|
|
|
| | | | | |
| |
Een tegendraadse poëtica
De literaire ideeën van Jan van Hout
*
Johan Koppenol
Van de weinige literaire teksten van
Jan van Hout die zijn overgeleverd, trok er niet een
zo sterk de aandacht als de voorrede:
Tot het gezelschap ende de vergaderinge der gener, die hem in de
nieuwe universiteyt der stad Leyden ouffenende zijn in de
Latynsche of Nederduytsche poëziën, ende allen anderen liefhebberen
der Nederlandsche sprake.
Deze tekst, verder aangeduid als de ‘Voorrede’, bevat
een krachtig pleidooi voor een nieuwe kunst, die moest voldoen aan de idealen
van de renaissance. Trots stelt
Jan van Hout zijn moedertaal gelijk aan het Grieks en
het Latijn en kondigt hij aan, in navolging van Franse dichters, de alexandrijn
te gaan gebruiken. De ‘Voorrede’ is om deze redenen meermalen
vergeleken met het Pléiade-manifest van
Joachim du Bellay,
La Deffence et Illustration de la Langue
Françoyse (1549). Maar de waardering kende ook grenzen.
Literatuurhistorici wisten met name geen raad met de passage, waarin Van Hout
met grote stelligheid beweert dat poëzie met retorica ‘in
talderminste poinct niet over een en comt’. Prinsen, die de tekst van de
‘Voorrede’ in 1903 voor het eerst uitgaf, schreef hierover:
‘dit betoog is valsch, omdat het geheel gegrond is op de verschillende
beteekenis der woorden in verschillende perioden’. Volgens Van der
Heijden, die in 1968 de tekst opnieuw uitgaf, slaan Van Houts uitlatingen over
poëzie en retorica zelfs ‘nergens op’.
1
Nu is Van Houts radicale afwijzing van elke verwantschap tussen
dichtkunst en welsprekendheid inderdaad moeilijk te plaatsen in het bestaande
beeld van de literatuur. Na het pionierswerk van Witstein heeft de historische
neerlandistiek kennis kunnen nemen van een stroom publikaties die het belang
van de retorica voor de literatuur van de renaissance aantonen en onderstrepen.
Weliswaar kreeg in de loop van de zestiende eeuw het begrip retorica een nieuwe
invulling, maar van een breuk tussen poëzie en retorica was geen sprake;
het belang van de retorica voor de dichtkunst leek eerder toe te nemen.
Knuvelder formuleert het in zijn handboek zo:
Eind zestiende eeuw blijft de invloed van de retorica nadrukkelijk
doorwerken, ook al is door de ontwikkeling in de voorgaande jaren de
poëzie als eigen waarde sterk naar voren gekomen, een waarde die
berust op de overweging dat de poëzie vervolmaakster is van de ziel;
daardoor is poëzie de universele wetenschap bij uitstek. Een wetenschap
echter die wezenlijk is opgebouwd op de aloude precepta van de retorica.
2
Dat het
Jan van Hout desondanks ernst was met zijn uitspraken
over de retorica, blijkt uit zijn twee ‘rederijkerskaarten’ van
1577 en 1578. In de oudste kaart roept Van Hout zijn kunstbroeders nog op de
aloude ‘cunst der Retoriken’ te beoefenen; een jaar later vermijdt
hij de term retorica en | | | | spreekt hij plotseling over ‘uns
duytsche Poëzie’.
3 Kennelijk zijn
Van Houts opvattingen over dichtkunst en retorica rond 1577 veranderd en de
‘Voorrede’, geschreven in 1578 of 1579, is de neerslag van zijn
nieuwe literaire theorie. In het onderstaande zal ik betogen, dat Van Houts
radicale uitspraken over retorica en poëzie geen vergissing zijn, maar
onderdeel vormen van een zestiende-eeuws debat over het wezen van de
dichtkunst, waarin ook aard en waarde van de retorica ter discussie
stonden.
| |
De waardering van de ‘ars retorica’
Gedurende vele eeuwen waren de principes uit de retorica van groot
en soms zelfs doorslaggevend belang voor wetenschappen en kunsten, waaronder de
literatuur en literatuurtheorie. Dat betekent echter niet dat de retorica
onomstreden was: de kritiek, vooral van de kant van filosofen, is zo oud als de
‘ars retorica’ of de kunst van de welsprekendheid zelf.
