geweest en zich dus had opgehouden, ‘op een stuk hout een tijt lang in zee drijvende, met een partij onbeschaaft volk’? Om scheurbuik, ‘blauwschuijt’ en ‘hoerepokken’ te genezen, ‘als gij tussen water en lugt dreef... Waarlijk, man, gij weet niet wat heelkonst is.’29

Titsingh meende kennelijk dat zijn geboortestad de wijsheid in pacht had. Hij kende alleen ‘Herrels, Blankaart's, Bontekoek's, en meer van uwe zogenaamde geleerden’.30 Hij was een ‘demi sçavant’. Ulhoorn had hem al vaak geadviseerd om niet zoveel overhoop te halen. ‘Waarom houd gij u niet eenvoudig heen bij 't ordentelijk bedienen van 't burgerweeshuijs en de diaconie-armen, zonder u met zaaken, die boven uw bereijk en begrip zijn, te bemoejen?’ Het was iedereen volgens Ulhoorn nu wel duidelijk dat Titsinghs grootste bekwaamheid bestond in het maken van schimp- en twistschriften. Bovendien was hij er heel goed in om met ‘een Fariseeuwsche troonie allerhande quaad te spreeken’. Titsingh was een intrigant. Overal waar hij kwam ontstond ruzie. In het weeshuis had hij zich inmiddels ronduit gehaat gemaakt en ook het bestuur van de diaconie was voortdurend met hem ‘in moeijelijkheijt en krakeel’. Ulhoorn gaf te kennen dat de meeste van de mensen die vertrouwen in hem hadden gehad, dat vertrouwen inmiddels hadden verloren, ‘met het afligten van uw masker’. In zijn oppositie tegen het corrupte gildebestuur had hij op listige wijze hulp gezocht, en hij had die ook gekregen zolang hij onder de chirurgijns als integer werd beschouwd. Had men geweten wat voor persoon hij was, dan zou hij nooit in de positie zijn gebracht waarin hij nu was terechtgekomen.

‘Zonder u was 't, naar uw opgeven, met Amsterdam ten eijnde. Hierom is 't dat gij, naar uw verbeelding, veel roem en agting waardig zijt, want buijten u vind men er geene die in deeze plaats zo nuttelijk zijn’, spotte Ulhoorn. Maar intussen draaide de reorganisatie van het gilde uit op een ramp. Sinds Titsingh het nieuwe college leidde hadden zich onophoudelijk problemen voorgedaan. Ulhoorn wist zeker ‘dat geen een van die tegenwoordig daar in zitting hebben, indien zij naar gemoede zouden spreeken, niet gaaren wenschte van u ontslagen te zijn’. In het gilde had Titsingh een bestuur naar eigen keuze gekregen, maar daar ‘is 't evenwel anders niet als kijven en krakeelen dat daar omgaat... omdat gij u door uwe laatdunkentheijt en drift alle gezag alleen aanmatigt... gij notuleert, protocolleert en registreert alles naar genoegen’. Titsingh schrapte zelfs eigenmachtig passages uit de notulen die hij er eerder in woede in had opgenomen. ‘Heeft iemant daar wat tegen, gij ordonneert hem terstont te zwijgen, en uw woord heeft

[p. 437]

klem en word gehoorzaamt, omdat die persoonen door u tot die (ik mag wel zeggen bedroefde) waardigheijt gekoomen zijn.’ De dwingelandij kwam nu misschien niet meer voort uit zakelijk eigenbelang, maar was even desastreus voor het gilde. En trouwens: ‘men hoort nu zelfs meer klagten der weduwen dan te vooren... wij horen niet dat zij 't nu beter hebben, en dat ze meer onderstand bekoomen, maar wel dat de meubelen der gildekamer worden verbeetert en pragtiger gemaakt’ en dat de kamer ‘met allerhande schilderwerk word versiert’.

De weduwen klaagden opnieuw over de alimentatie en richtten een rekest aan de magistraat. Die vroeg de overlieden om advies. Titsingh notuleerde dat het wegens hun gezeur verdiend zou zijn ‘dat die wijven voortaan geen alimentatie meer word gegeven’. Titsingh deed nu zelf wat hij zijn voorgangers had verweten, namelijk het verheffen van onkundige barbiers tot meesters in de chirurgie. Weliswaar gebeurde dat nadat ze waren bijgeschoold, maar door hem zelf. Ulhoorn voorspelde dat Titsingh onder curatele zou worden gesteld om te zien hoe hij examens afnam. Het was bekend dat hij allerlei lieden de meestertitel bezorgde door hun voor het examen te vertellen wat ze moesten zeggen. Ulhoorn vond dat kandidaten in het openbaar zouden moeten worden ondervraagd.

Titsingh en de andere overlieden hadden van de burgemeesters toestemming gekregen om onderwijs te geven, maar Ulhoorn had daar nog weinig van kunnen merken. ‘Eer gij van uw ampt als overman moogt aftreeden hoope ik nog, volgens uwe belofte, openbaare leeringen van u te horen’, verklaarde hij. In december 1732 was Titsingh een keer in het anatomisch theater gekomen, waar de chirurgijns waren verzameld voor hun les. Omdat Röell op zich liet wachten, speelde hij enige tijd voor ‘collegie-nar’. Sommigen vonden het leuk, anderen verachtelijk. Titsingh werd uitgenodigd om zelf plaats te nemen op het spreekgestoelte, maar hij sloeg de uitnodiging af. Hij zei ‘dat wanneer de eene chirurgijn den anderen wilde leeren, zulx niet met eerbied of aandagt kon worden aangenoomen’.31

Titsingh leverde kritiek op het college van Ulhoorn, maar trachtte wel te profiteren van de grote belangstelling die daarvoor bestond. Hij had er bij Ulhoorn diverse keren op aangedrongen alle toehoorders een bijdrage voor het gilde te laten betalen. Vroeger had hij chirurgijnsknechts aangeraden om te zeggen dat ze geen geld hadden om af te dragen, en nu was hij nog inhaliger dan zijn voorgangers, constateerde Ulhoorn, die van een bijdrage niets wilde weten, want het idee was juist dat onbemiddelde jongeren met talent de kans op een degelijke opleiding kregen. Ulhoorn had dat idee te Parijs opgedaan en hij was erin gesteund door de inmiddels overleden burgemeester Jan Trip.

Ulhoorn suggereerde dat Titsingh eens bij zichzelf te rade moest gaan en zich moest afvragen wat hem dreef. Ulhoorn wist het wel. Titsingh was iemand die ging kwaadspreken bij gebrek aan succes. Hij was jaloers op mensen die wel succes hadden. Zijn eigen positie had hij geheel te danken aan valse vleierij. Alles wat hij deed of zei had een bijbedoeling. Ulhoorn vergeleek hem met een dier waarover Cornelis de Bruijn in zijn reisbeschrijving had gesproken, de kameleon.

