terug  begin  verderprepost
[p. 113]

Hoofdstuk V
Wijzigingen van het huwelijk in Nederland

Voor een goed begrip van de veranderingen, die zich in het gezinsleven hier te lande in de laatste halve eeuw voordeden, is het noodzakelijk, langduriger stil te staan bij de te onzent constateerbare huwelijkswijzigingen. In dit hoofdstuk wordt allereerst getreden in ons huwelijksrecht, waarbij evenwel welbewust wordt afgezien van de rechten en plichten, die, volgens de Wet, voor de ouders t.o.v. de kinderen door huwelijk ontstaan, alsook van het zogenaamde huwelijksvermogensrecht. Vervolgens gaat de aandacht uit naar huwelijksfrequentie en -leeftijd, de achtergronden van de echtvereniging, echtelijke sexuele omgang, voortplanting binnen het huwelijk en de duur der echtverbintenis. Zodoende kan, naar het lijkt, systematisch het veranderde beeld van de verhouding der huwelijkspartners in 20ste eeuws Nederland worden geschetst.

 

Eerder werd instemming betuigd met de definitie van de Utrechtse ethnoloog Prof. Dr. H. Th. Fischer, die het huwelijk noemde: ‘een door de gemeenschap erkende vorm van sexueel samenleven tussen man en vrouw, die tot doel heeft een langdurige sociale en economische eenheid (het gezin) te doen ontstaan, bestaande uit de echtgenoten en alle kinderen, die - staande deze samenleving - door de vrouw ter wereld worden gebracht.’ Deze sociologische definitie slaat echter - men lette wel - op het van tijd en plaats geabstraheerde samenleven tussen een man en een vrouw, dat de goedkeuring heeft van het grotere maatschappelijke verband, waarvan deze twee deel uitmaken. Een juridische definitie van het in Nederland door de Wet geregelde huwelijk moet - het is niet onbegrijpelijk - geheel anders luiden.

In het bekende werk van Mr. C. Asser - later herzien door Mr. P. Scholten - wordt gezegd: ‘Huwelijk is de van staatswege erkende vereniging van één man en één vrouw tot duurzame levensgemeen-

[p. 114]

schap.’77) Als (Nederlandse) rechtsinstelling heeft het huwelijk de verscheidenheid der geslachten tot grondslag, maar nergens vinden we de verwijzing in ons recht naar het huwelijk als een verhouding, waaraan geslachtsgemeenschap inhaerent is. Volgens de geldende opvatting is geen bijslaap nodig om een huwelijk tot stand te doen komen. Onze wetgeving rept dan ook evenmin van de onbekwaamheid tot voortplanting als een huwelijksbeletsel. Het feit, dat aan personen van hoge ouderdom het huwelijk hier te lande niet wordt verboden, wijst er op, dat de wetgever het (juridische) huwelijk heeft los gemaakt van de fysiologische basis.

Geheel in overeenstemming met wat bijna alle Christelijke kerken leren, heeft onze wetgever zich op het standpunt gesteld, dat slechts de monogame verhouding aan de Nederlander geoorloofd is en dat het huwelijk een verbintenis voor het leven betekent. Dat de wetgever toch de echtscheiding heeft toegestaan, behoeft niet wezenlijk strijdig te worden geacht met de uitgangsgedachte t.a.v. de huwelijksduur.

Al kan scheiding onder bepaalde voorwaarden worden verkregen, zij is en blijft volgens de Wet een abnormaliteit. Gezien de door de wetgever beoogde duurzaamheid, wordt de huwelijksontbinding niet aan de partners overgelaten, doch kan deze slechts in bepaalde gevallen door de overheid geschieden. Wanneer men daarbij nog in aanmerking neemt, dat partijen ook al niet vrij zijn zelf de inhoud van hun rechtsverhouding te bepalen, aangezien deze geheel beheerst wordt door voorschriften van dwingend recht, zal het duidelijk zijn, dat het huwelijk, al wordt het dikwijls een overeenkomst genoemd, in het geheel niet kan worden vergeleken met een vermogensrechtelijk contract. Contract is het slechts in zoverre, dat het aangaan van het huwelijk moet berusten op wederzijdse toestemming van de partners. Een en ander maakt het verklaarbaar, dat sommige juristen het huwelijk beschouwen als een zogenaamd familie-rechtelijke overeenkomst, terwijl anderen tegen de term overeenkomst grote bezwaren hebben.

Volgens artikel 83 van het Burgerlijk Wetboek beschouwt de Wet ‘het huwelijk alleen in deszelfs burgerlijke betrekkingen’. Dit betekent, dat voor de kerken in Nederland geen bemoeienis met het burgerlijke huwelijk is weggelegd. Het staat de kerken vrij huwelijken te sluiten, in te zegenen of te bevestigen, doch niet alvorens zij burgerlijk gesloten zijn. Het is daarom, dat artikel 449 uit het Wetboek van Strafrecht de bedienaar van de godsdienst strafbaar stelt, die een godsdienstige huwe-

[p. 115]

lijks-plechtigheid verricht, zonder zich ervan te hebben vergewist, dat het burgerlijk huwelijk reeds werd voltrokken. Het blijkt overigens, dat de Rooms Katholieke Kerk zich nog steeds niet ten volle met deze regeling kan verenigen, want in 1955 werden twee gevallen publiek gemaakt, waarin een kerkelijk huwelijk werd gesloten door een Katholiek geestelijke, ofschoon daaraan geen burgerlijk huwelijk was voorafgegaan. Welke vreemde situaties zich gaan voordoen, wanneer dit soort overtredingen plaats vindt, behoeft nauwelijks te worden toegelicht. Hoe het zij, zonder te kort te doen aan de betekenis van het kerkelijk huwelijk voor hen, die het aangaan, beperken wij ons in het volgende tot louter en alleen het burgerlijk huwelijk. Eerst later komen wij terug op het kerkelijke huwelijk.

De vereisten tot het aangaan van een huwelijk onderscheidt men in in- en uitwendige vereisten. De eerste betreffen de toestemming van en de bevoegdheid tot een huwelijk van de personen, die het huwelijk aangaan, alsook de toestemming van bepaalde derden. De uitwendige vereisten zijn de formaliteiten, die aan iedere verbintenis in de echt zijn verbonden.

De inwendige vereisten mogen allereerst worden aangeduid.

 

Te noemen zijn dan:

1.de vrije toestemming der echtgenoten. (Volgens art. 85 van het B.W. behoort deze vrije toestemming tot het wezen van een huwelijk.);
2.de door de Wet geëiste leeftijd, welke voor mannen 18 en voor vrouwen 16 jaar is. Er is dus een minimum-leeftijdsgrens; een maximumleeftijdsgrens bestaat niet;
3.het ongehuwd-zijn van beide echtgenoten in spé. (Zie art. 84 B.W.);
4.een verloop van driehonderd dagen na de ontbinding van het vorige huwelijk, uitsluitend geldend voor de vrouw;
5.het niet aanwezig zijn van redenen, waaruit een betrekkelijke onbevoegdheid voortvloeit. Een huwelijk tussen bepaalde personen is n.l. onmogelijk.

Is een (eerste of hernieuwde) huwelijkssluiting tussen bepaalde personen onmogelijk of slechts door dispensatie mogelijk, niet zelden is noodzakelijk een toestemming van derden. Zo behoeven minderjarigen de toestemming van hun ouders, wil een huwelijk kunnen plaats vinden.

[p. 116]

Dit is althans de normale toestand. Eén der ouders kan echter overleden zijn of buiten staat zijn om zijn wil kenbaar te maken. Is dit het geval, dan is de toestemming van de andere ouder voldoende, met dien verstande, dat laatstgenoemde bij vooroverlijden van de ene echtgenoot de toestemming verleent zowel in de kwaliteit van ouder als in die van voogd (art. 378 B.W.: de overlevende ouder treedt van rechtswege als voogd op). Wanneer de ouders van hun ouderlijke macht ontheven zijn of daaruit ontzet, is meestal naast de toestemming van deze twee nog nodig de toestemming van een derde, t.w. de voogd of in een enkel geval de toeziende voogd. Weer anders ligt de zaak voor de minderjarige, die beide ouders door hun overlijden heeft verloren of wiens ouders buiten staat zijn om hun wil te doen kennen. Voor het geven van toestemming komen dan allereerst in aanmerking de grootouders in zowel de vaderlijke als de moederlijke lijn. Oefent een ander dan deze personen de voogdij uit, dan is bovendien de toestemming van hem of haar vereist. Zijn ook de grootouders overleden of buiten staat hun wil kenbaar te maken, dan behoeven de minderjarigen toestemming van hun voogd en toeziende voogd. In alle gevallen, waarin de blijkens het bovenstaande vereiste toestemmingen worden geweigerd, kunnen deze worden vervangen door een verlof van de kantonrechter, behalve wanneer het betreft de toestemming van een ouder, die het gezag uitoefent over zijn kind of van een grootouder, terwijl ook al de anderen, wier toestemming vereist is, deze weigeren. Stilzwijgend werd er tot dusverre van uitgegaan, dat de minderjarige huwelijkscandidaten wettige kinderen waren. Het ligt evenwel voor de hand, dat enigszins andere regels gelden t.a.v. de vereiste toestemming, wanneer het gaat om zogenaamde natuurlijke kinderen.

Van geheel andere aard dan de toestemming, welke minderjarige kinderen behoeven, is die, welke meerderjarigen verplicht zijn tot hun dertigste jaar te vragen aan hun vader en moeder. Grootouders en voogden komen hieraan niet te pas. Bovendien is het zo, dat zij in alle gevallen de weigering van hun ouders kunnen trotseren door zich tot de kantonrechter te wenden, die met inachtneming van een bepaalde procedure toestemming zal verlenen. Het vragen van toestemming is hier meer een manifestatie van de eerbied, welke kinderen aan hun ouders verschuldigd zijn. Vandaar dat men in dit verband vaak pleegt te spreken van de zogenaamde akte van eerbied. Meerderjarige natuurlijke kinderen beneden de 30 jaar hebben op dezelfde wijze als wettige kinderen de toestem-

[p. 117]

ming nodig van hun moeder en tevens van hun vader, voorzover deze hen heeft erkend. Overspelige en bloedschennige kinderen hebben rechtens geen familieband met hun ouders en behoeven dan ook geen toestemming, evenmin als kinderen, wier ouders overleden zijn, hun wil niet kunnen verklaren dan wel uit de ouderlijke macht zijn ontzet.

Degenen, die wegens verkwisting, durend drankmisbruik of zwakheid van vermogens onder curatele zijn gesteld, behoeven - uiteraard indien zij kunnen huwen - de toestemming van curator en toeziend curator, welke echter kan worden vervangen door verlof van de kantonrechter. Voor personen, jonger dan 30 jaar, geldt, zoals in de lijn der verwachtingen lag, bovendien de eis van ouderlijke toestemming.

De uitwendige vereisten zijn bedoeld vooral, om de gelegenheid te scheppen, dat een voorgenomen, met de Wet strijdig, huwelijk wordt voorkomen; om een waarborg te hebben, dat de ambtenaar van de B.S. niet gemakkelijk zulk een huwelijk voltrekt; om de aanstaande echtgenoten te beschermen tegen een lichtvaardig huwelijk; om te voorkomen, dat clandestiene huwelijken worden gesloten; om zekerheid te hebben t.a.v. het werkelijk bestaan van een huwelijk. Sommen wij op welke uitwendige vereisten in Nederland worden gekend:

1.zij, die een echtverbintenis wensen, moeten daarvan aangifte doen bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in de woonplaats van één der a.s. partners. Van deze aangifte wordt een akte opgemaakt. (De volksmond spreekt van ‘het in ondertrouw zijn’.);
2.op de aangifte volgt afkondiging, d.w.z. dat ten gemeentehuize een geschrift wordt aangeplakt, waarop staat aangegeven, dat die en die, van beroep dat en dat, wonende daar en daar, hun voornemen hebben te kennen gegeven, een huwelijk aan te gaan;
3.een huwelijk mag niet worden voltrokken dan na 10 dagen, gevolgd op de afkondiging;
4.het huwelijk wordt voltrokken in het gemeentehuis van de woonplaats van één der partners. Hiervan kan echter worden afgeweken, wanneer bepaalde omstandigheden de voltrekking daar moeilijk maken;
5.het huwelijk wordt ten overstaan van de ambtenaar der B.S. gesloten. (Men lette wel: de ambtenaar sluit het huwelijk niet. Dit doen de man en vrouw in kwestie. De ambtenaar constateert slechts als zodanig de sluiting van het huwelijk.);
[p. 118]
6.de echtverbintenis vindt plaats in tegenwoordigheid van tenminste twee en ten hoogste vier getuigen, wanneer het gemeentehuis de plaats van huwelijksvoltrekking is. Is dat een ander huis, dan zijn zes getuigen vereist. De getuigen moeten steeds meerderjarig zijn;
7.in het algemeen moeten de a.s. partners bij de voltrekking van hun huwelijk persoonlijk voor de ambtenaar verschijnen. Alleen met Koninklijke vergunning kan de huwelijkssluiting bij gemachtigde plaats vinden;
8.de a.s. echtgenoten dienen ten overstaan van de ambtenaar en in tegenwoordigheid der getuigen te verklaren, dat zij elkander tot echtgenoten aannemen, enz. Na deze verklaring spreekt de ambtenaar in naam der Wet uit, dat de twee partijen door het huwelijk aan elkaar verbonden zijn.

Soms vindt een huwelijk geen doorgang, omdat bepaalde personen, die daartoe een wettelijke bevoegdheid bezitten, zich tegen voltrekking verzetten, wegens strijdigheid met de wetsbepalingen. Men spreekt dan van stuiting. Eerst nadat de ambtenaar een vonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan, of een authentieke akte, welke opheffing van de stuiting inhoudt, ter hand is gesteld, kan deze het huwelijk doorgang doen vinden.

