terug  begin  verderprepost
[p. 337]

Beknopt glossarium van rekentermen5

A voorz.
à, tegen.
 
*6 Abregeren zw.ww.tr.  
M.b.t. een breuk: vereenvoudigen. [3.4.1]7
* Abreviatie znw.vr.  
1. M.b.t. een breuk: (het) vereenvoudigen. [3.4.1]
2. M.b.t. een wortel: (het) herleiden, omrekenen naar een wortel met een lagere wortelindex [3.7.4]
Abreviëren zw.ww.tr.  
M.b.t. een breuk: vereenvoudigen. [3.4.1]
Abstraheren zw.ww.tr.  
Aftrekken. [3.2.3]
* Abstractie znw.vr.  
(Het) aftrekken. [3.2.3]
Achte telw.
Acht.
 
Achtendeel znw.m en o.
Een-achtste.
 
* Achtendertich telw.
Achtendertig.
 
Achtentseventich telw.
Achtenzeventig.
 
* Achtentwintichdusent telw.
Achtentwintigduizend.
 
Achter (i) bijw.
1. Achteraan. Aan de rechterkant van een getal.
2. Van achter: Vanaf de achterkant, vanaf de rechterkant van een getal.
 
Achter (ii) voorz.
1. Achter, rechts van. Aan de rechterkant van een getal.
2. Voor, links van. Aan de linkerkant van een getal.
 
Achteraen bijw.
Achteraan. Aan de rechterkant van een getal.
 
Achterwaerts bijw.
1. Naar achteren, naar de rechterkant van een getal.
2. Naar voren, naar de linkerkant van een getal.
 
Achthondert telw.
Achthonderd.
 
* Achtnegenstedeel znw.m en o.
Acht-negende.
 
Achtste telw.
Achtste.
 
* Achtstedeel znw.m en o.
Een-achtste.
 
* Achttien telw.
Achttien.
 
Adderen zw.ww.tr.  
Optellen. [3.2.2]
Ook: Tegader adderen
Tesamen adderen
 
Additie znw.vr.  
1. (Het) optellen. [3.2.2]
2. Optelling. [3.2.2]
3. Som, uitkomst van een optelling. [3.2.2]
Advenant  
Na advenant: Verhoudingsgewijs. [4.1.3]
Ook: Naer advenant  
Naer advenant van: In verhouding met. [4.1.3]
Aenpart znw.m.
Aandeel.
Na aenpart: In verhouding met.
 
* Aenrekenen zw.ww.tr.  
Optellen. [3.2.2]
Aesken znw.o.  
Eenheid. [3.7]
* Afdelen zw.ww.tr.  
Delen. [3.2.6]
* Afdingen st.ww.tr.
Afdingen.
 
* Afdivideren zw.ww.tr.  
Delen. [3.2.6]
* Afdoen ww.tr.  
1. Aftrekken. [3.2.3]
2. M.b.t. een cijfer of een getal dat niet langer meer nodig is in een berekening: doorstrepen, doorhalen. [3.2.6]
* Afgaen ww.intr.  
Afnemen, verminderen. [4.4.3.1]
Afcomen ww.intr.
Uitkomen.
 
Afcorten zw.ww.tr.  
1. Aftrekken, korten, in prijs verminderen.  
2. M.b.t. cijfers aan de rechterkant van een getal: weghalen. [4.3.2.5]

[p. 338]

Afcortinge znw.vr.
Vermindering.
 
Afnemen st.ww.tr.  
Aftrekken. [3.2.3]
Afslaen ww.tr. en intr.  
1. Aftrekken. [3.2.3]
2. Goedkoper worden, in prijs dalen.  
* Afsniden ww.tr.  
M.b.t. cijfers aan de rechterkant van een getal: weghalen. [4.3.2.5]
* Afstrepen ww.tr.  
M.b.t. cijfers aan de rechterkant van een getal: weghalen. [4.3.2.5]
* Aftekenen ww.tr.  
Markeren, aanduiden als rest. [3.2.6]
Aftiën st.ww.tr.  
Aftrekken. [3.2.3]
Aftrecken st.ww.tr.  
1. Aftrekken. [3.2.3]
Tgene dat gi aftrecken wilt: Aftrekker, getal dat afgetrokken wordt. [3.2.3]
Degene daer gi aftrecken moet: Aftrektal, getal waarvan afgetrokken wordt. [3.2.3]
Ook: Tgene daer gi het aftrecken wilt  
Alle die... aftrecken: Herhaald aftrekken. Een bepaald getal zo vaak van een ander getal aftrekken tot er een rest ontstaat waarvan het niet meer kan. Dit wordt vaak gedaan met 7 of 9 om berekeningen te controleren. [3.3]
2. Herhaald aftrekken. Een bepaald getal zo vaak van een ander getal aftrekken tot er een rest ontstaat waarvan het niet meer kan. Dit wordt vaak gedaan met 7 of 9 om berekeningen te controleren. [3.3]
3. Overhouden na aftrekking. [3.2.3]
Aftreckinge znw.vr.  
1. (Het) aftrekken. [3.2.3]
2. Aftrekking. [3.2.3]
Aggregaet znw.o.  
Som, uitkomst van een optelling. [3.2.2]
Aggregatie znw.vr.  
Som, uitkomst van een optelling. [3.2.2]
* Ajouteren zw.ww.tr.  
Optellen. [3.2.2]
Accorderen zw.ww.intr.
Overeenkomen.
 
Algorismus znw.m.
Rekenkunde.
 
Algorisme des cos: Algebraïsche rekenkunde. Het rekenen met algebraïsche grootheden. [4.4.9]
Allegatie znw.vr.  
Regel van mengsels. Regel om de samenstelling of de prijs van een mengsel van goederen te berekenen. [4.1.6]
Alleleens bnw.  
M.b.t. tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- en volume-eenheden: gelijksoortig, van dezelfde eenheid. [4.1.1a]
Alles bijw.
In alles: Totaal, tezamen.
Ook: In als
 
Alloy znw.  
Menging van mindere metalen met goud en/of zilver. [4.1.6]
* Altesamen bijw.
Totaal, tezamen.
 
Ander telw.
Tweede.
Ten andere: Ten tweede.
 
Anderhalf tehw.
Anderhalf.
 
Anterioreren zw.ww.tr.  
M.b.t. een groep cijfers tijdens een berekening: voorwaarts schuiven, naar rechts schuiven. [3.2.6]
* Arbeiden zw.ww.intr.
Rekenen.
 
Arithmeticien znw.
Rekenkundige.
 
Arithmetica znw.
1. Rekenkunde.
Arithmetica naer de coopmanschap: Rekenkunde voor kooplieden.
2. Rekenboek, boek waarin de rekenkunde onderricht wordt.
 
Articulus znw.  
Tiental. [3.2.1]
Augmentatie znw.vr.  
1. Toename, opklimmende waarde van de posities in een getal. [3.2.1]
2. M.b.t. een reeks: toename, verschil tussen twee opeenvolgende termen. [4.4.3]
Augmenteren zw.ww.tr. en intr.  
1. Vermeerderen, vergroten.  
2. Vermenigvuldigen. [3.2.5]
3. Optellen. [3.2.2]
4. Toenemen, oplopen. [4.4.3]
Ook: Sich augmenteren  
* Averechtsch bijw.  
Omgekeerd, tegengesteld. [4.2.2]
Baer bnw.
Contant.
 
Baet znw.
Voordeel, winst.
 
Barteren zw.ww.tr.  
Ruilen. [4.1.8]
* Bediedelijc bnw.  
Betekenisvol. Aanduiding voor de cijfers van 1 t/m 9. [3.2.1]
* Bediedelike znw.  
Betekenisvol cijfer. Een van de cijfers van 1 t/m 9. [3.2.1]
Bedieden ww.intr.
Waard zijn.
 
Bedragen ww.intr.
Bedragen, waard zijn.
 
* Beginsel znw.o.
1. Eenheid.
2. Rekenkundige bewerking.
 
* Begrip znw.o.  
1. Som, uitkomst van een optelling. [3.2.2]
2. Inhoud.  
Begripen st.ww.tr.
Begrijpen, inhouden, omsluiten.
Ook: Begripen in
 
* Begripinge znw.vr.  
Quotiënt, uitkomst van een deling. [3.2.6]
Behouden st.ww.tr.
1. M.b.t. een cijfer tijdens een berekening: onthouden.
 

[p. 339]

2. Overhouden.
Hoe vake ... wort behouden in ...: Hoeveel keer ... op ... kunnen delen.
 
Becortsel znw.o.  
Verkorte aanpak, methode om een berekening sneller en handiger uit te voeren. [4.3]
Belanc bnw.  
Na belanc: Verhoudingsgewijs. [4.1.3]
Belopen ww.intr.
Bedragen, waard zijn.
 
Beneden voorz.
Onder, kleiner dan een gegeven getal.
 
Benoeminge znw.vr.  
Onder gelike benoeminge bringen: M.b.t. breuken: gelijknamig maken. [3.4.1]
Berekenen zw.ww.tr.
Berekenen.
 
Beschadigen ww.tr.
Benadelen.
 
Besluten st.ww.tr. en intr.
1. Begrijpen, inhouden, omsluiten.
2. Waard zijn.
 