[p. 438]

Zo stelde Titsingh zich altijd kruiperig op tegenover lieden van naam, zoals Boerhaave. Maar toen Boerhaave hem een brief had geschreven met de goede raad om eens op te houden met lasteren (het ging om Denijs) en in plaats daarvan voortaan zijn praktijkervaringen naar waarheid op te tekenen, had Titsingh diens brief grijnzend aan Ulhoorn laten zien, terwijl het hem volgens Ulhoorn helemaal niet paste ‘met zulke papieren langs de straaten te loopen pronken’. ‘Ondertussen streelt, strijkt en koestert gij dien heer’, om met zijn naam te koop te kunnen lopen. Natuurlijk zou Titsingh het laster noemen als Ulhoorn zei dat hij werd veracht, maar het lag voor de hand, ‘als gij eens wilt overweegen dat wij van uw doen en gebreeken meer hooren dan gij zelf, omdat het yder niet lust met u te twisten of overhoop te leggen’.32

Titsingh had Ulhoorn gebrek aan eerbied verweten voor Amsterdamse coryfeeën als Tulp en Ruysch. Wat betreft Tulp, antwoordde Ulhoorn: ‘kan ik, als gij, de dooden aanbidden, of met valsche inzigten meer dan waaren lof aan een geweezen hoogleeraar geeven?’ Hij vond het gedweep van Titsingh buitensporig. Kennelijk wilde Titsingh in het gevlei komen bij de nakomelingen van Tulp. Met ‘de nakomelingen van Tulp’ bedoelde Ulhoorn de zwager van Hester Tulp, Egidius van den Bempden, en diens familieclan, waartoe inmiddels ook Willem Röell was toegetreden door een huwelijk met een zeventienjarig nichtje.33 Maar Ulhoorn was niet van plan elke keer de lof van Tulp te zingen om daarmee die lieden tot steun te verlokken. Dat was gewoon bedelarij. Ulhoorn vond het absurd ‘zoals gij met de roem van uw Amsterdammerschap zo dwazelijk komt te pronken; om welke reeden wij billijk vragen of men niet overal goede en quaade, wijze en onwijze komt te vinden?’34

Toen hij zijn kritiek op Tulp en Ruysch opschreef, had Ulhoorn zich Titsingh voorgesteld ‘met een boos getrokken weezen en opgespalkte zwarte oogen, mij vragende: zijn Tulpius en Ruysch geen groote mannen geweest? Ja Abram, hier van trekken wij nog heeden heerlijke vrugten, en ik betuijge met alle andere onzer konstgenooten dat wij aan deeze twee uijtmuntende heeren groote dankbaarheijd schuldig zijn.’ Maar over het onderwijs van Tulp was te weinig bekend om erover te kunnen oordelen en dat van Ruysch was zwak.

Ulhoorn zei dat hij de capaciteiten van Ruysch beter kende dan Titsingh. ‘Niemand zal van den overleden en zalige Ruysch anders dan met grooten lof zeggen dat hij was een waardig en naarstig, ja onvermoeijd zoeker en ontdekker van het menschelijk gestel, en schoon die Held uijt de apothekerswinkel tot die waarde gekoomen was, zo zal men over eeuwen met billijken roem van deezen onvermoeijden worstelaar uijtroepen: wie heeft voor, of wie zal na u met dien ijver arbeiden! Hij was de ontdekker van veele nuttelijke verborgentheden, op welke zaaken hij zig met zulk een ijver vast maakte, dat hem de dag, die hij vroeg begon, altijt te kort was. Maar zegt tog, wat was dien held der ontleedkonst in zijn voorleezinge, en hoe was hij in zijne lectuure of geleertheijt?’

[p. 439]

Ulhoorn moest vaststellen dat er in Amsterdam in de tijd van Ruysch geen serieuze heelkundige opleiding tot stand was gekomen. Ruysch was wel professor, maar geen echte. Hij gaf geen les aan het atheneum. Ruysch behoorde tot de voorlezers van het gilde, die de chirurgijns anatomische kennis bijbrachten. Er waren in zijn tijd ook andere docenten geweest, zoals Rau, Sermes en Cant, die misschien wel een heel goede opleiding hadden kunnen verzorgen. Rau bijvoorbeeld was een betere onderwijzer dan Ruysch. Maar Ruysch had niet toegestaan dat anderen naast hem hun gang konden gaan. Ulhoorn wist uit eigen ervaring dat Ruysch bevreesd was ‘zijn ligt te zullen betimmert zien, om welke reeden die oude heer niet drie, maar bij mijn tijt wel twaalf helpers gehad heeft, die, wanneer het lang genoeg geduurt had, yder op zijn beurt stil wierden thuijs gelaaten. Dr. J. Sermes arbeidde zomtijts met toelating van den ouden man in het openbaar, en A. Cant heeft daarvan geene blijken laaten zien, alzo die jonge held in kennisse en handeling der ontleedkonst ontijdig den weetgierigen ontrukt wierd.’ Maar het trio Rau, Sermes en Cant was in het onderwijzen zeker zo bekwaam als de door Titsingh zo opgehemelde Ruysch. ‘Met mij zal yder toestemmen dat geleerd te zijn, handgreep in de snij- en heelkonst te bezitten en wel te onderwijzen als drie bijzondere gaven moeten worden aangemerkt’, veronderstelde Ulhoorn. De combinatie kwam zelden voor en bij Ruysch was dat niet het geval. Ruysch was een groot onderzoeker, die zaken had ontdekt die ‘naar alle gedagten zonder hem niet tot ons zouden gekoomen zijn’, maar dat wilde niet zeggen dat hij ook uitblonk in ‘openbare handoefening of geleerde onderwijzingen; neen, daarin was hij zwak’. Hij was onsystematisch en gaf geen les op een manier die geschikt was voor jonge chirurgijnsleerlingen. ‘Daarvan spreek ik niet vermeetel, en vooral niet tot veragting, wijl het talent dat daartoe behoort niet in hem gelegt was.’ Het was nu eenmaal zo ‘dat hij neffens zijne gelukkige talenten ook iets gebrekkelyx bezat, het welk hij nimmer manqueerde zelf te bekennen... hij was menschlievend, ten gemeenen nutte naarstig, getrouw in zijn mond en daaden, naarstig tot onderzoek van nutte nieuwigheden, geen quaadspreeker of lasteraar, en eijndelijk boven de deugden, die ik niet alle noemen kan, was het grootste voor hem God te dienen zo lang adem in hem is geweest’.35

11.3 Levensbeschrijving

In tegenstelling tot Titsingh, die vrijwel niets dan lof voor Ruysch uitte, gaf Ulhoorn een reële evaluatie van de betekenis van Ruysch voor de heelkunde in Amsterdam: hij was geen expert in operatietechnieken, noch een groot docent en bovendien had hij weinig ruimte gelaten aan anderen, die als heelkundige en onderwijzer meer kwaliteiten bezaten. Ulhoorn negeerde daarbij wel de historische context: het probleem was dat Ruysch werkte in een constructie die was

[p. 440]

ontstaan in een ver verleden en die door gevestigde belangen in stand werd gehouden, ook al was hij inmiddels achterhaald. Het was ontegenzeggelijk merkwaardig dat de lessen aan de chirurgijns niet werden gegeven door een heelkundige, maar toen die lessen waren ingesteld, was men ervan uitgegaan dat de praktische opleiding afdoende werd verzorgd binnen het gildensysteem.