Het recht van stuiting strekt tot het voorkomen van een met de Wet strijdig huwelijk. Het geval kan zich echter voordoen, dat bij voltrekking van een huwelijk, één of meer wettelijke bepalingen werden overtreden. Het huwelijk kan daardoor vernietigbaar zijn. Niet de partijen hebben daarover te oordelen, doch het is aan de rechter, dit uit te maken. Evenals bij stuiting zijn er verschillende gronden, waarop nietigverklaring kan worden gevraagd. Ook stemt de nietigverklaring in dit opzicht met de stuiting overeen, dat verschillende personen haar kunnen aanvragen. De gronden zijn: dubbel huwelijk, gemis aan vrije toestemming van de echtgenoten, onbekwaamheid tot het geven van toestemming wegens onder curatelestelling uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, het nog niet bereikt hebben van de vereiste leeftijd (buiten dispensatie dan), verboden graad van bloed- of huwelijksverwantschap, huwelijk tussen overspelige en medeplichtige, gemis aan toestemming van derden, huwelijk binnen een jaar tussen eerder met elkander gehuwde personen, derde huwelijk tussen dezelfde personen, voltrekking

[p. 119]

tijdens stuiting en tenslotte het verzuim van zekere vormvoorschriften. De vernietiging kan in het ene geval slechts door deze, in het andere door gene personen worden gevraagd.

Zonder buitengewone bepalingen zou nietigverklaring alle gevolgen van een huwelijk uitwissen. De wetgever heeft blijkbaar ingezien, dat dit bezwaren met zich mee zu brengen, die wel zeer zwaar zouden wegen. Zijn beide echtgenoten bij het aangaan van het huwelijk daarom te goeder trouw geweest - wat aan de rechter ter beoordeling is -, dan heeft het huwelijk, ondanks de nietigverklaring, alle gevolgen van een gewoon huwelijk, zowel voor hen beiden als voor de kinderen. Was één hunner te goeder trouw, dan blijven deze gevolgen geldig voor deze partner, alsmede voor de kinderen. Wel houdt uiteraard het huwelijk op (verdere) burgerlijke gevolgen te hebben, te rekenen van de dag, waarop het bij vonnis is nietig verklaard. Was noch man, noch vrouw te goeder trouw, dan heeft het vernietigde huwelijk geen enkel gevolg. Dit geldt evenzeer t.a.v. de kinderen als t.a.v. de echtgenoten.

In geval van nietigverklaring kan niet worden gesproken van huwelijksontbinding. Het huwelijk wordt ontbonden in volgende vier gevallen, die wij vermeld vinden in art. 254 van het Burgerlijk Wetboek:

1.bij het intreden van de dood van één der echtgenoten;
2.door echtscheiding;
3.door een rechterlijk vonnis na een scheiding van tafel en bed;
4.door afwezigheid van één der partners, omtrent welke geen zekerheid bestaat, of deze inderdaad nog in leven is, gedurende 10 jaar, en een daarop volgend huwelijk van de andere partner, waartoe aan deze toestemming werd verleend.

Valt nietigverklaring, zoals reeds gezegd, niet onder huwelijksontbinding, ook scheiding van tafel en bed valt er niet onder.

Zeer principiëel gesteld, zouden wij slechts één geval van huwelijksontbinding moeten kennen, n.l. het intreden van de dood. De trouwbelofte, die door de echtgenoten ten overstaan van de ambtenaar wordt gegeven, is immers een belofte voor het leven, die niet afhankelijk wordt gesteld van de nakoming door de wederpartij. Terecht wordt dit door Pitlo en Meijling opgemerkt.78) Wat echter, wanneer een huwelijk tot een volledige mislukking is geworden? Niet alleen wordt het bestaan een slepende ellende voor de twee mensen, die, ondanks alle goede voornemens aan het begin, niet bij elkander bleken te passen. Dikwijls

[p. 120]

zijn reeds kinderen geboren, welke zich niet kunnen onttrekken aan de invloeden, die uitgaan van de kwalijke omstandigheden in hun ouderlijk huis. De wetgever heeft geoordeeld, dat de mogelijkheid moest bestaan tot ontbinding van het mislukte huwelijk. Het is genoegzaam bekend, dat de Rooms-Katholieke Kerk dit standpunt niet kan delen en dat andere kerken zeker niet zo ver zouden wensen te gaan als de wetgever is gegaan. Iedere religie brengt een eigen standpunt met zich mee t.a.v. de mogelijkheid tot echtscheiding. Het is dan ook begrijpelijk, dat onze echtscheidingswetgeving niet de instemming vindt van alle godsdienstige groepen. Overigens draagt deze wetgeving duidelijk de sporen van het compromis tussen de volledige tegenstanders van de echtscheiding en de extreme voorstanders ervan. Dat vooral aan de wensen der tegenstanders werd tegemoet gekomen, lijkt aantoonbaar. Anderzijds hebben, dunkt ons, de extreme voorstanders, rekening houdend met het feit, dat zij deel uitmaken van een overwegend Christelijk volk, geen reden tot klagen. In ieder geval kan volledig worden ingestemd met Pitlo en Meijling, wanneer deze zeggen: ‘De concessies naar twee zijden hebben tot gevolg dat de wettelijke regeling dezer materie meer doet denken aan een politieke overeenkomst dan aan een uit vaste beginselen bestaande wetgeving.’79)

Bij echtscheiding wordt er van uitgegaan, dat de ene partner zich zodanig jegens de ander heeft misdragen, dat van de laatste voortzetting van het huwelijk niet kan worden verlangd. De Wet geeft aan, in welke gevallen dit zo is. Vier gronden van echtscheiding worden genoemd: overspel, kwaadwillige verlating, veroordeling wegens misdrijf tot een vrijheidsstraf van minstens vier jaar en mishandeling van ernstige aard. Wie echtscheiding verlangt, kan in een verzoekschrift, gericht tot de Arrondissementsrechtbank, genoemde gronden aanvoeren. Afgezien van de eenvoudiger procedure bij een verzoek naar aanleiding van een veroordeling tot een vrijheidsstraf van vier jaar of meer, dan wel naar aanleiding van overspel, waardoor één der huwelijkspartners bij vonnis gestraft is, verloopt de echtscheidingsprocedure te onzent steeds vrij omslachtig. Door een wetswijziging van 20 mei 1955 werd zij nog omslachtiger gemaakt.80)

Echtscheiding bij wederzijds goedvinden is volgens de letter een onmogelijkheid in Nederland. Dit is impliciet aan het bovenstaande. De rechtspraktijk leert evenwel, dat hier te lande wel degelijk scheidingen door wederzijds goedvinden tot stand komen. ‘De weg, dien zij (de echtge-

[p. 121]

noten, Schr.) daartoe begaan, is eenvoudig. De eiser (meest de vrouw) stelt overspel, de man bekent het feit, de bekentenis levert volgens art. 1962 B.W. “volledig bewijs” op, de echtscheiding wordt uitgesproken. Eenvoudiger nog: de man laat verstek gaan, het wegblijven heeft dezelfde gevolgen als de bekentenis (art. 76 Rv), toewijzing volgt. Aanvankelijk wilde de rechtspraak weinig van deze methode weten. Zij legde ondanks bekentenis of verstek bewijs op der gestelde feiten, doch de H.R. sanctioneerde bij arrest van 22 juni 1883, W. 4924 de leer, dat ook in deze de bekentenis bindt. Het arrest werd al spoedig door de lagere rechtspraak gevolgd en de door het hoogste rechtscollege goedgekeurde methode werd zó gebruikelijk, dat men hier van rechtsvorming door de rechter kan spreken en dat ook zij, die, als schrijver dezes, haar evenzeer afkeuren als haar resultaten betreuren, toch moeten toegeven, dat niet de rechter maar de wetgever in deze verandering moet brengen.’81)

Door scheiding van tafel en bed - een uitvloeisel van het levensbeschouwelijk compromis? - blijft het huwelijk in stand. Wat wordt opgeheven, is niet meer dan de verplichting tot samenwoning en datgene, wat aan vermogensrechtelijke consequenties uit het huwelijk voortvloeit. Wat er in wezen van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is overgebleven, laten wij gaarne aan de beoordeling van de lezer over. Deze zal, naar gelang godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, in geval van zulk een scheiding meer of minder van het huwelijk in stand gebleven achten. Twee categorieën grijpen de mogelijkheid van scheiding van tafel en bed aan. In de eerste plaats zij, die een echtscheiding niet toelaatbaar achten, omdat hun godsdienstige overtuiging zich daartegen verzet. In de tweede plaats zij, die onvoldoende ernstige reden hebben tot echtscheiding.

De Wet erkent tweeërlei scheiding van tafel en bed. Een echtgenoot kan tegen zijn partner een eis instellen, maar ook kunnen beiden in onderling overleg, zonder opgaaf van redenen, scheiding van tafel en bed vragen. In het laatste geval spreken we van minnelijke scheiding van tafel en bed. Voor de beide vormen is een gerechtelijke uitspraak noodzakelijk en de meeste gronden zijn voor beide gelijk. Voor een niet-minnelijke scheiding van tafel en bed kunnen, evenals bij echtscheiding, slechts bepaalde redenen worden aangevoerd, n.l. de voor echtscheiding geldige buitensporigheden, mishandelingen en beledigingen van de andere echtgenoot ondervonden. Is de scheiding van tafel en bed uitgesproken, dan is, zoals gezegd, het huwelijk daarmee niet ontbonden. Er is dan ook

[p. 122]

een eenvoudige versoeningsmogelijkheid voor de echtgenoten. Wordt het recht om gescheiden te leven opgegeven, dan heeft daarmee verzoening plaats gehad. Het huwelijk wordt geacht opnieuw alle normale gevolgen met zich mee te brengen. Volledige scheiding kan worden toegestaan, volgens art. 254 B.W., na scheiding van tafel en bed. In de praktijk wordt van deze mogelijkheid tot huwelijksontbinding zelden gebruik gemaakt. De procedure is omslachtig en vraagt zeer veel tijd. Dat deze vorm van huwelijksontbinding niet onder echtscheiding is gebracht, vindt vermoedelijk zijn oorzaak in het feit, dat zij onderling goedvinden van de echtgenoten vraagt. (Echtscheidingen op grond van onderling goedvinden is immers, althans volgens de Wet, onmogelijk). Dit neemt niet weg, dat het hier materieel om een echtscheiding gaat. De langdurigheid, vereist om op deze wijze echtscheiding te verkrijgen, schuilt in de vijf jaren, tijdens welke een scheiding van tafel en bed moet hebben bestaan.

De hiervoor weergegeven rechtsopvattingen en -regels golden bijna alle reeds voor het begin dezer eeuw en zij hebben, in zoverre dat het geval was, onverkort hun gelding behouden. Slechts behoefde te worden gerept van een wijziging van de echtscheidings-procedure, waarvan de uitdrukkelijke bedoeling was, scheiding te bemoeilijken. Of het van deze bemoeilijking verwachte effect inderdaad zal worden bereikt, moet de tijd leren. Moet dus worden geconcludeerd, dat huwelijkssluiting en -ontbinding aan zeer overwegend dezelfde regels onderworpen bleven, de regels omtrent de ideële inhoud van het huwelijk werden door de wetgever in de periode van onderzoek ingrijpend gewijzigd. Deze wijziging maakt, met een aantal veranderingen in de regeling van de ouderlijke macht en het huwelijksgoederenrecht, duidelijk, dat de wetgever niet onberoerd werd gelaten door ideële en feitelijke verschuivingen, die zich in de intiemste menselijke verhoudingen afspeelden. Gedoeld wordt op de gedeeltelijke vervanging van de artikelen 158 tot en met 173 van het B.W. (Boek 1, titel 6), waarin de rechten en plichten der echtgenoten worden omschreven. Ingevolge de Wet van 14 juni 1956, Staatsblad 343, tot opheffing van de handelingsonbekwaamheid der gehuwde vrouw werd per 1 januari 1957 ten aanzien van de verhouding tussen de huwelijkspartners een aantal bepalingen geldend, die duidelijk strekken tot een groter juridische verzelfstandiging van de echtgenote. Het voorschrift, dat de man het hoofd der echtvereniging is, bleef gelden, doch door de Wet van 14 juni 1956 is de bepaling vervallen, dat

[p. 123]

de vrouw aan haar echtgenoot gehoorzaamheid verschuldigd is. Ook verviel door genoemde Wet de voor de vrouw bestaande uitdrukkelijke verplichting met de man samen te wonen en hem overal te volgen, waar hij dienstig oordeelt zijn verblijf te houden. Daarvoor in de plaats kwam: ‘De plaats van de samenwoning wordt in onderling overleg vastgesteld, en bij gebreke van overeenstemming door de man. De vrouw bepaalt nochtans de plaats van de samenwoning, wanneer de man onder curatele staat, zich niet dienaangaande kan of wil verklaren, of wanneer uitsluitend of hoofdzakelijk door de arbeid van de vrouw in de behoeften van het gezin wordt voorzien.’ Tenslotte is de gehuwde vrouw - het spreekt overduidelijk uit de titel van de nieuwe Wet - sinds 1 januari 1957 niet langer handelingsonbekwaam. De gewone burger ging voor, de Wet volgde hem, waar het de verandering betrof in de wederzijdse verhouding, waarin man en vrouw door ‘de daad des huwelijks’ getreden zijn. Dit moge blijken uit het volgende.