4
De eerste retoren waren rondreizende leraren, de zogenaamde
sofisten. In de zesde en vijfde eeuw voor Christus onderwezen zij tegen
betaling leerlingen in de kunst van het overtuigen-met-woorden. Voor de
ontwikkelde Griek was dat een vaardigheid van essentieel belang: het stelde hem
in staat het woord te voeren in de volksvergadering en zich te verdedigen voor
de rechtbank. De sofisten stelden regels op waaraan een goede redevoering
diende te voldoen. Kennis van de retorica vormde een sleutel tot de macht, maar
juist daar school het gevaar: een goede retor was in staat zijn gehoor te
manipuleren. Voor een deel van de sofisten telde alleen het effect van hun
redevoeringen; zij schuwden geen enkel retorisch middel om hun publiek te
overtuigen, ook niet wanneer de waarheid het daarbij moest ontgelden. Juist dit
mogelijke bedrog lokte felle kritiek uit.
De veroordeling van de retorica is al te vinden in de door
Plato opgetekende Socratische dialogen. Met name in de
Gorgias valt
Socrates de sofisten in scherpe bewoordingen aan.
Socrates, die zijn hele leven in dienst stelde van het zoeken naar het ware en
goede, kon onmogelijk zijn zegen geven aan een kunst die geen onderscheid
maakte tussen goed en kwaad en met even veel gemak kon worden aangewend om te
pleiten voor een rechtvaardige, als voor een slechte zaak. Retorica was in zijn
ogen dan ook niet meer dan een vaardigheid, zoals koken een vaardigheid is: in
het gunstige geval richt zij geen kwaad aan en in het ongunstige geval
ondermijnt zij de waarheid, maar nooit levert zij een bijdrage aan de kennis
van het goede. In de
Phaidros, een latere dialoog, wordt de
Socratisch-Platoonse veroordeling van de retorica nog eens herhaald, zij het in
afgezwakte vorm: retorica kan dienstig zijn, maar alleen dan, wanneer zij
gekoppeld is aan de filosofie.
De retorica vond ook verdedigers, onder anderen
Isocrates, tijdgenoot van
Plato en een vooraanstaand leraar in de welsprekendheid.
Volgens Isocrates was alleen een goed mens in staat de registers van de taal
met overtuiging te bespelen en een opleiding in de retorica was derhalve een
opleiding tot deugdzaamheid.
Aristoteles, leerling en tevens tegenspeler van Plato,
veroordeelde de retorica evenmin. In zijn
Ars rhetorica formuleert hij haar doel als zijnde
niet het overtuigen zelf, maar de kennis van de middelen om te overtuigen; ook
benadrukt hij de technische kanten van de welsprekendheid. Door het optreden
van Aristoteles kreeg de retorica definitief een plaats in het opvoedkundig
programma (overigens zonder dat de kritiek geheel verstomde); gedurende vele
eeuwen zou zij een vast onderdeel zou vormen van alle klassieke opleidingen. De
stijlvoorschriften van Aristoteles waren, behalve voor redenaars, ook voor
dichters | | | | van groot belang.
Aristoteles bleef wel onderscheid maken tussen de twee
disciplines: de retorica richt zich op het specifieke, terwijl poëzie
zaken juist tot algemene waarheden verheft. Bloemrijk taalgebruik en metrum
zijn eigenschappen van de dichtkunst en zouden, toegepast in een betoog, dit
alleen maar ontkrachten.
In de Romeinse tijd werden de banden tussen poëzie en retorica
verder aangehaald.
Cicero benadrukte de overeenkomst in het werk van
redenaars en dichters en
Horatius liet in zijn
Ars poetica de twee kunsten nagenoeg
samenvloeien. Horatius meende dat poëzie het nuttige met het aangename
moest verenigen. Hij stelde de eisen waaraan de dichtkunst moest voldoen
vrijwel gelijk aan die voor de retorica, die moest ‘movere, persuadere et
delectare’, emotioneren, overtuigen en onderhouden. Aankomende dichters
deden er zijns inziens goed aan, zich te bekwamen op het terrein van de
retorica.