Voor Ruysch vormden de lessen een bron van inkomsten. Hij was in de eerste plaats anatomicus, maar dat was op zichzelf geen betaalde functie. Hij gaf les om de ontleedkunde te kunnen beoefenen, en hij beschermde zijn positie om zijn inkomen niet te verliezen. Daarbij hielp hij de heelkunde wel vooruit, maar van zijn werk profiteerde vooral een elite onder de chirurgijns. Zijn werk had minder betekenis voor de opleiding dan voor de anatomische wetenschap. Op dat terrein waren zijn merites al uitvoerig besproken in een levensbeschrijving die kort na zijn dood was verschenen: Historia vitae et meritorum Frederici Ruysch. De auteur, Johann Friedrich Schreiber, een jongeman van 27, had in Leipzig kort daarvoor Fundamenta medicinae physico-mathematica gepubliceerd. Hij woonde op dat moment in Riga, maar hij had in Holland bij Boerhaave en Ruysch gestudeerd, en hij was Ruysch dankbaar voor de hulp die hij hem destijds had geboden. Het eerste geld dat hij met de geneeskunst had verdiend was te danken aan Ruysch, vertelde Schreiber. Door diens toedoen had hij in Zaandam als arts kunnen werken. Zaandam was voor een geleerde ‘voorwaar een guure plaats’, maar het was een begin geweest. Schreiber, afkomstig uit Koningsbergen, was teruggekeerd naar zijn eigen land. Hij stond op de nominatie om professor in Halle te worden, maar gaf gehoor aan een oproep om als veldmedicus in Russische dienst te treden. (Naderhand zou hij stadsdokter in Moskou worden en professor in de anatomie en chirurgie in Sint Petersburg.) Toen hij had vernomen dat Ruysch was overleden, had hij besloten een stuk over hem te schrijven, overtuigd als hij was van de waarde van diens werk. Hij meende dat het anatomische werk van Ruysch onontbeerlijk was geweest voor de vooruitgang van de geneeskunde. ‘Wij zoude zekerlijk de fraije leer van Boerhaave missen, indien er die grote konstenaar, Ruysch, of iemant anders hem gelijk, niet geweest was’, aldus Schreiber.36 Hij achtte de ontwikkeling van de preparatietechniek de voornaamste prestatie van Ruysch, die zich verder natuurlijk verdienstelijk had gemaakt met allerlei nauwkeurige observaties, waarbij hij diverse ontdekkingen had gedaan.

Schreibers stuk was vooral een evaluatie van de betekenis van Frederik Ruysch voor de medische wetenschap; voor de biografische passages baseerde hij zich op de informatie die hij kreeg van Johann Christoph Bohle, omdat die op vertrouwelijke voet met de oude Ruysch was omgegaan. Bohle (die hoogleraar werd te Koningsbergen en lijfarts van de koning van Pruisen) had Schreiber bijvoorbeeld verteld dat hij van Ruysch had gehoord hoe jaloers Van Horne was geweest op zijn vaardigheid. Schreiber voegde zelf nog enkele persoonlijke ervaringen toe. Hij

[p. 441]

beschreef onder meer hoe de oude Ruysch toen hij niet meer kon lopen zittend op een stoel in de hortus college gaf. Hij vertelde ook met hoeveel plezier hij terugdacht aan het beschouwen van de verzameling. ‘Waarlijk een werk van een uijtnemende konst waren ook de zeer kleine geraamtens, niet groter als de kleinste vinger’, vertelde hij. Een beetje macaber waren ze wel, maar door hun ivoorwitte kleur waren ze toch mooi om te zien. De herinnering aan die ‘beeltenissen des doots, leggende op zijde kussentjes in hare dootkisjes, vermaakt mij nog zeer veel’, gaf hij te kennen.

Het stuk van Schreiber diende als basis voor een herdenkingsartikel van Bernard le Bovier de Fontenelle, de secretaris van de Académie des Sciences. Ruysch was natuurlijk maar kortstondig lid geweest van de Académie en Fontenelle had hem niet van dichtbij meegemaakt. Daarom maakte hij dankbaar gebruik van de informatie van Schreiber. De levensbeschrijvingen van Schreiber en Fontenelle vormden de bron waaruit vrijwel alle toekomstige auteurs die schreven over Frederik Ruysch zouden putten. Onder die auteurs was er een die, gewapend met de ingrediënten van Fontenelle, zelfs een roman over hem schreef: Eugène de Bully, die halverwege de negentiende eeuw publiceerde onder het pseudoniem Roger de Beauvoir. De Bully had een reis door België en Nederland gemaakt en in Den Haag was hij gestuit op een oude catalogus van de anatomische collectie van Ruysch. De vondst inspireerde hem tot de roman Ruysch, histoire hollandaise du 17e siècle. Hij liet zijn verhaal beginnen op 18 maart 1667. Zeeheld Michiel de Ruyter brengt zijn pleegdochter Sarah bij zijn jeugdvriend Frederik Ruysch, die in Amsterdam woont op de Kloveniersburgwal, bijna tegenover het anatomisch theater op de Nieuwmarkt, waar hij les geeft. Hij woont daar samen met zijn dochter, de schilderes Rachel Ruysch. Er volgt een fantastische intrige, waarin een Franse avonturier (die moorden pleegt om lijken aan ontleders te kunnen verkopen) het aanlegt met pleegdochter Sarah. Als blijkt dat hij haar heeft bedrogen verdrinkt ze zich in wanhoop, waarop haar lichaam door Ruysch wordt geprepareerd. In de loop van het verhaal blijkt Ruysch de vader te zijn van een dochtertje van een Engelse dame. Hij vervalt tot armoede en moet zijn collectie van de hand doen. Zijn legitieme dochter Rachel probeert in Parijs schilderijen te verkopen. Met de opbrengst daarvan weten vader en dochter zich te redden. Frederik Ruysch kan daardoor op een eerbiedwaardige manier oud worden. Op zijn negentigstige geeft hij nog altijd college in het anatomisch theater, ook al moet hij daar na een dijbeenbreuk door zijn leerlingen worden heengedragen.

