terug  begin  verderprepost
[p. 283]

Hoofdstuk 7
De rekenwoordenschat

Wie over rekenen wil schrijven, heeft behoefte aan een taal waarmee rekenkundige begrippen en handelingen adequaat verwoord kunnen worden. De auteurs van de rekenboeken uit de vijftiende en zestiende eeuw ervaren dat de bestaande Nederlandse rekentaal tekortschiet voor het onderwijs in het rekenen met Hindoe-Arabische cijfers. De rekentaal die bij het penningrekenen gebruikt wordt, blijkt niet toereikend te zijn voor de nieuwe rekenmethode. Mogelijk wordt dat veroorzaakt doordat beide rekenmethodes zo verschillend van aard zijn.

Tijdens het penningrekenen moet de rekenaar net zo lang schuiven met penningen tot hij het gewenste eindresultaat heeft verkregen. Penningrekenen is concreet. Er wordt niet in het hoofd gerekend. Alle rekenhandelingen zijn zichtbaar en dus is het niet strikt noodzakelijk dat de rekenaar deze gedetailleerd kan benoemen. Als er tijdens het penningrekenen rekenhandelingen verwoord werden, ging dat waarschijnlijk dikwijls in termen van: ‘Dan pak je eerst deze en dan doe je die erbij en dan leg je dit daar neer,...’ enz. Freudenthal zou dit ‘actietaal’ of ‘aanwijzende taal’ noemen. Dat is taal die verbonden is met het rekenen met concrete materialen.1

Men heeft bij het penningrekenen ongetwijfeld bepaalde specifieke vaktermen gehanteerd, maar het zullen er niet veel zijn geweest. Er zijn geen Nederlandstalige tractaten over penningrekenen van voor 1500 overgeleverd; dus dit kan niet gecontroleerd worden. Vermoedelijk werd het penningrekenen in de Nederlanden in die tijd vooral mondeling doorgegeven. Het rekenonderwijs was waarschijnlijk vooral een kwestie van de kunst afkijken. Daar waren weinig vaktermen voor nodig.2

De nieuwe rekenmethode met de Hindoe-Arabische getallen is abstracter. Hoeveelheden worden niet langer meer zichtbaar en aftelbaar met penningen uitgebeeld, maar voorgesteld door middel van een getalsymbool. Dat symbool kan bovendien een andere waarde krijgen, afhankelijk van zijn plaats in het getal. Bij deze rekenmethode moet veel uitgelegd en verwoord worden. De zestiende-eeuwse Nederlandse woordenschat bezit daar aanvankelijk geen geschikte rekentermen voor. De auteurs van de rekenboeken proberen dit probleem op te lossen door nieuwe rekentermen te gaan gebruiken. Daarbij baseren ze zich in de eerste plaats

[p. 284]

op de Latijnse rekenwoordenschat. Ze nemen Latijnse rekentermen ongewijzigd over of ze zorgen voor aanpassing of vertaling. In dit hoofdstuk wordt onderzocht welke procedures hierbij gehanteerd werden. Ook Franse en Duitse invloeden op de zestiende-eeuwse Nederlandse rekentaal zullen aan de orde komen.

Het kenmerk van een goede vaktaal is een-eenduidigheid. Dat houdt in dat elk begrip door precies één benaming gerepresenteerd wordt en omgekeerd. In de zestiende-eeuwse rekentaal is daarvan geen sprake. Het wemelt er van de synonieme rekentermen. In dit hoofdstuk zal blijken dat die taal desondanks zeer geschikt was om in de zestiende eeuw de nieuwe rekenmethode te onderwijzen.

 

Het taalkundig onderzoek is gebaseerd op 76 rekenkundige basisbegrippen. Dat zijn rekenkundige onderwerpen die in de meeste rekenboeken voorkomen. Zie het navolgende overzicht:

Rekenkundige basisbegrippen

Algemeen
rekenkunde
tellen
cijfer
getal
positie
nul
hoofdbewerking
vraagstuk
berekening
is gelijk aan
onthouden
uitkomen
uitkomst
rest
resteren
controle
controleren
dozijn
procent
 
Meten
eenheid van meten
gelijksoortig
 
Getalklassen
eenheid
tiental
samengesteld getal
even
oneven
 
Optellen
optellen
optelling
term
som
 
Aftrekken
aftrekken
aftrekking
aftrektal
aftrekker
verschil
herhaald aftrekken
lenen
 
Halveren
halveren
halvering
 
Verdubbeling
verdubbelen
verdubbeling
 
Vermenigvuldigen
vermenigvuldigen
kruiselings vermenigvuldigen
vermenigvuldiging
vermenigvuldigtal
vermenigvuldiger
product
keer
tafels
 
Delen
delen
deling
deeltal
deler
quotiënt
 
Breuken
breuk
deel
gedeelte
geheel getal
gemengd getal
breuk van een breuk
teller
noemer
gemeenschappelijke noemer
gelijknamig
gelijknamige breuken
ongelijknamige breuken
gelijknamig maken
schrijven als breuk
vereenvoudigen
 
Machten
kwadraat
kwadrateren
derdemacht
wortel
worteltrekken
tweedemachtswortel
derdemachtswortel
[p. 285]

Rekenkundige begrippen die slechts in een enkel rekenboek voorkomen, zijn wél in het glossarium opgenomen, maar in eerste instantie buiten dit onderzoek gelaten. Zij worden slechts in dit onderzoek betrokken als het nodig is om bevestiging te vinden van vermoedens die op basis van de kleinere groep zijn ontstaan.

Rekentermen kunnen zowel woorden als verbindingen zijn. Een verbinding is een woordgroep, een benaming die uit meer dan een woord bestaat en die een afgebakende rekenkundige betekenis bezit. Bijv. cruuswijs multipliceren voor kruiselings vermenigvuldigen, of broken van een noemer voor gelijknamige breuken. De verbindingen zijn eveneens in dit onderzoek naar de rekenterminologie betrokken.3

7.1 Het Latijn en de Nederlandse rekenwoordenschat

De Latijnse rekenwoordenschat heeft op verschillende manieren invloed uitgeoefend op de Nederlandse zestiende-eeuwse rekenterminologie. Sommige Latijnse woorden zijn ongewijzigd overgenomen, andere zijn in vorm of klank aangepast aan de Nederlandse taal en ten slotte zijn ook een aantal Latijnse termen vertaald door Nederlandse woorden.

De Latijnse woorden die ongewijzigd in de Nederlandse woordenschat zijn opgenomen worden vreemde (niet-aangepaste) woorden genoemd. Bijvoorbeeld digitus en arithmetica. De woorden die qua vorm of klank aangepast zijn aan de Nederlandse taal worden bastaardwoorden genoemd.4 Bijvoorbeeld extraheren of sommeringe.

Als een Latijnse rekenterm vertaald wordt door een Nederlands equivalent zijn er twee mogelijkheden. Voor deze vertaling kan een bestaand woord uit het alledaagse Nederlandse taalgebruik zijn gekozen, of er kan een geheel nieuw Nederlands woord zijn gevormd.

Als een bestaand Nederlands woord gebruikt wordt om een Latijnse term te vertalen, krijgt dit bestaande woord er een nieuwe, rekenkundige betekenis bij. Die betekenis is afkomstig van de Latijnse term en in zo'n geval spreekt men van een betekenisontlening. Zo worden bijvoorbeeld de Latijnse termen addere en reductio vertaald door de Nederlandse termen toedoen en wederbringinge. Deze woorden bestaan al in de Nederlandse taal, maar ze krijgen er in de zestiende eeuw een betekenis bij.

Als een Latijns woord vertaald wordt door een geheel nieuw Nederlands woord, is er sprake van een vertalende ontlening. Deze nieuwe Nederlandse rekenwoorden worden samengesteld uit en afgeleid van bestaande Nederlandse woorden. De vertaling kan soms heel precies het origineel volgen, zoals bijvoorbeeld de vertaling van het Latijnse radix cubica door het nieuwe Nederlandse woord teerlincswortel. In zo'n geval spreekt men van een leenvertaling. Het komt ook voor dat de Nederlandse vertaling van het Latijnse woord wat vrijer is. Zoals

[p. 286]

bijvoorbeeld het Latijnse arithmetica dat vertaald wordt door het nieuwe Nederlandse woord rekenconste. Overigens is van zo'n vrije Nederlandse vertaling de Latijnse herkomst vaak niet met zekerheid vast te stellen.5



illustratie

7.1.1 Vreemde woorden

Onverbasterde Latijnse rekentermen komen opvallend veel voor in het eerste Nederlandse rekenboek H-BaU-1445. Het gaat daar vooral om Latijnse verbindingen. Onder andere: numerus articulus, numerus divisor, numerus quadratus, numerus quociens en vele andere.6 In de rekenboeken uit het begin van de zestiende eeuw komen aanvankelijk ook nog wel onverbasterde Latijnse termen voor, maar in de loop van de zestiende eeuw nemen ze in aantal af. Ze houden nog het langst stand op de wat officiëlere plaatsen. Bijvoorbeeld in een hoofdstuktitel:

Multiplicatio de vierde+
specie.+7

in een definitie:

Additio is optellen ofte te+
samen voegen vele sommen in+
een sommee.+8
[p. 287]

of in een opschrift boven een tabel:

Tabula Pytagorae.+9

Op die ‘officiële’ plaatsen komen vooral zeer frequent de namen van de rekenkundige bewerkingen voor: numeratio, additio, subtractio, multiplicatio, divisio en in sommige rekenboeken ook nog: mediatio, dupl(ic)atio, radicum extractio. Begrippen die nauwelijks genoemd worden tijdens het uitvoeren van een berekening behouden het langst hun onverbasterde benaming. Zo wordt aan het begin van de meeste rekenboeken het getalsysteem onderverdeeld in drie groepen: eenheden, tientallen en samengestelde getallen. Met deze indeling wordt in de rest van het rekenboek niets meer gedaan. De benamingen digitus, articulus en compositus komen in een groot aantal rekenboeken ongewijzigd voor. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor een term als arithmetica. Een term die weinig gebruikt wordt, komt kennelijk niet snel voor verbastering in aanmerking.