Betalinge znw.vr.  
Aftrekker, getal dat afgetrokken wordt. [3.2.3]
* Betekenen ww.intr.
Waard zijn.
 
Betippen ww.tr.  
Van een punt voorzien. Om het uitspreken van grote getallen te vereenvoudigen, en ook bij worteltrekken, zet men boven sommige cijfers van het getal een punt. [3.2.1] en [3.7.1]
* Betoger znw.m.  
Vaste rekenpenning. Rekenpenning met een vaste plaats die de plaatswaarde aanduidt van de rekenpenningen die erachter gelegd worden. [3.8]
* Beurse  
een beurse maken: Een gezamenlijk handelskapitaal creëren. Een geldbedrag bij elkaar brengen waarmee handel wordt gedreven. [4.1.3]
Bevangen ww.tr. en intr.
1. Bevatten, inhouden.
2. Waard zijn.
 
* Bewisen ww.tr.
Demonstreren, aantonen.
 
* Biëenvoeginge znw.vr.  
Optelling. [3.2.2]
* Billioen (i) znw.  
Menging van mindere metalen met goud en/of zilver. [4.1.6]
* Billioen (ii) telw.  
Duizendmiljard, miljoen keer miljoen, tien tot de twaalfde macht. [3.2.1]
Bimillioen telw.  
Duizendmiljard, miljoen keer miljoen, tien tot de twaalfde macht. [3.2.1]
Binomium znw.  
Uitdrukking die bestaat uit twee termen waarvan er ten minste een een wortel is. Tweeterm van de vorm a + √b. [3.7.4]
* Binoomsch bnw.  
Binomiaal. Aanduiding van een uitdrukking die bestaat uit twee termen waarvan er tenminste één een wortel is. [3.7.4]
* Bisonder bijw
Afzonderlijk.
 
Bisursolidum znw.  
Zevendemacht, product van zeven gelijke factoren. [4.4.9.1]
* Bleve znw.
Rest, overblijfsel, getal dat overblijft na een berekening.
 
Bliven ww.intr.
Resteren, overschieten, overblijven.
 
* Blivende znw.o.  
Verschil, uitkomst van een aftrekking. [3.2.3]
* Blivinge znw.vr.
Rest, overblijfsel, getal dat overblijft na een berekening.
 
Bovenste znw.o.  
Teller, bovenste getal in een breuk. [3.4]
* Brede znw.
Breedte.
 
Breet bnw.
Breed.
 
Breken ww.tr.  
1. M.b.t. een geheel of een gemengd getal: schrijven als breuk. [3.4.1]
Ook: In sich breken
In sijn selve breken
 
2. M.b.t. een tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheid: omrekenen naar een kleinere eenheid. [3.6.2]
* Breviatie znw.vr.  
M.b.t. een breuk: (het) vereenvoudigen. [3.4.1]
Bringen st.ww.tr.  
1. M.b.t. een breuk: Omrekenen naar een breuk met een bepaalde noemer. [3.4.1]
2. M.b.t. een tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheid: omrekenen naar een kleinere of grotere eenheid. [3.6.2]
3. Optellen. [3.2.2]
Ook: In een bringen
Tegader bringen
Tesamen bringen
 
Broke znw.  
Breuk, gebroken getal. [3.4]
Broken die gelike noemers hebben: Gelijknamige breuken, breuken met dezelfde noemer. [3.4.1]
Ook: Broken van een noemer  
Broken die ongelike noemers hebben: Ongelijknamige breuken, breuken die verschillende noemers hebben. [3.4.1]
Ook: Broken met ongelike noemers  
In sijn broke breken: M.b.t. een geheel of een gemengd getal: schrijven als breuk. [3.4.1]
Ook: In sijn broke reduceren
Tot broken maken
 
Astronomische broke: Sexagesimale breuk.  
Bruto znw.  
Bruto, inclusief de tarra. [4.1.9]
Bute znw.  
Ruil. [4.1.8]
In bute setten: In ruil aanbieden. [4.1.8]
Ook: In bute stellen  
Buten (i) ww.tr.  
Ruilen. [4.1.8]

[p. 340]

Buten (ii) bijw.
Van buten: Van buiten, uit het hoofd.
Ook: Van butens
 
* Cecus znw.  
Regel van drinkgelagen. Regel om te berekenen hoeveel mannen, vrouwen en kinderen aan een drinkgelag hebben deelgenomen. [4.4.7]
* Cedule znw.vr.
Akte.
 
Censcensdecens znw.  
Achtstemacht, product van acht gelijke factoren. [4.4.9.1]
Censcensice bijw.  
Censcensice multipliceren: Tot de vierdemacht verheffen, vermenigvuldigen met vier gelijke factoren. [4.4.9.1]
Censdecens znw.  
Vierdemacht, product van vier gelijke factoren. [4.4.9.1]
* Censicubus znw.  
Zesdemacht, product van zes gelijke factoren. [4.4.9.1]
Cent telw.
Per cent: Procent.
 
Cifer znw.o.  
1. Nul, het teken nul. [3.2.1]
2. Cijfer. Elk der tekens waarmee men getallen weergeeft.  
3. Rekenkunde. [3.2.1]
* Ciferboec znw.m. en o.
Rekenboek, boek waarin de rekenkunde onderricht wordt.
 
* Ciferboecsken znw.o.
Rekenboekje, boekje waarin de rekenkunde onderricht wordt.
 
* Ciferen (i) znw.o.
Rekenkunde.
 
* Ciferen (ii) zw.ww.intr.
Rekenen.
 
* Ciferer znw.m.
Rekenaar.
 
* Cifergetal znw.m. en o.
Getal.
 
* Ciferconste znw.vr.
Rekenkunde.
 
* Ciferlettere znw.  
Cijfer. Elk der tekens waarmee men getallen uitdrukt. [3.2.1]
Betekent ciferlettere: Betekenisvol cijfer. Een van de cijfers van 1 t/m 9. [3.2.1]
* Circonferentie znw.vr.
Cirkelomtrek.
 
Debourseren zw.ww.intr.
Terugbetalen.
 
Debte znw.vr.  
Aftrektal, getal waarvan afgetrokken wordt. [3.2.3]
Deel znw.m en o.  
1. Deel.  
Half deel: Helft. [3.2.4]
Onderste deel: Noemer, onderste getal in een breuk. [3.4]
Tot delen van de grote bringen: M.b.t. een tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakteof volume-eenheid: schrijven als breuk van een grotere eenheid. [3.4.1]
2. Gedeelte.  
Deel van delen: Breuk van een breuk. Vermenigvuldiging van twee breuken. [3.4.1]
* Deelgetal znw.m. en o.  
Deler, getal waardoor het deeltal gedeeld wordt. [3.2.6]
* Deellijc bnw.
Deelbaar.
 
Defecte znw.vr.
Tekort.
 
Decade znw.  
Tiental. [3.2.1]
Delen zw.ww.tr.  
1. Delen. [3.2.6]
Gelike delen: Verdelen, delen in gelijke delen. In tweën delen: Halveren, delen in twee gelijke delen. [3.2.4]
2. Verdelen, delen in gelijke delen.  
* Delende znw.o.  
Deler, getal waardoor het deeltal gedeeld wordt. [3.2.6]
* Deler znw.m.  
1. Deler, getal waardoor het deeltal gedeeld wordt. [3.2.6]
2. Wortel. [3.7]
Deliëren zw.ww.tr.  
M.b.t. een cijfer of een getal dat niet langer meer nodig is in een berekening: doorstrepen, doorhalen. [3.2.6]
* Delinge znw.vr.  
1. Deling. [3.2.6]
2. (Het) delen. [3.2.6]
Denominateur znw.m.  
1. Noemer, onderste getal in een breuk. [3.4]
Generale denominator: Algemene noemer, veelvoud van de noemers van twee of meer breuken. [3.4.1]
2. Wortelindex. [3.7.4]
Denominatie znw.vr.  
Eenheid, maat van tijd, geld, gewicht, lengte, oppervlakte of volume. [3.6]
In een selve denominatie reduceren: M.b.t. breuken: gelijknamig maken. [3.4.1]
Derde (i) znw.  
Duizendste. Waarde van de derde positie achter de komma in een decimaal getal. [3.4.6]
Derde (ii) telw.
Derde.
Ten derde: Ten derde.
 
Derdedeel znw.m. en o.
Een-derde.
Half derdedeel: Een-zesde.
Twee derdedelen: Twee-derde.
 
Dertich telw.
Dertig.
 
* Dertichdusent telw.
Dertigduizend.
 
* Dertichdusentmaeldusent telw.
Dertigmiljoen.
 
Dertichmillioen telw.
Dertigmiljoen.
 
* Dertichstegedeelte znw.m. en o.
Een-dertigste.
 
Dertien telw.
Dertien.
 

[p. 341]

Descenderen zw.ww.intr.  
Afnemen, verminderen. [4.4.3.1]
Diep bnw.
Diep, zich naar achter uitstrekkend.
 