Biografische passages in ‘wetenschappelijke’ stukken waren soms weinig minder fictief. In dezelfde periode verspreidde Joseph Hyrtl het verhaal dat de preparaten van Ruysch gehavend in Sint Petersburg zouden zijn gearriveerd omdat de matrozen de alcohol hadden opgedronken. Pas tegen het einde van de negentiende eeuw zouden er nieuwe feiten over het leven van Ruysch worden gepubliceerd.37

[p. 442]

11.4 De nakomelingen

Rachel Ruysch, die in de romantische fantasie van De Bully het vege lijf had moeten redden, kende in werkelijkheid op het materiële vlak geen gebrek, maar binnen haar gezin was niet alles koek en ei. Niet lang voordat haar vader zou sterven, toen zij zelf inmiddels zesenzestig was, had ze haar testament gemaakt, samen met haar man, Jurriaan Pool.38 De langstlevende van beiden werd tot erfgenaam verklaard. De vier kinderen zouden hun erfdeel dus pas krijgen als beide ouders waren overleden. Kennelijk was die constructie niet bij alle kinderen even populair, want er werd expliciet vermeld dat als een van hen een inventaris van de nalatenschap zou laten opmaken en zijn erfdeel zou opeisen, diens erfdeel dan zou overgaan op de anderen. Binnen enkele maanden was het aantal erfgenamen overigens gereduceerd tot drie, wegens het overlijden, anderhalve maand voor haar grootvader, van Rachels enige dochter, de 35-jarige Maria Margaretha.

Haar oudste zoon, Frederik Ruysch Pool, die bij haar in huis was blijven wonen, kwam in 1734 met haar overeen dat hij haar schilderijen zou mogen verkopen. Naast zijn kostgeld van vierhonderd gulden per jaar zou hij haar jaarlijks zeshonderd gulden betalen voor de schilderijen. Rachel behield zich het recht voor om ook schilderijen rechtstreeks aan anderen te verkopen en Jurriaan Pool zou beoordelen of er voor de schilderijen een behoorlijke prijs werd gemaakt. Op 8 april 1739 tekende Jurriaan Pool een akte waarin hij bevestigde dat hij zijn zoon Frederik drie schilderijen van Rachel ter hand had gesteld: twee bloem- en fruitstukken op houten panelen, geschilderd in 1719 en 1720, elk ter waarde van duizend gulden, en een stuk met vreemde bloemen uit 1735, ter waarde van 750 gulden. Op 8 november 1740 verklaarde hij dat hij Frederik een bloemstuk van Rachel had verstrekt, dat jaar geschilderd, ter waarde van duizend gulden, en op 29 mei 1741 bevestigde hij dat hij Frederik een uit 1728 daterend groot bloemstuk in een vergulde lijst had gegeven, plus een groot fruitstuk in een vergulde lijst uit 1731, die samen 2500 gulden waard waren.

Financieel was het Jurriaan Pool en Rachel Ruysch voor de wind gegaan. Ze waren gewoon in de Wolvenstraat blijven wonen, tussen kleermaker Pluijmer en banketbakker Steurenberg, maar dankzij het succes van Rachel (en de Hollandse loterij) waren ze niet onbemiddeld. Toen in 1742 een nieuw belastingkohier werd opgesteld, werden ze aangeslagen voor een inkomen van 2500 gulden, waarmee ze behoorden tot de rijkste vijf procent van de stad.

De problemen waarnaar in het testament werd verwezen, speelden met de tweede zoon, Isaac, die een lakenwinkel dreef in de Gasthuissteeg. In november 1737 lieten Jurriaan Pool en Rachel Ruysch een nieuw testament opstellen, waarin werd bepaald dat Isaac alleen het vruchtgebruik van zijn erfdeel zou krijgen.39 Toen in 1743 opnieuw een testament werd opgesteld, gebeurde dat niet omdat de verhouding inmiddels was verbeterd. Rachel had ‘niet zonder hartgrondige droefheijd bevonden... dat haar soon Isaacq Ruysch Pool in zijn onbetamelijk en

[p. 443]

onverantwoordelijk gedrag en behandelinge jegens sijn ouders bleeff continueeren’.

Als Frederik, de oudste zoon, het huis in de Wolvenstraat wilde overnemen, kreeg hij daarvoor de gelegenheid. De waarde werd bepaald op twaalfduizend gulden. Het echtpaar schonk Frederik en Jan Willem, hun ‘goed en christelijk gedrag’ in overweging nemende, al hun meubilair, inclusief juwelen, sieraden, kleren, schilderijen en boeken, plus hun grafstede die ze bezaten in de Nieuwe Kerk. Frederik en Jan Willem verklaarden zich akkoord met de voorwaarde dat zij de gift pas zouden ontvangen na het overlijden van beide ouders.

In oktober 1745 stierf Jurriaan Pool, 79 jaar oud. Rachel bleef in onmin leven met haar zoon Isaac tot vlak voor haar dood. Pas in 1749 kon ze haar drie kinderen gezamenlijk tot erfgenaam benoemen, omdat ‘de vrienschap tusschen haar en haar gezamentlijke kinderen nu volkomentlijk hersteld’ was. Intussen schilderde ze voort. Net als haar vader bleef ze doorwerken tot het bittere einde. Ze was al in de tachtig toen haar een bloemstuk van Jan van Huysum werd getoond, waarin hij de bloemen had afgebeeld tegen een heldere achtergrond. Tot dan toe was op bloemstukken een donkere achtergrond gebruikt om diepte te suggereren, maar door kleuriger te schilderen kon Van Huysum ook met een lichtere achtergrond werken. Rachel liet weten ‘dat deze schikking haar zoo goed behaagde, dat zij er insgelijks de proef van nam’.

De schildersbiograaf Johan van Gool ontmoette haar in 1748, toen ze 84 was. Ze had ‘haer oordeel en gezicht voor een vrou van dien hogen ouderdom noch wonderwel’, vond hij. Ze ontving hem zeer beleefd en vriendelijk, vertelde over haar carrière en liet hem een zestal werken en de geschenken van de keurvorst zien. Van Gool zag een stukje dat ze op haar tachtigste had geschilderd, en ze liet ook een schilderij zien waaraan ze het vorige jaar was begonnen en dat ze nog wilde afmaken. Veel van haar werk bevond zich in het buitenland. In Amsterdam waren slechts enkele van haar schilderijen te zien.40

In 1749 vervaardigde Aart Schouwman nog een portret van de 85-jarige Rachel. Het volgende jaar werd ze vereerd met een bundel Dichtlovers voor de uitmuntende schilderessen Mejufvrouw Rachel Ruysch, waarin de gedichten waren bijeengebracht die in de loop der jaren op haar werk waren gemaakt.41 Het was een uniek gebaar: nooit eerder was op die manier eer bewezen aan een Nederlandse kunstenaar. Rachel stierf dat jaar op 12 oktober.