 

In een reeds genoemd artikel82) beschrijft Hofstee, ‘dat in de 19de eeuw bij de boerenbevolking op onze zandgronden een stelsel van huwelijk en voortplanting bestond - zelfs nu is het nog geenszins verdwenen -, waardoor deze bevolkingsgroep op een merkwaardige wijze, zonder beperking van het kindertal in het huwelijk, de omvang van het nageslacht wist aan te passen aan de aanwezige bestaansmogelijkheden. De grondslag van dit stelsel vormde de regel, dat men slechts trouwde, wanneer men zich verzekerd wist van een vaste bestaansmogelijkheid overeenkomstig eigen beroep en stand. Had men deze mogelijkheid niet, dan trouwde men niet en bleef men als ongetrouwd lid binnen het familieverband leven.’ De Wageningse hoogleraar vraagt zich af, hoe dit huwelijks- en voortplantingsstelsel kon bestaan en hij meent als antwoord te moeten geven: ‘In de eerste plaats eiste het een sterk, min of meer patriarchaal getint familieverband, een vanzelfsprekende onderschikking van de individuele verlangens en gevoelens aan de belangen van de familie als geheel, aan het collectieve verlangen om het familiebezit onverdeeld te handhaven en de bestaansmogelijkheid van de familie als geheel blijvend te verzekeren. Ook wat de arbeidsverhoudingen betreft, vroeg dit stelsel van huwelijk en voortplanting een patriarchale sfeer.’ Dit klassieke ambachtelijk-agrarische voortplantingspatroon (ambachtelijk ook, omdat het lang mede het stelsel van de kleine stedelijke middenstand en zijn werknemers was) was uiteraard - Hofstee

[p. 124]

merkt het ook op - alleen bestaanbaar, wanneer men het uit de psychologische gezichtshoek beziet, bij een vèrgaande terugdringing van de sexuele verlangens. In zijn boek ‘Het oude Kempenland’ schetst Barentsen83), hoe in het agrarische Brabant van de vorige eeuw de gehele levensstijl vijandig was aan sexuele prikkeling. De levensstijl van de Brabantse boeren was een machtig ‘conserveringsmiddel’ van het oude huwelijks- en voortplantingssysteem. Wat Barentsen met betrekking tot het oude Brabant constateert, kan schrijver dezes opmerken ten aanzien van het hedendaagse Limburgse platteland. Hem trof tijdens een verblijf daar de herhaalde afkeuring over de aan alle dorpsgenoten bekende vroege vrijage tussen een zoon en dochter uit twee vooraanstaande boerengezinnen. ‘Die zijn er wel wat erg vroeg aan begonnen’, kon verschillende malen worden gehoord.

Hofstee brengt, na het klassieke huwelijks- en voortplantingssysteem uitvoerig te hebben belicht, in het genoemde artikel naar voren, ‘dat het klassieke ambachtelijk-agrarische voortplantingspatroon door de materiële en geestelijke verhoudingen, die de modern-kapitalistische ontwikkeling meebracht, in zijn wortels moest worden aangetast en dat het bij het voortschrijden van deze ontwikkeling geleidelijk moest verdwijnen.’ Indien dit juist is gezien - wat aannemelijk lijkt -, dan ligt het voor de hand om in Nederland een mettertijd toenemende huwelijksfrequentie en/of dalende huwelijksleeftijd te verwachten. Wat blijkt dienaangaande uit de statistieken? Uit Tabel 6 is direct af te leiden, dat de huwelijksfrequentie in Nederland geleidelijk, maar betekenend, is toegenomen.

Tabel 6
Het aantal gehuwde vrouwen van 15-45 jaar in % van het totaal aantal dezer leeftildseroep in Nederland.84)

prov. 1851-'55 1901-'05 1906-'10 1911-'15 1916-'20 1921-'25 1926-'30 1931-'35 1936-'40 1941-'45 1946-'50
Gr. 41.4 47.1 48.2 47.2 48.1 50.7 51.5 53.2 54.7 56.4  
Fr. 43.8 49.1 50.3 51.0 51.2 51.6 52.3 53.2 54.4 55.5  
Dr. 42.2 52.2 53.0 56.6 54.0 54.5 55.1 55.9 56.8 57.5  
Ov. 41.6 48.3 48.8 48.6 48.0 48.3 49.2 50.3 51.8 52.7  
Ge. 38.9 43.8 44.7 45.2 45.5 46.2 47.1 48.5 50.2 51.8  
Ut. 37.6 43.8 43.9 44.5 45.2 46.1 47.0 48.6 52.4 51.5  
NH. 41.5 46.2 46.8 47.7 48.7 49.7 50.6 51.7 53.1 54.4  
ZH. 41.4 45.4 46.4 47.0 47.5 48.1 49.0 50.4 52.2 53.9  
Ze. 42.5 46.8 47.5 48.1 48.5 49.2 50.4 51.9 53.8 55.7  
NB. 33.4 39.9 41.4 42.3 42.8 43.7 44.8 47.0 46.9 47.8  
Li. 38.5 40.0 42.0 43.9 45.6 47.0 48.3 49.1 49.4 49.7  
Ned. 39.8 45.3 46.2 46.9 47.4 48.1 49.0 50.0 51.1 52.1 53.8

perc.verachil tussen 1851-'55 en '46-'50
15
12.7
15.3
11.1
12.9
13.9
12.9
12.5
13.2
14.4
11.2
12.3

[p. 125]

Al heeft voorgaande tabel slechts betrekking op de vrouwen, jonger dan 45 jaar, zij is toereikend voor het verkrijgen van een inzicht in de gewijzigde huwelijksfrequentie te onzent.

In het tijdvak 1851 - 1855 waren van elke 100 Nederlandse vrouwen, ouder dan 15 jaar, maar jonger dan 45 jaar, er nog geen 40 getrouwd; in het tijdvak 1946-1950 waren er onder hen bijna 54 gehuwden. Goed honderd jaar geleden werden de hoogste scores behaald door de provincies Friesland, Zeeland en Drente en de laagste door Noord-Brabant, Limburg en Gelderland, gedurende de tweede wereldoorlog (meer recente cijfers ontbreken) was het percentage gehuwden onder de vrouwen van vruchtbare leeftijd het hoogst in Drente, Groningen en Zeeland en het laagst in Noord-Brabant, Limburg en Utrecht. Er is dus enigermate een verschuiving in het beeld opgetreden. Opvallend is echter, dat Brabant en Limburg steeds onder het Rijksgemiddelde bleven. De schrijver meent hieruit te mogen concluderen, dat, - terwijl het oude agrarisch-ambachtelijke huwelijksstelsel in het land als geheel steeds meer in onbruik raakte, mentaliteit en sociaal-economische omstandigheden het voortbestaan er van in de twee Zuidelijke provincies relatief zeer begunstigden. Onder meer is te denken aan de R.-Katholieke houding tegenover de geboorteregeling en, direct daarmee in verband, de geringe grootte van vele boerenbedrijven in het Zuiden. Meer dan in de meeste overige landsdelen deed en doet zich in Brabant en Limburg een spanning voor tussen bevolkingsaantal en bestaansmiddelen, ten minste in de agrarische sector. Het zogenaamde kleine boeren-probleem op de zandgronden, waarover enige tijd geleden door het Landbouw-Economisch Instituut werd gerapporteerd, is niet zozeer een vraagstuk van de zandgronden alswel een probleem van de R.-Katholieke agrarische bevolking, die haar bestaan vindt in het kleine boerenbedrijf. Onder de boeren op grotere bedrijven, doet zich het bestaansvraagstuk in veel minder klemmende mate voor. In hun kring stuit het sluiten van een huwelijk op geringer bezwaren, niet alleen, omdat bedrijfssplitsing een grotere mogelijkheid biedt, maar ook - en misschien vooral -, omdat het huwelijk niet onverbrekelijk gekoppeld is aan een ongelimiteerde voortplanting. Zo zijn er in opzicht van huwelijksfrequentie, naar gelang provincie, in de laatste honderd jaar steeds verschillen geweest, die kunnen worden herleid tot cultuur en economische structuur. In deze studie is dit verschijnsel evenwel van minder belang. Ingevolge de probleemstelling is het wenselijk, de aandacht in de eerste plaats te richten op de toename

[p. 126]

van het aantal gehuwden onder de vruchtbare vrouwen in het Rijk als geheel. Onverbloemd spreekt uit deze toename, dat zich in mens en maatschappij aanmerkelijke wijzigingen voordeden. Waar eerder de huwelijkskans voor een bepaald individu nihil was, omdat in diens toenmaals kleine en geïsoleerde samenleving de materiële basis voor gezinsvorming ontbrak, werd deze later groter, hetzij door verhoogde agrarische opbrengsten, hetzij door de vestiging van industrie. Tegelijkertijd werd bij dit individu de bereidheid om het huwen na te laten, aangezien zijn gezinsgenoten en familieleden daartegen bezwaren maakten, steeds geringer. Het lijkt waarschijnlijk, dat de toegenomen huwelijksfrequentie, waarvan de oorzaken hier even werden aangestipt, moet worden gezien als een bewijs, dat mettertijd de hunkering naar een (zelf verkozen) levensgezel of -gezellin meer werd bevredigd. Uiteraard is hiermee niets gezegd over de verwachtingen, die vroegere generaties van het huwelijk hadden. Al zochten deze generaties in het huwelijk dikwijls geen erotische verlangens te bevredigen, daarmee blijft, dat relatief meer normale mensen dan momenteel hun aangeboren sexuele verlangens moesten verdringen of op tegennatuurlijke wijze moesten bevredigen.

Van een aanzienlijke daling van de huwelijksleeftijd gedurende de laatste halve eeuw kan in Nederland, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, zeker niet gesproken worden. De beschikbare statistische gegevens wijzen op betrekkelijk geringe fluctuaties rond een gemiddelde, dat voor de mannen op 29 à 30 jaar kan worden gesteld en dat voor de vrouwen ligt rond 27 jaar. Tabel 7 legt daarvan getuigenis af.85)

Tabel 7
Gemiddelde leeftijd der huwenden in Nederland
gemiddelde leeftijd der huwenden

jaar mannen vrouwen jaar mannen vrouwen
1880/1889 30.2 27.5 1944 ?? ??
1900/1909 29.2 26.8 1945 30.0 26.9
1910/1919 29.1 26.7 1946 ?? ??
1936 29.1 26.3 1947 30.3 27.2
1937 29.2 26.4 1948 30.4 27.3
1938 ?? ?? 1949 30.2 27.1
1939 29.0 26.3 1950 30.1 27.0
1940 29.3 26.4 1951 29.6 26.7
1941 29.4 26.5 1952 29.5 26.6
1942 28.8 26.1 1953 29.4 26.5
1943 29.4 26.5      

[p. 127]

Nevenstaande tabel heeft betrekking op alle gehuwden, dus ook op hen, die reeds eerder een huwelijk aangingen. Beschouwt men - voor zover de statistiek dit mogelijk maakt - de gemiddelde leeftijd van degenen, die voor de eerste maal huwden, dan komt men natuurlijk tot een lager gemiddelde. Gedifferentieerde gegevens zijn er echter slechts van de meest recente jaren:

Tabel 8
Gemiddelde leeftijd der voor het eerst huwenden in Nederland86)

gem. leeftijd der huwenden 1936/1939 1947 1948 1949 1950 1951 1952 1953
mannen 29.1 20.3 30.4 30.2 30.1 29.6 29.5 29.4
vrouwen 26.2 27.2 27.3 27.1 27.0 26.7 26.6 26.5
                 
alle jongmans 27.9 28.3 28.4 28.3 28.1 27.8 27.7 27.6
alle jonge dochters 25.6 25.9 25.9 25.8 25.7 25.5 25.3 25.3
                 
jongmans, die met j.d. huwden 27.6 27.9 28.0 27.9 27.9 27.5 27.4 27.3
                 
jonge dochters, die met j.m. huwden 25.2 25.3 25.3 25.2 25.1 24.8 24.8 24.8

Vatten we voorgaande beschouwing over huwelijksfrequentie en -leeftijd in Nederland samen, dan is de voornaamste conclusie, dat bij een toegenomen huwelijksfrequentie zich nauwelijks wijzigingen voordeden in de huwelijksleeftijd. Men zou anders hebben kunnen verwachten, vooral, wanneer men weet, dat in de Verenigde Staten een toenemende huwelijksfrequentie samen ging met een daling van de gemiddelde huwelijksleeftijd. Het is daarom, dat vergelijking met de Verenigde Staten zinvol mag worden geacht.

Het aantal gehuwde personen, ouder dan 14 jaar, bedroeg in Nederland in het jaar 1930 55% van de totale bevolking; in 1947 was dat 59%. De Amerikaanse percentages voor de jaren 1940 en 1951 bedroegen resp. 60 en 68%. Een vergelijking tussen Amerika en Nederland van de jaarlijks gesloten huwelijken per 1000 van de bevolking levert het beeld van de aan ommezijde staande Tabel 9 op.

