De schepping anno 1654


auteur: Johan Koppenol


bron: Johan Koppenol, De schepping anno 1654. Oudere letterkunde en de verbeelding. Vrije Universiteit, Amsterdam 2001  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 3]

De schepping anno 1654 Oudere Letterkunde en de verbeelding

mijnheer de rector magnificus, dames en heren, het moet zo'n twintig jaar geleden zijn dat op een Delftse school tijdens de literatuurles Nederlands het gedicht Vertroostinge aan Geeraerdt Vossius van Vondel werd behandeld. Dit gedicht was opgenomen in de literatuurgeschiedenis van Lodewick, die destijds op talloze middelbare scholen werd gebruikt.1 Vondel schreef het in 1633 toen Dionysius Vossius, de begaafde zoon van zijn vriend, op tragisch jonge leeftijd overleed. In de openingsregels spreekt Vondel Vos als volgt aan:

 
Wat treurt ghy, hooghgeleerde Vos,
 
En fronst het voorhooft van verdriet?
 
Beny uw soon den hemel niet.
 
De hemel treckt. ay laat hem los.2

Bij de bespreking van deze regels van Vondel kreeg een leerling uit het Westlandse De Lier de beurt en op verzoek van de docent parafraseerde hij vlotweg: ‘Vos, je moet niet treuren en fronsen om je zoon die in de hemel is. De hemel trekt: Arie, laat hem los!’3

Ik moet u teleurstellen, of misschien stelt het u juist gerust, maar nee: ik was die leerling niet. Het incident zou zich hebben voorgedaan enkele jaren voordat ik aan de Vertroostinge toe was en vormde sindsdien een vast onderdeel van de behandeling van Vondels vers. Natuurlijk als komische noot, maar als ik het me goed herinner klonk in het verhaal toch ook wel lichtjes iets door van een breed gedragen gevoel onder scholieren die weinig enthousiast werden van de behandelde teksten: Arie, laat toch los! Het is echter, zoals u begrijpt, in elk geval wat mij betreft niet zover gekomen en ik zou u willen vragen mij daarin de komende drie kwartier te volgen.

De hemel in Lucifer

‘De hemel treckt’, zo schreef Vondel, en ik stel voor dat we ons om te beginnen maar eens laten meeslepen. Door een gelukkig toeval weten we dat Vondel in maart 1648 naar de genoemde ‘hooggeleerde Vos’ ging om er twee boeken te lenen over engelen.4 Kennelijk was hij toen al bezig met de magistrale tekst die hij uiteindelijk in het jaar 1654 zou publiceren, zijn bekende treurspel Lucifer.5 In dit stuk neemt Von-

[p. 4]

del de lezer mee naar grote hoogte, letterlijk de hemel in. Of lezer - eigenlijk moet ik natuurlijk spreken over toeschouwer, tenslotte staat het stuk dit seizoen weer op het repertoire van de Nederlandse theaters.6 (Tussen haakjes: wanneer u het gemist heeft: hedenavond is uw laatste kans. U moet dan wel naar De Lawei in Drachten, maar ik heb voor u gebeld en er zijn nog kaarten).

In het stuk toont Vondel hoe Gods stedehouder Lucifer met een deel van de engelen in opstand komt tegen de Allerhoogste zelf. Ze zijn ontevreden over de schepping van de mens - een nietig wezen dat niettemin door God ten hoogste wordt begunstigd en waarvoor zelfs de engelen een stap terug moeten doen. Dat weigeren Lucifer en de zijnen uiteindelijk. Ze nemen de wapens op en leveren slag tegen de troepen van de Godgetrouwe Michaël. De opstandelingen lijden - vanzelfsprekend - een smadelijke nederlaag, maar ze slepen wel de mens mee in hun val.