Differentie znw.vr.  
1. Verschil, uitkomst van een aftrekking. [3.2.3]
2. Verschil, afwijking.  
3. Positie, plaats van een cijfer in een getal. [3.2.1]
Digitus znw.  
Eenheid. Een van de cijfers van 1 t/m 9. (Soms wordt ook 0 hierbij gerekend). [3.2.1]
Dicmaels bijw.  
Hoe dicmaels ... in ...: Hoeveel keer ... op ... kunnen delen. [3.2.6]
So dicmaels: Zoveel keer.  
* Dicte znw.vr.
Dikte.
 
* Diminuatie znw.vr.  
M.b.t. tot een wortel: herleiding. Een wortel schrijven als product van een rationaal getal en een irrationale wortel door er een factor uit af te splitsen. [3.7.4]
* Dinc znw.  
Eenheid, maat van tijd, geld, gewicht, lengte, oppervlakte of volume. [3.6]
Van een dinc: M.b.t. tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- en volume-eenheden: gelijksoortig, van dezelfde eenheid. [4.1.1a]
Tot een dinc bringen: M.b.t. een tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheid: omrekenen naar dezelfde eenheid. [4.1.1a]
Van een ander dinc: M.b.t. tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheden: ongelijksoortig, niet van dezelfde eenheid. [4.1.1a]
Een ander dinc bedieden: M.b.t. tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheden: ongelijksoortig zijn, niet van dezelfde eenheid zijn. [4.1.1a]
Ook: Een ander dinc betekenen  
* Discipel znw.
Leerling.
 
Disma
La disma: Belasting van tien procent.
 
Dissolveren zw.ww.tr.
Uitrekenen, oplossen.
 
* Distantie znw.vr.
Onderlinge afstand.
 
Distribuëren zw.ww.tr.
Verdelen, in gelijke porties delen.
 
Dividant znw.  
Deeltal, getal dat gedeeld wordt. [3.2.6]
Dividendus znw.o.  
Deeltal, getal dat gedeeld wordt. [3.2.6]
Divident znw.  
Gemene divident: Gemeenschappelijke deler. [3.4.1]
Divideren zw.ww.tr.  
Delen. [3.2.6]
Daer gi mede gedivideert hebt: Deler, getal waardoor het deeltal gedeeld wordt. [3.2.6]
Divideur znw.m. en o.  
1. Deler, getal waardoor het deeltal gedeeld wordt. [3.2.6]
2. Noemer, onderste getal in een breuk. [3.4]
3. Wortel. [3.7]
Divisie znw.vr.  
1. Deling. [3.2.6]
2. (Het) delen. [3.2.6]
Dobbel (i) znw.  
(Het) dubbele. [3.2.4]
Dobbel sijn tegen: Het dubbele zijn van. [3.2.4]
Dobbel (ii) bnw.  
Dubbel. [3.2.4]
* Dobbelde bnw.  
Dubbel. [3.2.4]
Dobbeleertsel znw.o.  
Verdubbeling. [3.2.4]
Dobbelen zw.ww.tr.  
Verdubbelen. [3.2.4]
Dobbeleren zw.ww.tr.  
1. Verdubbelen. [3.2.4]
2. Vermenigvuldigen. [3.2.5]
Dobbeleringe znw.vr.  
1. Verdubbeling. [3.2.4]
2. (Het) verdubbelen. [3.2.4]
Doen ww.tr. en intr.
1. Waard zijn.
In het sijne doen: Van zichzelf waard zijn.
2. Berekenen.
 
Doen van: Aftrekken. [3.2.3]
Doen tot: Optellen. [3.2.2]
Ook: Tegader doen
Tesamen doen
 
Doorslaen ww.tr.  
M.b.t. een cijfer of een getal dat niet langer meer nodig is in een berekening: doorstrepen, doorhalen. [3.2.6]
Doorstrepen ww.tr.  
M.b.t. een cijfer of een getal dat niet langer meer nodig is in een berekening: doorstrepen, doorhalen. [3.2.6]
* Doorstriken ww.tr.  
M.b.t. een cijfer of een getal dat niet langer meer nodig is in een berekening: doorstrepen, doorhalen. [3.2.6]
Doortiën st.ww.tr.  
M.b.t. een cijfer of een getal dat niet langer meer nodig is in een berekening: doorstrepen, doorhalen. [3.2.6]
* Doortrecken st.ww.tr.  
M.b.t. een cijfer of een getal dat niet langer meer nodig is in een berekening: doorstrepen, doorhalen. [3.2.6]
* Dosine znw.
Dozijn, twaalf stuks.
 
Drie telw.
Drie.
 
Drieachtendeel znw.m. en o.
Drie-achtste.
 
* Driedeel znw.m. en o.
Twee driedelen: Twee-derde.
 
* Driedusent telw.
Drieduizend.
 
* Driedusenttweehondertenachtennegentich telw.
Drieduizendtweehonderdachtennegentig.
 

[p. 342]

* Driedusenttweehondertennegentichacht telw.
Drieduizendtweehonderdachtennegentig.
 
* Driehondert telw.
Driehonderd.
 
Driehondertvierentsestich telw.
Driehonderdvierenzestig.
 
* Driëntsestich telw.
Drieënzestig.
 
Driëntwintich telw.
Drieëntwintig.
 
* Driëntwintichdusentmilliote telw.
Drieëntwintigduizendbiljoen, drieëntwintigduizend maal tien tot de twaalfde macht.
 
* Driënveertichdusent telw.
Drieënveertigduizend
 
* Drievierendeel znw.m. en o.
Drie-vierde.
 
Duplatie znw.vr.  
(Het) verdubbelen. [3.2.4]
Dupleren zw.ww.tr.  
Verdubbelen. [3.2.4]
Dupliceren zw.ww.tr.  
Verdubbelen. [3.2.4]
Duplicatie znw.vr.  
(Het) verdubbelen. [3.2.4]
Duplum znw.o.  
1. Dubbele. [3.2.4]
2. Verdubbeling. [3.2.4]
Dusent (i) znw.  
Duizendtal, vierde positie in een getal. [3.2.1]
Dusent (ii) telw.
Duizend.
 
* Dusentbimillioen telw.
Tien tot de vijftiende macht.
 
* Dusentdusent telw.  
Miljoen. [3.2.1]
* Dusentdusentdusent telw.  
Miljard, duizendmiljoen, tien tot de negendemacht. [3.2.1]
Dusentdusentmaeldusent telw.  
Miljard, duizendmiljoen, tien tot de negende-macht. [3.2.1]
* Dusentdusentmillioen telw.
Biljoen, miljoen × miljoen, tien tot de twaalfdemacht.
 
* Dusenthondertelf telw.
Elfhonderdelf.
 
* Dusentichwervendusentichdusent telw.  
Miljard, duizendmiljoen, tien tot de negendemacht. [3.2.1]
Dusentmaeldusent telw.  
Miljoen. [3.2.1]
Dusentmillioen (i) znw.  
Miljardtal, duizendmiljoental, tiende positie in een getal. [3.2.1]
Dusentmillioen (ii) telw.  
Miljard, duizendmiljoen, tien tot de negendemacht. [3.2.1]
* Dusentmilliote telw.
Tien tot de vijftiendemacht.
 
* Dusentmilliotemilliote telw.
Tien tot de zevenentwintigstemacht.
 
* Dusentquadrimillioen telw.
Tien tot de zevenentwintigstemacht.
 
* Dusenttrimillioen telw.
Tien tot de eenentwintigstemacht.
 
Een telw.
Een.
 
Eenderdedeel znw.m. en o.
Een-derde.
 
* Eendusentdriehondertsesentseventich telw.
Duizenddriehonderdzesenzeventig.
 
Eenentwintich telw.
Eenentwintig.
 
Eenentwintichste telw.
Eenentwintigste.
 
Eenentwintichvierendeel znw.m. en o.
Eenentwintig-vierde.
 
Eenhondert telw.
Honderd.
 
Eenhondertstedeel znw.m. en o.
Een-honderdste.
 
* Eenmael telw.  
Eenmael een: Tafels van vermenigvuldiging. [3.2.5]
Eens bijw.
Een maal.
 
Eensestedeel znw.m. en o.
Een-zesde.
 
Eentiende telw.
Een-tiende.
 
* Eentiendedeel znw.m. en o.
Een-tiende.
 
Eentweededeel znw.m. en o.
Een-tweede.
 
* Eenvierdedeel znw.m. en o.
Een-vierde.
 
Eenvierendeel znw.m. en o.
Een-vierde.
 
* Eenvierentwintichstedeel znw.m. en o.
Een-vierentwintigste.
 
* Eenvijfstedeel znw.m. en o.
Een-vijfde.
 
* Eerstcoopsch bijw.
Bij de inkoop.
 
Eerste (i) znw.  
Tiende. Waarde van de eerste positie achter de komma in een decimale breuk. [3.4.6]
Eerste (ii) telw.
Eerste.
Ten eerste: Ten eerste.
Tot malcander de eerste: Relatief priem, dit wordt gezegd van getallen die slechts het getal een als gemeenschappelijke deler hebben.
 
Effen bnw.  
1. Even, deelbaar door 2. [3.2.4]
2. Uit een even aantal cijfers bestaand.  
3. Precies, zonder rest.  
4. Gelijk, even groot.  
Effen so vele: Evenveel.  
5. Quitte. Als er geen schulden meer te vorderen zijn.  
* Einde znw.  
Term, verhoudingsgetal. [4.10]
Element znw.  
Cijfer. Elk der tekens waarmee men getallen uitdrukt. [3.2.1]
Elf telw.
Elf.
 