In de loop van de zestiende eeuw wordt slechts een enkele keer een nieuw onverbasterd Latijns woord aan de Nederlandse rekenwoordenschat toegevoegd. Van Halle noteert in zijn rekenboek enkele Latijnse verbindingen als fracta fractorum en minutie minutiarum.10 Van der Schuere voegt bij het rekenen met breuken nog abbreviatio en reductio toe.11 Verder worden er enkele nieuwe Latijnse termen ingevoerd bij onderwerpen die slechts in een paar rekenboeken behandeld worden. Het zijn de meer wiskundige onderwerpen zoals reeksen, verhoudingen en algebra en de wat gecompliceerdere rekenregels als: regula falsi en regula cecis.12

Op den duur verliezen steeds meer rekenkundige begrippen hun zuivere Latijnse benaming. Het Latijn wordt steeds vaker verbasterd of vertaald. De rekenmeesters laten een enkele keer blijken dat ze het officiële Latijn wel kennen, maar de voorkeur geven aan een alternatief:

Men es hier beghinnende met+
neghen letteren die welcke+
men heet ‘digyten’ naer+
digitus in dat Latijn.+13

Het is te mercken dat een
yegelic gebroken, twelcmen+
in Latine ‘fractio’ heet,+
heeft 2 figueren.+14
[p. 288]

7.1.2 Bastaardwoorden

Het grootste deel van de Latijnse rekentermen wordt direct bij overname of na verloop van tijd aangepast aan de Nederlandse taal. Dat houdt in dat de Latijnse stam wordt voorzien van Nederlandse affixen zodat het woord qua vorm en klank in de Nederlandse woordenschat past. De transformaties die de rekenmeesters op de Latijnse rekentermen toepassen om dat te bereiken zijn in enkele regels samen te vatten.

* Het Latijnse suffix -io wordt vervangen door het suffix -ie. Dat levert in vrijwel alle rekenboeken termen op als: additie, sub(s)tractie, multiplicatie, divisie, questie, probatie, reductie, denominatie, enz. Als in een rekenboek naast deze verbasterde vorm ook nog de oorspronkelijke Latijnse vorm voorkomt, is er vaak sprake van een betekenisverschil tussen beide vormen. In H-GeU-1532, H-BKB-1568 en D-Wen-1599 betekent additio het optellen en additie optelling. Van der Gucht, de auteur van D-Guc-1569, gebruikt het oorspronkelijke Latijn niet meer en heeft beide betekenissen gereserveerd voor de vorm op -ie. In D-Sch-1600 komt juist alleen de oorspronkelijke vorm op -io voor. Daar betekent divisio zowel het delen als deling.

* Aan de stam van Latijnse werkwoorden wordt in de Nederlandse rekenboeken vrijwel zonder uitzondering -eren gehecht. Het eerste deel van het suffix -eren is overigens Frans van oorsprong. Oorspronkelijk kregen werkwoorden die aan het Frans ontleend waren -en achter de Franse infinitief. Tijdens de Middeleeuwen werd -eren productief in de Nederlandse woordenschat, zodat het ook gehecht werd aan de stam van niet-Franse werkwoorden, waaronder Latijnse.15 In alle rekenboeken komen termen voor als: adderen, subtraheren, dupliceren, medieren, multipliceren, divideren, reduceren en solveren. In de loop van de zestiende eeuw worden daar nog verschillende werkwoorden aan toegevoegd:

D-Hoe-1537: quadreren, extraheren
H-ANE-1562: resteren
D-Pet-1567: examineren, numereren
H-BKB-1568: cubiceren
D-Guc-1569: augmenteren
D-Hel-1569: abbrevieren16

De werkwoorden eindigend op -eren worden door verschillende auteurs weer gebruikt als stam voor nieuwe afleidingen en samenkoppelingen:

H-BaU-1445: multipliceringe
H-GeU-1532: inadderen
D-Hoe-1537: sommeringe
D-Hoe-1537: multipliceerder
D-Guc-1569: medieringe

[p. 289]

D-Hel-1569: opadderen
H-BSA-1584: uutdivideren

Als een leenwoord ‘Nederlandsche voorvoegsels of uitgangen aanneemt om nieuwe afgeleide woorden te vormen’ is dat een teken van inburgering, aldus De Vooys.17 Uit voorgaande afleidingen en samenkoppelingen, die slechts een selectie zijn, zou men mogen concluderen dat Latijnse werkwoorden op -eren goed ingeburgerd waren in de zestiende eeuw.

De hierna volgende transformaties vinden op veel beperktere schaal plaats dan de voorgaande.

* In Latijnse zelfstandige naamwoorden eindigend op -us of -um wordt het suffix vervangen door -e of soms geheel weggelaten.

D-Man-1508: product, reste
H-GeU-1532: articule, digyte, composite
D-Hoe-1537: producte, quadraet

* In Latijnse zelfstandige naamwoorden eindigend op -a wordt het suffix vervangen door -e.

H-BrS-1463: probe
D-Man-1508: figuere
H-BKB-1568: summe18

* Verschillende rekentermen eindigen op -teur. Dat is weliswaar een Frans suffix, maar het is productief geworden in de Nederlandse taal. Het wordt in het Nederlands vaak in plaats van het Latijnse -tor gezet. Salverda de Grave durft daarom de uitgang -teur niet zonder meer als bewijs van Franse oorsprong te laten gelden.19 Denominateur, multiplicateur en numerateur komen in de rekenboeken voor naast denominator, multiplicator en numerator. Het is mogelijk dat de woorden op -teur niet uit het Frans komen, maar Nederlandse verbasteringen van het Latijn zijn.

* Het suffix -teit werd oorspronkelijk gebruikt voor de vernederlandsing van Franse woorden eindigend op -, maar in de zestiende eeuw worden ook Latijnse woorden eindigend op -tas met het suffix -teit vernederlandst. Uniteit komt in de rekenboeken voor naast unitas. Ook hier kan weer sprake zijn van een Nederlandse verbastering van het Latijn. Salverda de Grave beschouwt het suffix -teit evenmin als bewijs van Franse herkomst.20

* Een enkele keer komt het voor dat een Latijns woord in de Nederlandse rekenboeken overgaat naar een andere grammaticale categorie. Zo wordt het Latijnse facit op den duur gebruikt als een zelfstandig naamwoord.

Oorspronkelijk:

2/12 facit ⅙.+21
[p. 290]

Later:

Soe men wil multipliceren
met twee fijguyren, als met 36,++
soe multipliceert
eerstelycken met 6. .... Ende+
daerna so multipliceert met
3. ... Ende sommeert alsdan
beyde die producten te samen.+
Ende dat soe comen sal, ist+
facit van dese multiplication.+22

* Voor de volledigheid moet hier nog het verschijnsel vermeld worden dat sommige Latijnse rekenkundige verbindingen verkort worden tot een rekenterm. Quocient ontstaat uit numerus quociens en quadraet uit numerus quadratus. Ook in dit geval gaat een Latijns woord over naar een andere grammaticale categorie. Meer hierover in de paragraaf over rekenkundige verbindingen.23

7.1.3 Vertaling van het Latijn

Een Latijnse term kan aangepast worden aan het Nederlandse klanksysteem en de Nederlandse morfologie, zoals hiervoor beschreven is, maar hij kan ook door een Nederlands woord vertaald worden. De grens hiertussen is niet altijd scherp te trekken. Zo wordt bijvoorbeeld het Latijnse impar (= oneven) in H-BKB-1568 vervangen door onpaer. Hier is niet met zekerheid te zeggen of er sprake is van het aanpassen van een Latijnse term of van een inheemse nieuwvorming die dient ter vertaling van de Latijnse term.

Een ander probleem is dat het soms moeilijk is vast te stellen welke termen in de zestiende eeuw als inheems werden beschouwd. De terminologie van Stevin biedt een aanknopingspunt, omdat hij als purist in zijn De Thiende principieel geen uitheemse termen wil gebruiken. Hier valt bijvoorbeeld op dat Stevin geen bezwaar heeft tegen de term cifer.

Het zal duidelijk zijn dat er verschillende twijfelgevallen op de grens van aanpassing of vertaling van een Latijnse term bestaan, maar desondanks is het binnen het kader van dit onderzoek zinvol om een splitsing te maken tussen aanpassingen en vertalingen om te constateren welke procedures men in beide gevallen hanteerde.

7.1.3.1 Vertaling door bestaande Nederlandse woorden

In de rekenboeken komen opvallend veel Nederlandse rekentermen voor die een vertaling zijn van een Latijnse term. Vaak volgt de vertaling het origineel heel precies, soms is er wat meer afstand tussen de Nederlandse en de Latijnse term. In het laatste geval heeft de Nederlandse rekenmeester meestal voor een term gekozen

[p. 291]

die wat meer tot de verbeelding van zijn leerlingen spreekt. Een aantal voorbeelden van vertalingen uit het Latijn zijn:24

subtrahere: aftrecken, uuttrecken, afcorten, aftien, wechnemen
operatio: rekeninge, werkinge
probatio, proba: proef
probare: proeven
dividere: delen
divisor: deler
divisio: delinge
par: effen, gelijc
impar: oneffen, ongelijc
reductio: wederbringinge
mediare: middelen, helften, halven
denominator: uutspreker
summare, addere: toedoen, vergaderen, voegen, aenrekenen, toebringen, medetellen, medenemen
restat: overblivinge, overschot
numerator: teller
duplare: dobbelen, dobbeleren
abbreviare: minderen, vercorten
abbreviatio: minderinge
augmentere, multiplicere: menichvoudigen, vermenichvuldigen, vermeren, vermenigen, verhogen
mutuare: lenen, ontlenen
differentia: verschil, onderscheit
questio: vrage
radix: wortel

Deze lijst is nog verder uit te breiden.

 

Al deze vertalende Nederlandse rekentermen hebben een opvallende overeenkomst. Het zijn allemaal betekenisontleningen; woorden uit het alledaagse zestiende-eeuwse Nederlandse taalgebruik, die een aan het Latijn ontleende extra betekenis hebben gekregen.

In de meeste gevallen wijkt de oorspronkelijke, alledaagse betekenis niet veel af van de nieuwe, rekenkundige betekenis. Men zou kunnen zeggen dat de alledaagse betekenis wordt toegepast op een specifiek terrein: de rekenkunde. Helften betekende halveren en wordt nu het halveren van een getal, proeven betekende controleren en wordt nu het controleren van een berekening, vergaderen betekende samenvoegen en wordt nu het samenvoegen van twee getallen, enz. Rekenwoorden die behalve een rekenkundige ook een alledaagse betekenis bezitten, hebben het voordeel dat die alledaagse betekenis in veel gevallen bij het begrijpen en leren van de rekenkunde ondersteunend kan zijn.