‘Het tooneel is in den hemel’, zo meldt het voorwerk van Lucifer. Het is een bijna laconieke mededeling, maar Vondel pretendeert hier natuurlijk nogal wat. En wat meer is: het blijft niet bij woorden, Vondel maakt ze ook waar. Wat de geleerden verder ook over het stuk naar voren hebben gebracht, men is het erover eens dat Lucifer een hoogtepunt is van literaire verbeelding. Bomhoff zegt het zo:

Vanaf de eerste regels (...) verricht Vondel het in de wereldliteratuur zeldzame kunststuk de lezer te doen geloven aan een bovenaardse sfeer. Vijf bedrijven lang acteren bovenmenselijke wezens, in een heelal, anders en hoger dan het onze, en nergens verraadt hun tongval dat een mens hen spreken leerde.7

Laten we, voordat ik iets meer zeg over die verbeelding, eerst eens nagaan hoe Vondels hemel er nu eigenlijk uitziet.

Vondel gaat voor zijn stuk uit van het oude, middeleeuwse wereldbeeld, waarbij onze aarde het middelpunt van het heelal is. De eenvoudigste manier om een indruk te krijgen van dit systeem is via een afbeelding, bijvoorbeeld deze houtsnede uit het Liber chronicarum van Hartmann Schedel - een deel van de studenten zal de plaat herkennen.8 In het midden zien we de aarde, terra, met daar direct omheen de elementen water, lucht en vuur. Dat is het ondermaanse, onze wereld zoals we die ervaren en kennen. Daaromheen draaien de negen concentrische sferen van maan, zon, planeten, het firmament met de sterrenbeelden. De buitenste sfeer - in sommige voorstellingen is dat de negende, soms ook de tiende ring - is de

[p. 5]



illustratie

[p. 6]

kristallen hemel die ook wel wordt aangeduid als het Primum Mobile, de ‘eerste beweger’. Deze maakt dat alle sferen in een harmonieuze beweging om elkaar heendraaien. Daarboven begint de wereld van God en engelen. Ook in dit domein zijn negen sferen te onderscheiden. God zit ten troon en naast en onder hem bevinden zich negen rijen engelen, naar rang geordend, van de serafijnen en cherubijnen terzijde van God tot en met de aartsengelen en engelen onderaan.9

Lucifer speelt zich af in de ruimte van God en de engelen, dus boven de sferen van sterren en planeten. Daar bouwt Vondel zijn speelvloer en hij doet dat heel weloverwogen. In het eerste bedrijf is hij erop uit zoveel mogelijk ruimte te creëren. Apollion is afgedaald naar de aarde om de mensen in het paradijs te bekijken. Hij beweegt zich vrijelijk en gewichtsloos: hij zweeft, vliegt en drijft, hij roeit en hij zinkt. Als voorbeeld enkele regels waarin zijn terugreis wordt beschreven:

 
Hij steigert steil, van kreits in kreits, op ons gezicht.
 
Hy streeft den wint voorby, en laet een spoor van licht
 
En glanssen achter zich, waer zijn gezwinde wiecken
 
De wolcken breecken. hy begint ons lucht te riecken,
 
In eenen andren dagh en schooner zonneschyn,
 
Daer 't licht zich spiegelt in het blaeuwe kristalyn.10

De beschrijvingen zijn hier nog weinig concreet. Vondel doet vooral een beroep op ons zintuigelijk voorstellingsvermogen: er is verblindend licht, een suizende snelheid, een hemels geluid, een onbeschrijfelijke geur. Verder valt de nadruk sterk op de tegenstelling tussen hoog en laag, tussen hemel en aarde. Op deze manier maakt Vondel het domein van de engelen tot een open ruimte vol glans en straling, geluid en snelheid, waarin de bewegingen van boven boven naar beneden lopen en weer terug.

In het tweede bedrijf loopt de spanning op. God heeft bij monde van Gabriël laten weten dat de gehele schepping, inclusief de engelen, dienstbaar moet zijn aan de mens. Dat bericht valt slecht bij een deel van de engelen. En bij Lucifer, de titelheld die pas nu zijn opwachting maakt. Zijn verschijnen leidt het volgende stadium in van Vondels hemelschildering. De beschrijvingen worden concreter en aardser. Het begint er al mee, dat Lucifer arriveert per wagen, getrokken door snelle geesten. Hij spreekt zijn metgezellen eerst verbitterd toe en vervolgens stijgt hij van zijn

[p. 7]

kar. En dan treedt Lucifer de hemel in.11 Let wel: hij loopt in plaats van vrij te zweven. Het is, in vele opzichten, de eerste stap. Hier doet de zwaartekracht zijn intrede in het stuk en wordt de val ingezet.