Ofschoon aan schrijver niet bekend is, hoe groot het percentage gehuwden in ons land in 1951 was, staat wel vast, dat dat niet ver boven het cijfer van 1947 heeft gelegen. De Nederlanders zijn voor een geringer deel gehuwd dan de Amerikanen en het verschil ten deze tussen

[p. 128]

Tabel 9
Het aantal jaarlijks gesloten huwelijken per 1000 van de totale bevolking87)

jaar U.S.A. Nederland jaar U.S.A. Nederland
1930 9.2   1942 13.2 9.7
1931 8.6   1943 11.8 7.2
1932 7.9   1944 11.0 5.5
1933 8.7 7.2 1945 12.2 7.8
1934 10.3   1946 16.4 11.4
1935 10.4   1947 13.9 10.2
1936 10.7 7.5 1948 12.4 9.0
1937 11.3 7.7 1949 10.6 8.3
1938 10.3 7.7 1950 11.1 8.2
1939 10.7 9.2 1951 10.4 8.8
1940 12.1 7.6 1952   8.4
1941 12.7 7.3 1953   8.2

hen en hun overzeese buren is zeker significant. Wanneer men bovenstaande tabel heeft bezien, verwacht men ook niet anders. (Weliswaar is het aantal echtscheidingen in de Verenigde Staten verhoudingsgewijs groter dan in Nederland, maar de gescheiden Amerikaan hertrouwt gewoonlijk spoedig.) Daarom rijst de vraag, waarom de Amerikanen relatief meer gehuwden tellen dan de Nederlanders. Truxal en Merrill88) noemen als oorzaken van de hoge huwelijksfrequentie in Amerika de gunstige economische omstandigheden, de hoge levensstandaard en het Amerikaanse optimisme. Daarin zijn zij zeker juist, maar het lijkt, dat hiermee niet alles is gezegd. Vergelijkend beoordeeld, is de Amerikaanse samenleving in verschillende opzichten zeer verschillend van de Nederlandse of een andere Europese maatschappij. In zoverre de geneigdheid om een huwelijk aan te gaan wordt bepaald door gunstige economische omstandigheden en een hoge levensstandaard, heeft de trouwlustige in Amerika een voorsprong op de echtgenoot in spé in Nederland of in Europa in het algemeen. Dit is onmiskenbaar. Dat Amerikaanse optimisme echter? Het komt schrijver voor, dat het behoort bij een specifieke totale levensinstelling en een daarmee samenhangende specifieke sociale structuur. Eenvoudig gesteld: een huwelijk is voor de gemiddelde Amerikaan eerder bereikbaar dan voor de gemiddelde Nederlander, omdat het voor hem reeds veel meer een eigen zaak is, d.w.z. een aangelegenheid, waarin de familie veel minder stem heeft dan te onzent. De soms zeer verregaande gezinsdesorganisatie in de Verenigde Staten wijst daar

[p. 129]

overigens ook op. Als factoren, die met de Amerikaanse geesteshouding en de maatschappelijke structuur samenhangen, maar desalniettemin een eigen betekenis hebben, kunnen worden genoemd: de houding tegenover de voortplanting, de aanvaardbaarheid van een ‘career’ voor de gehuwde vrouw en de huwelijkswetgeving. De geboorteregeling door laat of niet te huwen, zoals we die vandaag in bepaalde streken en onder bepaalde lagen van ons volk nog kennen, is in het huidige Amerika vrijwel betekenisloos. Ginds is nagenoeg door allen de geboorteregeling als een regeling binnen het huwelijk aanvaard. Dit brengt met zich mee, dat onder voor gezinsuitbreiding ongunstige omstandigheden een huwelijk door de Amerikaan zelden als bezwaarlijk wordt gevoeld. Daar komt bij, dat het verrichten van arbeid buitenshuis door de gehuwde vrouw langzamerhand normaal wordt geacht in de Verenigde Staten. Wat de huwelijkswetgeving aangaat, deze is in Amerika een factor, die jong en snel trouwen in de hand werkt. Vooropgesteld zij, dat de huwelijkswetten van staat tot staat aanmerkelijk uiteenlopen. Alabama eist bijv. voor een wettig huwelijk, dat de man op zijn minst 17 jaar zal zijn en de vrouw 14, terwijl in New Mexico de man minstens 18 moet zijn en de vrouw 16. Iedere staat houdt er eigen huwelijksopvattingen op na, zodat het dan ook niet verwonderlijk is, dat sommige plaatsen een bloeiende ‘huwelijksindustrie’ konden ontwikkelen. Die bloeiende ‘industrie’ is niet alleen het gevolg van de mogelijkheid om jong te trouwen, maar ook van andere oorzaken. In menige staat kan de Amerikaan n.l. huwen haast of geheel zonder voorafgaande ondertrouw. Dit maakt het mogelijk, dat in een opwelling huwelijken worden gesloten, althans in die categorie van personen, die geen ouderlijke toestemming behoeven voor hun huwelijk. Maar als men weet, dat zulk een toestemming gemiddeld niet meer nodig is voor de man boven diens 20ste verjaardag en voor de vrouw boven haar 17de verjaardag, dan is het de Amerikaanse ouder toch niet gegeven om een huwelijk van zoon of dochter lang op te schorten. In Nederland moet men immers in het algemeen de dertigjarige leeftijd hebben bereikt, om zonder ouderlijke toestemming een huwelijk aan te gaan, zij het dan, dat de 21-jarige van de kantonrechter de toestemming kan verkrijgen, die door de ouders wordt onthouden. Als factoren, die een hoge huwelijksfrequentie in de Verenigde Staten in de hand werken, zijn dus onder het hoofd ‘huwelijkswetgeving’ reeds te noemen: de lage minimum-huwelijksleeftijd en de beperkte noodzaak van de ouderlijke toestemming. Als derde factor kan worden genoemd

[p. 130]

de wijze, waarop de ouderlijke toestemming wordt gegeven. Soms is het wel bijzonder gemakkelijk die te verkrijgen. Baber89) schrijft het volgende: ‘... but in others (bedoeld wordt: in andere staten - Schr.) the consent may be given orally, which simplifies evasion. Such evasion is particularly easy when the license clerk accepts “parental” consent over the telephone. Technically, such marriage can be annulled if fraud is proved, but frequently the parents are not disposed to take this step (en het volgende is tekenend - Schr.) but prefer to wait and see how well the marriage succeeds.’

De huwelijksfrequentie hangt voor een belangrijk deel af van:

1.de momentele en de verwachte economische toestand,
2.de mate van het individualisme,
3.de instelling tegenover het huwelijk in het algemeen, alswel tegenover de voortplanting in het bijzonder,
4.het huwelijksrecht.

Dit maakt de vergelijkende analyse van de huwelijksfrequentie in de Verenigde Staten en in Nederland aannemelijk. Misschien is het niet overbodig om op te merken, dat de genoemde factoren, ofschoon zij elk een eigen invloed doen gelden, onderling verband houden.

De gemiddelde leeftijd bij eerste huwelijk lag in Amerika in de periode 1890-1950, zoals hier onder aangegeven:

Tabel 10
De gemiddelde leeftijd bij eerste huwelijk in de U.S.A.90)

jaar voor mannen voor vrouwen
1890 26.1 j. 22.0 j.
1900 25.9 j. 21.0 j.
1910 25.1 j. 21.6 j.
1920 24.6 j. 21.2 j.
1930 24.3 j. 21.3 j.
1940 24.3 j. 21.6 j.
1950 22.8 j. 20.3 j.

Bij de behandeling van de huwelijksfrequentie werd ingegaan op de grotere mogelijkheid om te trouwen, die de Amerikaan, in vergelijking met de Nederlander, heeft. Het zij herhaald, dat die grotere mogelijkheid

[p. 131]

ook een eerdere mogelijkheid betekent. Welke redenen kunnen echter worden aangewezen voor de mettertijd gedaalde huwelijksleeftijd in Amerika bij een mettertijd weinig gewijzigde huwelijksleeftijd in Nederland? Tot dusverre werd enige opheldering verkregen over de oorzaken van de relatief hoge huwelijksfrequentie en de relatief lage huwelijksleeftijd in de Verenigde Staten. Waarom deed zich evenwel in Amerika een aanmerkelijke daling van de huwelijksleeftijd voor, terwijl dit in Nederland niet het geval was? Helaas wordt in de door de schrijver bestudeerde Amerikaanse werken niets opgemerkt omtrent de oorzaken van de daling van de huwelijksleeftijd in de Verenigde Staten. Baber, zowel als Truxal en Merrill bijv., wijzen op het verschijnsel, maar zij laten na, het te verklaren. Het steeds voortschrijdend individualisme in de U.S.A. lijkt echter wel de grondoorzaak van het verschijnsel te zijn. Dit verregaand individualisme, dat een vroege volwassenheid impliceert, geeft de jeugd de mogelijkheid spoedig het initiatief in handen te nemen bij zelfs de meest ingrijpende levensbeslissingen. Het zegt immers wel iets, dat momenteel meer dan een millioen personen, jonger dan 19 jaar, in de Verenigde Staten getrouwd zijn. Moet hier trouwens in veel gevallen worden gedacht aan ‘gedwongen huwelijken’? Vermoedelijk zullen toch wel zeer velen van de meer dan 20.000 getrouwde meisjes en jongens, tussen 12 en 15 jaar, hebben moeten trouwen.

Wat precies de oorzaken mogen zijn van het steeds jonger huwen in Amerika, het is zonneklaar, dat in dat land het huwelijk op het tijdstip, waarop het wordt gesloten, veelal volslagen anders wordt beleefd dan in Nederland. Ondanks de toegenomen huwelijkskansen in ons land, bleef het huwelijk hier een zaak voor de volwassen mens. Het voorkomen van echtverbintenissen tussen nog niet volwassen personen verandert hieraan niets. De verliefde jongeling of het verliefde meisje mag dromen over toekomstig echtelijk geluk en dat geluk op een moment zeer nabij weten, hij zowel als zij trouwt zelden voor het 20ste levensjaar. Dit blijkt voldoende uit de door het C.B.S. verzamelde gegevens, die in Tabel 11 zijn vervat. (zie ommezijde). Deze tabel laat ook zien, dat sedert de jaren vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog noch het percentage huwende mannen, noch het percentage huwende vrouwen uit de jongste categorie veel is toegenomen; de toename beperkt zich tot resp. 0.3 en 0.4%. Onder de jeugdige huwenden waren er steeds velen, die ‘gedwongen’ een huwelijk aangingen, vooral onder de mannen. Van het absolute aantal jeugdige gehuwden (niet: huwenden)

[p. 132]

Tabel 11
De vertegenwoordiging der verschillende leeftijdsgroepen onder de huwenden in Nederland91)

leeftijdsgroep
per 100 huwende mannen
1936/1939 1947 1948 1949 1950 1951 1952 1953
0-19 jaar 1.1 1.6 1.5 1.5 1.4 1.3 1.3 1.4
20-24 jaar 25.9 24.3 21.9 21.2 22.9 25.7 26.7 26.8
25-29 jaar 44.2 37.8 40.6 43.2 42.9 42.4 42.7 43.0
30-39 jaar 21.6 25.2 24.5 23.4 22.3 21.2 20.2 19.8
40 en ouder 7.2 11.1 11.5 10.7 10.5 9.4 9.1 9.0
leeftijdsgroep
per 100 huwende vrouwen
1936/1939 1947 1948 1949 1950 1951 1952 1953
0-19 jaar 7.9 7.9 7.4 7.5 7.7 8.0 8.4 8.3
20-24 jaar 42.3 40.2 39.5 40.1 41.0 43.2 44.4 45.2
25-29 jaar 31.7 29.4 30.5 31.2 30.8 29.8 29.1 28.5
30-39 jaar 13.5 15.8 15.7 14.5 13.8 12.9 12.1 12.0
40 en ouder 4.6 6.7 6.9 6.7 6.7 6.1 6.0 6.0

is een opgave aanwezig per 31 december 1953. Het aantal mannelijke personen, tussen 15 en 19 jaar, dat op die datum getrouwd was, bedroeg 859, het aantal vrouwelijke 8940. Hoe is het verklaarbaar, dat de huwelijksfrequentie door de jaren heen toenam in ons land en de gemiddelde huwelijksleeftijd slechts onbetekenende wijzigingen vertoont? De samenhang tussen huwelijksfrequentie en huwelijksleeftijd, die in het algemeen mag worden aangenomen en die schrijver voldoende duidelijk hoopt te hebben aangetoond voor de Verenigde Staten, is dan in Nederland afwezig?

Het toegenomen individualisme in Nederland houdt wel in, dat het individu een recht op huwen wordt toegedacht, maar het impliceert zeker niet, dat het gemeenlijk tot het aangaan van een echtverbintenis gerechtigd is, wanneer zijn sexuele verlangens zich gaan doen gelden. De gemiddelde ouder in dit land acht zijn kinderen eerst dan rijp voor het huwelijk, wanneer zij minstens de leeftijd hebben bereikt, waarop zij wettelijk als volwassen worden beschouwd. Het ouderlijk overwicht is daarbij doorgaans groot genoeg om de kinderen van stappen te weerhouden, die de ouders onberaden toelijken. Maar is dit laatste niet het geval, dan kunnen de ouders de kinderen tot hun 21ste jaar van het

[p. 133]

huwelijk afhouden en hun tot hun 30ste jaar ernstige belemmeringen in de weg leggen. De door de Wet aan de ouders gegeven macht t.a.v. het huwelijk hunner kinderen maakt het die kinderen tot hun volwassenheid onmogelijk en dan nog een aantal jaren moeilijk om een huwelijk te sluiten, dat tegen de ouderlijke wil indruist. Dit en de hier heersende opvatting, dat het huwelijk een aangelegenheid van volwassenen is, in aanmerking genomen, doet ons begrijpen, dat zich in Nederland niet een zodanige daling van de huwelijksleeftijd kon voordoen als zich in Amerika voordeed. Doch zonder meer laat zich het uitblijven van een daling der huwelijksleeftijd in de laatste 50 jaar zeker niet verklaren. De in vergelijking met de Verenigde Staten hoge huwelijksleeftijd moet zeer waarschijnlijk mede begrepen worden uit een politiek-economische factor, die gelding had en heeft bij de gegeven Nederlandse mentaliteit. Afgezien van directe ouderlijke bemoeienis, trouwen vele jonge Nederlanders eerst relatief laat, omdat zij zich pas dan verantwoord voelen om dat te doen, wanneer de man zijn (niet buitenshuis werkende) vrouw een bestaan kan bieden, dat overeenkomt met de verwachtingen, die gelden met betrekking tot zijn stand en/of beroep. (De Amerikaan vindt deze bestaanszekerheid van veel minder gewicht, optimist als hij in vergelijking met de Nederlander is). Steeds meer komt het tevens voor, dat jonge mensen trachten vooruit te komen in de wereld, wat in hun ogen tijdelijk uitstel van een huwelijk noodzakelijk maken kan. Om der wille van de eigen toekomst en van die van het te stichten gezin neigen vrij velen er toe om voorlopig nog van trouwen af te zien, hoewel het inkomen toereikend is om een huwelijk te sluiten. Weliswaar is er in de laatste tijd een tendentie waar te nemen in bepaalde lagen om vroeger te huwen dan men tot dusverre in die lagen gewoon was - b.v. onder academici -, maar in de laatste halve eeuw overheerste toch het tegenovergestelde. Terwijl volwassen kinderen verhoudingsgewijs meer dan vroeger, ondanks de tegenwerking van hun ouders, een huwelijk doorzetten, is het aantal echtgenoten in spé, dat uit eigen wil het huwelijk enige jaren uitstelt, toegenomen. Het laatste verklaart, waarom bij dalende ouderlijke macht de huwelijksleeftijd in het Nederland van vandaag weinig afwijkt van die in ons land, 50 jaar geleden. Hofstee toont in zijn reeds enkele malen genoemd artikel aan, dat na het midden der vorige eeuw een huwelijks- en voortplantingsstelsel ingang vond in Nederland, dat kan worden aangeduid als ‘dat van de proletarische tussenfase’. Hij merkt daar o.m. over op: ‘Wat de arbeider betreft,