Haar zuster Anna was op dat moment bijna 84. Ze was blind, maar ze had nog ruim drie jaar te leven. Na het overlijden van haar man, Isaac Hellenbroek, in 1749, had ze met haar zoon Frederik Hendrik de verfhandel voortgezet in de winkel op het Water, tussen de oude en nieuwe brug. Het was een succesvolle onderneming: in 1742 werden Isaac Hellenbroek en Anna Ruysch aangeslagen voor hetzelfde inkomen als Rachel, 2500 gulden.

In het testament van Anna Ruysch werd bepaald dat haar zoon het bedrijf zou voortzetten. Ze gaf hem de keus of hij ook het pakhuis in de Teerketelsteeg wilde

[p. 444]

hebben voor zevenduizend gulden. Hij kreeg in elk geval de boeken en papieren in het kantoor en alles wat verder bij de winkel hoorde: ‘doosen, schaalen, balancen, schaalijser, etc.’ Hij had recht op zijn kleren, zijn goud- en zilverzak, zijn horloge, de boeken op zijn kamer (‘voor het grootste gedeelte door hem zelfs gekogt en betaalt’), de flessen met rariteiten op zijn kamer, het verlakte kabinet buiten zijn kamer en vier schilderijen: zijn eigen portret, een portret van zijn oom, de predikant Abraham Hellenbroek, geschilderd door Pieter van der Werff, en de portretten van Isaac Hellenbroek en Anna Ruysch.

Haar twee dochters erfden ook een aantal schilderijen. Anna Geertruijd kreeg een portret van Frederik Ruysch in een vergulde lijst en twee bloemstukken van haar moeder. Elisabeth Susanna kreeg eveneens twee bloemstukken van haar moeder, en voorts haar eigen portret en het portret van Frederik Ruysch dat Jurriaan Pool in 1694 had geschilderd, in een zwarte lijst. Haar zoon schonk het portret van Frederik Ruysch in 1772 aan het atheneum, samen met een borstbeeld dat aan het begin van zijn carrière was gemaakt.42

11.5 Het geheim

Frederik Ruysch was de onsterfelijkheid dicht genaderd. Hij had kinderen nagelaten, zijn beeltenis was vastgelegd op diverse schilderijen, er was een lichaamsdeel naar hem genoemd, zijn preparaten werden bewaard in Sint Petersburg en wat hij had gepubliceerd werd gebundeld. In 1737 werden in Amsterdam, in vijf delen, de Opera omnia anatomica-medico-chirurgica uitgegeven, in 1744 gevolgd door een vertaling, onder de titel Alle de ontleed-, genees- en heelkundige werken, die was verzorgd door de inmiddels overleden Amsterdamse arts Ysbrant Gijsbert Arlebout. Maar het geheim van zijn preparatietechniek had Ruysch meegenomen in zijn graf. Althans, dat nam men aan. Toen hij in 1717 zijn collectie aan tsaar Peter verkocht, had hij tevens een instructie op papier gezet en hij had dat document verstrekt aan een notaris, die het, nadat Ruysch was betaald, aan een van de vertegenwoordigers van de tsaar had gegeven. De vraag was wat die instructie had ingehouden. Duverney had destijds geprobeerd het geheim te ontfutselen aan Erskine. Hij had aangeboden enkele van zijn eigen preparaten te sturen in ruil voor een paar van Ruysch. Hij hoopte dat Erskine hem het geheim wilde meedelen, want zij hielden elkaar immers steeds op de hoogte van alles wat er omging in de ‘république anatomique’ en in de wereld van het natuuronderzoek. Erskine was er niet op ingegaan en sinds hij was overleden was er niets meer over de eigenhandige instructie van Ruysch vernomen.

Er werd wel veel over de methode gespeculeerd. Al tijdens het leven van Ruysch was er kritiek geleverd op de geheimzinnigheid die hij betrachtte. De Engelsman William Wagstaffe bijvoorbeeld schreef: ‘dr. Ruysch has given us several excellent and curious drawings of the finest preparations in the world; but

[p. 445]

we had certainly been more obliged to him if he had communicated his observations on the manner of preparing them’.43 Bernard Siegfried Albinus, die zich net als Ruysch had gespecialiseerd in injecties, had aan Albrecht von Haller gesuggereerd dat Ruysch niet zozeer een geheim recept bezat, maar eerder een buitengewone vaardigheid, waarbij het essentieel was de te prepareren delen langdurig te laten weken en daarna heel voorzichtig in te spuiten met een vloeibare stof die niet onmiddellijk stolde.44

Twaalf jaar na de dood van Ruysch, in 1743, werd het geheim uit de doeken gedaan door een arts, genaamd Johann Christoph Rieger, die boven een boekwinkel in Den Haag woonde en bezig was aan een ambitieus natuurhistorisch en medisch woordenboek. (De eerste twee delen reikten slechts tot de woorden die begonnen met de letter C).45 Rieger was in de jaren 1732-1734 hoofd van de medische faculteit in Sint Petersburg geweest en in die functie had hij kennelijk het manuscript van Ruysch onder ogen gekregen. Rieger liet de wereld weten welke instructies de grote ontleder had gegeven voor het bewaren van een lijk. Ruysch had aanbevolen een lijk een dag of twee te laten weken in koud water. Dan moesten de aorta en de holle ader worden opengesneden en het bloed eruit gedrukt, waarna het lichaam het beste vier tot zes uur in warm water kon worden gehouden. Vervolgens moest men niervet of talk inspuiten. In de zomer kon een beetje witte was worden toegevoegd en er kon ook een mengsel van was, terpentine en hars worden gebruikt. De injectiestof kon worden gekleurd met vermiljoen. Grotere vaten moesten achteraf met was worden gevuld om te zorgen dat het vermiljoen er niet uitliep. Nadat het inspuiten met kleurstof was voltooid moest het lichaam in koud water worden bewogen om te zorgen dat het vermiljoen niet wegzakte, maar verspreid bleef terwijl de massa stolde. Het aldus ingespoten lijk diende te worden bewaard in verdunde alcohol. Ruysch zou zijn alcohol zelf hebben gedestilleerd uit gerst. Het verdiende aanbeveling om peper toe te voegen, aldus Rieger, om de alcohol beter te laten doordringen in de spieren.