De vergrimmende sfeer lijkt een directe invloed te hebben op de ruimtelijke ordening. Belzebub verwoordt dit letterlijk, wanneer hij zegt:

 
Wy zien de hemel haest veranderen van staet.12

Zo blijkt de hemel opeens een poort te hebben die open en dicht kan, er zijn scepters en zetels. Dreigender wordt het, wanneer de opstandige engelen hun revolte gaan beramen. Dan wordt duidelijk dat er in de hemel een munitiedepot staat, waar Gods veldheer Michaël het bevel over voert, ik citeer:

 
Hy [=Michaël] draeght den sleutel van het wapenhuis, hier boven.
 
De wacht is hem betrout. hy houdt op alle hoven
 
Getrou een wakende oogh [...].13

De negen engelensferen zijn klaarblijkelijk aparte hoven en de bewegingen van de bewoners zijn beperkt en bovendien aan voortdurende controle onderhevig. De hoogste hemel, de zetel van God, wordt beschreven als een onneembaar slot met een diamanten poort.14

Alsof het een soort bovenaardse Vinex-locatie betreft, zo wordt de aanvankelijk open hemel hier volgens het ‘bestemmingsplan Joost van den Vondel’ volgebouwd met paleizen, poorten en wapenarsenalen. De jongste editeur van Lucifer, Rens, zag in deze hemelse bouwwerken louter grandeur. Hij beschrijft ze als:

een heerlijke stad, met voorname woonplaatsen, bekroond door het schitterend paleis van God, dit alles gedrenkt in een bovenaardse luminositeit.15

Ik denk dat deze uitspraak geen recht doet aan de opbouw die Vondel zo zorgvuldig aanbrengt. De bouwsels met hun poorten en sloten hebben niet alleen de taak hemelse heerlijkheid uit te stralen. Vondel is de oneindigheid resoluut aan het aftimmeren en volhangen met verlaagde plafonds, zodat er een geschikt decor ontstaat voor de grote strijd tussen goed en kwaad.

[p. 8]



illustratie

[p. 9]

Die veldslag tussen de engelen en de val van Lucifer daaropvolgend zijn niet op het toneel te zien, maar worden verteld door Uriël. Een bode-verhaal dus. De strijd wordt concreet beschreven in termen die horen bij oorlogvoering: de geharnaste engelen met hun wapentuig, zoevende pijlen en strijdbijlen. Uriël maakt echter ook een rijkelijk gebruik van beeldspraak - en dat gebeurt hier eigenlijk pas voor het eerst. Hij vergelijkt de gebeurtenissen met natuurverschijnselen: het stralende leger van Michaël is als een wolk waar de zon in speelt, de strijd woedt als een orkaan en de engelen zijn als kempende vogels, als duifen valk - de veren stuiven in het rond.16 In de slotfase van het gevecht storten Gods troepen zich als een allesverwoestende watervloed op hun tegenstanders:

 
Dus koomenze afgestort, en stroomen uit den hoogen,
 
Gelyck een binnenzee, of noortschen waterval,
 
Die van de rotsen bruischt, en ruischt, met een geschal
 
Dat dier en ondier schrickt, in diepgezoncke dalen;
 
Daer steenen, van de steilte, en dicke waterstralen,
 
En masten, zonder tal, verpletten, en vertreên
 
Wat tegens woest gewelt van stroom en hout en steen
 
Niet opgewassen is.17

De hele opbouw van het stuk, inclusief de beschrijvingen en de beeldspraak, is woord voor woord doordacht. Naarmate de hemelse gebeurtenissen een onzaliger karakter krijgen, worden zij door Vondel in aardser termen en tenslotte beelden gevat.