[p. 134]

(had) de verzwakking van de band tussen werkgevers en werknemers ten gevolge, dat het voor de jonge arbeider geen zin meer had om te wachten met een huwelijk tot hij de zekerheid van een vaste positie had verworven, omdat hij, wat de duur van zijn arbeidsverbintenis betreft, zijn gehele leven lang in onzekerheid zou verkeren. Zo werd het in de loop van de 19e eeuw, zowel onder de landarbeiders als onder de industrie-arbeiders, een steeds meer vanzelfsprekend verschijnsel om te trouwen en wel om vroeg te trouwen, zoals ook in de beschikbare literatuur betreffende de toestand van de arbeidersklasse in de 19de eeuw valt op te merken.’92) Ontbrak in de vorige eeuw voor de arbeider nagenoeg ieder toekomstperspectief, in onze tijd is dat niet meer het geval. Na een stadium, waarin de arbeider door georganiseerde massale actie bepaalde menswaardige zekerheden wist te verwerven, is voor hem het tijdvak der individuele ontplooiïng aangebroken. De jonge arbeider heeft in de loop van deze eeuw steeds meer de mogelijkheid gekregen om vooruit te komen in de wereld, doch niet zonder intellectuele inspanning; wil hij zich uitwerken boven de groep, waartoe hij behoort, dan is hij gewoonlijk gedwongen om buiten de normale arbeidsuren zijn algemene en vakontwikkeling te vergroten. Leeft inderdaad bij hem de wens om iets te bereiken, dan brengt dat niet zelden met zich mee, dat hij het huwelijk opschort tot na het behaalde diploma of tot na het bereiken van de functie, die hem begerenswaardig voorkwam. Maar ook de arbeider zonder grote aspiraties heeft nu meer reden dan zijn geproletariseerde voorganger uit de 19de eeuw om zich af te vragen, of hij onverwijld of eerst na enige jaren een huwelijk zal sluiten. De arbeidszekerheid, die hij verwierf, stelt hem immers in staat, zonder veel kans om in dat opzicht teleurgesteld te worden, door nog enkele jaren van sparen het a.s. huwelijksleven naar de materiële zijde aangenamer te doen zijn. Daarbij moet niet worden vergeten, dat deze arbeider t.a.v. het materiële wel degelijk vrij hoge aspiraties koestert, althans, wanneer men hem vergelijkt met de werker uit de vorige eeuw. Er zijn overigens critici van de Nederlandse arbeider, die betogen, dat hij veel minder dan vroeger bereid zou zijn tot het dragen van eigen verantwoordelijkheid. Hij zou leven van de hand in de tand, erger nog, steeds in het krijt staan bij de afbetalingszaak, waarvan hij zijn radio's, bromfietsen en andere weelde-artikelen pleegt te betrekken. Een dergelijke voorstelling van zaken berust op een grove generalisatie van verschijnselen, die bovendien worden geïnterpreteerd vanuit een vooringenomen anti-houding tegenover

[p. 135]

de arbeidersgroep. Heeft de arbeider meer reden gekregen om de consequenties van een huwelijk te overwegen, in zekere zin geldt dit ook voor het lid van de van oudsher meer bemiddelde families. De verzwaring van de belasting op arbeidsloos inkomen maakt de maatschappelijke positie van de vanouds meer gegoeden steeds meer afhankelijk van de intellectuele inspanningen, die zij zich getroosten. Samenvattend kan men zeggen, dat, naarmate de toekomstige positie van het individu minder door diens geboorte en meer door diens geestelijke vermogens en diens wil tot intellectuele inspanning werd bepaald, in de meeste maatschappelijke lagen het besef doorbrak, zich langdurige en intensieve intellectuele inspanningen te moeten opleggen. Dat men zich deze inspanningen oplegt, heeft naar gelang individu een andere directe reden. Soms komt het voort uit de wil zich aan het milieu, waarin men werd geboren, te ontworstelen, dan weer laat het zich herleiden tot het verlangen zich op het maatschappelijke peil van het voorgeslacht te handhaven. Het één zowel als het ander echter is een vrij veel voorkomende reden, dat men uit vrije wil zijn huwelijk nog enige tijd opschort.

Hoewel in het algemeen kan worden gesteld, dat toenemend individualisme en een verhoging van het welvaartspeil bijdragen tot meer en sneller trouwen, wat in Nederland ook deels opgaat - n.l. met betrekking tot de huwelijksfrequentie -, kan men dienaangaande toch blijkbaar niet spreken van algemeengeldigheid. Dat dit niet zo is, is op de keper beschouwd weinig verwonderingwekkend. Toenemend individualisme is immers niet in alle gevallen gelijk te stellen met toenemend hedonisme. Een gunstiger economisch perspectief is niet gegeven buiten de mens om; het is slechts aanwezig, wanneer de mens de kansen grijpt, die zich aan hem voordoen. De generatie van vandaag heeft andere mogelijkheden dan die van gisteren, doch zij ziet zich dan ook voor andere opgaven gesteld.

 

Als het recht op vrijheid van meningsuiting wordt het recht om een huwelijk aan te gaan en bovendien zelf te beslissen, wie de toekomstige deelgenoot in dit huwelijk zal zijn, door de huidige Nederlandse jeugd als een onaantastbare verworvenheid beleefd en uitgedragen. In beginsel wordt dit recht ook gemeenlijk door de ouders erkend, al verzetten deze zich soms op de bitterste wijze, wanneer de jeugd het erkende recht wenst te effectueren. De tijd, waarin vele ouders meenden, dat hun in eerste instantie toeviel om te bepalen, wie hun zoon of dochter huwen

[p. 136]

zou, ligt echter nog niet ver achter ons. Bedoeld wordt dus de tijd, waarin onder brede lagen van ons volk de jongeren bij voorbaat onvoldoende bekwaam werden geacht om de voor hen (en hun familie) meest geschikte levensgezel te kiezen. In sociografieën wordt over de oude toestand nagenoeg niet gerept. Wel inspireerde de oude verhouding, die uiteraard een potentiële bron van spanningen was tussen ouders en hun volwassen kinderen, menig schrijver van streekromans. Die spanningen deden zich overigens in het stadium, waarin ouders en kinderen als producten van hetzelfde sociale milieu nagenoeg dezelfde opvattingen koesterden, betrekkelijk weinig voor. Jongeren hebben in verband met hun huwelijkskeus altijd meer het accent gelegd op de persoonlijkheidseigenschappen, die vooral jongeren aanspreken, terwijl ouders ten deze altijd meer sociale en economische overwegingen lieten gelden. Niettemin liep de kwestie zelden hoog, voordat de gedachte van het affectie-huwelijk als een wijd verbreid cultureel fenomeen ingang vond in de lagen, waar de oudere generatie nog steeds meende gerechtigd te zijn om voor de jongere generatie te beslissen, met wie een huwelijk zou worden aangegaan. De verwachtingen van het huwelijk waren toenmaals overwegend zo radicaal anders dan zij vandaag dikwijls zijn, dat het voor de weerstrevende jongeling of dochter doorgaans vrij gemakkelijk was om het hoofd in de schoot te leggen en te bewilligen in wat door ouderlijk of familiaal gezag werd geëist. Het huwelijk was immers een arbeids- en leefgemeenschap, die bevrediging vermocht te geven aan de sexuele verlangens en die de wens, een kind of meer kinderen te bezitten, in vervulling kon doen gaan. Het moge tegenwoordig menigeen zelfs als een overtreding der morele wetten toelijken, wanneer twee mensen huwen zonder elkander lief te hebben, vroeger was - in hoofdstuk III werd er reeds van gerept - het ontbreken van liefde bij de aanvang van het huwelijk een normale situatie.

Is dan de wederzijdse liefde de basis van alle, of althans van de meerderheid der huwelijken, die tegenwoordig in ons land worden gesloten? Is de wil, zelf de huwelijkskeus te bepalen, onlosmakelijk verbonden met het begeren van één bepaalde man of vrouw, omdat alleen deze de behoefte aan lichamelijk-geestelijke eenwording zou vermogen te bevredigen? Gelijk in het overige Westen lijkt de wederzijdse affectie der meest nabij betrokkenen als inleiding tot het huwelijk voornamelijk grote betekenis te hebben in de burgerlijke groepen, al groeit zij durend in betekenis onder de boeren- en arbeidersbevolking. Het is zeer wenselijk

[p. 137]

haar wezen nader te bezien en ons af te vragen, onder welke omstandigheden zij tot bloei komt. De aanduiding in hoofdstuk III was te globaal, om dit bijzondere culturele verschijnsel voldoende recht te kunnen doen.

De boven puur lichamelijke lust uitgaande sexuele verhouding, zowel als het op affectie gebaseerde huwelijk, is van alle tijden. Steeds en overal is het voorgekomen, dat een man en een vrouw elkander begeerden als geen ander en dan elkander begeerden om de unieke kwaliteiten, die zij in elkander meenden te hebben ontdekt. De cros is oeroud; altijd hebben mensen de elkander bereide, tamelijk kortstondige, lijfelijk-geestelijke verrukking gekend, waaraan de herinnering bleef. Door de eros vonden mensen hun partners, die hen in psychisch-lichamelijke verrukking brachten. Dit was zo, het is zo en het zal vermoedelijk straks nog zo zijn. Doch de hoge frequentie, waarin de erotiek zich voordoet, en de koppeling van die liefde aan het huwelijk - als de rechtvaardiging daarvan - zijn verschijnselen, die moeten worden beschouwd als een integraal deel der moderne Westerse cultuur.

In toenemende mate wordt de vrijage te onzent bepaald door wat Truxal en Merrill - misschien met een minder juiste term - aanduiden als ‘the romantic complex’. ‘Among the romantic expectations is the convention that both parties will fall “desperately” in love and their mutual adoration will then be consummated in marriage. In this euphoric atmosphere, furthermore, the physical, mental and moral characteristics of both individuals are expected to be so subcharged with emotion that each will assume traits visible only to the other. The plain girl becomes a beauty and the unattractive boy becomes a dashing figure during this period of “devine madness”. Such temporary emotional aberrations are regarded with fond amusement in our society, in contrast to other societies where they are viewed dangerous departures from the norm. We not only tolerate such behavior but expect it. Persons who do not act romantically during courtship are regarded with suspicion.’93) Wat in dit citaat gezegd wordt, geldt vermoedelijk in de Amerikaanse maatschappij meer dan in de Nederlandse, doch het is zonder twijfel toch de situatie in brede lagen van ons volk van vandaag. De erotiek als sublimatie der zuivere zinnelijkheid speelt ook hier te lande een gewichtige rol ten aanzien van de houding, die de jongeren aannemen tegenover de vrijage en het huwelijk. De jongen, in de puberteitsjaren, geeft zich over aan dromen, waarin ‘de ware Jacoba’, samen met hem, de hoofdrol vertolkt.

[p. 138]

De bakvis vangt aan te dromen van ‘de ware Jacob’, die haar straks in de armen zal sluiten. Voor een goed deel van onze jeugd is de eerste vrijage een teder-erotische belevenis, waarbij het sexuele begeren op de achtergrond wordt gedrongen. De jongen en het meisje voelen zich beschaamd tegenover de ander bij de gedachte, dat hun intieme verhouding zou kunnen resulteren in een wederzijdse bevrediging van de lijfelijke verlangens, die zij in zich zelf aanwezig weten. (Zeer zeker, aanmerkelijk is het aantal gevallen, waarin deze irreële atmosfeer afwezig is, waarin de eros nagenoeg of geheel ontbreekt en de toeleg van sexuele bevrediging zonder meer duidelijk spreekt. Doch in die gevallen moeten wij spreken van de traditioneel-wijdverbreide verhouding tussen de jongen en het meisje, in wie het sexuele begeren ontwaakt is.) Voor de vele hedendaagse Nederlandse jongeren, in wier droomleven de erotiek een dominerende plaats inneemt, is het een ondenkbaarheid, dat zij zouden trouwen met iemand, die zij niet als persoon boven ieder ander verkozen. Steeds dieper is het geloof in de op wederzijdse affectie berustende persoonlijke keuze als voorwaarde tot het volkomen huwelijk verworteld geraakt in onze nationale samenleving.

Het karakter van de erotiek impliceert, dat deze een psychische inhoud is van de geïndividualiseerde mens. Want al moge het ‘slachtoffer’ in de waan leven, dat hij Eros' wensen volgt, de idealisering dezer liefde is immers uitverkiezing van één bepaalde medemens. Deze idealisering is slechts weggelegd voor het psychisch-geestelijk meer verfijnd gestructureerd individu. Sexuele begeerte is een instinct, een relatief invariabele psychische kracht in de ganse mensheidsgeschiedenis. De verliefdheid valt buiten de orde der natuurlijke fenomenen; het is een cultuurverschijnsel, dat eerst in de moderne Westerse wereld massaal is gaan optreden. Misschien is er veel waar van het volgende: ‘The escape from reality on the part of other cultures has, for the most part, been an institutionalized affair, with prescribed rituals and ceremonies that give the individual something to look forward to, to relieve him temporarily of the routine of living. These people, “primitive” or “civilized”, go periodically crazy together, as it were, augmenting their individual excitement by contact with other similarly excited persons under socially prescribed conditions. Festivals, games, dances, orgies, carnivals, and the like provide necessary release from the humdrum activities of daily living. In characteristic fashion, Americans (and Dutchmen! - Schr.) leave this release largely up to the individual. Aided and abetted though

[p. 139]

he is by the motion picture and other mechanisms of mass release, the individual must seek and find his salvation as an individual, rather than as a member of a functioning group. Romance is a highly acceptable method of finding this release, in contrast to other methods that are not sanctioned by the mores. All of the conditions under which the individual falls in love and marries are socially prescribed, although the application is primarily individual.’94) Wanneer de inhoud van dit citaat als juist mag worden aanvaard, dan is er nog een tweede reden, die doet begrijpen, waarom de erotische liefde zulk een betekenis verkreeg in onze moderne maatschappij. We kunnen haar n.l. zien als een proces van zelf-vervolmaking, dat - al weer - karakteristiek is voor de geïndividualiseerde mens. Het is vooral dit mensentype, dat hunkert naar persoonlijke gevoelswarmte en persoonlijk begrip, die de eenzaamheid doen verkeren in zekerheid en geborgenheid.