Gedurende vele eeuwen bleef de welsprekendheidstheorie in hoge mate
bepalend voor de dichtkunst, al veranderde de invulling van het begrip retorica
wel met de tijd en onder invloed van de overlevering. Zo bleef in de late
middeleeuwen de retorica-kennis van veel dichters beperkt tot de elocutio of
stijlvoorschriften. Humanisme en renaissance brachten verandering in die
situatie. De oplevende belangstelling voor de klassieken resulteerde in de
vijftiende eeuw onder andere in de herontdekking en uitgave van de klassieke
retorica's van
Cicero en
Quintilianus. Voor het eerst sinds eeuwen kreeg men deze
teksten weer integraal en zuiver voor zich, in plaats van versnipperd en in
compilatiewerken verweven. Deze vernieuwde kennis leidde tot een herijking van
het begrip retorica: retorica werd weer de kunst om op een onderhoudende en
doeltreffende manier een mening of gedachte te verwoorden. Het ging daarbij
niet langer uitsluitend om het toepassen van de juiste stijlmiddelen, maar om
de toepassing van het hele argumentele systeem van inventio, dispositio,
elocutio en, in mindere mate, memoria en pronunciatio. Humanisten gingen hun
poëzie weer modelleren volgens argumentele principes.
Met de renaissance kwamen echter niet alleen de retorische
geschriften in de belangstelling, men ging ook het werk van
Plato bestuderen en vertalen. Het vijftiende-eeuwse
Florence was de bakermat van het renaissance-platonisme. Na de aanzet van
Leonardo Bruni was het vooral
Marsilio Ficino die, als aanvoerder van de Florentijnse
Academie, de Plato-studie bevorderde. Hij vertaalde het volledige werk van
Plato in het Latijn en gaf het, voorzien van commentaar, uit in 1484.
5 In 1492 volgde het werk van de grootste neo-platonist,
Plotinus. Ficino's vertalingen waren zeer invloedrijk en
gaven het gedachtengoed van Plato ruime bekendheid in humanistische kring. Het
onvermijdelijke gevolg was, dat het oude geschil tussen retorica en filosofie
opnieuw aan actualiteit won.
Ficino zelf sloot in zijn retorica-opvattingen nauw aan
bij
Plato's
Phaidros: retorica vindt bij hem slechts dan
genade, wanneer zij gepaard gaat met filosofie. Academielid
Giovanni Pico della Mirandola stelde de zaken scherper. In
1485 voerde hij een briefwisseling met
Ermolao Barbaro, editeur van onder meer de
Ars rhetorica van
Aristoteles. Pico maakt in tamelijk scherpe bewoordingen
de retorica moreel ondergeschikt aan de filosofie. Terwijl een filosoof zoekt
naar de waarheid en zich bepaalt tot het wezen van de dingen, zoekt de retor,
desnoods door bedrog, de instemming van zijn publiek en is hij bezig met
verbale opsmuk:
Want wat is de taak van een retor anders dan te liegen, te
bedriegen, te misleiden en trucs uit te halen? Want het is je taak, zeg je,
naar believen zwart in wit om te toveren en wit in zwart; om, al pratende, | | | | in
staat te zijn zaken naar wens op te hemelen of neer te halen, ze op te blazen
of te kleineren.
6
Ruim een halve eeuw later, in 1558, zou kerkhervormer
Melanchton, een belangrijk voorvechter van de klassieke
retorica, de brief van Pico opnieuw onder de aandacht brengen en proberen de
hierin vervatte mening krachtig te weerleggen.
7
Het conflict rond de retorica had ook zijn weerslag op de
poëzie-opvattingen in de renaissance. De retorica speelde namelijk niet
alleen een ondergeschikte rol in de filosofie van
Plato's geestelijke erfgenamen; ook hun ideeën over
de dichtkunst lieten weinig ruimte voor de retorica.
8 Neoplatonici
hadden op grond van met name Plato's
Ion een theorie ontwikkeld over de dichter als
goddelijk geïnspireerd wezen; in de renaissance werden hun ideeën
verder ontwikkeld door onder meer
Ficino.