[p. 343]

Elftwaelfstedeel znw.m. en o.
Elf-twaalfde.
 
Ende voegw.
Plus, en.
 
* Enich znw.
Eenheid.
 
* Enkel bnw.  
Enkel, niet verdubbeld. [3.2.4]
Erfdelinge znw.vr.  
Regel van erfdeling. Regel om een erfenis in een bepaalde verhouding te verdelen onder de erfgenamen. [4.2.6]
* Erreren zw.ww.intr.
Vergissen, fouten maken.
 
Estimatie znw.vr.
Taxatie.
Middel estimatie: Gemiddelde.
 
Estime znw.vr.  
Salaris, geld dat de commissionair krijgt uitbetaald voor het handeldrijven in opdracht van anderen. [4.1.3]
Estimeren zw.ww.tr.
Taxeren.
 
Even bnw.
Gelijk, even groot.
Even vele: Evenveel.
 
* Evenredenheit znw.vr.  
Evenredigheid. Gelijkheid van twee verhoudingen. [4.10]
Examineren zw.ww.tr.  
Van toepassing bij het werken met de regel van ‘valse positie’: onderzoeken, uitzoeken hoeveel de uitkomsten van de veronderstelde waarden afwijken van de gegevens van het vraagstuk. [4.4.1.1]
Exces znw.o.  
1. Teveel.  
2. M.b.t. een verhouding: toename, verschil tussen de twee termen. [4.10]
Extractie znw.vr.  
Extractie van de radix: (Het) worteltrekken. [3.7]
Ook: Extractie van de wortel  
Extractio radicis quadratae: (Het) trekken van de tweedemachtswortel. [3.7.1]
Ook: Extractie van de radix quadrata
Extractie van de viercantige wortel
 
Extractie in cubus: (Het) trekken van de derdemachtswortel. [3.7.3]
Facit (i) znw.m. en o.  
1. Uitkomst, resultaat van een berekening.  
1.1 Som, uitkomst van een optelling. [3.2.2]
1.2 Quotiënt, uitkomst van een deling. [3.2.6]
Facit (ii) ww. 3 p. enkv.
Is gelijk aan.
 
Facteur znw.m.  
Commissionair, iemand die in opdracht handel drijft. [4.1.3]
* Facteurie znw.  
Van factory: Regel van factoren. Regel waarmee het salaris van de commissionair berekend wordt. [4.1.3]
* Facteurrekeninge znw.vr.  
Regel van factoren. Regel waarmee het salaris van de commissionair berekend wordt. [4.1.3]
* Falsum znw.  
Regel van ‘valse positie’. Regel om met behulp van twee veronderstelde waarden de juiste waarde van een onbekende te berekenen. [4.4.1]
Figure znw.  
1. Cijfer. Elk der tekens waarmee men getallen uitdrukt.  
Betekent figure: Betekenisvol cijfer. Een van de cijfers van 1 t/m 9. [3.2.1]
Enkel figure: Cijfer. Elk der tekens waarmee men getallen uitdrukt. [3.2.1]
Van eenderlei figure: Even groot, hetzelfde getal.  
Eenderlei figure: Evenveel.  
Opperste figure: Teller, bovenste getal in een breuk. [3.4]
Ook: Overste figure  
2. Som, berekening. Schematische of cijfermatige weergave van de rekenhandelingen die tot de uitkomst hebben geleid.  
3. Schema.  
4. Positie, plaats van een cijfer in een getal. [3.2.1]
Fijn bnw.  
Puur, zuiver. [4.1.6]
Fractie znw.vr.  
1. Breuk, gebroken getal. [3.4]
Fracta fractorum:: Breuk van een breuk. Vermenigvuldiging van twee breuken. [3.4.1]
Fractiën die verscheiden denominatoren hebben: Ongelijknamige breuken, breuken die verschillende noemers hebben. [3.4.1]
Astronomische fractie: Sexagesimale breuk.  
2. Deel, gedeelte.  
Fret znw.  
Interest, rente. [4.1.4]
* Fustirekeninge znw.vr  
Regel van fust. Regel van drieën om de prijs van goederen te berekenen waarbij de prijs van de verpakking wordt meegeteld. [4.1.9]
Gaen ww.intr.  
Toenemen, oplopen. [4.4.3.1]
Ook: Elcander te boven gaen
Ten achter gaen: Verliezen, nadeel hebben.
Gaen in: Gelijk zijn aan.
 
Hoe menich ... in ... gaen: Hoeveel keer ... op ... kunnen delen. [3.2.6]
Ook: Hoe vele ... in ... gaen  
Gantsch znw.  
1. Hele, eenheid.  
Gantsch ende gebroken: Gemengd getal, geheel getal met breuk. [3.4]
2. Verzameling van gehele getallen, d.w.z. de gehele getallen groter dan of gelijk aan nul i.t.t. de breuken.  
* Gebreken ww.tr.
Ontbreken, tekortkomen.
 
* Gebrekende znw.o.  
Nul, het teken nul. [3.2.1]
Gebroken znw.o.  
1. Breuk, gebroken getal. [3.4]
Gebroken van gebroken: Breuk van een breuk. Vermenigvuldiging van twee breuken. [3.4.1]

[p. 344]

Gebroken die ongelike noemers hebben: Ongelijknamige breuken, breuken die verschillende noemers hebben. [3.4.1]
Ook: Ongelike gebroken  
In een gebroken bringen: M.b.t. een geheel of een gemengd getal: schrijven als breuk. [3.4.1]
Ook: In sijn gebroken breken
In sijn gebroken reduceren
In sijn gebroken stellen
Met sijn gebroken breken
 
In een minder gebroken reduceren: M.b.t. een breuk: vereenvoudigen. [3.4.1]
2. Verzameling van breuken. [3.4]
* Gedachte znw.
In u gedachten behouden: M.b.t. een cijfer tijdens een berekening: onthouden.
 
* Gedaente znw.vr.
Rekenkundige bewerking.
 
Gedeelte znw.m. en o.  
1. Gedeelte.  
In sijn gedeelten delen: Splitsen. Een getal schrijven als som van twee of meer andere getallen.  
2. Breuk, gebroken getal. [3.4]
3. Oorspronkelijke waarde, waarde van een cijfer ongeacht zijn plaats in het getal. [3.3]
* Gedragen ww.intr.
Bedragen, waard zijn.
 
* Geen onbep.vnw.
Niets.
 
Geheel (i) znw.o.  
1. Hele, eenheid.  
Geheel ende een gebroken: Gemengd getal, geheel getal met breuk. [3.4]
Ook: Geheel ende gebroken
Geheel met een gebroken
 
Tot geheel bringen: M.b.t. een breuk die groter dan 1 is: schrijven als een gemengd getal. [3.4]
2. Geheel getal, natuurlijk getal. Getal dat geen breuk is.  
3. Verzameling van gehele getallen, d.w.z. de gehele getallen groter dan of gelijk aan nul i.t.t. de breuken.  
Geheel (ii) bnw.
Heel.
In het geheel: M.b.t. oppervlakte: in het vierkant.
 
Gelden ww.intr.
Waard zijn.
 
Gelijc bnw.  
1. Even, deelbaar door 2. [3.2.4]
2. Gelijk, even groot.  
Gelijc vele: Evenveel.  
Malcander gelijc sijn: Aan elkaar gelijk zijn.  
Gelijc maken: M.b.t. breuken: gelijknamig maken. [3.4.1]
Heur gelijc hebben: Zich verhouden als. [4.10]
3. Even groot als.  
4. M.b.t. tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- en volume-eenheden: gelijksoortig, van dezelfde eenheid. [4.1.1a]
* gelijcheit znw.vr.  
Gelijke verhouding, verhouding waarin de termen gelijk zijn. [4.4.10.1]
* Gelijcnamich bnw.  
M.b.t. tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- en volume-eenheden: gelijksoortig, van dezelfde eenheid. [4.1.1a]
* Gelijcnamicheit znw.vr.  
M.b.t. tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- en volume-eenheden: gelijksoortigheid, (het) van dezelfde eenheid zijn. [4.1.1a]
Gelijcvormich bnw.  
M.b.t. tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- en volume-eenheden: gelijksoortig, van dezelfde eenheid. [4.1.1a]
* Gelijcvormicheit znw.vr.  
Proportionale gelijcformicheit: M.b.t. termen in een meetkundige reeks: proportionale gelijkvormigheid, kenmerk van getallen die alle met dezelfde factor vermenigvuldigd zijn. [4.4.3.1]
* Geliken st.ww.tr., wederk.
1. Gelijk maken.
2. Gelijk zijn, overeenkomen.
3. Vergelijken.
4. Zich verhouden.
 
Gelt znw.o.  
Munteenheid. [3.6]
Onder een gelt bringen: M.b.t. een tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheid: omrekenen naar dezelfde eenheid. [4.1.1a]
Tot minder gelt maken: M.b.t. een munteenheid: omrekenen naar een kleinere eenheid. [3.6.2]
Current gelt: Gangbaar geld, wettig betaalmiddel.  
* Geltsomme znw.vr.
Geldbedrag.
 