Er zijn een paar bestaande Nederlandse woorden die een rekenkundige beteke-

[p. 292]

nis toegevoegd krijgen die geen relatie heeft met hun alledaagse betekenis. Het gaat om enkele afleidingen met het suffix -inge. De rekenkundige en de alledaagse betekenis verschillen onderling en dat is waarschijnlijk veroorzaakt doordat de afleiding twee keer gemaakt is: eerst in het alledaagse taalgebruik en later binnen de rekenkunde nogmaals.

middelinge: alledaagse betekenis: tussenkomst, bemiddeling
rekenkundige betekenis: halvering
begripinge: alledaagse betekenis: berisping
rekenkundige betekenis: quotiënt
blivinge: alledaagse betekenis: inwoning, vast verblijf
rekenkundige betekenis: rest, overblijfsel

Deze woorden zijn afgeleid uit de rekentermen middelen, begripen en bliven, naar analogie van rekentermen als aftreckinge, delinge, vermenichvuldinge, overblivinge, enz. Het verschil is dat bij de laatstgenoemde termen door de afleiding binnen de rekenkunde geen betekenis ontstond die afweek van de alledaagse betekenis, terwijl dat bij middelinge, begripinge en blivinge wel het geval is.

Er is nog een rekenterm waarvan de alledaagse betekenis nogal sterk afwijkt van de rekenkundige. Dat is het werkwoord

opnemen: alledaagse betekenis: opnemen, oppakken, opbeuren
rekenkundige betekenis: vereenvoudigen van een breuk

Dit laatste betekenisverschil is niet zo groot als het op het eerste gezicht lijkt. Het woord opnemen komt ook voor bij het penningrekenen. Opnemen betekent daar het oppakken van vijf penningen op één lijn om die te vervangen door één penning in het gebied tussen twee lijnen, óf het oppakken van twee penningen uit het gebied tussen twee lijnen om die te vervangen door één penning op de eerstvolgende lijn. Vereenvoudigen gebeurt in het penningrekenen dus door het opnemen van penningen. Via het penningrekenen kan het woord opnemen in de rekenkunde met Hindoe-Arabische cijfers zijn beland. Het betekent nog steeds vereenvoudigen maar het heeft nu niets meer met oppakken te maken. Er zijn geen andere voorbeelden van rekentermen gevonden waarvan de herkomst uit het penningrekenen zo duidelijk kan worden aangetoond. Maar dat sluit niet uit dat het penningrekenen ook op andere momenten invloed op de zestiende-eeuwse rekentaal heeft uitgeoefend.

Er zijn twee zestiende-eeuwse rekentermen die uit het alledaagse taalgebruik afkomstig zijn zonder dat er sprake is van vertaling uit het Latijn. Het zijn de woorden schult en betalinge, die in de rekenboeken respectievelijk aftrektal en aftrekker betekenen. Ze zijn afkomstig uit de praktische vraagstukken die veel rekenmeesters behandelen ter illustratie van de hoofdbewerking aftrekken. Bijvoorbeeld:

Jan Niemant es my sculdich
8684 ponden groten. Ende
hier op heeft die selve man+
mij betaelt 5462 ponden
groten. Ic vraghe nu,
boeveel my dese man nu noch
[p. 293]
sculdich blijft. Wildy dit
weten, so set die betalinghe
recht met elcker letter
onder elck letter vander
scult.+25

Op den duur hebben de woorden schult en betalinge los van de context van een koopmansvraagstuk een zelfstandige rekenkundige betekenis gekregen. Wentsel gebruikt bij de uitleg van de rekenkundige hoofdbewerkingen geen contextvraagstukken, toch hanteert ook hij de termen schult en betalinge. Ook uit de definities in sommige rekenboeken blijkt dat de alledaagse koopmanswoorden zelfstandige rekentermen zijn geworden:

De derde specie leert+
aftrecken een ghetal van een
ander meerder ghetal. Ende+
t'ghetal daer men aftreckt+
heet men ‘schult’, dat men
aftreckt ‘betalinghe’ ende+
wat dan blijft is de reste.+26

De groep van alledaagse woorden die een rekenkundige betekenis krijgen, blijft de gehele eeuw doorgroeien. Rekenkundige begrippen die al verschillende benamingen hebben, ook uit het alledaagse taalgebruik, krijgen er vaak toch nog weer nieuwe bij. Dat geldt bijvoorbeeld voor het begrip aftrekken. Het heeft al verschillende alledaagse benamingen zoals uuttrecken, afcorten, aftien, wechnemen, enz. toch voegt Wentsel daar in 1599 nog uutdoen aan toe. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te geven.

7.1.3.2 Vertaling door nieuwgevormde Nederlandse rekentermen

Latijnse rekentermen worden niet uitsluitend door alledaagse woorden vertaald. Soms kiest een rekenmeester voor een omschrijvende woordgroep27 of creëert hij een nieuw Nederlands woord. In de rekenboeken komen drie soorten nieuwvormingen voor: afleidingen, samenstellingen en samenkoppelingen.

7.1.3.2.1 Afleidingen

Een afleiding is een geleed woord waarin één van de delen een gebonden morfeem is. Een gebonden morfeem kan niet als woord optreden. Het moet altijd gecombineerd worden met een vrij morfeem.28

Het suffix -inge

Het suffix -inge hecht zich aan de stam van een werkwoord. Daardoor ontstaat een zelfstandig naamwoord dat een dubbel betekenisaspect kan hebben:

[p. 294]

- een handeling of werking;

- het resultaat van de handeling of werking.

Beide betekenisaspecten komen voor bij rekentermen als meerderinge, halvinge, vermenichvuldinge en dobbeleringe. Het suffix -inge hecht zich ook aan werkwoorden van Latijnse herkomst: multipliceringe, sommeringe, medieringe. Het hecht zich eveneens aan samenkoppelingen: tesamentellinge, bieenvoeginge. Soms kan door aanhechting van -inge aan een rekenkundig werkwoord een zelfstandig naamwoord ontstaan dat in het alledaagse taalgebruik een totaal andere betekenis bezit dan in de rekenkunde: middelinge, begripinge en blivinge.29

Het suffix -gewijs

Het suffix -gewijs is waarschijnlijk voortgekomen uit -wijs. In de rekenboeken komen drie nieuwe samenstellingen voor die eindigen op -wijs. In alledrie de gevallen is -wijs achter een zelfstandig naamwoord geplaatst, waardoor een bijwoord ontstaat met het betekenisaspect: op de wijze van het zelfstandig naamwoord, of een bijvoeglijk naamwoord met het betekenisaspect: in de vorm van het zelfstandig naamwoord. De nieuwe samenstellingen zijn cruuswijs, cubijcwijs en teerlincwijs.30

In D-Guc-1569 staat: int viercante teerlinck-wijs. De auteur van H-BSA-1584 heeft bij het afschrijven van deze passage dit veranderd in: int viercant teerlinckgewijs. De nieuwe afleiding teerlincgewijs komt al eerder voor, namelijk in H-BKB-1568. Andere afleidingen op -gewijs zijn niet aangetroffen. Het suffix -gewijs heeft hetzelfde betekenisaspect als -wijs.

Het suffix -heit

Het suffix -heit hecht zich voornamelijk aan bijvoeglijke naamwoorden waardoor een zelfstandig naamwoord ontstaat. Het betekenisaspect is: het bijvoeglijk zijn.

Voorbeelden: gelijcheit, gelijcformicheit, grootheit, onevenheit.

Soms levert dat nieuwe Nederlandse woorden op:

D-Rae-1580: vermenichfuldicheyt
D-Ste-1585: everedenheydt
D-Sch-1600: ghelijcknamicheyt

Vermenichfuldicheyt is afgeleid van de stam van een werkwoord. Dat is een verschijnsel dat verder niet in de rekenboeken aangetroffen wordt. Het basiswoord van everedenheydt zou evereden kunnen zijn, maar deze samenstelling komt niet in de rekenboeken voor.

Het suffix -sel

Het suffix -sel hecht zich aan werkwoordstammen. Het resultaat is een zelfstandig naamwoord met het betekenisaspect: resultaat, voortbrengsel van de handeling of werking, uitgedrukt door het werkwoord. Bijvoorbeeld: overblijfsel. Er zijn enkele nieuwe woorden door aanhechting van dit suffix ontstaan:

[p. 295]

D-Guc-1569: dobbeleertsel
H-BKB-1568: becortsel

Het suffix -er

Het suffix -er met de variant -der hecht zich aan werkwoordstammen. Het resultaat is een zaaknaam met het betekenisaspect: getal dat de handeling uitvoert die door het werkwoord wordt uitgedrukt. Bijvoorbeeld: deler, teller, uutspreker. Het suffix -er hecht zich ook aan Latijnse werkwoordstammen: multipliceerder. Nieuw is het woord noemer in D-Man-1508. Het vertoont overeenkomsten met het Duitse nenner dat onder andere in het Bamberger Rechenbuch van 1483 voorkomt.31

Het suffix -eren

Het van oorsprong Franse suffix -er dat in de Nederlandse taal werd uitgebreid tot -eren wordt in de rekenboeken vooral gebruikt om Latijnse en ook Franse werkwoorden aan te passen aan de Nederlandse taal. Bijvoorbeeld: quadreren, resteren, augmenteren. Een enkele keer wordt het gehecht aan een Nederlandse werkwoordstam. Zo is bijvoorbeeld uit halven het woord halveren ontstaan.

7.1.3.2.2 Samenstellingen

Een samenstelling is een geleed woord dat is opgebouwd uit delen die zelf als woord kunnen optreden.32

De meeste nieuwe samenstellingen in de rekenboeken zijn nominaal. Sommige zijn een samenstelling van twee zelfstandige naamwoorden:

H-GeU-1532: cyfferlettere
D-Hey-1561: vingergetal
D-Guc-1569: ghetalsomme
D-Ste-1585: teerlincxwortel
D-Sch-1600: cijffer-ghetal
D-Sch-1600: tal-conste

Andere zijn een samenstelling van een werkwoordstam met een zelfstandig naamwoord:

D-Rae-1580: rekenconste
D-Rae-1580: vraechstuck
D-Ste-1585: telconste
D-Sch-1600: merck-teecken
D-Sch-1600: deel-ghetal

Er is een nieuwe samenstelling van een bijwoord met een onbepaald telwoord en een zelfstandig naamwoord:

D-Ste-1585: soomenichmael33

[p. 296]

Er zijn drie nieuwe samenstellingen die eindigen op -wijs. Deze woorden kunnen zowel de functie van bijwoord als van bijvoeglijk naamwoord vervullen:

D-Man-1508: cruuswijs
H-BKB-1568: teerlincwijs
D-Guc-1569: cubijcwijs

Ten slotte is er één nieuwe samenstellende afleiding. Deze heeft de functie van bijvoeglijk naamwoord:

D-Sch-1600: gelijcknamich

In het merendeel van deze nieuwe samenstellingen wordt het rechterlid nader bepaald door het linker. Uitzondering is ghetalsomme wat eigenlijk een tautologische samenstelling is. Getal en somme komen ook zelfstandig in de rekenboeken voor en hebben dan elk afzonderlijk dezelfde betekenis als de samenstelling ghetalsomme. Overigens zijn de woorden cyfferlettere en cijffer-ghetal vermoedelijk geen tautologische samenstellingen. Cifer komt oorspronkelijk van het Arabische cifr (= nul, leeg) en in deze samenstellingen duidt cifer aan dat het om de Hindoe-Arabische cijfers gaat en niet om de Romeinse.34