9 De theorie veronderstelt het bestaan van een onstoffelijke,
onveranderlijke en goddelijke Ideeën-wereld, ver buiten het menselijk
gezichtsveld; de door de mens gekende en beleefde wereld was voor hen niet meer
dan een materiële, aan voortdurende verandering onderhevige en niet
goddelijke afspiegeling van deze Ideeën. De Ideeën of goddelijke
waarheden bleven voor de mens over het algemeen onbereikbaar en onkenbaar. Het
was slechts een enkeling gegund, een glimp van het goddelijke licht van de
waarheid op te vangen in een lichtend visioen. Deze confrontatie met het
goddelijke was echter een dermate ingrijpende gebeurtenis, dat zij zelfs voor
de weinige begenadigden - dichters, mystici, profeten of verliefden - in feite
onverdraaglijk was. Een goddelijke woede of waan, de ‘furor
divinus’, verbijsterde tijdelijk de zinnen, of, zoals de dichters het
formuleerden, de Muze overmeesterde hen.
Wanneer het moment van vervoering voorbij was, kon de dichter - om
ons daartoe te bepalen - zijn ervaring omzetten in poëzie. In het ideale
geval schreef hij verzen, die in klank en ritmiek herinnerden aan de goddelijke
harmonie van de kosmos, de muziek der sferen zoals hij die had ervaren. Hij
ging daarbij zo te werk, dat zijn poëzie niet voor iedereen begrijpelijk
was. Het was gevaarlijk de goddelijke waarheid, die bij ingewijden al tot een
vorm van waanzin leidde, in handen te geven van de massa. Daarom verhulde en
omsluierde de dichter zijn ideeën met mythologie en duistere
allegorieën, met als resultaat een hermetische vorm van poëzie,
waarvan de gewone lezer hoogstens de oppervlakkige verhaallijn kon volgen. De
verborgen waarheden waren slechts toegankelijk voor een enkeling, in deugd en
wijsheid gelijkwaardig aan de dichter.
10
Tussen deze elitaire, want op een select publiek gerichte,
neoplatoonse poëzieopvatting en de retorisch-argumentele poëtica
gaapt een onoverbrugbare kloof. Waar de schrijvers van belerend-argumentele
verzen proberen een groot publiek te onderhouden en te overtuigen door een
beroep te doen op de rede of ratio, schermden dichters met muzische,
neoplatoonse opvattingen zich juist af van het publiek om weerklank te zoeken
bij een selecte groep ingewijden.
11
Laatstgenoemde groep dichters had om twee redenen geen boodschap aan de
retorica: ten eerste achtte zij, in navolging van
Plato, de retorica een ongeschikt middel om tot de
waarheid te komen en ten tweede had zij geen belang bij een groot publiek.
Neoplatoonse ideeën over poëzie zijn onder meer aanwijsbaar bij de
Italianen
Pietro Bembo en
Baldassare Castiglione, in Frankrijk bij
Antoine Héroët,
Maurice Scève,
Marguerite de Navarre en de dichters van de
Pléiade, zoals
Pierre de Ronsard en in Engeland bijvoorbeeld bij
Edmund Spenser.
12
| | | |
De verschillende opvattingen over poëzie zijn hier
met opzet in hun radicale vorm geschetst; in de praktijk zijn de
tegenstellingen niet altijd zo strikt.
Ronsard verwoordt met name in zijn vroege werk zeer
nadrukkelijk de ideeën over inspiratie en goddelijke dichterschap, men
denke aan de veelgeciteerde
Ode à Michel de l'Hospital (1552). Toch
lijkt hij, zeker later, de retorica niet onvoorwaardelijk af te wijzen. Het
Abbregé de l'art poétique
françois uit 1565 opent weliswaar met de mededeling dat het
dichterschap een gave is en geen ambacht, maar geeft vervolgens toch een reeks
regels, nota bene ingedeeld naar retorisch voorschrift (invention, disposition,
élocution).
13 Ronsard ging ervan uit, dat
een dichter beschikte over een zekere vakkennis of ‘ars’, maar die
vaardigheid is niet meer dan een noodzakelijke voorwaarde; zij wordt
voorondersteld en is in vergelijking met de inspiratie van ondergeschikt belang
en krijgt daarom geen of weinig aandacht.
14
| |
De situatie in de Nederlanden
Al in de eerste helft van de zestiende eeuw, zo signaleert Spies,
bestonden er in de Nederlandstalige literatuur twee verschillende tendensen.