Het was de vraag of met de instructie van Ruysch daadwerkelijk zijn werkwijze was beschreven. Op grond van de door Rieger gepubliceerde instructie bleek niemand in staat om zulke preparaten te maken als hij. Een kopie van het Petersburgse manuscript was in Parijs terechtgekomen, maar ook daar had niemand de injecties van Ruysch kunnen evenaren. Er moest kennelijk meer aan te pas komen dan in de instructie stond.

Een andere manier om achter het geheim te komen was het analyseren van de preparaten. In Parijs had Rouhault dat al in 1718 geprobeerd. Na de dood van Ruysch werd het gedaan door Johann Nathanaël Lieberkühn, een anatomicus die bij Boerhaave had gestudeerd en vervolgens in Berlijn in dienst was gekomen van de Pruisische koning Friedrich. Hij was een expert: hij was er zelf in geslaagd om zeer kleine vaatjes te injecteren.46 Hij toonde zich tamelijk kritisch over de preparaten van Ruysch: de injectiestof zou te vloeibaar zijn om blijvende conservering

[p. 446]

te verzekeren, en bovendien was de kleurstof in vlekken verdeeld en de wasachtige stof versplinterd. Lieberkühn maakte zelf zeer goede microscopen en met behulp daarvan constateerde hij dat de injecties niet perfect waren, want ze hadden de vaatjes niet geheel intact gelaten. Waar de stof uit de vaten was ontsnapt was hij in brokjes gestold, aldus Lieberkühn.47

De curator van de Parijse Jardin des Plantes, Louis Daubenton, onthulde in 1749 in welke vloeistof Ruysch zijn preparaten bewaarde. Hij vertelde dat het recept al kort na de dood van Ruysch was doorgegeven aan de Académie des Sciences. Iedereen die de natte preparaten van Ruysch had gezien had hoog opgegeven van zijn ‘liquor balsamicus’, maar Ruysch had de samenstelling daarvan nooit willen onthullen. Toen het recept na zijn dood in Parijs bekend was geworden, had de Académie de chemicus Claude-Joseph Geoffroy opdracht gegeven te experimenteren met de vloeistof, die zou hebben bestaan uit wijngeest, waarin een poeder van zwarte peper en zaden van kardamom en kruidnagel was verwerkt. In de vloeistof was een zak kamfer gehangen en het geheel was vervolgens gedistilleerd.48 De resultaten waren wederom niet opzienbarend. Volgens Daubenton maakte het niet zo veel verschil welke kruiden er door de vloeistof werden gemengd. De wijze van distilleren was belangrijker en het was ook noodzakelijk een zekere hoeveelheid water toe te voegen. Maar net zo min als de onthulling van de injectiestofleidde de openbaring van het recept voor de conserverende vloeistof tot belangrijke resultaten. Ruysch had het voorspeld. In 1722 had hij geschreven dat zijn kunst uniek was. Hoewel er soms kritiek werd geleverd op het onnatuurlijke karakter van zijn preparaten wist hij dat men hem overal probeerde te imiteren; ‘dog 't is zo licht niet zulks na te doen als wel te berispen, gelijk de nakomelingen zullen zien na mijn doodt’.49

Hoewel het injecteren in de anatomie nog lang een belangrijke techniek bleef, werd daarin na Ruysch geen significante vooruitgang meer geboekt. Er werden verschillende stoffen getest en allerlei varianten geprobeerd, maar de techniek werd alleen verfijnd door de verbetering van de microscopen, die bijvoorbeeld Lieberkühn en Albinus in staat stelde om zeer subtiele preparaten te maken. Op grond daarvan bestreed Albinus de conclusie van Ruysch dat weefsel geheel uit vaten zou zijn opgebouwd, en ook diens idee dat lichaamsvocht werd bewerkt in de uiteinden van vaten werd op den duur verlaten. Op grond van zijn preparaten, en ondersteund door het gezag van Herman Boerhaave, was de versie van Ruysch door veel geleerden geaccepteerd, maar na een eeuw waren de klieren geheel in ere hersteld. De tunica Ruyschiana, de naar Ruysch genoemde oogrok, werd aan het einde van de achttiende eeuw niet meer als zelfstandig vlies beschouwd.50 Het was toen wel duidelijk dat de methode van Ruysch, hoe opzienbarend de resultaten ook waren, niet onfeilbaar was geweest, en dat die, zoals door Boerhaave was gesuggereerd, inderdaad een vertekenende werking had gehad, die de klieren en ander weefselmateriaal uit het zicht had doen verdwijnen. Ruysch had een absoluut vertrouwen gehad in zijn techniek en hij was ervan overtuigd geweest dat hij

[p. 447]

de grootst mogelijke subtiliteit had bereikt, maar met de toegenomen technische mogelijkheden kon naderhand worden vastgesteld dat het menselijk lichaam nog oneindig veel ingewikkelder in elkaar stak dan hij zich had kunnen voorstellen. Rest de vraag hoe het stond met zijn andere claim, dat zijn preparaten onvergankelijk zouden blijken.

11.6 De preparaten in de Kunstkamera

Herman Boerhaave overleefde Ruysch niet meer dan zeven jaar. Hij stierf in 1738, zonder kinderen. Als erfgenamen had hij aangewezen de twee zoons van zijn zuster Margaretha, die was gehuwd met de Haagse arts Jacob Kaau. De neven, die allebei geneeskunde hadden gestudeerd, noemden zich op verzoek van hun oom in het vervolg Herman en Abraham Kaau Boerhaave. Net als de naam Ruysch leefde de naam Boerhaave dus op kunstmatige wijze voort. Neef Herman kwam spoedig in grote problemen: geplaagd door schuldeisers moest hij halsoverkop zijn praktijk in Den Haag verlaten. Maar hij werd gered door een toegewijde leerling van zijn oom, Gerard van Swieten, die ervoor zorgde dat hij een aanstelling kreeg als hofarts in Sint Petersburg.51 Van Swieten prees tevens neef Abraham aan, die doof was en daarom niet zo geschikt voor de geneeskundige praktijk, maar wel voor een functie als conservator van de collectie van Ruysch. Zo belandden beide neven in Petersburg, met de papieren van Herman Boerhaave, en aldus werd het werk van Ruysch en Boerhaave postuum verenigd.