De erotische liefde en het erotische huwelijk zijn typisch voor de geïndividualiseerde mens en daarom typisch voor de moderne Westerse wereld. Zij zouden echter in onze cultuur nooit die betekenis hebben verkregen, die zij bezitten, wanneer niet mettertijd de vrouw zich een status had weten te verwerven, die gelijkwaardig kan worden geacht aan die van de man. Want de erotische liefde, die als wezenskenmerk de wederzijdse vrije verkiezing bezit, heeft weinig of geen mogelijkheden, wanneer één der sexen de vrijheden onthouden worden, die de andere worden geschonken. Ofschoon de vrouwen-emancipatie uiteenlopende gevolgen heeft gehad voor het gezinsleven, was toch zeker haar meest fundamentele gevolg te dien aanzien, dat zij voor de vrouw dezelfde vrijheid inzake keuze van geliefde en huwelijkspartner bevocht als door de man in menig geval werd bezeten. Weliswaar is de Nederlandse vrouw - en vooral de gehuwde vrouw - nog in bepaalde opzichten de mindere van de man, doch de doelen, door de 19de eeuwse vrouwenbeweging gesteld, zijn, dank zij vooral de strijdbaarheid onzer feministes, nagenoeg gerealiseerd.

 

Een tweetal gezinsfuncties vallen uitsluitend toe aan de echtgenoten. Het zijn de sexuele en de reproductieve functie. De meningen over de vraag, of en in hoeverre de eerste ten dienste moet staan van de laatste, lopen sterk uiteen, maar er bestaat geen meningsverschil t.a.v. de vraag, aan wie der gezinsleden deze functies onthouden moeten blijven. Evenals onder alle andere volkeren, wordt sexueel verkeer tussen ouder en kind,

[p. 140]

alsook tussen broers en zusters, onder de Nederlanders, ongeacht hun levensovertuiging, als volstrekt ‘onbegrijpelijk’ beschouwd. Zulk verkeer, aangeduid als incest, wekt diepe weerzin op bij vrijwel iedere Nederlander. De bedrijvers er van blijken dan ook gemeenlijk psychopathologische figuren, o.m. debielen, te zijn.

De Rooms-Katholieke Kerk leert, dat de voortplanting met de daaruit voortvloeiende opvoeding van de kinderen hoofddoel van het huwelijk is. Zij grondt dat o.m. op Genesis 1:27 en 28. Het tweede (aan het eerste ondergeschikte) doel van de echtvereniging is de bijstand, vervolmaking en onderlinge bezieling der echtgenoten. Daar het doel van het huwelijk, nog steeds volgens de R.-Katholieke leer, zijn wezen bepaalt, is voortplanting voor de gehuwden de voorname plicht. De sexuele daad is alleen dan geoorloofd, wanneer het hoofddoel van het huwelijk wordt beoogd. Geboorteregeling met behulp van anti-conceptionele middelen is ontoelaatbaar, omdat het gebruik van zulke middelen immers in strijd is met de gedachte, dat de geslachtsdaad alleen geoorloofd is, wanneer voortplanting wordt gewenst, althans als mogelijke consequentie van de geslachtsgemeenschap ten volle wordt aanvaard. De R.-Katholieke Kerk erkent, dat in bepaalde gevallen de voortplanting niet wenselijk kan zijn. In die gevallen acht zij de zogenaamde periodieke onthouding tolerabel, omdat deze betekent, dat gebruik wordt gemaakt van de wetten, gelegen in de natuur zelf. Van de gelovige Katholiek mag dus worden verwacht, dat zijn kindertal, zo bijzondere omstandigheden ontbreken of ontbroken hebben, overeen zal komen met het biologisch mogelijke.

Eén van de essentiële kenmerken van het Protestantisme is de verscheidenheid in geloofsopvatting onder zijn aanhangers. R.-Katholiek zijn betekent volledig de leer der R.-Katholieke Kerk aanvaarden. De geestelijkheid bepaalt de dogmatische opvattingen der gelovigen en zij, die denken of handelen op een wijze, die met deze opvattingen in strijd is, lopen het risico te worden uitgestoten. Protestant zijn betekent een grote vrijheid bezitten tot een eigen persoonlijke interpretatie van de leer, gehuldigd door het kerkgenootschap, waartoe men behoort. Het in conflict geraken met de officiële kerkleer heeft eerder uittreding dan uitstoting ten gevolge. Deze gans andere situatie dan in de R.-Katholieke Kerk betekent o.a. een grote variatie in de Protestants-Christelijke ethiek. Er zijn Protestanten voor wie geboortebeperking even onaanvaardbaar is als voor de R.-Katholiek. Veel Gereformeerden kanten zich militant tegen dit gebruik, maar - en het is kenmerkend voor het Protestantisme - be-

[p. 141]

paalde toonaangevende Gereformeerden achten het oirbaar. In het Nederlands Hervormde kamp, dat de grootste verscheidenheid in religieuse opvattingen en daarmee samenhangende ethische standpunten herbergt, wordt over de geboortebeperking zeer verschillend geoordeeld. De orthodoxen vertonen nog steeds een sterke geneigdheid om geboortebeperking als een precaire aangelegenheid te beschouwen, n.l, in die zin, dat zij het er dikwijls met zichzelve oneens over zijn, of beperking al dan niet tolerabel moet worden geacht. De vrijzinnigen aanvaarden anti-conceptionele middelen (reeds lang) als middelen, strekkend tot een volkomen geoorloofd doel. De mening van de ‘humanisten’ komt overeen met die der Christenen, wier levensovertuiging het meest de hunne nabij komt.

Juist de verscheidenheid in geloofsopvattingen binnen de Nederlands Hervormde Kerk in aanmerking genomen, is het interessant het officiële standpunt van deze kerk tegenover het beperkings-vraagstuk te leren kennen. In het herderlijk schrijven ‘Het Huwelijk’, verschenen in 1953, kan men lezen: ‘Wij hebben reeds gewezen op de eenzijdigheid, waarmee soms huwelijk en gezin op elkaar betrokken worden. Het huwelijk wordt dan uitsluitend gezien als het middel tot instandhouding van het menselijk geslacht. Daarbij vergeet men, dat in de wederzijdse bijstand, die man en vrouw elkaar geven, een eerste taak ligt, die het huwelijk zinvol houdt, ook als het onverhoopt kinderloos blijft.’ Het herderlijk schrijven voert dan voort met: ‘Wij keerden ons ook tegen de o.i. onjuiste opvatting, dat geslachtsgemeenschap alleen geoorloofd zou zijn, wanneer de bedoeling of de bereidheid een kind te verwekken aanwezig is. Want dit zou betekenen, dat de sexuele daad in het huwelijk op zichzelf verwerpelijk is en alleen geheiligd wordt door de bedoeling kinderen te verwekken. Deze veronderstelling is echter een miskenning van het wezen der liefde, die de ander als zodanig, om dienszelfs wil, zoekt en van de geslachtsgemeenschap, die daaraan uitdrukking geeft, zonder steeds aan voortplanting te denken.’ In aansluiting op het voorgaande zegt het schrijven: ‘Wel moet met nadruk gezegd worden dat de gehuwden principiëel bereid moeten zijn bij hun onderling verkeer de gevolgen daarvan te aanvaarden, ook wanneer naar hun mening het kind zich op een ongelegen tijd zou aanmelden. Want steeds moet ons voor ogen staan, dat het ouderschap een genade en een verrijking betekent. Dat het huwelijk uitgroeit tot een gezin, is in overeenstemming met de bedoeling van het huwelijk en valt onder de zegen, die God aan de getrouwden wil schenken.’95) Dit laatste citaat brengt dus

[p. 142]

tot uitdrukking, dat vanuit Hervormd standpunt de abortus provocatus onaanvaardbaar is. Het zal niet behoeven te worden aangetoond, dat deze Hervormde opvatting gedeeld wordt door de Rooms-Katholieken. De indruk bestaat trouwens, dat in alle levensbeschouwelijke kringen in Nederland de abortus provocatus wordt verworpen, hetgeen uiteraard niets zegt over het voorkomen van deze handelwijze in die verschillende kringen. Er is hier nog steeds sprake van opvattingen, nog niet van handelingen, die al of niet in overeenstemming zijn met die opvattingen.

De in R.-Katholieke kring als normatief geldende opvattingen over de huwelijksfuncties: sexueel verkeer en voortplanting, hebben in de laatste halve eeuw geen wijzigingen ondergaan. De opvattingen hierover in het Protestantse kamp zijn sedert de laatste eeuwwisseling, voor zover dit is na te gaan, weinig veranderd. Het is echter zo, dat onder de Protestanten het vraagstuk van de verhouding geslachtsdaad-voortplantingsdaad eerst in de laatste jaren van kerkelijke zijde een meer onverholen belangstelling heeft gekregen. Het wezen van het Protestantisme en de blijkbare verscheidenheid in het standpunt t.a.v. het ‘sexuele vraagstuk’ onder de Protestanten hebben het de Protestantse kerken dan ook wel bijzonder moeilijk gemaakt om een ‘kerkelijk oordeel’ te geven. Bij het pogen, dit oordeel te geven, kwam de variatie in de standpunten eerst duidelijk naar voren. Onder de buitenkerkelijken, die niet uit een openbaringsgeloof leven (zij werden hiervoor als ‘humanisten’ aangeduid), bestaat geen ‘officiëel standpunt’ tegenover de sexuele problemen. Voor hen had de geslachtsdaad echter, naar zich laat aannemen, steeds een autonome betekenis, n.l. als uitdrukking van het liefdesverlangen. De biologische consequenties van deze daad, de voortplanting dus, aanvaardden zij nooit als het primaire huwelijksdoel. In het na wereldoorlog II opgerichte Humanistisch Verbond heeft het sterk gegroeide getal der Nederlandse buitenkerkelijken een spreekbuis gekregen, waardoor het buitenkerkelijk standpunt (beter: een menigvuldigheid van buitenkerkelijke standpunten) tegenover de geslachtelijke problemen kenbaar kan worden gemaakt. Dit ‘officiële standpunt’ moet worden afgewacht. Aangenomen mag worden, dat het wat ‘rekkelijker’ zal zijn dan dat van de Hervormden. Vooral zal het zich waarschijnlijk van het Hervormde onderscheiden door de aanvaarding van het voorechtelijk sexueel verkeer, wanneer dit uitdrukking is van wederzijdse liefde. Doch daarover gaat deze verhandeling niet.

[p. 143]

Ten aanzien van de standpunten tegenover sexualiteit en voortplanting in het huwelijk hebben zich in Nederland in deze eeuw geen principiële veranderingen voorgedaan. Men is zich wel de problemen duidelijker bewust geworden en men waagt vandaag met meer openhartigheid er over te spreken dan vroeger het geval was. Voorts - en niet in het minst - zijn de problemen belangrijk gegroeid. De toegenomen betekenis van de ‘Neigungsehe’ heeft n.l. de functie van het geslachtelijk verkeer in de echtelijke verhouding gewijzigd. Het welslagen van een huwelijk is meer afhankelijk geworden van het geslachtelijk samenzijn der echtgenoten. In dit verband moet ook de ‘ontdekking’ worden genoemd, dat de vrouw evenals de man sexuele verlangens kent, die om bevrediging vragen. Lang heerste de opvatting, dat sexuele verlangens slechts door de man mochten worden gekend en dat het geslachtelijk verkeer voor de decente vrouw eigenlijk niet meer kon betekenen dan een verplichting, waaraan zij zich emotioneel ongeïnteresseerd onderwierp. Het mag beschouwd worden als één van de voornaamste resultaten van de sexuele ‘Aufklärung’, dat het sexuele verlangen van de vrouw is ‘ontdekt’.

Het standpunt, dat sexueel verkeer alleen aan echtgenoten is voorbehouden, was en is nog wijd verbreid in ons land. Uit statistische gegevens kan worden afgeleid, dat de gedragswijze menigmaal in strijd was en is met dit standpunt. Men denke aan de cijfers aangaande de zogenaamde onwettige geboorten en aan die betreffende de gedwongen huwelijken. Te allen tijde is het leven sterker geweest dan de leer. Wat de cijfers leren over de ontwikkeling van het voorechtelijk verkeer in de laatste halve eeuw, dient hier te worden nagegaan. Uit de statistiek van de loop der bevolking in 1900 blijkt dan, dat in dat jaar werden aangegeven 169.903 geboorten en dat daaronder 4.577 onwettige geboorten waren, wat neerkomt op ongeveer 2.7%. Dit percentage is vrij hoog in vergelijking met dat van verschillende meer recente jaren. Het C.B.S. geeft in zijn Zakboeken de aantallen onwettige kinderen op 100 levendgeborenen in een aantal perioden en jaren. In Tabel 12 (zie blz. 144) geven wij deze aantallen weer. Bij de cijfers uit de tabel moet worden opgemerkt, dat vóór 1918 onder de levendgeborenen niet waren begrepen de levendgeborenen, overleden vóór de geboorte-aangifte. Hierdoor zijn de percentages voor de eerste twee perioden hoger dan zij zouden geweest zijn, had men de zelfde norm aangelegd als bij de berekening van de overige. Dit verandert echter

[p. 144]

Tabel 12
Het aantal onwettige kinderen per 100 geboorten in Nederland

1871-1875 3.4 1942 1.7
1901-1905 2.3 1943 1.8
1921-1925 1.9 1944 2.0
1926-1930 1.8 1945 3.5
1931-1935 1.7 1946 2.5
1936 1.5 1947 1.9
1937 1.4 1948 1.7
1938 1.4 1949 1.6
1939 1.3 1950 1.5
1940 1.4 1951 1.4
1941 1.7 1952 1.4
    1953 1.3

niets aan onze conclusie, die luidt, dat het percentage onwettige geboorten mettertijd is afgenomen; wanneer men de oorlogs- en naoorlogstijd buiten beschouwing laat. Het relatief hoge aantal buitenechtelijke geboorten van de periode 1940 tot en met 1950 zal voor een goed deel op rekening moeten worden geschreven van een maatschappelijke evenwichtsverstoring, veroorzaakt door dreigende oorlog, daaropvolgende bezetting, bevrijding en Indonesisch conflict. Nederlandse, Duitse en Gealliëerde militairen zullen een aanzienlijk aandeel hebben gehad in de stijging van het percentage. In 1953 was de toestand overeenkomstig met die van 1939, in 1954 was het percentage eveneens 1.3.