Er zijn geen bindfonemen met uitzondering van -s- in teerlincswortel. Een enkele auteur gebruikt een koppelstreepje. In het rekenboek van Van der Schuere komen maar liefst vijf nieuwe samenstellingen voor.35 Dat is tamelijk veel in vergelijking met de andere rekenmeesters. De woorden vingergetal, cijffer-ghetal, rekenconste en gelijcknamich komen in vergelijkbare vorm in de Duitse rekenwoordenschat voor.36

7.1.3.2.3 Samenkoppelingen

Samenkoppelingen bevinden zich op het grensvlak tussen woordgroep en samenstelling. Het zijn scheidbaar samengestelde werkwoorden, combinaties van een voorzetsel, bijwoord, zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord met een werkwoord die zich als een woordgroep gedragen blijkens de scheidbaarheid van de twee delen, maar die semantisch wel als een woord zijn op te vatten.37

 

- Samenkoppelingen met een voorzetsel

Het wemelt in de rekenboeken van werkwoorden waaraan een voorzetsel als prefix gehecht is:

intellen, medetellen, optellen, uuttellen
afnemen, medenemen, opnemen
afdelen, uutdelen
toesetten
toelenen
toebringen
[p. 297]
afdoen, uutdoen, toedoen
uutcomen, afcomen
inrekenen, aenrekenen, uutrekenen

Ook Latijnse woorden worden soms met een voorzetsel uitgebreid:

inadderen, opadderen
afdivideren, uutdivideren

Alle voorgaande werkwoorden komen ook zonder prefix in de rekenboeken voor. In sommige gevallen veroorzaakt het voorzetsel weinig betekenisverschil: adderen, inadderen en opadderen hebben dezelfde betekenis, namelijk optellen. Het voorzetsel is wellicht toegevoegd om het werkwoord iets meer tot de verbeelding van de leerling te laten spreken. Spiegel veronderstelt dat het toegevoegde prefix een deel van de betekenis van het oorspronkelijke werkwoord benadrukt en in de context onderstreept.38

In andere gevallen geeft het voorzetsel een nadere specificering van het werkwoord: tellen heeft twee betekenissen, namelijk optellen en het lezen en schrijven van getallen. Wanneer de betekenis optellen bedoeld wordt, is vaak een voorzetsel toegevoegd. Onontbeerlijk is het voorzetsel bij nemen, waar het steeds een nieuwe betekenis veroorzaakt:

nemen = lenen
afnemen = aftrekken
medenemen = optellen
opnemen = vereenvoudigen

Een enkele keer ontstaat door samenkoppeling van een werkwoord met een voorzetsel een nieuw Nederlands woord:

D-Wen-1599: intellen
H-ANE-1562: optellen
D-Guc-1569: toelenen

- Samenkoppelingen met een bijwoord

Bijzonder veel werkwoorden worden gekoppeld aan de bijwoorden tesamen en tegader. In de meeste gevallen is de betekenis van een dergelijke samenkoppeling optellen: tesamendoen, tesamenbringen, tesamennemen, tesamenvergaderen, tesamentellen, tesamenoptellen, tesamenvoegen, tegaderbringen, tegaderdoen, tegadertellen, tegadervoegen. Ook sommige Latijnse woorden worden met deze twee bijwoorden samengekoppeld: tegadersommeren, tesamenadderen.

Slechts enkele samenkoppelingen met tesamen of tegader betekenen iets anders dan optellen:

tesamencomen = uitkomen
tesamenmultipliceren = vermenigvuldigen

In sommige gevallen lijkt de toevoeging van tesamen/tegader nauwelijks extra betekenis aan het werkwoord te verlenen. Bijvoorbeeld bij tegadersommeren,

[p. 298]

tesamenadderen, tesamenvergaderen, tesamenoptellen. Mogelijk spreekt het woord met tesamen/tegader meer tot de verbeelding.

Overigens is het bij de samenkoppelingen met tesamen/tegader moeilijk te zeggen of daaruit een woord of een woordgroep is ontstaan. Als de delen naast elkaar voorkomen wordt het bijwoord nu eens los van het werkwoord geschreven, dan weer eraan vast. Soms worden beide delen ver uitelkaar geplaatst:

Daer naer doet die 37 ende
44 tesamen ende compt 81.+39

Sommige samenkoppelingen vormen het uitgangspunt van een afleiding:

D-Hoe-1537: tsamenvoeginge
D-Sch-1600: t'samen-tellinghe

Dat pleit ervoor om ze als één woord op te vatten.

Een andere samenkoppeling van een bijwoord met een werkwoord is het woord bieenvoegen, waarvan in D-Hel-1569 byeenvoeginghe is afgeleid.

Slechts drie samenkoppelingen zijn in het Middelnederlandsch Woordenboek aangetroffen: samencomen, samentellen en samenvoegen. De overige zijn vermoedelijk allemaal nieuwgevormde woorden.

7.1.3.2.4 Woorden met een nieuwe grammaticale functie

Een enkele keer komt het voor dat een rekenmeester een bestaand woord een nieuwe grammaticale functie geeft.

 

- Bijvoeglijk naamwoord wordt zelfstandig naamwoord

Bijvoeglijke naamwoorden die samen met het woord getal een verbinding vormen, komen soms ook los als zelfstandig naamwoord voor en hebben dan vaak dezelfde rekenkundige betekenis als de gehele verbinding: onderste, bovenste, geheel, heel. Soms is dat bijvoeglijk naamwoord een voltooid deelwoord: gebroken, overgebleven, gemultipliceerde. Soms is het een onvoltooid deelwoord: comende, blivende, overblivende, gebrekende, delende, uutcomende.

Over de meervoudsvorming van deze zelfstandige naamwoorden bestaat niet altijd overeenstemming:

Multiplicatio met sommighe
ghemeyne ghebrokenen.+40
Multiplication met sommige
gebroken.+41

- Werkwoord wordt zelfstandig naamwoord

Een enkele keer wordt de infinitief van een werkwoord als zelfstandig naamwoord gebruikt. Dat komt voor met overbliven en uutcomen.

[p. 299]

- Deel van werkwoord wordt zelfstandig naamwoord

Soms wordt de stam van een werkwoord als zelfstandig naamwoord gebruikt: uutbreng, bleve, overblijf.

 

In het voorgaande zijn de morfologische regels geschetst die de rekenmeesters gebruikten om Latijnse woorden aan de Nederlandse taal aan te passen of om nieuwe inheemse woorden te vormen. Het aantal morfologische regels dat in de rekenboeken gehanteerd is, is beperkt. Alle regels komen ook in het alledaagse taalgebruik voor.

Varianten

Sommige termen komen in verschillende vormen voor. Deze varianten kunnen ontstaan zijn doordat sommige auteurs termen uit buitenlandse bronnen ongewijzigd hebben overgenomen, terwijl hun collega's dezelfde termen bij overname verbasterd hebben. Voorbeelden zijn:

summa/summe
denominator/denominateur
articulus/articule
multiplicatio/multiplicatie enz. Zie verder paragraaf 7.1.2.

Andere varianten zijn ontstaan door het dialect van de auteur:

dobbeleren/dubbeleren
hondert/hundert
optellen/uptellen
overbliven/averbliven
inhout/inholdt
vijftich/vichtich
eerste/ierste enz.

Veel vormen zijn niet meer dan spellingvarianten in een periode waarin (nog) geen regels voor uniformering bestonden:

duisent/duysendt
ghelijck/gelyck/ghelyk/ghelyc
maken/maecken
rekeninghe/reekeninghe/rekenijnghe/reeckeninghe
tien/thien/tyen/tyn
vijf/vijff enz.

Omdat de zestiende eeuw op taalgebied een overgangsperiode is van Middelnederlands naar Nieuwnederlands, waarin dus oudere en nieuwere karakteristieken elkaar afwisselen, komen allerlei varianten, conservatismen en vernieuwingen naast elkaar voor:

sesse/ses
vive/vijf
vijfste/vijfde
tsestich/sestich
deelder/deler
telder/teller enz.
[p. 300]

Een systematisch variantenonderzoek voert binnen het kader van deze studie te ver. Voor zover nu is nagegaan zijn vrijwel alle varianten voorspelbaar. Er doen zich geen onverwachte taalkundige verschijnselen voor. Een diepgaander onderzoek op dit terrein zou wellicht voor taalkundigen relevant kunnen zijn. Het glossarium bevat een schat aan informatie om een dergelijke analyse uit te voeren.

7.2 Franse invloeden

In de rekenboeken komt een aantal onverbasterde Franse rekenwoorden voor. Het gaat om de volgende termen met hun oudste vindplaats in de Nederlandse rekenboeken:

billion: D-Hey-1561
debte: H-GeU-1584
dividant: H-BKB-1568
douzain: D-Wen-1599
communicant: D-Hoe-1537
contant: D-Hel-1569
milliart: H-TSB-1578
million: H-GeU-1532
multiplicant: H-BKB-1568
nombre: H-BKB-1568
novillion: D-Dij-1591
octillion: D-Dij-1591
partie: D-Guc-1569
paye: H-ANE-1562
payement: H-BSA-1584
produict: H-TSB-1578
quadratuire: D-Pet-1567
quatrillion: D-Dij-1591
quintillion: D-Dij-1591
racine: D-Hoe-1537
restant: H-TSB-1578
septillion: D-Dij-1591
trillion: D-Dij-1591
zero: H-TSB-1578

Alle zestiende-eeuwse rekenboeken bevatten een of meer van deze onverbasterde Franse rekentermen. D-Man-1508 en D-Man-1510 vormen uitzonderingen. In deze rekenboeken zijn Franse invloeden niet uitgesloten, maar als ze er zijn geweest, zijn ze in ieder geval aangepast aan de Nederlandse taal. Zo is bijvoorbeeld in D-Man-1510 het Franse million verbasterd tot millioen. Ook in de vijftiende-eeuwse rekenboeken komen geen onverbasterde Franse termen voor. In de loop van de zestiende eeuw gebruiken de auteurs zowel Franse woorden die zijn aangepast aan de Nederlandse taal, als ook steeds meer Franse woorden die dat niet zijn.