* Gemaect bijw.
Tot malcander gemaect: Relatief niet-priem, dit wordt gezegd van getallen die behalve het getal één nog minstens een ander getal als gemeenschappelijke deler hebben.
 
Geminderen zw.ww.tr.  
M.b.t. een breuk: vereenvoudigen. [3.4.1]
* Gemultipliceerde znw.m.  
Vermenigvuldigtal, getal dat vermenigvuldigd wordt. [3.2.5]
Geometrie znw.vr.
Meetkunde.
 
Gereet (i) bnw.  
Contant. [4.1.8]
Gereet (ii) bijw.  
Contant. [4.1.8]
Geselschap znw.o.  
Vennootschap, vereniging van twee of meer personen die gezamenlijk handeldrijven. [4.1.3]
Een geselschap maken: Een gezamenlijk handelskapitaal creëren. Een geldbedrag bij elkaar brengen waarmee handel wordt gedreven. [4.1.3]
Ook: Geselschap doen
Geselschap maken
 
In geselschap sijn: Gezamenlijk handeldrijven, handelen met een gezamenlijk handelskapitaal. [4.1.3]
Geselschap des tijts: Regel van gezelschap met tijd. Regel van drieën om na gezamenlijk handeldrijven de winst te verdelen op basis van ie-  

[p. 345]

ders inleggeld en periode van deelname. [4.1.3]
Ook: Geselschap met de tijt
Geselschap met tijt
 
Geselschap met de facteur: Regel van factoren. Regel waarmee het salaris van de commissionair berekend wordt. [4.1.3]
Getal znw.m. en o.  
1. Getal.  
1.1 M.b.t. de basis van het getalsysteem  
Geen getal: Niets.  
Gantsch getal: Geheel getal, natuurlijk getal. Getal dat geen breuk is.  
Ook: Geheel getal
Heel getal
 
Enkel getal: Eenheid. Een van de cijfers van 1 t/m 9. (Soms wordt ook 0 hierbij gerekend). [3.2.1]
Ook: Simpel getal  
Getal van enen: Eenheid, eerste positie in een getal. [3.2.1]
Geheel getal: Hele, eenheid.  
Getal van tienen: Tiental, tweede positie in een getal. [3.2.1]
Getal van honderden: Honderdtal, derde positie in een getal. [3.2.1]
Gemaect getal: Samengesteld getal, getal dat is samengesteld uit een digitus en een articulus. [3.2.1]
Ook: Tesamengevoegt getal  
Dobbel getal: Tienvoud.  
Ook: Gelit getal
Punct getal
 
1.2 M.b.t. breuken  
Gebroken getal: Breuk, gebroken getal. [3.4]
Opperste getal: Teller, bovenste getal in een breuk. [3.4]
Ook: Overste getal  
Onderste getal: Noemer, onderste getal in een breuk. [3.4]
Van eender getal: M.b.t. breuken: gelijknamig, dezelfde noemer hebbend. [3.4.1]
Minste getal: M.b.t. een breuk: eenvoudigste vorm. [3.4.1]
Een getal in sich breken: M.b.t. een geheel of een gemengd getal: schrijven als breuk. [3.4.1]
Ook: Tot gebroken getalen bringen  
In een minder getal bringen: M.b.t. een breuk: vereenvoudigen. [3.4.1]
Ook: Tot minder getal bringen  
Gebroken getal: Verzameling van breuken.  
1.3 M.b.t. machten en wortels  
Circulaer getal: Macht, product van twee of meer gelijke factoren.  
Quadraet getal: Kwadraat. [3.7]
Cubijc getal: Derdemacht, product van drie gelijke factoren. [3.7.3]
Ook: Cubitael getal
Cubus getal
Lichamelijc getal
Teerlincsgewijs getal
 
Ongeschict getal: Onregelmatige macht. Macht die zich niet laat ontbinden in kwadraten of derdemachten.  
Doof getal: Getal waarvan de wortel een irrationaal getal is. [3.7.4]
Irrationael getal: Getal waarvan de wortel slechts bij benadering berekenbaar is. (Deze betekenis wijkt af van de huidige betekenis van irrationaal getal: Getal dat slechts bij benadering berekenbaar is.) [3.7.4]
Rationael getal: Getal waarvan de wortel berekenbaar, meetbaar is. (Deze betekenis wijkt af van de huidige betekenis van rationaal getal: Getal dat berekenbaar, meetbaar is.) [3.7.4]
1.4 M.b.t. rekenkundige bewerkingen  
Een getal maken: Optellen. [3.2.2]
Ook: Tot een getal bringen  
Getal dat geaddeert moet wesen: M.b.t. een optelling: term. [3.2.2]
Ook: Getal dat men adderen wilt
Getal dat men tesamen begeert te adderen
 
Geheel getal: Som, uitkomst van een optelling. [3.2.2]
Getal daer men aftrect: Aftrektal, getal waarvan afgetrokken wordt. [3.2.3]
Ook: Getal van welke gi hebt gesubstraheert
Bovenste getal
Groot getal
Meeste getal
 
Getal welke gi hebt afgenomen: Aftrekker, getal dat afgetrokken wordt. [3.2.3]
Ook: Getal so afgetogen werden sal
Getal dat afgetrocken moet wesen
Getal dat men aftrecken wilt
Getal welke gi gesubstraheert hebt
Getal dat men aftrect
Clein getal
Minste getal
Onderste getal
 
Getal dat er resteert: Verschil, uitkomst van een aftrekking. [3.2.3]
Ook: Overich getal
Getal dat gi uutgetrocken hebt
 
Getal dat gemultipliceert moet worden: Vermenigvuldigtal, getal dat vermenigvuldigd wordt. [3.2.5]
Ook: Getal so gemultipliceert sal worden
Getal welc wert gemultipliceert
Getal dat gi wilt multipliceren
Getal dat men multipliceert
Getal dwelc men begeert te multipliceren
 
Getal daermede gemultipliceert sal worden: Vermenigvuldiger, getal waarmee het vermenigvuldigtal vermenigvuldigd wordt. [3.2.5]
Ook: Getal daermede gi gemultipliceert hebt
Getal daer gi mede multipliceren wilt
Getal daer men mede multipliceert
Getal door welc men multipliceert
 
Getal so uut het multipliceren gecomen is: Product, uitkomst van een vermenigvuldiging. [3.2.5]

[p. 346]

Getal dat gedeelt sal worden: Deeltal, getal dat gedeeld wordt. [3.2.6]
Ook: Getal dat gi begeert te delen
Getal welke gi delen wilt
Getal het welc gi gedeelt hebt
Getal dat men delen wil
Getal so men delen wil
Getal dat gedivideert wort
Getal dat gi begeert te divideren
Getal dat gi divideren wilt
Getal het welc gi gedivideert hebt
Getal dat men wil divideren
Getal dat men divideren wil
Getal dat men divideren zal
 
Getal daer bi dat gi die somme delen wilt: Deler, getal waardoor het deeltal gedeeld wordt. [3.2.6]
Ook: Delent getal
Getal daermede gi deelt
Getal daermede gi wilt delen
Getal daer men mede deelt
Getal daer gi mede gedivideert hebt
Getal daermede gi divideert
Getal daermede gi wilt divideren
Getal daer men mede divideren wil
Getal daer men mede divideert
 