Wanneer moet worden geconcludeerd, dat, oorlogsinvloeden daargelaten, het percentage buitenechtelijke geboorten afnam, dan is hiermee natuurlijk niet het bewijs geleverd van een dalende frequentie van het voorechtelijk sexueel verkeer. In de eerste plaats is niet na te gaan, of het aantal gehuwde mannen, dat een buitenechtelijke geboorte veroorzaakte, verhoudingsgewijs steeds gelijk bleef. In de tweede plaats kan niet worden vastgesteld, of het voorechtelijk sexueel verkeer al dan niet toenam bij dalende buitenechtelijke geboorte. Het is geenszins uitgesloten, dat het voorechtelijk sexueel verkeer mettertijd toenam, hoewel het aantal buitenechtelijke geboorten verhoudingsgewijze daalde. Het kan zijn, dat men door de jaren heen groter kennis kreeg van anti-conceptionele technieken en/of dat men die technieken beter ging beheersen. Voorts is het niet uitgesloten, dat de vruchtafdrijving toenam. De juistheid dezer mogelijke veronderstellingen is evenwel niet aan te

[p. 145]

tonen. Men kan met evenveel recht het omgekeerde veronderstellen. Voorlopig ontbreekt de mogelijkheid om aan te tonen, wat de gronden zijn van de afname der buitenechtelijke geboorten. Wie zich op het standpunt stelt, dat slechts huwelijkspartners geslachtelijke gemeenschap is toegestaan, kan uit bovenstaande cijfers noch een toegenomen, noch een afgenomen effectuering van deze norm afleiden.

De beschikbare gegevens omtrent de gedwongen huwelijken zijn geheel ontoereikend om over de frequentie van het voorechtelijk verkeer in de laatste 50 jaar enige verantwoorde uitspraak te doen. Zij zijn n.l. het resultaat van één moment-opname, die werd gedaan in 1937-1938. Het C.B.S. ging toen na van de wettige eerste geboorten in 1937 en 1938, voor zover deze plaats vonden binnen een jaar na de in 1937 gesloten huwelijken, hoeveel maanden lagen tussen het geboorte-tijdstip en de huwelijksdatum.96) Al is het verloop van de gedwongen huwelijken over de laatste halve eeuw hieruit niet af te leiden, toch zijn deze gegevens hier het vermelden waard.

Men blijft t.a.v. de gedwongen huwelijken aan de veilige kant, wanneer men als zodanig beschouwt die huwelijken, waaruit binnen 6 maanden na sluiting een kind werd geboren. Dat waren er in 1937 in ons land 9614. Het totaal aantal in dat jaar gesloten huwelijken bedroeg 66.040. Dat betekent dus, dat het percentage gedwongen huwelijken op zijn minst 14.5 was. Nu doet zich het gelukkige feit voor, dat het C.B.S. de gegevens differentiëerde volgens grootte-klassen van gemeenten. Kent men dus het totaal aantal huwelijken, in 1937 in de verschillende gemeenten-groep en gesloten, dan kan worden vastgesteld, of de gedwongen huwelijken meer een verschijnsel van de landelijke dan wel van de stedelijke maatschappijvorm zijn. Het onderzoek leert het volgende:

Tabel 13
Het aantal gedwongen huwelijken naar gelang gemeente-grootte in Nederland, 1937

gemeenten met totaal aantal gehuwde mannen totaal aantal gedwongen huwelijken % kolom I
minder dan 5.000 inw. 12187 1935 (of 15.9%)
5000 tot 20.000 inw. 18523 2967 (of 16%)
20000 tot 50.000 inw. 7555 1059 (of 14%)
50000 tot 100.000 inw. 7317 1037 (of 14.1%)
100000 inw. en meer 19632 2616 (of 13.3%)

[p. 146]

Uit de tabel komt de onmogelijkheid naar voren om een zuivere vergelijking van de percentages gedwongen huwelijken tussen de verschillende groepen van gemeenten te verkrijgen. De cijfers in de eerste kolom hebben immers betrekking op het aantal gehuwde mannen, die op het tijdstip van hun huwelijk woonachtig waren in één kleinere of grotere gemeente. Het verwachte kind behoeft echter niet ter wereld te zijn gekomen in de gemeente, waar de vader op het tijdstip van zijn huwelijk woonde. Het is daarom niet overbodig om ook na te gaan, hoe de verhoudingen komen te liggen, wanneer men uitgaat van de woonplaats van de vrouw bij sluiting van het huwelijk. Er blijkt dan onderstaand beeld te verschijnen:

Tabel 14
Het aantal gedwongen huwelijken naar gelang gemeente-grootte in Nederland, 1937

gemeenten met totaal aantal gehuwde vrouwen totaal aantal gedwongen huwelijken % kolom I
minder dan 5.000 inw. 12582 1935 (of 15.3%)
5000 tot 20.000 inw. 18569 2967 (of 16%)
20000 tot 50.000 inw. 7271 1059 (of 14.5%)
50000 tot 100.000 inw. 7427 1037 (of 13.9%)
100000 inw. en meer 19750 2616 (of 13.2%)

Uit deze en de daaraan voorafgaande tabel blijkt, dat de gedwongen huwelijken in 1937 verhoudingsgewijs in de grootste plaatsen minder frequent voorkwamen dan in de kleinere. Het is echter niet zo, dat naarmate men van doen krijgt met een groep van grotere gemeenten, het aantal gedwongen huwelijken relatief geringer wordt. De gedwongen huwelijken waren in 1937 in de gemeenten met meer dan 5000 en minder dan 20.000 inwoners verbreider dan in die met minder dan 5000 inwoners. Opvallend is en blijft echter, dat de gemeenten met meer dan 100.000 zielen verhoudingsgewijs het geringste aantal gedwongen huwelijken kenden. Bij de gevonden uitkomsten dient men zich te realiseren, dat het gedwongen huwelijk door de meest nabij betrokkenen en hun naaste omgeving niet altijd als een pijnlijke consequentie van een verboden voorechtelijk verkeer wordt beleefd. Er bestaan verschillende houdingen tegenover dit soort huwelijk, die variëren van een zeer ernstige afwijzing tot goedmoedige aanvaarding. Er zijn plattelandsstreken en -gemeenten, waar het als vrij ‘normaal’ beschouwd wordt, dat de

[p. 147]

jongeman ‘geen kat in de zak koopt’, wat dus wil zeggen, dat hij geen huwelijk aangaat, alvorens de vruchtbaarheid van het meisje is gebleken. Er zijn ook plattelandsgebieden, waar men algemeen het gedwongen huwelijk als een zeer ernstige fout beschouwt. Streekeigen en religie bepalen, of men deze of gene houding tegenover het voorechtelijk verkeer aanneemt. Zo kon de Vries Reilingh van het bijna geheel R.-Katholieke Overijsselse Weerselo vaststellen, dat het percentage gedwongen huwelijken er, in vergelijking met het Rijk, laag was (1937-1938 8.6%). Voor het eveneens Overijsselse, doch Hervormde, Markelo vond deze auteur een veel hoger percentage (1937-1938 42.4%)97) Schrijver dezes vond op 162 agrarische huwelijken in Bennekom, gesloten in de laatste halve eeuw, 48 gedwongen huwelijken of rond 30% van het totaal. De Bennekomse boerenbevolking is streng rechtzinnig Protestant met een bevindelijke inslag. Groenman stelt t.a.v. Staphorst vast: ‘in de gemeente Staphorst nu werden in 1937 en 1938 87 eerstgeborenen aangegeven, waarvan 34 binnen 7 maanden na het sluiten van het huwelijk.’98) Dat komt dus neer op 39% van het totaal. Van Staphorst is voldoende bekend, dat de nachtelijke vrijage daar gesanctionneerd is. Het is één dier gemeenten, waar het, althans door een aanzienlijk deel van de bevolking, normaal wordt gevonden, dat de jongeman ‘geen kat in de zak koopt’. De houding van een plattelandsbevolking tegenover het gedwongen huwelijk is vrij gemakkelijk te peilen, die van een stadsbevolking is veel moeilijker na te gaan. Men kan immers in menig geval met veel recht spreken van ‘de’ houding van ‘de’ bevolking van enig dorp of enige streek. De stadsbevolking als een veel meer gedifferentiëerd geheel kan men gewoonlijk niet met veel recht een bepaalde houding tegenover een bepaalde zaak of een bepaald verschijnsel toeschrijven. Onder Amsterdamse arbeiders wordt over het gedwongen huwelijk vermoedelijk anders gedacht dan onder de intellectuelen van die stad. Onze hoofdstedelijke R.-Katholieke arbeiders zullen gemeenlijk een ander standpunt innemen inzake het voorechtelijke sexuele verkeer dan hun buitenkerkelijke collega's. Toch lijkt het waarschijnlijk, dat de stedeling in het algemeen ernstiger bedenkingen van niet strikt godsdienstig-zedelijke aard tegen het gedwongen huwelijk heeft dan de plattelander en zeker de agrariër. Maar dit zijn bedenkingen tegen de consequenties van het voorechtelijk sexueel verkeer, niet tegen dat verkeer als zodanig. Op grond van de door het C.B.S. gemaakte momentopname kan de frequentie van het voorechtelijk verkeer in de stad en

[p. 148]

op het land niet worden vastgesteld. Dit zou slechts mogelijk zijn door een soortgelijk onderzoek, als verricht door de Amerikaan Kinsey en zijn medewerkers. Het zou overigens twijfelachtig zijn, of met een dergelijke opzet, die in Amerika slaagde, in Nederland veel resultaat zou worden bereikt.

Voorlopig tasten wij nog in het duister t.a.v. de ontwikkeling van het voorechtelijk sexueel verkeer in Nederland. Het zal een langdurig en gedetailleerd onderzoek vragen om daaromtrent wetenschappelijk houdbare uitspraken te kunnen doen. Daarbij zal een scherp onderscheid moeten worden gemaakt tussen enerzijds het verkeer van geliefden, die een huwelijk met elkander aangingen of zullen aangaan, en anderzijds het ‘losse’ verkeer. Het zou kunnen blijken, dat het ‘losse’ verkeer in 1900 een zelfde verbreiding had als het vandaag heeft, maar dat het verkeer tussen geliefden toenam. Doch meer dan een hypothese kan dit natuurlijk niet zijn. Bij een dergelijk onderzoek zou moeten worden nagegaan, welke anti-conceptionele betekenis de sexuele ‘Aufklärung’ hier te lande heeft gehad voor de ongehuwden, die sexuele gemeenschap kenden. Zou het bedoelde onderzoek worden uitgebreid tot een onderzoek naar de sexuele gedragingen van de huidige en de beide voorgaande generaties en alle gewenste inlichtingen zouden inderdaad in alle eerlijkheid worden verstrekt, dan zou misschien een beeld oprijzen, dat in ernstige tegenspraak zou zijn met de conclusies van hen, die menen, dat het volk onder invloed van de saecularisatie steeds verder verwijderd is geraakt van sexuele gedragswijzen, die met de Christelijke norm overeen komen. Maar toegegeven zij, dat iedere verwachting ten deze op dit moment op niet meer dan een indruk gebaseerd kan zijn.

Is er in Nederland naar de buitenechtelijke geboorten en de gedwongen huwelijken weinig onderzoek gedaan, over de huwelijksvruchtbaarheid in ons land is veel bekend. Wil men nagaan, hoe de huwelijksvruchtbaarheid zich in de laatste halve eeuw ontwikkelde, dan kan men zich bijv. wenden tot een al eerder aangehaald artikel van Hofstee: ‘Regionale verscheidenheid in de ontwikkeling van het aantal geboorten in Nederland in de tweede helft van de 19de eeuw’. Hofstee geeft in dat artikel het aantal geboorten per 1000 gehuwde vrouwen van 15-45 jaar voor elke vijfjaarlijkse periode tussen 1850 en 1950. Aan de hand van de door hem gepresenteerde cijfers kan men verantwoorde gevolgtrekkingen maken omtrent de huwelijksvruchtbaarheid in ons land. Die cijfers worden hier ten dele overgenomen:

[p. 149]

Tabel 15
Het aantal geboorten per 1000 gehuwde vrouwen van 15-45 j. in Nederland99)

01/05 06/10 11/15 16/20 21/25 26/30 31/35 36/40 41/45 46/50
Groningen 296.7 276.3 256.3 237.7 222.7 188.6 165.3 154.5 165.9  
Friesland 265.9 239.7 222.2 219.7 217.6 199.4 181.1 176.7 196.9  
Drenthe 326.0 309.4 289.5 290.7 283.1 237.0 208.6 185.8 194.8  
Overijssel 314.2 287.5 261.1 246.6 240.6 216.9 192.0 177.9 192.5  
Gelderland 332.7 310.8 283.9 265.9 259.0 230.3 205.6 186.8 199.8  
Utrecht 333.1 296.0 265.7 244.8 237.2 202.4 180.9 172.4 185.9  
N.Holland 265.2 233.1 209.0 195.7 178.8 158.4 142.4 141.2 150.9  
Z.Holland 317.2 286.6 256.5 226.7 209.4 180.4 158.8 151.2 152.3  
Zeeland 309.7 274.3 243.7 227.8 207.4 176.4 156.6 151.4 162.2  
N.-Brabant 404.4 377.1 352.2 332.7 331.6 297.8 269.1 243.4 255.0  
Limburg 398.9 378.1 350.2 319.0 310.2 273.9 243.3 218.1 230.0  
HET RIJK 315.1 287.5 261.5 242.9 231.9 204.2 183.1 173.5 184.9 215.1