15 De eerste richtte zich op de
ratio en bouwde daarmee voort op de middeleeuwse kennis van de Ciceroniaanse en
Quintiliaanse retorica; de tweede stroming besteedde meer aandacht aan de
muzikale aspekten en emotionele uitwerking van poëzie, wat blijkt uit de
aandacht voor rijm en versvormen. De literatoren waren zich echter nog
nauwelijks bewust van dit verschil en van enige discussie lijkt, althans op
grond van het bewaard gebleven materiaal, geen sprake te zijn geweest.
16 Maar: het gistte en vanaf 1550 maakte de literatuur een reeks
ontwikkelingen door, die beide stromingen zou vernieuwen, emanciperen èn
tegenover elkaar stellen.
In 1553 verscheen Jan van Mussems
Rhetorica. Volgens de titelpagina was deze kleine
ciceroniaanse schoolretorica onder meer bedoeld voor dichters: zij konden uit
dit boekje leren hoe zij op een heldere wijze hun tekst moesten opbouwen.
Daarmee is
Van Mussem een van de eersten om de poëzie te ijken
aan de klassieke retorica.
17 Alleen van
Dirk Volckertsz Coornhert is bekend dat hij al eerder die
weg was ingeslagen. Coornhert was, vermoedelijk via Amsterdamse kanalen, onder
invloed gekomen van het werk van
Melanchton, zoals gezegd een prominent voorvechter van de
retorica. Voor Coornhert moet poëzie stichtelijk, duidelijk en
onderhoudend zijn. Volgens hem was het de taak van de dichter om
‘stichtelijck te rijmen met lustige klaerheyt’.
18 Al in zijn
Comedie vande Rijckeman (1550) zegt Coornhert
geen gebruik te willen maken van mythologie, modieuze fictie en andere zaken,
die zijn werk onecht en ontoegankelijk zouden maken; in plaats daarvan zal hij
zich beperken tot de waarheid, zoals gebruikelijk was toen de dichtkunst nog de
eer genoot die
Cicero haar had bezorgd.
19 Voor Coornhert was poëzie een
middel om zijn publiek op rationele en tegelijkertijd aangename wijze te
beleren en te overtuigen. In de jaren van 1550 tot 1580 bleef
Coornhert de belangrijkste vertegenwoordiger van de
retorisch-argumentele stroming in de Nederlandstalige poëzie. Bijval kreeg
hij, voor zover daar iets over te zeggen valt, met name uit Amsterdamse kring.
20 Niet specifiek Nederlands, maar - zeker later - wel van groot
belang voor de verdere verbreiding van de retorische literatuurtheorie, was de
publicatie in 1561 van Scaligers
Poetices libri septem.
Scaliger onderkent weliswaar de verschillen tussen
poëzie en retorica, maar de overeenkomsten wegen voor hem toch zwaarder en
wat hij zijn lezer biedt, is een op retorische leest geschoeide
poëtica.
| | | |
Door het gebruik van mythologische allegorieën af te
wijzen, zette
Coornhert zich af tegen de tweede stroming in de
literatuur die het gebruik van fictie, naast rijm en versvorm, juist tot het
wezen van de poëzie rekende. Zij benaderde de lezer of luisteraar niet
rationeel, maar emotioneel; poëzie is hier geen middel, maar doel op zich.
Na 1550 onderging ook deze stroming een reeks vernieuwingen, voornamelijk in
navolging van Franse voorbeelden.
De Const van Rhetoriken van
Matthijs de Castelein, geschreven in 1548 en postuum
verschenen in 1555, is in die ontwikkeling een eerste mijlpaal. De Castelein
volgt de Franse ‘Grands Rhetoriqueurs’ na, en dan met name
Molinet. Het wezen van de dichtkunst bestaat voor hem
uit muzikale en klankaspekten, gepaard aan fictieve stofkeuze. Hij biedt zijn
lezers een handboek met voorbeelden van strofebouw en rijmpatronen. Weliswaar
maakt hij daarbij overvloedig gebruik van citaten uit de retorica's van
Cicero en
Quintilianus, maar die dienen slechts ter stoffering.
Het is niet zijn bedoeling de klassieke retorica tot ruggegraat van de
poëzie te maken en het ‘rhetoriken’ uit de titel moet dan ook
niet worden opgevat als ‘klassieke retorica’; het betekent hier
‘dichtkunst’.