[p. 301]

Het toenemend aantal onverbasterde Franse termen in de latere Nederlandse rekenboeken is natuurlijk niet zo verbazingwekkend. Vooral in de tweede helft van de zestiende eeuw trokken veel schoolmeesters uit de Zuidelijke Nederlanden naar het Noorden. Veel rekenmeesters beheersten de Franse taal. Stockman en Van der Schuere melden dat ze francoysche meester zijn.42 Een aantal rekenboeken is op de Franse scholen gebruikt.43 Peter Heyns en Martin van den Dijcke schreven behalve een Nederlands ook een Frans rekenboek.44 Martin Wentsel schreef een tweetalig rekenboek.45

Hij noteerde in de linkerkolom de Nederlandse versie, in de rechter de Franse. Petri en Pijck gebruikten bij het schrijven van hun rekenboek het Franse werk van Mennher.46 Van den Hoecke gebruikte onder andere het Franse rekenboek van De la Roche.47 Ook D-Guc-1569, H-BKB-1563 en H-TSB-1578 dragen sporen van Franse bronnen. De auteurs van H-GeU-1584 en H-ANE-1562 beginnen hun rekenboek met de tekst: Ceste livre appertient a moy...

Een aantal Franse termen is wel aangepast aan de Nederlandse taal, maar omdat in de rekenboeken ook Latijnse rekentermen voorkomen, is van sommige verbasterde termen niet met zekerheid te zeggen of ze uit het Latijn of uit het Frans afkomstig zijn. In het voorgaande zijn de uitgangen -teur, -teit en -eren al besproken. Het zijn suffixen die ook aan Latijnse woorden worden gehecht. Deze uitgangen zijn geen garantie voor een Franse herkomst.

Woorden op -ie zouden een verbastering kunnen zijn van Franse woorden op -ion maar even goed ook van Latijnse woorden op -io.

Omdat er in de rekenboeken veel meer woorden op -io voorkomen dan op -ion wordt ervan uitgegaan dat de Latijnse vorm het uitgangspunt is geweest en niet de Franse. Alleen als de stam van een woord Franse kenmerken draagt, wordt aangenomen dat er sprake is van verbastering van het Frans. Aiouteren, couperen, doubleren, nombreren, multiplieren zijn woorden van Franse herkomst.

Ook bij vertalende ontleningen wordt er in dit onderzoek van uitgegaan dat de taal waaraan ontleend wordt Latijn is. Aftrecken wordt bijvoorbeeld beschouwd als vertaling van het Latijnse subtrahere en niet van het Franse soustraire. Alleen als de Nederlandse vertaling dichter bij het Frans dan bij het Latijn ligt, wordt van een Franse herkomst uitgegaan. Dat komt maar een enkele keer voor. Bijvoorbeeld: wortel trecken in H-TSB-1578. Wortel trecken komt mogelijk van het Franse tirer la racine dat onder andere bij Trenchant voorkomt48 en niet van het Latijnse radicem extrahere dat in de meeste rekenboeken vertaald wordt door wortel uuttrecken.

[p. 302]

7.3 Duitse invloeden

Er is maar één rekenboek waarin van een duidelijk zichtbare Duitse invloed sprake is. Het is D-Cre-1577. Dit boek bevat woorden als: nichts, entspringen, veelfoldigen, henwechwisschens, weyniger, einmael ein. Creszfelt, de auteur van dit rekenboek schrijft in zijn voorwoord dat hij zich in 1555 in de Nederlanden gevestigd heeft. Zijn naam en taalgebruik doen vermoeden dat hij uit Duitsland afkomstig was, maar daarover zijn geen nadere gegevens bekend.

In de overige rekenboeken is geen zichtbare Duitse invloed te bespeuren. Dat hoeft niet te betekenen dat deze er niet toch geweest is. Zo heeft bijvoorbeeld Van den Hoecke voor zijn rekenboek in ieder geval twee Duitse bronnen gebruikt: de rekenboeken van Grammateus en Rudolff.49 Aan zijn woordenschat is dat niet te zien. Dat is niet zo verwonderlijk, want als Duitse woorden in het Nederlands worden overgenomen, worden ze direct vernederlandst en zijn dan moeilijk te herkennen.50

Er zijn bijzonder veel overeenkomsten tussen de Duitse en de Nederlandse rekenwoordenschat. In bijlage I achterin deze studie is een overzicht van overeenkomstige rekentermen opgenomen. De meeste overeenkomsten in deze lijst liggen nogal voor de hand. Als een Latijns woord in twee verwante talen als het Duits en het Nederlands vertaald wordt, spreekt het vanzelf dat de uitkomst vergelijkbaar is. Zo werd bijvoorbeeld fractio in het Duits bruch (Widman, 1489) en in het Nederlands broke (D-Man-1510). Radicem extrahere werd in het Duits wurczel außzihen (Widman, 1489) en in het Nederlands wortel uuttrecken (D-Hoe-1537), enz.

Enkele overeenkomsten zijn zo frappant dat ze een onderlinge afhankelijkheid doen vermoeden. Bijvoorbeeld: numerus cubus werd in het Duits corperliche zal (Widman, 1489) en in het Nederlands lichaemelyck ghetal (H-BKB-1568). Nulla werd in het Duits unbedeutliche figur (Grammateus, 1521) en in het Nederlands onbediedelycke (D-Hoe-1537). Numerus minuendus werd in het Duits hauptsum (Widman, 1489) en in het Nederlands hoeftsumma (D-Cre-1577). Nader onderzoek van het bronnengebruik van de Nederlandse auteurs zou misschien kunnen aantonen dat er enkele Nederlandse rekentermen aan het Duits ontleend zijn.

Het omgekeerde, de mogelijkheid dat Duitse rekenmeesters termen aan de Nederlandse rekenwoordenschat ontleend hebben, is vrijwel uitgesloten. Alle Duitse vindplaatsen uit de lijst van Bijlage I zijn ouder dan de overeenkomstige Nederlandse termen.

Overigens is in de lijst steeds maar één Duitse vindplaats genoteerd, terwijl de term vaak in meerdere Duitse bronnen voorkomt. De lijst laat zien dat er mogelijk enkele Nederlandse termen uit een Duitse bron zijn overgenomen, maar dat hoeft niet de bron te zijn die in de lijst vermeld is. Nader onderzoek naar Duitse bronnen die door Nederlandse rekenmeesters gebruikt zouden zijn, kan meer licht werpen op de aard en de omvang van een eventuele Duitse invloed op de Nederlandse rekenwoordenschat.

[p. 303]

7.4 Verbindingen

In het begin van dit hoofdstuk is al vastgesteld dat een rekenkundige verbinding een woordgroep is met een afgebakende rekenkundige betekenis. De grens tussen een incidentele woordgroep en een vaste verbinding is vaak moeilijk te trekken. Een verbinding heeft in de rekenboeken zelden een vaste vorm. Voor bijvoorbeeld het begrip kwadrateren komen de volgende benamingen voor: bi sich selve multipliceren, met sich selve multipliceren, in sich selve multipliceren, bi sich selve vermenichvuldigen, door sich selve vermenichvuldigen. Deze woordgroepen worden opgevat als varianten van dezelfde verbinding. Om geen enkele verbinding te missen zijn alle woordgroepen die een rekenkundig begrip aanduiden in het glossarium opgenomen.

7.4.1 Verschillende soorten verbindingen

Voor een groot aantal verbindingen geldt dat ze een korte omschrijving zijn van het rekenkundige begrip dat ze aanduiden. Ze zijn als het ware een kortste definitie. Bijvoorbeeld:

Om ⅚ 2/7 onder eenen noemer
te brenghen, soo multipliceert+
6 met 7. Comt voor den+
ghemeenen noemer 42.+51

Dit type verbindingen wordt veel gebruikt om getallen die een bepaalde functie in een berekening hebben aan te duiden: getal van welken gi hebt gesubstraheert, somme die gedeelt is, somme die uut de multiplicatie comen is, enz. Ook de namen van de rekenregels zijn vrijwel altijd verbindingen: regel van barteren, regel van interest, regel van geselschap met de tijt, enz.

Niet alle verbindingen zijn een omschrijving of aanduiding van de rekenkundige inhoud van een begrip. Sommige duiden de plaats van een getal in een berekening aan:

aftrekker: onderste somme D-Guc-1569
quotiënt: somme die tusschen linien staet H-GeU-1532
  somme die int maenken staet H-BKB-1568

Andere verbindingen omschrijven het belang of de grootte van een getal in vergelijking met de andere getallen in de berekening:

aftrekker: minste ghetal D-Rae-1580
deeltal: principaelste somme D-Sto-1595

In sommige rekenboeken hebben bepaalde rekenkundige begrippen als benaming zowel een woord als een verbinding. De verbinding dient dan vaak om de betekenis van het woord nader toe te lichten.

[p. 304]
Weet dat de multiplicatie is+
de prueve van divisie. Want+
multipliceert t'product+
vander divisie met de broke+
daer mede dat ghijt
divideerdet ende commet+
ghelijck den nommer
dividendus (dats de somme+
ofte broke die ghedivideert+
is), zoo ist recht.+52

Er zijn echter ook veel rekenkundige begrippen die niet door één woord worden benoemd, maar uitsluitend door een verbinding worden aangeduid. Dat is met name bij het rekenen met breuken het geval: broken die ongelike noemers hebben, tot gelike noemers reduceren, gemene noemer, geheel ende gebroken, tot gebroken getalen bringen, in een minder gebroken reduceren, enz.

7.4.2 Latijnse invloeden

In de rekenboeken komt een hoogst enkele keer een onverbasterde Latijnse verbinding voor. Dat is vooral het geval in H-BaU-1445. Over het algemeen zijn Latijnse verbindingen verbasterd of vertaald. In de vertalingen wordt soms het Latijn precies gevolgd, soms permitteert de vertaler zich wat meer vrijheid.

Zie bijvoorbeeld de verschillende benamingen voor het begrip deeltal:

numerus dividendus H-BaU-1445
nommer dividendus D-Hoe-1537
dividerende nommer D-Hoe-1537
somme diemen divideren wille D-Man-1508
ghetal dat ghy begheert te deylen D-Sto-1595

en voor het begrip worteltrekken:

radicum extractio D-Hoe-1537
extracio vanden wortel H-BaU-1445
uut-treckijnghe des wortels D-Guc-1569

Auteurs die een Latijnse verbinding willen vertalen en daarbij de Latijnse vorm zo dicht mogelijk willen benaderen, maken soms fouten. Van den Hoecke vertaalt numerus dividendus door dividerende nommer.53 Dat is onjuist: numerus dividendus is namelijk niet het getal dat deelt, maar het getal dat gedeeld moet worden. Op dezelfde wijze vertaalt Van der Schuere numerus subtrahendus door afghetrocken somme terwijl het juist het getal is waarvan afgetrokken moet worden.54 Van den Hoecke en Van der Schuere hebben kennelijk de gerundiumvorm niet begrepen en als voltooid deelwoord vertaald.