Getal welc uut het divideren gecomen is: Quotiënt, uitkomst van een deling. [3.2.6]
1.5 M.b.t. verhoudingen  
Gelike getalen: Gelijke getallen. Getallen die even groot zijn. [4.4.10.1]
Ongelike getalen: Ongelijke getallen. Getallen die niet even groot zijn. [4.4.10.1]
Middel getal: Gemiddelde.  
Proportionael getal: Term, verhoudingsgetal. [4.10]
Ook: Proportionaelsch getal  
Middelproportionael getal: Middelevenredige. B is een middelevenredige van A en C als geldt A:B = B:C. [4.4.10.3]
Een overschietent getal: Een-tweede overschietend getal. m is een een-tweede overschietend getal ten opzichte van n als geldt: m = n + ½n. [4.4.10.1]
Een overschietent derdedeel getal: Eenderde overschietend getal. m is een eenderde overschietend getal ten opzichte van n als geldt: m = n + ⅓n. [4.4.10.1]
Overschietent vierendeel getal: Een-vierde overschietend getal. m is een een-vierde overschietend getal ten opzichte van n als geldt: m = n + ¼n. [4.4.10.1]
Tweevoudich overdelich getal: Tweevoudig overdelig getal. m is een tweevoudig overdelig getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (2 + 1/p):1 waarbij p ≤ n. Bijvoorbeeld 9 en 4, 45 en 21. [4.4.10.1]
Drievoudich overdelich getal: Drievoudig overdelig getal. m is een drievoudig overdelig getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (3 + 1/p):1 waarbij p ≤ n. Bijvoorbeeld: 16 en 5, 66 en 21. [4.4.10.1]
Viervoudich overdelich getal: Viervoudig overdelig getal. m is een viervoudig overdelig getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (4 + 1/p):1 waarbij p ≤ n. Bijvoorbeeld: 13 en 3, 12 en 50. [4.4.10.1]
Menichvoudich overdelich getal: Menigvoudig overdelig getal. m is een menigvoudig overdelig getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (q + 1/p):1 waarbij q > 1 en 1 < p ≤ n. Bijvoorbeeld: 15 en 7, 49 en 8. [4.4.10.1]
Overdelent getal: Overdelend getal. m is een overdelend getal ten opzichte van n als geldt: m = n + a waarbij a < n. [4.4.10.1]
Overdelent tweededeel getal: Twee delen overdelend getal. m is een twee delen overdelend getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (1 + 2/p):1, waarbij 2 < p ≤ n en p niet deelbaar is door 2. Bijvoorbeeld: 5 en 3, 39 en 33. [4.4.10.1]
Overdelent derdedeel getal: Drie delen overdelend getal. m is een drie delen overdelend getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (1 + 3/p):1, waarbij 3 < p ≤ n en p niet deelbaar is door 3. Bijvoorbeeld: 7 en 4, 42 en 33. [4.4.10.1]
Overschietent vierendeel getal: Vier delen overdelend getal. m is een vier delen overdelend getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (1 + 4/p):1, waarbij 4 < p ≤ n en p niet deelbaar is door 2 of 4. Bijvoorbeeld: 9 en 5, 45 en 57. [4.4.10.1]
Tweevoudich overdelent getal: Tweevoudig overdelend getal. m is een tweevoudig overdelend getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (2 + q/n):1 waarbij 1 < q < n. Bijvoorbeeld: 11 en 4, 12 en 5. [4.4.10.1]
Drievoudich overdelent getal: Drievoudig overdelend getal. m is een drievoudig overdelend getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (3 + q/n):1 waarbij 1 < q < n. Bijvoorbeeld: 19 en 5, 27 en 8. [4.4.10.1]
Viervoudich overdelent getal: Viervoudig overdelend getal. m is een viervoudig overdelend getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (4 + q/n):1 waarbij 1 < q < n. Bijvoorbeeld: 22 en 5, 72 en 17. [4.4.10.1]
Menichvoudich overdelent getal: Menigvoudig overdelend getal. m is een menigvoudig overdelend getal ten opzichte van n als geldt: m:n = (p + q/n):1 waarbij p > 1 en 1 < q < n. Bijvoorbeeld: 8 en 3, 11 en 4. [4.4.10.1]
1.6 M.b.t. even/oneven  
Gelijc getal: Even getal, getal dat door 2 deelbaar is. [3.2.4]
Ook: Par getal  
Impar getal: Oneven getal, getal dat niet door 2 deelbaar is. [3.2.4]
Ook: Oneffen getal
Ongelijc getal
Onpaer getal
 
Gelikelijc gelijc getal: Even even getal, macht van 2.  
Gelikelijc ongelijc getal: Even oneven getal, even getal dat de som is van twee oneven getallen.  
Ongelikelijc gelijc getal: Oneven even getal, getal dat herhaald deelbaar is door 2 tot men op een oneven getal (ongelijk aan  

[p. 347]

1) uitkomt.  
Ongelikelijc ongelijc getal: Oneven oneven getal, getal dat het product is van twee oneven getallen.  
1.7 M.b.t. veelvouden  
Getal daer gi in sult mogen hebben ...: Gemeenschappelijk veelvoud van... [3.4.1]
Menichvoudich getal: Veelvoud. Getal dat te schrijven is als product van twee kleinere gehele getallen.  
Dobbel getal: Tweevoud. Getal dat te schrijven is als product van twee kleinere gehele getallen waarvan ten minste een van beide 2 is.  
Ook: Tweevoudich getal  
Drievoudich getal: Drievoud. Getal dat te schrijven is als product van twee kleinere gehele getallen waarvan ten minste een van beide 3 is.  
Viervoudich getal: Viervoud. Getal dat te schrijven is als product van twee kleinere gehele getallen waarvan ten minste een van beide 4 is.  
1.8 M.b.t. getalsklassen  
Natuurlijc getal: Natuurlijk getal. Een van de getallen uit de reeks 1, 2, 3, 4,...  
Superficiael getal: Oppervlaktegetal, product van twee factoren.  
Eerste getal: Priemgetal, getal dat slechts deelbaar is door een en zichzelf.  
Gemaect getal: Niet-priemgetal, getal dat behalve door een en zichzelf minstens nog door een ander getal deelbaar is.  
Volmaect getal: Perfect getal, getal waarvan de som der delers gelijk is aan het getal zelf.  
Overvloedent getal: Overvloedig getal, getal waarvan de som der delers groter is dan het getal zelf.  
Vermindert getal: Verminderd getal, getal waarvan de som der delers minder is dan het getal zelf.  
1.9 M.b.t. het oplossen van vraagstukken  
Bekent getal: Bekend getal, gegeven getal. [4.4.1]
Onbekent getal: Onbekend getal, gevraagd getal. [4.4.1]
Bequaem getal: In de regel van ‘valse positie’: veronderstelde waarde. Op basis van berekeningen met veronderstelde waarden wordt de juiste waarde van de onbekende berekend. [4.4.1]
Ook: Valsch getal
Voorgenomen getal
 
Gevonden getal: Uitkomst, resultaat van een berekening.  
Ook: Uutcoment getal  
Gerecht getal: Gevraagd getal. De gevraagde waarde van de onbekende, die in de regel van ‘valse positie’ wordt berekend met behulp van twee veronderstelde waarden. [4.4.1]
2. Aantal, hoeveelheid.  
Getal der plaetsen: Aantal termen in een reeks. [4.4.3]
Ook: Getal der steden  
3. Eenheid, eerste positie in een getal. [3.2.1]
4. Rekenkunde.  
5. Exponent.  
Getalsomme znw.vr.
Getal.
 
* Getalwortel znw.m.  
Cijfer van een wortelgetal. [3.7]
Geven ww.tr.  
Geven, opleveren, zich verhouden tot. [4.10]
Sich geven tot: Zich verhouden tot.  
Gewichte znw.o.  
1. Gewicht.  
2. Gewichtseenheid. [3.6]
Gewin znw.m. en o.
Winst.
 
Gewinnen st.ww.tr.
Winst maken.
 
Graet znw.m.
Positie, plaats van een cijfer in een getal.
[3.2.1]
Groot bnw.  
Groot.  
Eens so groot: Eens zo groot. Het dubbele. [3.2.4]
Effen groot: Gelijk, even groot.  
Ook: Even groot  
Grootgin znw.
Gros, 144 stuks.
 
* Grootheit znw.vr.
Grootte, maat.
 
Grootst bnw.
Grootst.
 
Grote znw.vr.
Grootte, waarde
Van eenderlei grote: Even groot.
 
Groter bnw.
Groter.
 
Half (i) bnw.  
1. Half.  
2. De helft van. [3.2.4]
Half (ii) telw.
Half, een-tweede.
 
Halven zw.ww.tr.  
Halveren. [3.2.4]
Halveren zw.ww.tr.  
Halveren. [3.2.4]
* Halvinge znw.vr.  
(Het) halveren. [3.2.4]
Hantschrift znw.
Schuldbekentenis, ondertekend waardepapier.
Van hantschriften: Regel van schuldbekentenissen. Regel die wordt toegepast in handelssituaties waarbij geen contant geld gebruikt wordt.
 
Hebben ww.intr.  
Waard zijn.  
Hoe dicmaels ... in ... hebben: Hoeveel keer ... op ... kunnen delen.  
Ook: Hoe dicwils ... in ... hebben
Hoeveel ... in ... hebben
 
Hebben tegen: Staan tot, zich verhouden tot. [4.10]
Toe hebbende: Op de koop toe krijgen.  
Heel (i) znw.  
1. Geheel getal, natuurlijk getal. Getal dat geen breuk is.  

[p. 348]

Heel ende gebroken: Gemengd getal, geheel getal met breuk. [3.4]
2. Hele, eenheid.  
Helft znw.vr.  
1. Helft.  
De helft afnemen: Halveren. [3.2.4]
Ook: De helft aftrecken  
2. Half, een-tweede.  
Helften zw.ww.tr.  
1. Halveren. [3.2.4]
2. Volgens een tweevoudige verhouding verdelen, d.w.z. in porties delen die zich verhouden als 1:2.  
Hoemenichdeel znw.m. en o.
Deler, getal waardoor men een groter getal kan delen zodat het quotiënt een geheel getal is.
 
* Hogen zw.ww.intr.
Toenemen, oplopen.
 
Hondert (i) znw.  
Honderdtal, derde positie in een getal. [3.2.1]
Hondert (ii) telw.
Honderd.
Op het hondert: Procent.
Ook: Ten hondert
 
Hondertdusent (i) znw.  
Honderdduizendtal, zesde positie in een getal. [3.2.1]
Hondertdusent (ii) telw.
Honderdduizend.
 
* Hondertdusentdusent telw.
Honderdmiljoen, tien tot de achtstemacht.
 
Hondertdusentmaeldusent telw.
Honderdmiljoen, tien tot de achtstemacht.
 
* Hondertdusentmillioen telw.
Honderdmiljard, tien tot de elfdemacht.
 
* Hondertdusentmilliote telw.
Tien tot de zeventiende macht.
 
* Hondertmaeldusentdusent telw.
Honderdmiljoen, tien tot de achtstemacht.
 