Toen Abraham Kaau Boerhaave in Sint Petersburg arriveerde stonden de preparaten van Ruysch in de Kunstkamera in een zaal op de benedenverdieping, direct naast het anatomisch theater. De indeling was niet meer als op de Bloemgracht, maar systematisch. De preparaten waren gegroepeerd in kasten die waren gewijd aan een bepaald deel van het lichaam. Tussen de kasten stonden de skeletten opgesteld en in het midden van de zaal kon men de dieren en de schelpen uit de collecties van Ruysch en Seba bekijken. De catalogus bevatte 38 pagina's met beschrijvingen van door Ruysch opgezette vogels. Zijn herbaria bevonden zich op de galerij boven de zaal met preparaten, waar ze waren opgesteld door de Amsterdamse arts Johan Amman. Amman had in Londen enige tijd de collectie van Hans Sloane beheerd tot hem in 1733 een hoogleraarschap in de plantkunde in Sint Petersburg was aangeboden. Hoewel de jonge Zweedse botanicus Carl von Linné inmiddels een nieuw systeem had gepubliceerd, had Amman bij de indeling de methode van Tournefort gevolgd. Over het systeem van Linné was hij sceptisch: ‘his botanical tables are in my opinion more curious than usefull, and I doubt very much if any botanist will follow his lewd method’, had hij vanuit Petersburg aan Sloane geschreven.52

De ‘natte’ preparaten waren zorgvuldig geconserveerd volgens de instructie van Ruysch. Ruysch had in het voorwoord van zijn ‘koninklijk kabinet’ gezegd

[p. 448]

dat hij zijn verzameling zo zou afleveren dat de preparaten het enkele jaren zonder aanvulling zouden kunnen stellen, maar toen ze in Petersburg waren gearriveerd hadden ze inmiddels een jaar ingepakt gestaan. Mede daarom had Blumentrost direct tweeduizend varkensblazen en duizend emmers wijn besteld, om de glazen te kunnen bijvullen. Ruysch had voorts beloofd dat hij de nieuwe eigenaar zou vertellen hoe de verschillende preparaten moesten worden bewaard. Zowel Ruysch als de Russen hadden er belang bij dat dat zorgvuldig geschiedde, en daarom was het destijds ook niet zo moeilijk geweest om een compromis te bereiken over de verkoop van het geheim. Ruysch had gewoon de instructie voor het bewaren van zijn verzameling verstrekt, plus enige algemene wenken op grond waarvan men in Rusland zelf ook preparaten zou kunnen vervaardigen.

De verzameling in de Kunstkamera diende als studiemateriaal, speciaal voor de onderzoekers van de Academie van Wetenschappen en hun leerlingen, maar de Kunstkamera was tevens een openbaar museum. Bezoekers konden zich vanuit de stad over de Neva naar het Vassilevski-eiland laten roeien om daar de preparaten van Ruysch te gaan bekijken. Vooral de preparaten die de groei van het embryo lieten zien vormden een belangrijke trekpleister.

Op 5 december 1747 brak er brand uit in de Kunstkamera. Het vuur greep snel om zich heen, en vanuit de zalen die door de vlammen nog niet waren bereikt werden voorwerpen naar buiten in de sneeuw geworpen. Toen de brand was geblust en de schade kon worden opgenomen, bleek het zoölogische deel van de verzameling van Ruysch te hebben geleden, maar de anatomische collectie was vrijwel gespaard gebleven. Tijdens de daaropvolgende restauratie werd de verzameling elders ondergebracht. Toen hij in 1766 terugkeerde waren de tijden inmiddels veranderd: universele musea vormden niet langer het wetenschappelijk ideaal, en de verzameling van de Kunstkamera werd opgesplitst en verdeeld over diverse gespecialiseerde musea. Maar de anatomische collectie van Ruysch keerde als zelfstandig geheel terug in de Kunstkamera. In 1776 stond hij in de derde kamer van de onderste verdieping, in achttien glazen kasten, opgesteld volgens zijn eigen ordening, zodat er optimaal gebruik kon worden gemaakt van zijn beschrijvingen.

Toen de Britse historicus William Coxe in 1792 een beschrijving van Rusland publiceerde, noemde hij ook de anatomische collectie in Sint Petersburg: ‘the anatomical cabinet is highly esteemed from its having been prepared by Ruysch, a celebrated anatomist of The Hague, who sold it in 1717 to Peter the Great for 30.000 florins. This collection is particularly celebrated for the regular succession of foetuses in spirits, from the earliest period of conception to the birth of the infant, and for the injections of the brain and eye. The membranes of the eye are so fine and tender, that it requires infinite care to inject them; and Ruysch, of all others, succeeded best in this difficult operation’, aldus Coxe, die goed op de hoogte was omdat zijn vader lijfarts van de Britse koninklijke familie was geweest.53 Twee jaar later vertelde een rancuneuze rivaal van de beroemde ana-

[p. 449]



illustratie

Handen met organen uit de verzameling van de Kunstkamera in Sint Petersburg (Rosamond Purcell).


[p. 450]



illustratie

Foetus in een hand, uit de collectie van de Kunstkamera in Sint Petersburg (Rosamond Purcell)


[p. 451]

tomicus John Hunter, de chirurg Jesse Foot, die enige tijd in Sint Petersburg had gewerkt, dat hij de preparaten van Ruysch in verval had gezien.54 Maar volgens een in 1817 in Moskou verschenen geschiedenis van de Russische geneeskunde werden ‘noch bisjezt in mehreren Glasschränken die seltensten feinsten Praeparate zur Erkenntnis des menschlichen Körpers aufbewahrt’.55 Daaronder roemde de auteur, de Russische arts Wilhelm Michael von Richter (zoon van een Lutherse predikant te Moskou, die in West-Europa had gestudeerd), vooral het hoofd van een jongeling, waarvan het schedeldak was verwijderd, zodat talrijke zeer fijne, zorgvuldig geïnjecteerde bloedvaten in het zachte hersenvlies, de pia mater, waren te zien. De teint van de wangen en het purper van de lippen was na meer dan honderd jaar volkomen behouden en bracht volgens Von Richter iedereen in ‘staunende Bewunderung’. Maar de meeste aandacht trokken toch nog altijd de preparaten die de ontwikkeling van de vrucht illustreerden. Die verzameling, honderdtien embryo's en foetussen, van de grootte van een linze tot een volkomen ontwikkeld kind, was nog altijd volstrekt uniek.