[p. 305]

Veel verbindingen zijn in de actieve vorm geformuleerd: somme diemen aftrecken wil (D-Guc-1569), ghetal daer ghy mede multipliceren wilt (D-Cre-1577). Dit past bij de stijl van de rekenboeken. De lezer zal zich door de actieve vorm direct aangesproken voelen. De verbinding is als het ware een soort voorschrift dat opdraagt om een aantal handelingen na elkaar uit te voeren.55 Slechts Van der Schuere kiest af en toe voor passieve constructies: getal dat gheaddeert moet wesen, ghetal daer mede ghemultipliceert sal worden, ghetal dat gediviseert wordt.

Niet alle rekenkundige verbindingen zijn een verbastering of vertaling van een Latijnse verbinding. Soms ligt er aan een verbinding een Latijns woord ten grondslag:

arithmetica: conste der rekeningen D-Man-1508
  const des getals D-Cre-1577
quadrare: quadratelyck multipliceren H-BKB-1568
  in hem zelve multipliceren D-Guc-1569

Dit komt echter maar een enkele keer voor.

Af en toe komen de (verbasterde) Latijnse term en zijn vertaling samen in één woordgroep voor. Dat levert dan een tautologische verbinding op:

getal: nombre van ghetale H-GeU-1532
  somme van ghetale D-Guc-1569
kwadrateren: in hem selven quadratelyck multipliceren H-BKB-1568
breuk: ghebroken partie56 D-Guc-1569

7.4.3 Ontwikkeling van de verbindingen

Een aantal verbindingen wordt op den duur verkort tot een term van één woord. Soms komen woord en verbinding allebei in dezelfde betekenis binnen een rekenboek voor:

breuk: gebroken ghetal en ghebroken D-Man-1508
geheel getal: geheel numerus en gheheel D-Man-1508
derdemacht: cubijc ghetal en cubike D-Hoe-1537
deeltal: deelende ghetal en deelende D-Sch-1600
kwadraat: quadrat ghetal en quadrat D-Sch-1600

In voorgaande voorbeelden is steeds het zelfstandig naamwoord verdwenen en het overgebleven bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord geworden. Ook de volgende rekentermen zouden ontstaan kunnen zijn doordat het zelfstandig naamwoord in de verbinding is weggelaten:

blivende: D-Cre-1577
bovenste: H-ANE-1562
gebrekende: D-Ste-1585

[p. 306]

gemultipliceerde: D-Hel-1569
comende: D-Cre-1537
onbediedelike: D-Hoe-1537
onderste: H-ANE-1562
overblivende: D-Cre-1577
overgebleven: D-Hoe-1537

In Latijnse rekenboeken komt het eveneens voor dat het bijvoeglijk naamwoord uit een verbinding als zelfstandige rekenterm overblijft. Zo gebruikt Sacrobosco in zijn rekenboek naast numerus productus ook productus.57 De auteur van de ‘Algorismus Ratisbonensis’ gebruikt fractum in plaats van numerus fractus.58 In het rekenboek van Gemma Frisius komt dividendus voor in plaats van numerus dividendus.59

Een enkele keer worden woorden uit een verbinding samengevoegd tot een nieuwe samenstelling of samenstellende afleiding. Dat is mogelijk het geval geweest bij de volgende rekentermen:

deeltal: deelende ghetal D-Sch-1600
  deel-ghetal D-Sch-1600
gelijknamig: gelijck van name H-BSA-1584
  gelijcknamich D-Sch-1600
getal: somme van ghetale D-Guc-1569
  ghetalsomme D-Guc-1569
rekenkunde: conste des rekenens D-Pet-1567
  rekenconste D-Rae-1580
  conste des cifers D-Guc-1569
  chijfer-conste D-Dij-1591
  conste des getals D-Cre-1577
  tal-conste D-Sch-1600

Mogelijk zijn ook de nieuwe termen soomenichmael en teerlincxwortel uit verbindingen ontstaan.60

Hiervoor is gezien dat rekenkundige verbindingen soms verkort worden tot rekenwoorden. Het omgekeerde komt ook voor. Dan wordt een woord aangevuld tot een verbinding om de betekenis van dat woord nader toe te lichten. Zo heeft bijvoorbeeld reduceren verschillende betekenissen. Om aan te geven welke betekenis bedoeld wordt, is het woord soms tot een verbinding verlengd, bijvoorbeeld: tot gelike noemers reduceren.61

[p. 307]

7.5 De bijdrage van de zestiende-eeuwse rekenmeesters aan de Nederlandse rekenwoordenschat

Om vast te kunnen stellen wat de zestiende-eeuwse rekenmeesters aan de rekentaal hebben bijgedragen, moet eerst duidelijk zijn op welke rekenwoordenschat zij zich konden baseren. Wat omvatte de Nederlandse rekenwoordenschat voor 1500? Daar is tot nu toe geen onderzoek naar gedaan. In het Middelnederlandsch Woordenboek komen nauwelijks rekentermen voor en zeker niet de vele (verbasterde) Latijnse woorden die in de rekenkunde gebruikelijk waren. Rekenboeken in de Nederlandse taal van voor 1500 zijn uiterst zeldzaam. Het penningrekenen werd waarschijnlijk vooral mondeling overgedragen.

Binnen het kader van dit onderzoek waren drie Nederlandse vijftiende-eeuwse rekenmanuscripten beschikbaar: twee fragmenten en een klein volledig rekenboek over het rekenen met Hindoe-Arabische cijfers. De rekentermen uit deze rekenboeken zijn in het glossarium opgenomen en geven een indruk van de woordenschat waar de zestiende-eeuwse rekenmeesters vanuit konden gaan. Deze indruk is beperkt en zou aangevuld moeten worden door nader onderzoek, dat bijvoorbeeld gebaseerd zou kunnen zijn op Middeleeuwse rekeningen en kasboeken.

De rekenwoordenschat in de vijftiende-eeuwse rekenboeken laat zich als volgt typeren:

- een aantal begrippen heeft meer dan één benaming;

Bijvoorbeeld in H-BaU-1445: aftrekken: affdoen, affnemen, affslaen, afftreeken
  wortel: radix, wortel
in H-BrS-1463: optellen: tegadersommeren, vergaderen

- het Latijn speelt een grote rol:

- onverbasterd

bijvoorbeeld in H-BaU-1445: divisor, numerus dividendus, numerus quadratus, digitus, divisio;

- verbasterd; woorden zijn qua vorm of klank aangepast aan de Nederlandse taal, bijvoorbeeld

in H-BaU-1445: divisie, adderen, wortel in quadratus
in H-KHA-1453: somme
in H-BrS-1463: subtraheren, probe, proberen;

- vertaald; veel Latijnse woorden zijn vertaald door een alledaags Nederlands woord,

bijvoorbeeld in H-BaU-1445: dividere - delen
  mediare - helften
  additio - vergaderenghe
  radix - wortel.

De overeenkomsten met de zestiende-eeuwse woordenschat zijn groot. Of anders gezegd: vrijwel de gehele vijftiende-eeuwse rekenwoordenschat blijft gedurende de zestiende eeuw in gebruik en bovendien breiden de zestiende-eeuwse rekenmeesters die sterk uit. Die uitbreiding is tweeledig: bekende rekenkundige begrippen krijgen in de zestiende eeuw een nieuwe benaming en er worden nieuwe begrippen toegevoegd.

[p. 308]

De nieuwe rekenkundige begrippen betreffen vooral het rekenen met breuken. Begrippen als breuk, geheel getal, gemengd getal, teller, noemer, gelijknamig maken, gemeenschappelijke noemer, schrijven als breuk, vereenvoudigen, enz., krijgen pas in de zestiende eeuw een Nederlandse benaming.62

Bovendien is in de vijftiende-eeuwse rekenboeken de uitleg nogal summier. Alleen de elementairste rekenkundige begrippen komen voor. Naarmate er meer uitgelegd wordt, zijn er meer termen nodig. In D-Man-1510 komt bijvoorbeeld deze tekst voor:

Daerna set 2 onder 4 ende 4
onder 7.63

Van Varenbraken heeft D-Man-1510 als bron gebruikt, maar voegt extra uitleg toe:

Dan verset u divisor 2 onder
4, dat dijn divisor was,+
ende 4 onder 7, een lettere
bet voort.+64

In de vijftiende-eeuwse manuscripten is de uitleg zo summier dat bepaalde rekenkundige begrippen wel gebruikt maar niet benoemd worden. Begrippen als: aftrektal, aftrekker, lenen, onthouden, kruiselings vermenigvuldigen, enz. komen niet expliciet aan de orde. In de zestiende-eeuwse rekenboeken krijgen deze begrippen al snel een of meer benamingen.

Daarnaast komen in sommige zestiende-eeuwse rekenboeken geheel nieuwe begrippen aan de orde, die te maken hebben met meer wiskundige onderwerpen als reeksen, algebra en verhoudingen. Ook daar worden benamingen voor gekozen. Overigens blijkt men hierbij vrij veel Latijn te gebruiken.

Hierna volgt een overzicht van de typen woorden die de zestiende-eeuwse rekenmeesters toevoegen aan de woordenschat van hun voorgangers om oude en nieuwe rekenkundige begrippen aan te duiden.

* Er worden in de zestiende eeuw nog wel enkele Latijnse termen aan de rekenwoordenschat toegevoegd, maar dat Latijn wordt bijna altijd meteen verbasterd. Ook het Latijn uit de vijftiende-eeuwse Nederlandse rekenboeken wordt weliswaar overgenomen, maar steeds vaker aangepast aan de Nederlandse taal. Zuiver Latijn komt op den duur uitsluitend op de wat officiëlere plaatsen en bij de meer wiskundige onderwerpen voor.

* Een aantal Franse termen wordt in de Nederlandse rekenwoordenschat opgenomen. Vele daarvan zijn in de Nederlandse rekenboeken zodanig verbasterd dat hun herkomst niet meer met zekerheid is vast te stellen, maar in de loop van de zestiende eeuw komt ook een gering doch toenemend aantal onverbasterde Franse termen voor.