Hondertmillioen (i) znw.
Honderdmiljoental, negende positie in een getal.
 
Hondertmillioen (ii) telw.
Honderdmiljoen, tien tot de achtstemacht.
 
Hondertstedeel znw.m. en o.
Een-honderdste.
 
Hooch bnw.
M.b.t. een getal: hoog, groot.
 
Hoochde znw.
Hoogte.
 
* Hooftgelt znw.o.
Basisbedrag, startkapitaal zonder rente of winst.
 
* Hooftsomme znw.vr.  
1. Aftrektal, getal waarvan afgetrokken wordt. [3.2.3]
2. Basisbedrag, startkapitaal zonder rente of winst.  
Hoop znw.  
Worp, groep bestaande uit een vast aantal gelijke munten. [4.1.14]
Met hopen stellen: Groeperen, samenbrengen in een groep, bestaande uit een vast aantal gelijke munten. [4.1.14]
Op de hoop: Voor het totaal.  
Houden st.ww.tr. en intr.  
1. M.b.t. een cijfer tijdens een berekening: onthouden.  
2. Inhouden, bevatten.  
Sich houden te: Staan tot, zich verhouden tot. [4.10]
Ook: Sich houden tegen  
3. Waard zijn.  
Hypothese znw.  
In de regel van ‘valse positie’: veronderstelde waarde. De regel van ‘valse positie’ is een regel om uit twee veronderstelde waarden de juiste waarde van de onbekende te berekenen. [4.4.1]
Impar bnw.  
Oneven, niet deelbaar door 2. [3.2.4]
In bijw.
Inclusief, inbegrepen.
 
Inadderen zw.ww.tr.  
Optellen. [3.2.2]
* Inhout znw.m. en o.  
1. Som, uitkomst van een optelling. [3.2.2]
2. Waarde.  
Incomen znw.
Invoerrecht.
 
Incoop znw.m.
Aankoopsom.
 
Inlech znw.  
Inleggeld. [4.1.3]
Inleggen (i) zw.ww.tr.  
Inleggen, bijdragen aan een gezamenlijk handelskapitaal. [4.1.3]
Inleggen (ii) znw.o.  
Inleggeld. [4.1.3]
Inrekenen zw.ww.tr.  
Optellen. [3.2.2]
* Inschult znw.
Credit, schuld die nog geïnd moet worden, bedrag dat men nog te vorderen heeft.
 
Instructie znw.vr.
Instructie, uitleg.
 
Intellen zw.ww.tr.  
Optellen. [3.2.2]
Interest znw.m. en o.  
1. Interest, rente. [4.1.4]
Simpele interest: Enkelvoudige interest. [4.1.4]
Gecomponeerde interest: Interest op interest, samengestelde interest. [4.1.4]
Ook: Interest op interest  
Op interest geven: Op interest zetten, rente laten opleveren. [4.1.4]
Ook: Op interest stellen
Op interest uutgeven
 
2. Regel van interest. Regel om rente te berekenen. [4.1.4]
* Inwaerts bijw.
Naar binnen, naar de linkerkant van een getal.
 
Irrationael (i) znw.  
Irrationaal getal, getal dat slechts bij benadering berekenbaar is. [3.7.4]
Irrationael (ii) bnw.  
Irrationaal, slechts bij benadering berekenbaar. [3.7.4]
Is ww. 3 p. enkv.
Is gelijk aan.
 
* Italiaensch bnw.  
Volgens de Welsche of Italiaanse praktijk. Dat is een verzameling methoden om bepaalde berekeningen sneller en handiger uit te voeren. [4.3]

[p. 349]

Calculatie znw.vr.
Berekening.
 
Calculeren zw.ww.tr.
Berekenen.
 
Capitael znw.
Kapitaal, geld door iemand tegen interest gegeven of opgenomen.
 
* Caracter znw.  
Cijfer. Elk der tekens waarmee men getallen weergeeft. [3.2.1]
Clein bnw.
Klein.
 
Cleiner bnw.  
Kleiner.  
Cleiner maken: M.b.t. een breuk: vereenvoudigen. [3.4.1]
Cleiner verwisselen: M.b.t. een tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheid: omrekenen naar een kleinere eenheid. [3.6.2]
* Cleinst bnw.
Kleinst.
 
Comen ww.intr.  
Uitkomen, maken.  
Over comen: Overblijven, resteren nadat herhaald is afgetrokken. [3.3]
Tesamen comen: Uitkomen, maken.  
Wat daer van comt: Uitkomst, resultaat van een berekening.  
Overeen comen: Gelijk zijn, overeenkomen.  
Ook: Gelijc overeen comen  
* Comende znw.o.
Uitkomst, resultaat van een berekening.
 
Communicanten znw.  
Gelijksoortige wortelvormen, wortelvormen waaruit dezelfde irrationale factor is af te splitsen. [3.7.4]
Compagnie znw.vr.  
Vennootschap, vereniging van twee of meer personen die gezamenlijk handeldrijven. [4.1.3]
Een compagnie maken: Een gezamenlijk handelskapitaal creëren. Een geldbedrag bij elkaar brengen waarmee handel wordt gedreven. [4.1.3]
Compagnie van verlies: Regel van gezelschap met verlies. Regel om na gezamenlijk handeldrijven het verlies te verdelen op basis van ieders inleggeld. [4.1.3]
Compendium znw.  
Verkorte aanpak, methode om een berekening sneller en handiger uit te voeren. [4.3]
Compositus znw.  
Samengesteld getal, getal dat is samengesteld uit een digitus en een articulus. [3.2.1]
Comptoor znw.
(Wissel-)kantoor.
 
* Conditie znw.vr.  
Van eender conditie: M.b.t. tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- en volume-eenheden: gelijksoortig, van dezelfde eenheid. [4.1.1a]
Conste znw.vr.  
Conste algorismi: Rekenkunde.  
Ook: Conste van algorismus
Conste van algorithmus
Conste arithmetica
Conste van arithmetica
Conste des cifers
Conste van ciferen
Conste des getals
Conste van de getale
Conste des rekenens
Conste der rekeninge
 
Conste van algorismus: Penningrekenkunde, de kunst van het rekenen met penningen op lijnen. [3.8]
Contant (i) bnw.
Contant.
 
Contant (ii) bijw.
Contant.
 
Contrarie (i) znw.
Omkering, tegengestelde.
 
Contrarie (ii) bijw.
Omgekeerd, tegengesteld.
Ook: Ter contrarie
 
Coopmanschap znw.
Handelswaar.
 
Corespetident znw.  
Waarde van dezelfde grootheid. In de regel van drieën zijn het eerste en het derde getal ‘corespetidenten’, dat wil zeggen het zijn grootheden die in dezelfde eenheid zijn weergegeven. [4.1.1a]
Cort bnw.  
Handig, volgens de Welsche of Italiaanse praktijk. Dat is een verzameling methoden om bepaalde berekeningen sneller en handiger uit te voeren. [4.3]
Ook: In het corte  
Te cort comen: Tekortkomen.  
Corten zw.ww.tr.
In prijs verminderen.
 
Cos znw.  
Algebra. [4.4.9]
Couperen zw.ww.tr.  
M.b.t. één of meer nullen aan de rechterkant van een getal: wegstrepen. Delen door een macht van tien. [4.3.2.5]
Cruce znw.o.  
Liggend kruis, (X).  
Mit malcander breken door dat cruce: M.b.t. breuken: gelijknamig maken. [3.4.1]
Door een cruce multipliceren: Kruiselings vermenigvuldigen. [3.4.2]
Ook: Door het cruce multipliceren
In het cruce multipliceren
Over het cruce multipliceren
Door het cruce werken
In het cruce werken
 
Bourgoensch cruce: Liggend kruis, (X).  
* Crucewise bijw.  
Crucewise multipliceren: Kruiselings vermenigvuldigen. [3.4.2]
Crucewise adderen: M.b.t. ongelijknamige breuken: kruiselings optellen. [3.4.2]
Cubiceren zw.ww.tr.  
Tot de derdemacht verheffen, vermenigvuldigen met drie gelijke factoren. [3.7.3]
Cubijc bnw.
Kubiek, aanduiding van een inhoudsmaat.
 
Cubike (i) znw.o.  
Derdemacht, product van drie gelijke factoren. [3.7.3] en [4.4.9.1]
Cubike van cubo: Derdemacht van een derde-  

[p. 350]

macht. Derdemacht tot de derdemacht verheven. Negendemacht. [3.7.3] en [4.4.9.1]
Cubike (ii) bijw.  
Cubike multipliceren: Tot de derdemacht verheffen, vermenigvuldigen met drie gelijke factoren. [3.7.3]
Ook: In sich selve cubike multipliceren  
* Cubikelike bijw.  
Cubikelike multipliceren: Tot de derdemacht verheffen, vermenigvuldigen met drie gelijke factoren. [3.7.3]
Ook: In sich selve cubikelike multipliceren  
* Cubikewise bijw.  
Cubikewise multipliceren: Tot de derdemacht verheffen, vermenigvuldigen met drie gelijke factoren. [3.7.3]
Cubicus znw.o.  
Derdemacht, product van drie gelijke factoren. [3.7.3] en [4.4.9.1]
Cubus znw.  
Derdemacht, product van drie gelijke factoren. [3.7.3] en [4.4.9.1]
Current (i) znw.
Gangbaar geld, wettig betaalmiddel.
 