Nadien werd er weinig meer van vernomen en in West-Europa verkeerde men lange tijd in de veronderstelling dat van de preparaten niets meer over zou zijn. ‘Ruyschs Name überlebte seine Sammlungen’, beweerde de Weense anatomicus Joseph Hyrtl halverwege de negentiende eeuw. Van de preparaten, waarvan Ruysch had gezegd dat ze ten eeuwigen dage zouden kunnen worden bewaard, was volgens hem niets meer over. Volgens Hyrtl deugde er van de werkwijze van Ruysch ook weinig: de tsaar had voor dertigduizend gulden rotzooi gekocht: ‘rothes Unschlitt in wässerigem Weingeist’. ‘Hieraus ergiebt sich auch, dass es ein wahres Wunder gewesen wäre, wenn eines dieser Präparate sich bis auf den heutigen Tag erhalten hätte’, aldus Hyrtl.56 Zijn beweringen werden voor waar aangenomen en tot na de tweede wereldoorlog ging men ervan uit dat de collectie teloor was gegaan. Men vreesde dat het werk van Ruysch het zelfde lot zou hebben ondergaan als het werk van Rau en Albinus, dat in Leiden werd bewaard. Daar had de ontruiming van het anatomisch kabinet tijdens de tweede wereldoorlog een treurig schouwspel opgeleverd. ‘Achthonderd vuile flessen, vele met beschimmelde inhoud, moesten in de kelders van het Anatomisch Laboratorium worden opgeborgen. Vele praeparaten stonden droog, vele oude fiolen waren gebarsten en verweerd. De kurken waren in de flessen gevallen, van vele fraaie darmpreparaten zag men slechts een drabbige massa op de bodem van het cylinderglas.’ De collectie was duidelijk slecht beheerd, maar ook in Leiden werd de kennelijk onweerstaanbare anekdote verteld dat de alcohol zou zijn opgedronken. Er werd gefluisterd dat een amanuensis ‘regelmatig naar de kelder van het laboratorium afdaalde, teneinde menige fiool te ontkurken en de liquor balsamicus met volle teugen te genieten’.57

De verzameling van Ruysch had inderdaad een vergelijkbaar lot ondergaan. Toen de befaamde natuuronderzoeker Karl Ernst von Baer in 1843 curator van de Kunstkamera was geworden, had hij geconstateerd dat verscheidene glazen

[p. 452]

barsten vertoonden, en in veel glazen was de liquor balsamicus geheel of gedeeltelijk verdampt. De gebalsemde preparaten waren aangevreten door insecten. Van de oorspronkelijke tweeduizend objecten waren er meer dan zeshonderd vergaan. Von Baer liet alle natte preparaten in nieuwe glazen plaatsen, die niet meer met varkensblazen werden afgesloten, maar met een glazen stopdeksel. Op die manier redde hij het resterende deel van de collectie, maar in de periode daarna werd de verzameling opnieuw verwaarloosd, en toen men in 1906 een inventaris opmaakte, bleken er nog 1086 specimina over te zijn.

Nadat Leningrad was bekomen van het beleg in de tweede wereldoorlog werd opnieuw een catalogus opgemaakt, waarin nog 935 preparaten van Ruysch voorkwamen. Vervolgens werd ook in het westen bekend dat er nog wel degelijk werk van Ruysch werd bewaard in de Kunstkamera in Leningrad. Een anatomicus van de universiteit van Kazan, Ternovski, had dat tijdens een internationaal congres in 1927 al verteld, maar de mythe bleek hardnekkig. Tot ver na de oorlog werd het verhaal van de matrozen die de alcohol hadden opgedronken herhaald. In het begin van de jaren zestig werd een arts uit Frankfurt op onderzoek uit gestuurd. Die trof de preparaten van Ruysch op de galerij van de bovenste verdieping van de Kunstkamera, in grote kasten met deuren en zijwanden van glas, ‘systematisch und nüchtern nebeneinander aufgestellt’. ‘An die alten Drapierungen und Arrangements erinnert nicht mehr viel’, rapporteerde hij, ‘Sie sind verschwunden. Immerhin sind Extremitätenteile an den Schnittstellen noch mit Spitzentüchlein bedeckt, oder ein hohles Kinderhändchen etwa hält in der ursprünglichen Weise ein kleines injiziertes Herz. An einem Sonntagnachmittag im November 1960 sah ich die Sammlung zum ersten Mal. Das Publikum drängte sich dicht vor den Ausstellungsstücken... Bei meinem nächsten Besuch war es ebenso, Führer schleusten grosse, wissbegierige Besuchergruppen durch den Raum.’58

Na de verwijdering van het ijzeren gordijn werd definitief duidelijk dat een groot deel van de driehonderd jaar oude preparaten nog bestond, zij het veelal niet meer in hun oorspronkelijke staat. Met name de gebalsemde preparaten hadden hun veelgeprezen natuurlijke uiterlijk grotendeels verloren en ook de natte preparaten verkeerden vaak niet in optimale conditie. Er moest dus het nodige restauratiewerk aan te pas komen.

In Leiden waren de restanten van het werk van Rau en Albinus na de oorlog zoveel mogelijk gered en onder leiding van de Nederlandse conservator Willem Mulder werd een soortgelijk reddingsplan uitgevoerd in Sint Petersburg. De skeletjes van foetussen en baby's waren verdwenen, en ook alle composities, zowel die met skeletjes als die met dieren en planten. Het ging dus vooral om de natte preparaten. De glazen werden schoongemaakt, de troebele vloeistof werd vervangen, en als de paardehaar waaraan Ruysch zijn preparaten had opgehangen was gebroken, werd het preparaat opnieuw bevestigd. Vervolgens werden de glazen zo goed mogelijk afgesloten. Hoewel ze niet meer in de oorspronkelijke glazen

[p. 453]



illustratie

Een foetus in een glazen pot, voor (links) en na de restauratie in Sint Petersburg (Willem J. Mulder).


[p. 454]



illustratie

Een driehonderd jaar oude Amsterdamse foetus tijdens de restauratie in Sint Petersburg (Willem J. Mulder).


[p. 455]

zaten, werden alle preparaten verder zoveel mogelijk in hun originele staat hersteld.59

Tijdens de restauratie kon worden vastgesteld dat de preparaten waren bewaard in ethanol en soms in terpentijn, maar omdat in de negentiende eeuw alle glazen waren vervangen, kon daaruit niet worden afgeleid dat Ruysch die vloeistoffen had gebruikt.60 Wel werden in een aantal glazen op de bodem restjes aangetroffen van zijn rode injectiestof. Zo kon worden vastgesteld dat Ruysch als kleurstof niet het uit bladluizen afkomstige karmijn had gebruikt, dat destijds in verf werd verwerkt, maar cinnaber, kwiksulfide. Er werd talk noch was aangetroffen. Wel kon worden geconstateerd dat in de injectiestof dierlijk vet was verwerkt. Maar opzienbarende verschillen met de werkwijze van de tijdgenoten van Ruysch kwamen niet aan het licht. Het geheim van zijn preparatiekunst werd dus opnieuw niet ontrafeld. Maar met de gerestaureerde preparaten kon in september 2003 wel een nieuwe permanente tentoonstelling van het werk van Frederik Ruysch worden geopend in de Petersburgse Kunstkamera, waar het nog altijd minstens zo veel bezoekers trekt als drie eeuwen eerder in Amsterdam.