[p. 309]

* Veel groter dan de groep Latijnse en Franse termen is de aanzienlijke hoeveelheid Nederlandse woorden en verbindingen die aan de rekenwoordenschat wordt toegevoegd. De behoefte om uitheemse termen te vertalen neemt geweldig toe. Dat heeft vermoedelijk te maken met de doelgroep. Er zijn kennelijk steeds meer mensen die geen Latijn kennen en wel willen leren rekenen. De opmars van het Nederlands in de rekenwoordenschat manifesteert zich op verschillende manieren:

- nog meer woorden uit het alledaagse taalgebruik krijgen een rekenkundige betekenis. Bijvoorbeeld: lenen, overschot, uutspreker, verschil;65

- er worden nieuwe Nederlandse rekenwoorden gevormd. Bijvoorbeeld: gelijcnamich, noemer, optellen, rekenconste.66 Nieuwvormingen komen in de vijftiende-eeuwse rekenboeken niet voor;

- rekenkundige begrippen worden door een vaste verbinding omschreven. In H-BaU-1445 komen naast de Latijnse nauwelijks Nederlandse verbindingen voor. In de zestiende-eeuwse rekenboeken wemelt het van de Nederlandse verbindingen. Voor bijvoorbeeld het Latijnse numerus dividendus dat in H-BaU-1445 niet vertaald wordt, zijn in de zestiende-eeuwse rekenboeken 21 verschillende omschrijvingen aangetroffen.

Het aantal Nederlandse rekentermen groeit, maar dat betekent niet dat de Latijnse termen verdwijnen. Om aansluiting te houden met de traditie, om mensen tegemoet te komen die wel Latijn kennen of misschien om hun werk nog wat wetenschappelijk aanzien te geven, blijven de rekenmeesters de Latijnse termen handhaven. Wel worden ze in de zestiende eeuw vaker verbasterd en krijgen ze vele vertalingen en omschrijvingen naast zich.

7.6 De zestiende-eeuwse rekentaal als vaktaal

Een vaktaal is het geheel van talige middelen dat gebruikt wordt om binnen een bepaald vakgebied te communiceren. Een vaktaal is meer dan een verzameling termen, maar de terminologie is wel het belangrijkste aspect, want hoewel de vaktaal en de alledaagse taal meestal moeilijk van elkaar zijn af te grenzen, vormt juist de terminologie vaak een onderscheid. In dit onderzoek wordt uitsluitend de terminologie van de zestiende-eeuwse rekentaal onder de loep genomen, in de hoop dat in de toekomst de andere talige aspecten, als zinsbouw, stijl, tekstopbouw en argumentatiestructuren onderzocht zullen worden.

In het Historisches Wörterbuch der Rhetorik67 wordt onder het lemma Fachsprache als kenmerk van een vakwoord genoemd: Eineindeutigkeit der Benennung. Dat wil zeggen dat elk begrip slechts door één term gerepresenteerd wordt en omgekeerd. Synonymie en polysemie zijn in een vaktaal ongewenst. Een ander kenmerk van een vakwoordenschat is volgens Krüger dat in vaktalen veel me-

[p. 310]

taforen optreden.68 Drozd en Seibicke beschrijven een derde kenmerk. Volgens hen bestaat een vakwoordenschat voor een groot deel uit gemotiveerde termen.69 Dit zijn termen waarvan de betekenis geheel of gedeeltelijk uit de vorm is af te leiden.

Hierna zal worden beschreven in hoeverre deze kenmerken in de zestiende-eeuwse rekenwoordenschat zijn terug te vinden. Achtereenvolgens zal de rekenterminologie onderzocht worden op synonymie, polysemie, metaforen en gemotiveerde termen.

7.6.1 Synonymie

In paragraaf 7.5 is gebleken dat er in de zestiende eeuw nauwelijks rekentermen afvallen en dat er voortdurend nieuwe rekentermen bijkomen. Het gevolg is dat de Nederlandse rekenwoordenschat een explosieve groei doormaakt. Hier volgen ter toelichting enkele cijfers. Voor de 76 rekenkundige basisbegrippen gebruikt Peter van Halle in zijn rekenboek van 156870 maar liefst 64 nieuwe benamingen.71 Creszfelt voegt in zijn rekenboek van 157772 39 nieuwe benamingen toe. Stockmans heeft in zijn rekenboek van 159573 32 nieuw benamingen en Van der Schuere brengt in zijn rekenboek van 160074 35 nieuwe benamingen in. Ook de andere auteurs leveren hun bijdragen. Het zijn allemaal nieuwe benamingen voor begrippen die al minstens één benaming hadden in eerdere Nederlandse rekenboeken!

Die toename van termen en verbindingen wordt veroorzaakt door twee factoren:

- de zestiende-eeuwse auteurs maken bij het schrijven van hun werk vrijwel zonder uitzondering gebruik van een of meer in- en/of uitheemse bronnen.75 Ze krijgen daardoor zeer veel verschillende rekentermen onder ogen;

- de zestiende-eeuwse auteurs maken geen keuze uit de synonieme termen die ze tegenkomen. Elke term wordt overgenomen en wanneer de auteur twijfelt aan de bekendheid of duidelijkheid wordt er nog een extra term, een vertaling of een omschrijving aan toegevoegd. Die nieuwe term dient vaak om de betekenis nader te verklaren. Van den Hoecke schrijft bijvoorbeeld:

Additie, vergaderinghe oft+
sommeringhe.76

Van der Gucht, die het rekenboek van Van der Hoecke als bron heeft gebruikt, breidt de opsomming uit met nog een term:

[p. 311]
Additie, vergaerderijnghe,+
sommerijnghe ofte
toe-doenijnghe.77

Termen afwijzen en bewust vervangen door andere past niet in de werkwijze van de rekenmeesters. Slechts Pijck vervangt een hoogst enkele keer een term uit zijn bronnen. Hij gebruikt bijvoorbeeld getallen van eender natuere,78 waar Van der Gucht getallen van eender secten heeft staan.79 Van Varenbraken wijst een keer een term expliciet af. Hij verwerpt het woord milion:

Nu tellen sommighe aldus+
ende segghen: eenmilion,
tienmilion, hondertmilion,
duustmilion, tienduustmilion,+
hondertduustmilion,
duusentduustmilion. Maer dit+
en es mijn maniere niet.+
Maer mijn maniere machmen+
beter verstaen, want als ic+
duusentduust hebbe zo telle+
ic voort: eenduusentduust,+
tienduusentduust, ende zo
voort.80

Simon Stevin vormt een nog grotere uitzondering, omdat hij voor alle begrippen die hij behandelt, slechts een benaming gebruikt.81

De overige rekenmeesters maken geen keuzes. Ze voegen alleen maar termen toe en wijzen er geen enkele af, waardoor er op den duur zeer veel verschillende benamingen voor eenzelfde rekenkundig begrip in gebruik komen. Het zijn uitheemse - al dan niet verbasterde - en inheemse - alledaagse of nieuwgevormde - termen, zowel woorden als verbindingen.

Het begrip noemer wordt bijvoorbeeld aangeduid met: onderste getal, noemer, denominateur, divisor, geheel lichaem, onderste nommer, onderste, nominateur, uutspreker. Voor quotiënt wordt gebruikt: numerus quociens, reste, somme die tusschen linien staet, product, quocient, dat gi uutgedeelt hebt, somme die in het maenken staet, facit, getal welc uut het divideren gecomen is, begripinge, uutcommen, soomenichmael, uutcomende.

Al die verschillende benamingen voor hetzelfde rekenkundige begrip worden in dit onderzoek opgevat als synoniemen, ook al kunnen er tussen de woorden nuanceverschillen in prestige, gevoelswaarde en stijl hebben bestaan. Die verschillen zijn moeilijk vast te stellen.

Eveneens kunnen benamingen van een begrip soms verschillende verschijnings-

[p. 312]

vormen van dat begrip uitdrukken. Optellen bijvoorbeeld wordt zowel toedoen als verzaemen genoemd. De rekenkundige bewerking is in beide gevallen dezelfde, maar de context waarbinnen de woorden gekozen worden kan zeer verschillend zijn. Ook dit aspect wordt hier verder niet onderzocht.

 

Vaak komen de synoniemen binnen een rekenboek voor. Raets gebruikt voor som van een optelling: summa, somme, aggregatie en geheele somme.82 Van Halle gebruikt voor verschil: differentie, reste, verscil, en ghetal datter resteert.83 In D-Guc-1569 komen maar liefst 13 verschillende benamingen voor optellen voor: adderen, brijnghen, inrekenen, rekenen, sommeren, toebrijnghen, toedoen, verzaemen, tegaderadderen, tegaderdoen, in een somme brijnghen, tegadertellen, tsamentellen. Ook Van Halle heeft 13 verschillende benamingen voor optellen. Voor een deel gebruikt hij weer andere benamingen dan Van der Gucht.

Van Halle is de meest systematische termenverzamelaar onder de zestiende-eeuwse rekenmeesters. Bij elke rekenregel die hij behandelt, geeft hij vooraf eerst een overzicht van de verschillende benamingen die hij voor de term in kwestie heeft aangetroffen in zijn verschillende bronnen:

Hier naer volcht den regule+
van gheselschap. Dese regule
wort gheheeten int Latijn+
‘regula consorty vel
societatis’, int Francoijs+
‘la reigle de societe ou
commpaignie’, int Duijtsche+
alsoe dat gheseijt is ‘den+
regel van gheselscap’ ...
Item wort noch gheheeten int
Latijn ‘regula mercatorum’,+
int Francois ‘la reigle des
marchans’, in Duijtsche ‘der
cooplieden regule’ ... Ten
anderen wort zy noch
gheheeten ‘regula lucri vel
regula damni pro
mercatoribus’, dat is int+
Francois ‘la reigle du gaing
ou parte’, in Duijtsche ‘die
regule van winninghe oft
verlies voir de coepliens’
... Ten lesten wort zy
gheheeten int Latijn ‘regula
partitionis’, int Francois+
‘la reigle du partaighe’,
[p. 313]
in Duijtsche ‘den regel van
scheidinge ende deijlinghe’.84

Een opsomming van synoniemen komt ook wel gewoon in de lopende tekst voor:

Om wederomme dese voerzeyde+
ponden, schellingen,
penningen in myten te
brijnghen, zoo moet ghijze+
gaen multipliceren elcx met+
huerlieder divisor, deelder+
oft dividuer.+85

Het naast elkaar plaatsen van synonieme benamingen heeft mogelijk een enkele keer een nieuwe term opgeleverd:

Maer zijnt oneffen ghetalen+
oft dat die onderste somme+
in haer beginsel meerder waer+
dan de opperste somme, so+
moet ghi altijt 1 ontleenen
aen die naeste letter oft+
cijffer.86
Maer zijnt oneffen ghetalen
oft dat die onderste somme
in haer beghinsel meerder es
dan die opperste somme, zo
moet ghy altyt een ontleenen
aen die naeste cyffer lettere.+87

Synoniemen worden niet altijd naast elkaar geplaatst, maar ook wel in afwisseling gehanteerd.