Current (ii) bnw.
Gangbaar.
 
Lanc bnw.
Lang.
 
Laso znw.
Voordeel, winst.
 
* Lechgelt znw.o.  
Rekenpenningen. [3.8]
* Lechpenninc znw.m.  
Rekenpenning. [3.8]
Leder znw.
Ladder, tabel met oplopende getallen.
 
Leggen zw.ww.tr.  
Inleggen, bijdragen aan een gezamenlijk handelskapitaal. [4.1.3]
Lenen ww.tr.  
Lenen. Wanneer bij een aftrekking een cijfer in de aftrekker een grotere waarde heeft dan het erboven staande cijfer in het aftrektal, moet er van de navolgende cijferkolom geleend worden. [3.2.3]
Lengde znw.
Lengte.
 
Lest bnw.
Laatst.
Lest op een na: Een na laatst.
 
Lettere znw.  
Cijfer. Elk der tekens waarmee men getallen uitdrukt. [3.2.1]
Letterken znw.o.  
Positie, plaats van een cijfer in een getal. [3.2.1]
* Lichame znw.o.  
Lichaam, driedimensionaal object.  
Geheel lichame: Noemer, onderste getal in een breuk. [3.4]
Liegen ww.tr.  
Liegen, wordt gebruikt in de regel van ‘valse positie’. Dat is een regel om uit twee veronderstelde waarden de juiste waarde van de onbekende te berekenen. ‘Liegen’ drukt uit hoeveel het verkregen resultaat afwijkt van het gewenste resultaat. [4.4.1]
Ligger znw.m.  
Vaste rekenpenning. Rekenpenning met een vaste plaats die de plaatswaarde aanduidt van de rekenpenningen die erachter gelegd worden. [3.8]
Linie znw.vr.  
1. Lijn, streepje.  
2. Lijn bij penningrekenen. [3.8]
3. Reeks. [4.4.3]
* Liniënspatie znw.vr.  
Van toepassing bij penningrekenen: ruimte tussen twee lijnen. [3.8]
Liniken znw.o.  
1. Breukstreep. [3.4]
2. Lijntje, verticale streep in getal om duizendtal, miljoental, miljardtal, enz. aan te duiden. Deze streep vergroot de leesbaarheid van het getal en vervult dezelfde functie als de hedendaagse punt. [3.2.1]
* Logen znw.  
Onwaarheid, verschil. Wordt gebruikt bij de regel van ‘valse positie’, waarmee uit twee veronderstelde waarden de juiste waarde van de onbekende wordt berekend. ‘Logen’ is het verschil tussen het gevonden resultaat en het gewenste resultaat. [4.4.1]
Lopen ww.intr.
Bedragen, waard zijn.
 
Loven zw.ww.tr.
Aanprijzen, tegen een bepaalde prijs te koop aanbieden.
 
Luttel bnw.
Weinig.
Te luttel: Te weinig.
 
Mael znw.  
Keer, maal, werf. [3.2.5]
... mael so vele: ... keer zoveel.  
So menich mael: Zoveel keer.  
Hoe menich mael hebben: Hoeveel keer ... op ... kunnen delen. [3.2.6]
Ook: Hoe menich mael ... in...
Hoe menich mael ... in ... hebben
Hoe menich mael ... in sich hout...
 
Twee mael in sich selve multipliceren: Tot de derdemacht verheffen, vermenigvuldigen met drie gelijke factoren. [3.7.3]
... mael in sich selve multipliceren: Tot de ... macht verheffen.  
Maenken znw.o.  
Boogje, plaats in een deling waar het quotiënt genoteerd wordt [3.2.6]
Maken ww.tr. en intr.  
1. Uitkomen, maken.  
2. Waard zijn.  
Hoeveel ... maken ...: Hoeveel keer ... op ... kunnen delen. [3.2.6]
3. Berekenen.  
4. M.b.t. een tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheid: omrekenen naar een kleinere of grotere eenheid. [3.6.2]
Mangelen zw.ww.tr.  
1. Ruilen. [4.1.8]
2. Wisselen. [4.1.14]
Mangelinge znw.vr.  
1. Ruil. [4.1.8]
Aen de mangelinge setten: In ruil aanbieden. [4.1.8]

[p. 351]

</
Ook: In de mangelinge setten
In mangelinge stellen
In de mangelinge stellen
 
2. Ruilhandel. [4.1.8]
3. (Het) ruilen. [4.1.8]
4. Ruilregel. Regel van drieën, te gebruiken bij het ruilen van goederen. [4.1.8]
Ook: Van mangelinge  
Mangelinge met tijt: Ruilregel met tijd. Regel van drieën, te gebruiken bij het ruilen van goederen, waarbij men bij het vaststellen van de waarde van de goederen uitgaat van betaling in termijnen. [4.1.8]
Maniere  
Italiaensche maniere: Welsche of Italiaanse praktijk, verzameling methodes om bepaalde berekeningen sneller en handiger uit te voeren. [4.3]
Mate znw.vr.  
1. Maat. [3.6]
2. Deler, getal waardoor het deeltal gedeeld wordt. [3.2.6]
Gemene mate: Gemeenschappelijke deler. [3.4.1]
Mathematica znw.
Wiskunde.
 
Medenemen st.ww.tr.  
Optellen. [3.2.2]
Medetellen zw.ww.tr.  
Optellen. [3.2.2]
Mediatie znw.vr.  
(Het) halveren. [3.2.4]
Mediëren zw.ww.tr.  
Halveren. [3.2.4]
* Mediëringe znw.vr.  
Halvering. [3.2.4]
Meer (i) bnw.
1. Meer, groter.
Te meer: Zoveel meer.
2. Meer, groter aantal.
 
Meer (ii) bijw.
Plus, vermeerderd met.
 
Meerder bnw.
1. Groter.
2. Uit een groter aantal cijfers bestaand.
 
Meerdere znw.m.
Meerdere, groter getal.
 
Meerderen zw.ww.intr.  
Toenemen, oplopen. [4.4.3.1]
* Meerderinge znw.vr.  
(Het) vermenigvuldigen. [3.2.5]
Meest bnw.
Grootst.
 
Meester znw.m.
Meester, onderwijzer.
 
Memorie znw.  
In memorie behouden: M.b.t. een cijfer tijdens een berekening: onthouden.  
Ook: In u memorie behouden
Per memorie behouden
Pro memori behouden
Per memorie houden
In de memorie onthouden
In u memorie onthouden
 
Bi memorie weten: Uit het hoofd kennen.  
In memorie stellen: Van buiten leren.  
* Menginge znw.vr.  
Regel van mengsels. Regel om de samenstelling of de prijs van een mengsel van goederen te berekenen. [4.1.6]
Menichte znw.vr.
Hoeveelheid.
 
* Menichvoudigen ww.tr.  
Vermenigvuldigen. [3.2.5]
* Menichvuldiginge znw.vr.  
(Het) vermenigvuldigen. [3.2.5]
* Mercteken znw.  
Cijfer. Elk der tekens waarmee men getallen weergeeft. [3.2.1]
* Metelijc bnw.
Deelbaar.
 
Middelen zw.ww.tr.  
Halveren. [3.2.4]
* Middelgetal znw.m. en o.  
Middelevenredige. B is een middelevenredige van A en C als geldt A:B = B:C. [4.4.10.3]
* Middelinge znw.vr.  
(Het) halveren. [3.2.4]
* Middelspatie znw.vr.  
Van toepassing bij penningrekenen: ruimte tussen twee lijnen. [3.8]
Millemillioen telw.  
Miljard, duizendmiljoen, tien tot de negendemacht. [3.2.1]
Milliart telw.  
Biljoen, miljoen × miljoen, tien tot de twaalfdemacht. [3.2.1]
Millioen (i) znw.  
Miljoental, zevende positie in een getal. [3.2.1]
Millioen (ii) telw.  
Miljoen. [3.2.1]
* Millioenmilliote telw.
Triljoen, miljoen tot de derdemacht, tien tot de achttiendemacht.
 
* Milliote telw.
1. Biljoen, miljoen × miljoen, tien tot de twaalfdemacht.
2. Miljard, duizendmiljoen, tien tot de negendemacht.
 
* Milliotemilliote telw.
Quadriljoen, tien tot de vierentwintigstemacht.
 
Min (i) znw.
Tekort.
 
Min (ii) bnw.
Minder.
Te min: Zoveel minder.
 
Min (iii) bijw.
Min, verminderd met.
 
Minder bnw.  
Minder, kleiner.  
Minder maken: M.b.t. een tijd-, munt-, gewichts-, lengte-, oppervlakte- of volume-eenheid: omrekenen naar een kleinere eenheid. [3.6.2]
Mindere znw.m.  
Mindere, kleiner getal.  
In een mindere reduceren: M.b.t. een breuk: vereenvoudigen. [3.4.1]
Minderen zw.ww.tr  
1. M.b.t. de regel van drieën: vereenvoudigen. [4.3.2.6]
2. M.b.t. een breuk: vereenvoudigen. [3.4.1]