Bekijkt men de tabel eerst in zijn onderdelen, dan ziet men, dat zich in de loop der jaren, tussen 1900 en 1940 gelegen, in alle provincies, uitgezonderd Drenthe, een daling in de huwelijksvruchtbaarheid voordeed, maar dat nadien overal een stijging optrad. Dit verloop is belangrijk genoeg om het in overzichtelijker vorm dan hierboven opnieuw in een tabel weer te geven. Onderstaande tabel geeft het verschil in het geboortecijfer per 1000 gehuwde vrouwen van 15 tot 45 jaar, zoals dat blijkt te bestaan tussen direct opeenvolgende perioden. De cijfers in iedere kolom geven weer het verschil tussen de periode, boven de kolom vermeld, en het voorgaand tijdvak. Uit de aanduidingen - en + moet respectievelijk daling en stijging van het geboortecijfer t.o.v. de juist voorafgaande periode worden gelezen:

Tabel 16
Het aantal geboorten per 1000 gehuwde vrouwen van 15-45 jaar, vertaald in ‘stijging en daling’

06/10 11/15 16/20 21/25 26/30 31/35 36/40 41/45 46/50
Groningen -20 -20 -19 -15 -34 -23 -11 +11  
Friesland -26 -17 -3 -2 -18 -18 -4 +20  
Drenthe -17 -30 +1 -88 -46 -28 -23 +9  
Overijssel -27 -26 -15 -6 -24 -24 -14 +15  
Gelderland -22 -27 -18 -7 -29 -25 -19 +13  
Utrecht -37 -31 -21 -8 -35 -28 -9 +14  
N.-Holland -32 -24 -14 -17 -20 -16 -1 +10  
Z.-Holland -31 -30 -30 -17 -29 -22 -8 +1  
Zeeland -35 -31 -16 -20 -31 -20 -5 +11  
N.-Brabant -27 -25 -19 -1 -34 -29 -26 +12  
Limburg -21 -28 -31 -9 -36 -31 -25 +12  
HET RIJK -28 -26 -19 -11 -28 -21 -10 +11 +30

[p. 150]

Tot en met 1940 deed zich dus de sterkste daling voor in de provincie Limburg, welke gevolgd werd door Zuid-Holland. Het minst daalde de huwelijksvruchtbaarheid in de eerste 40 jaar van onze eeuw in de provincie Friesland, Merkwaardig is, dat juist in dat gewest in de periode 1941-1945 de huwelijksvruchtbaarheid het meest toenam van alle gewesten.

Bekijkt men de cijfers uit Hofstee's artikel, uitgaande van het Rijk, dan komt men tot de constatering, dat er zowel in de periode 1901-1905 als in de periode 1941-1945 een niet te verwaarlozen spreiding naar gelang provincie rond het landelijk gemiddelde bestond. De provincie met de hoogste vruchtbaarheid in de eerste periode, Noord-Brabant, had toenmaals een score van 404.4, die met de laagste, Friesland, kwam toentertijd op 265.2. Dat waren afwijkingen van het landelijk gemiddelde van achtereenvolgens 89.1 en 49.9 borelingen. In het tijdvak 1941-1945 had Noord-Brabant wederom de hoogste score, maar Noord-Holland de laagste. De afwijkingen van het landelijk gemiddelde waren in dat tijdvak respectievelijk 70.1 en 34.0. De geringere spreiding rond het landelijke gemiddelde dan in 1901-1905 geeft echter geen reden tot de conclusie, dat mettertijd een toenemende nivellering der geboorten van provincie tot provincie zou zijn opgetreden. In 1921-1925 bijv. was de spreiding groter dan in 1901-1905, n.l. resp. 99.7 en 53.1.

Wij werden geconfronteerd met het verschijnsel, dat zich in alle provinciën van het Rijk vanaf het begin dezer eeuw tot rond 1940 een dalende huwelijksvruchtbaarheid voordeed in een omvang, die moeilijk als van ondergeschikt sociologisch belang kan worden bestempeld. Op die vier decenniën lange periode van dalende vruchtbaarheid volgde er één van stijgende vruchtbaarheid, waarin de constateerbare stijging zodanig is, dat zij, evenals de voorgaande daling, voor de socioloog uitermate interessant mag heten. De vraag, waarom het de socioloog gaat na kennisname van de waargenomen ontwikkeling, is, welke factoren dit proces hebben beïnvloed.

Er zijn over de ontwikkeling van de geboortecijfers vele theorieën in omloop gebracht.100) De allerbekendste is die van Thomas Robert Malthus. Zijn theorie, geïncorporeerd in een veelomvattende bevolkingsleer, heeft twee belangrijke grondstellingen in zich, n.l., dat het voortplantingsvermogen dè belangrijke oorzaak is van het geboorteniveau en dat dit vermogen in de tijd constant is. Naast veel bijval verkreeg de theorie van Malthus ook veel critiek. Onder zijn eerste wetenschappelijke

[p. 151]

opponenten waren er velen, die het wel met zijn stelling eens waren, dat het geboorteniveau werd bepaald door het voortplantingsvermogen (al zagen zij evenmin als Malthus de invloed van de huwelijksfrequentie over het hoofd), maar zij betwistten de juistheid van de stelling, dat dit vermogen constant zou zijn. Zo meent Jarrold, dat het reproductief vermogen van de mens afneemt naarmate deze zich geestelijk en lichamelijk meer inspant. Sadler, die niet ver van Jarrold afstaat, is van oordeel, dat het menselijk reproductievermogen - alle overige omstandigheden gelijk - afneemt naarmate de bevolking toeneemt en dat bij terug lopen van het bevolkingscijfer het voortplantingsvermogen groter wordt. Dit zou moeten worden herleid tot het feit, dat bij een groeiende bevolking ook de welvaart stijgt, wat betekent dat de voeding overvloediger wordt en dat de levensomstandigheden gemakkelijker worden met als gevolg een remming van de voortplantingspotentie. Thomas Doubleday ziet, dat betrekkelijke schaarste aan voedingsmiddelen het reproductief vermogen verhoogt, wat zou moeten worden verklaard uit de versterkte neiging van de mens om onder bedreiging zijn inspanningen, ook die ten bate van soortbehoud, op te voeren. Doubleday constateert dezelfde neiging bij de dieren. Bij Doubleday's gedachtengang sluit die van de befaamde ‘klassieke’ socioloog Herbert Spencer enigszins aan. Spencer meent, dat er een natuurlijk antagonisme bestaat tussen individu en voortplanting van de soort. Als het individu meer energie gebruikt voor persoonlijke ontwikkeling, dan blijft er minder beschikbaar voor zijn voortplanting. Diersoorten op een lage trap hebben een zeer groot reproductievermogen, de soorten op hogere trap planten zich veel minder sterk voort. Aan deze wet van het dierenrijk - Spencer is, zoals bekend, een evolutionist - is ook de mens onderworpen. Naarmate nu de ontwikkeling van de mens meer in geestelijk-verstandelijke richting zal gaan, wat aannemelijk is, zal hij aan voortplantingspotentie inboeten.

Aan de moderne mens bieden de Malthusiaanse en de andere vluchtig aangeduide theorieën gemeenlijk geen plausibele verklaring voor de ontwikkeling van het geboortecijfer in de laatste 100 of 75 jaar. Zonder de betekenis van de ‘faculté génératrice’ voor de reële geboorte-ontwikkeling geheel en al te willen ontkennen, neigt hij, waar hij weet heeft van geboortebeperking, meer naar enige socio-psychische of psycho-sociale theorie ter verklaring van het geboorte-verloop. Hij moet zich evenwel goed realiseren, dat de houding, tegenover de voortplanting aangenomen

[p. 152]

in de tijd van Malthus en zijn bovengenoemde opponenten, een gans andere was dan vandaag. Bewuste beperking van het kindertal in het huwelijk was in die tijd nog nagenoeg een uitzondering. De stelling, opgeworpen door Nassau William Senior in 1828, dat de voortplantingswil allereerst bepalend zou zijn voor het geboortecijfer, is dan ook in het begin van de 19de eeuw een gewaagde stelling. Meer gepreciseerd komt zij hier op neer, dat het menselijk streven naar positieverbetering of positiehandhaving het geboortecijfer drukt. Senior is waarschijnlijk de eerste geweest, die een psycho-sociale geboorte-theorie verdedigde. Wat later, in 1840, treedt Archibald Alison met een voor de 20ste eeuwse mens zeer plausibele mening naar voren. Naarmate de beschaving voortschrijdt en de welvaart toeneemt, oordeelt hij, zullen voortdurend krachtiger factoren optreden met geboortebeperkende werking. Want de mens is een redelijk wezen, dat zich bij toenemende beschaving meer door het verstand dan door het instinct laat leiden. Bij toenemende beschaving krijgt het individu ook meer en nieuwe behoeften, die ten dele als concurrenten van de instinctieve neigingen gaan optreden. De gedachtengang van Alison is niet alleen interessant, zij is in de kern ook geheel aanvaardbaar. Het geboortecijfer wordt natuurlijk mede bepaald door de ‘faculté génératrice’, maar de geboorte-ontwikkeling hangt overwegend af - binnen de grenzen, die het voortplantingsvermogen stelt - van de beschaving, waarin een reeks van motieven en verlangens van andere dan biologische aard ligt opgesloten.

Ondanks het relatief omvangrijke onderzoek, dat ten aanzien van de achtergronden van het naar tijd en plaats variërend geboorte-niveau werd verricht, is er ten deze nog zeer veel, dat nadere en vooral meer verfijnde studie vraagt. Wat wij kennen, zijn de gevolgen van de houding tegenover de voortplanting; van de juiste betekenis der uiteenlopende motieven, waaruit deze houding resulteert, weten wij nog bitter weinig. De kort geleden verschenen studie van de Leidse hoogleraar Van Heek mag daarom een bijzonder belangrijke sociologische aanwinst heten.101) Voorlopig kunnen wij in ieder geval wel dit zeggen: het zijn naar gelang groep en individu uiteenlopende en steeds wisselende combinaties van mettertijd relatief sterker of zwakker wordende motieven, die de houding tegenover de voortplanting bepalen. Onder deze motieven vallen vooral op: 1) te willen leven in overeenstemming met de als juist aanvaarde godsdienstige normen, 2) het ‘simpele’ verlangen naar kinderen, 3) de wens, de bereikte materiële welstand te handhaven, 4) het verlan-

[p. 153]

gen, de kinderen een betere positie te schenken dan men zelf inneemt, 5) 's levens zorgen tot een minimum te willen beperken. Wanneer men slechts deze vijf motieven beziet, dan moet men reeds direct concluderen, dat er in het totale complex zijn, die aanzetten tot een volledig afzien van voortplanting; dat er zijn, die een zekere geboorte-beperking tot gevolg hebben; dat er, last but not least, (kunnen) zijn, die leiden tot ‘onbeperkte’ procreatie.

Vragen wij in het licht van het bovenstaande naar de achtergronden van de zich in alle provincies voordoende daling in de huwelijksvruchtbaarheid in de eerste 40 jaar van deze eeuw, dan dient allereerst nog eens te worden herhaald, dat de huwelijksleeftijd der Nederlandse vrouwen in die periode niet steeg. Dit betekent, dat de afgenomen huwelijksvruchtbaarheid van dit tijdvak niet op rekening kan worden geschreven van een gemiddeld verkorte duur van de periode, waarin de gehuwde Nederlandse vrouw vruchtbaar was. Te menen, dat de biologische vruchtbaarheid in de genoemde 40 jaar daalde of dat het echtelijk geslachtsverkeer belangrijk terug liep, lijkt alleszins voor bestrijding vatbaar. De oorzaak van de gedaalde huwelijksvruchtbaarheid tussen 1900 en 1940 moet dus gezocht worden in de ‘volonté génératrice’. Het komt dan als vrijwel zeker aan ons voor, dat een ‘felle concurrentiestrijd’ werd gestreden tussen een religieuze norm, volgens welke geboortebeperking ontoelaatbaar was, en naar emancipatie strevende moderne verlangens van a- of anti-religieus karakter. Ofschoon deze strijd zich openlijk aan ons heeft voorgedaan in een soms op zeer laag niveau staande ‘discussie’ tussen bijv. R.-Katholieken en buitenkerkelijken, speelde zij zich af in wezen binnen personen van iedere godsdienstige gezindheid, en dan onder de R.-Katholieken en orthodox-Protestanten het meest. De uitslag van de strijd is reeds bekend: de zucht naar een aangenaam bestaan voor zichzelf en voor zijn kinderen hier op aarde won het in veel gevallen van het verlangen naar een eeuwig heil. Niet moet worden vergeten, dat, terwijl deze concurrentiestrijd werd geleverd, de geboortebeperkende technieken steeds meer werden vervolmaakt. Milieus, waarin voordien de coitus interruptus gangbaar was geweest, gingen meer en meer over tot de toepassing van meer effectieve voorbehoedsmiddelen, die door een moderne industrie konden worden geleverd. De invloed van bijv. de Nederlandse Vereniging voor Sexuele Hervorming moet in dit verband niet worden onderschat. Voor de Katholieken betekende de ontdekking van Ogino en Knaus dikwijls een niet met de religieuze norm

[p. 154]

strijdige en toch met de aardse levensverlangens in overeenstemming zijnde mogelijkheid om het geboortecijfer te verlagen.

Het is ter completering noodzakelijk, in te gaan op de aard van de met de religieuze norm strijdige of daarvan los staande verlangens, die het geboortecijfer deden dalen. Wanneer wij juist zien, dan waren de voornaamste dezer verlangens groeiende behoefte aan comfort, welstandshandhaving en de wens om de kinderen een zo hoog mogelijke maatschappelijke positie te verschaffen. Zij werden al eerder genoemd in het raam van de motieven, die in het algemeen op het geboorteniveau van invloed zijn. Deze drie verlangens zullen zich van huwelijk tot huwelijk in een verschillende sterkte-verhouding hebben voorgedaan. Het begrip ‘comfort