Van Varenbraken schrijft:

Ic wil dupliceren ¾, so+
dobbeleert den telder.+88

Stockmans noteert:

Daerna trect 5 van 3.

en enkele regels later:

Substraheert daerna 3+
vande 4.89
[p. 314]

Soms krijgt een van de synonieme benamingen de voorkeur. Van Varenbraken kent verschillende benamingen voor vermenigvuldigen:

Multiplicatie en es anders+
niet te segghen dan te+
multiplieren ende te+
vermenichfuldighen ofte te
verhooghen eenich getal+
hondertwerf, duusentwerf
meer dan twas van te voren.90

In de rest van zijn uitleg gebruikt hij uitsluitend multipliceren of multiplieren.

Een enkele keer lijkt het erop dat de auteur het overzicht over zijn gehanteerde rekentermen is kwijtgeraakt. Van den Hoecke geeft sommige begrippen in het ene deel van zijn rekenboek een andere naam dan in een ander deel:

breuk: fol. 10v: fractie fol. 24r: ghebroken
teller: fol. 10v: numerateur
opperste nommer
fol. 24r: teller
opperste figuere
noemer: fol. 10v: divisor
onderste nommer
denominateur
fol. 24r: nommer
onderste deel
kwadrateren: fol. 41r: multipliceren in hem selven fol. 50v: quadreren
product: fol. 6r: producte fol. 36v: multiplicatie
quocient

Nu is van Van den Hoecke bekend dat hij verschillende bronnen heeft gebruikt. Het is goed mogelijk dat hij voor het ene onderwerp fragmenten uit de ene bron heeft afgeschreven en voor een volgend hoofdstuk weer een andere bron heeft geraadpleegd. Van den Hoecke nam net als zijn collega's de termen over die hij in zijn bron aantrof. Dat daardoor de terminologie in zijn eigen rekenboek nogal inconsistent werd, schijnt hij zich niet te realiseren.

Het laat zien hoe weinig vast de rekenterminologie in de zestiende eeuw was. Van den Hoecke kon niet over standaardtermen beschikken.

Bronnengebruik lijkt het aantal synoniemen in een rekenboek te bevorderen. Van een aantal auteurs staat vast dat ze voor hun werk uit diverse bronnen geput hebben. Dat zijn onder andere de auteurs van H-GeU-1532, D-Hoe-1537, H-BKB-1568, D-Guc-1569 en H-BSA-1584. Het aantal synoniemen in deze rekenboeken is opvallend groot. In H-BKB-1568 worden bijvoorbeeld voor 75 basisbegrippen 183 verschillende benamingen gebruikt. Over het bronnengebruik van Heyns en Stockmans is weinig bekend, maar ook in hun werken komen opvallend veel synoniemen voor.91 Dat zou kunnen betekenen dat deze auteurs eveneens verschillende bronnen gebruikt hebben, al zijn die op dit moment nog niet gevonden.

Samenvattend kan men stellen: in de zestiende-eeuwse rekenwoordenschat we-

[p. 315]

melt het van de synoniemen. Ze treden ook binnen een rekenboek veelvuldig op. Van een-eenduidigheid is geen sprake.

7.6.2 Polysemie

In de rekenboeken komen relatief weinig termen voor met meer dan een rekenkundige betekenis. Er zijn wel veel termen die buiten de rekenkunde nog een of meer alledaagse betekenissen nebben, maar die betekenissen worden hier buiten beschouwing gelaten. Polysemie verwijst binnen dit onderzoek naar een meervoudige rekenkundige betekenis.

Verbindingen die de betekenis van een begrip omschrijven zijn nooit polyseem, plaatsbepalende verbindingen een enkele keer wel. In D-Sto-1595 wordt eerste somme zowel gebruikt voor aftrektal als voor vermenigvuldigtal.

Rekenwoorden hebben een enkele keer meer dan een betekenis. Soms is die dubbele betekenis uit het Latijn overgenomen.

cifer: - nul
- cijfer
quadraet: - kwadraat
- vierkant
figure: - cijfer
- som, berekening, notatie

Het woord van heeft ook twee betekenissen:

- afgetrokken van

- deel van

Aanvankelijk maakte het woord deel uit van twee verschillende verbindingen. In beide verbindingen is op den duur alleen het woord van overgebleven.

De term tellen heeft drie betekenissen. In de meeste rekenboeken betekent het: het lezen en schrijven van Hindoe-Arabische getallen. In drie rekenboeken betekent het ook nog: tellen, aantal/hoeveelheid bepalen.92 Ten slotte wordt de term in een rekenboek ook nog in de betekenis van optellen gebruikt, maar dat lijkt een vergissing van de auteur.93 Zijn collega's gebruiken immers voor het begrip optellen allemaal een uitgebreide vorm van tellen: tesamentellen, tegadertellen, intellen, optellen of medetellen.

Er zijn meer termen die in een rekenboek een betekenis bezitten die afwijkt van de betekenis in de overige rekenboeken. Dat lijkt in de meeste gevallen eveneens een vergissing van de auteur.

differentie: - verschil, uitkomst van een aftrekking
maar in H-BaU-1445: - positie, plaats van een cijfer in een getal

Het is niet duidelijk hoe de auteur aan deze afwijkende betekenis komt.94

nominateur: - noemer
maar in H-GeU-1584: - teller

De auteur beschouwt per abuis nominateur als tegenhanger van denominateur, of verwart nominateur met het elders gebruikelijke numerateur.

[p. 316]

multiplicant: - vermenigvuldigtal
maar in D-Hel-1569 en D-Cre-1577: - vermenigvuldiger

Dit betekenisverschil wordt veroorzaakt door de herkomst van de term. Multiplicant afgeleid van numerus multiplicandus heeft de betekenis vermenigvuldigtal. Multiplicant afgeleid van numerus multiplicans betekent vermenigvuldiger.

 

Ten slotte is er een groep termen met een brede, algemene betekenis die het mogelijk maakt de term in verschillende specifieke situaties toe te passen. Dat is bijvoorbeeld het geval met de termen overschot, reste en residuum. In D-Sch-1600 bijvoorbeeld wordt de term reste gebruikt om het verschil van een aftrekking aan te duiden:

De derde specie leert+
aftrecken een ghetal van een
ander meerder getal, Ende+
t'ghetal daer men aftreckt+
heet men ‘schult’, dat men+
aftreckt ‘betalinghe’ ende+
wat dan blijft is de reste.+95

Maar in hetzelfde rekenboek wordt tijdens de controle van een deling reste ook gebruikt om de rest van een deling te benoemen:

Multipliceert het uytcomende+
met het deelende, daer by+
adderende de reste ende moet+
comen het ghetal dat+
ghediviseert wort.+96

Vanuit modern perspectief is reste hier een polyseme term, maar voor Van der Schuere, de auteur van D-Sch-1600, is dat waarschijnlijk niet het geval. Reste heeft bij hem de algemene betekenis: rest, overblijfsel, getal dat overblijft na een berekening. Deze brede betekenis is in verschillende situaties toepasbaar. Meestal blijkt uit de context welke betekenis bedoeld wordt. Als er kans op onduidelijkheid bestaat, laat men de brede term vergezeld gaan van een term met een specifiekere betekenis:

Substractio leert aftrecken+
het minste getal van+
d'meeste om te weten+
d'overschot, geheeten de+
‘differentie’ oft ‘reste’+
van twee ghetalen.97

Ook de termen augmenteren, vermeerderen en vermeren hebben een brede, algemene betekenis. Ze betekenen: vermeerderen, vergroten, toenemen. Soms kunnen

[p. 317]

deze termen slaan op vermenigvuldigen, terwijl ze binnen een andere context optellen betekenen:

Multiplicatie is deen ghetal+
vermenighen met een ander+
ghetal, dat is also veel als
den multiplicateur of
multipliceerder in hem selven+
bevangt so menichwerf te+
augmenteren oft+
menichfuldighen den nommer
den welcken ghemultipliceert
moet werden.
+98
Eenen coopman coopt rys 2450+
ponden te 15 schellingen het
hondert ende zo dicmael die+
somme bedraecht 18
schellingen zo dicmael moet
hy augmenteren 4 penningen.+
Die vraghe is hoe veel
dattet in ghelde loopt.+99

De term divisor betekent deler, maar krijgt bij sommige auteurs binnen de context van breuken de specifieke betekenis van noemer, zoals hier bij Van der Gucht.

Als ghy fractien ofte+
ghebroken hebt die ghy niet+
minderen en cont by de+
voorschreven nombren,...+
soo ghebruuckt desen middel:
neemt den nominatuer oft+
divisor onder ende gaet die+
deelen duer den numeratuer+
boven.+100

In dit voorbeeld zorgen de context, een begeleidende term met een specifiekere betekenis en een plaatsaanduiding ervoor dat de term geen misverstanden oplevert.

Somme heeft de algemene betekenis van getal. In sommige situaties valt dat samen met: uitkomst van een optelling. Als de context geen uitsluitsel over de betekenis geeft, wordt het woord uitgebreid tot een verbinding: somme van al, gantsche somme, totale somme, somme al tesamen, geaddeerde somme. Overigens betekent somme in D-Sto-1595 ook: berekening, som. Dat is een afwijkende betekenis, die niet onder de algemene betekenis valt onder te brengen. Deze betekenis is maar in één rekenboek aangetroffen, maar somme is hierdoor toch een polyseme term.

[p. 318]

De term reduceren betekent in het algemeen: herleiden, omvormen van de ene notatie in de andere. Van den Hoecke gebruikt in zijn rekenboek101 het woord in vijf verschillende situaties:

-m.b.t. een geheel of een gemengd getal; schrijven als breuk;
-m.b.t. breuken: gelijknamig maken;
-m.b.t. wortels met verschillende wortelindexen: herleiden tot dezelfde index;
-m.b.t. de wortel van een wortel: herleiden tot één wortel;
-m.b.t. een tijd-, munt-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheid: omrekenen naar een kleinere of grotere eenheid.

Hoewel er hier steeds sprake is van herleiden, zijn de rekenkundige handelingen die moeten worden uitgevoerd per situatie verschillend. Mocht er verwarring ontstaan omtrent de bedoelde betekenis, dan breidt Van den Hoecke het woord uit tot een verbinding:

Wildi trecken den wortel uut
gheheele ende gebroken, so+
reduceert tgheheele in sijn
broke.+102

Product betekent in sommige rekenboeken uitsluitend: uitkomst van een vermenigvuldiging. In andere rekenboeken is de betekenis ruimer: uitkomst van een berekening. Afhankelijk van de context kan de term betekenen: product, quotiënt of som:

Soe men wil divideren 3024+
doer 63, men mach het wel
eerstelycken deelen doer 7+
ende dat product wederomme
doer 9.+103
Men addeert het inlegh
tesamen ende den product is+
het eerste ghetal inden
reghel van drien.104

Deze rekentermen met hun ruime, meervoudig toepasbare betekenis zou men polyseem kunnen noemen, maar nogmaals, in de ogen van de r