21
Juist deze harmonisch-fictionele poëzieopvatting zou een
vruchtbare bodem blijken te zijn voor de inspiratietheorie, zoals die was
ontwikkeld door de neoplatonici. Iets daarvan lijkt al aanwezig bij
De Castelein, zij het dat die nog volgens middeleeuwse
traditie de Heilige Geest als inspirator noemt. Gaandeweg, met name via het
werk van de Franse Pléiade, zouden de nieuwe inspiratieleer en de
bijbehorende mythologie van Apollo, de Muzen en de Parnassus aan bekendheid
winnen. De Muzen-beeldspraak is terug te vinden in enkele belangrijke teksten
die de doorbraak van de renaissance in de Nederlandse letterkunde markeren.
22 In de bundel spelen van het Antwerpse landjuweel van 1561 vergelijkt
een anonieme auteur (vermoedelijk
Willem van Haecht of
Willem Silvius) Antwerpen met de Parnassus
en spreekt hij de hoop uit spoedig een Nederlandstalige
Petrarca en
Ronsard te mogen verwelkomen.
23 Ook in de overgangsbundel
Den Hof en Boomgaerd der Poesien van
Lucas d'Heere wordt nadrukkelijk verwezen naar de
goddelijke inspiratie.
24 Nu is het natuurlijk niet zo dat elke
verwijzing naar de Muzen duidt op bekendheid met neoplatoonse opvattingen over
het dichterschap: het beeld zou spoedig een gemeenplaats worden. Maar in de
late zestiende eeuw, wanneer de mythologie ter discussie komt te staan en
iemand als
Coornhert de fabel van de Muzen expliciet verwerpt, is het
noemen van de zanggodinnen wel een vingerwijzing in de richting van een
harmonische poëzie-opvatting.
25
Lucas d'Heere was een overgangsfiguur die weliswaar
vernieuwde, maar nog niet rechtstreeks aansloot bij de Pléiade. Die stap
zette
Jan vander Noot. In zijn werk evolueert de oude,
harmonisch-fictionele stroming tot een renaissancistische poëtica naar
Frans voorbeeld, inclusief de neoplatoonse aspecten daaruit. Klank en versvorm
bepalen nog steeds het wezen van de dichtkunst, al worden dubbelrijm en
referein, naar voorbeeld van
Ronsard, vervangen door alexandrijn en sonnet.
26
Een rustige kennismaking met deze hele en halve noviteiten was de
Nederlanden niet gegund: de Opstand dompelde het land inmiddels in ellende.
Vander Noot vluchtte naar Engeland en gaf daar, in
ballingschap, zijn eerste bundels uit. Natuurlijk was de oorlog in zekere zin
een stok in het wiel van de literaire vooruitgang, maar aan de andere kant
gaven de ballingschappen de - internationale - betrekkingen tussen geleerden en
dichters een impuls. Vanaf 1574, na de meest kritieke fase in de Opstand,
konden Holland en Zeeland beginnen aan het herstel. Ook het gewone literaire
leven kwam weer op gang (de produktie van verzetsliteratuur | | | | had
natuurlijk niet stilgestaan) en net als op het politieke en godsdienstige vlak
traden daarbij belangrijke verschuivingen op. Holland nam het voortouw en
nieuwe namen kwamen de Nederlandse letterkunde verrijken. Een belangrijke
nieuwkomer was
Jan van Hout. In 1577 blies hij de Leidse rederijkerij
nieuw leven in; in 1578 organiseerde hij de eerste grote rederijkerswedstrijd
sinds jaren.
27 Kort daarop
schreef hij zijn ‘Voorrede’.
| |
Van Houts poëtica
Keren we nu, met kennis van de literaire ontwikkelingen, terug
naar die ‘Voorrede’, dan blijkt Van Houts tekst een beknopt, maar
goed doordacht poëticaal programma te bevatten.
Van Hout zet zijn ideeën uiteen aan de hand van
vier hoofdpunten, namelijk: de onkunde van de massa op het terrein van de
kunst; de ware kunstenaar en kunstbeoordelaar; de aard van de poëzie
afgezet tegen de retorica; en tenslotte een aantal technische aspecten van het
dichterschap.
Eerst de onkunde van de massa. In Van Houts ogen was het gros van
zijn tijdgenoten wegens een gebrek aan geleerdheid en kennis niet in staat de
ware dichtkunst, dat is ‘constige, geleerde poëziën’, te
herkennen of te waarderen. Geleerdheid, aldus
Van Hout, werd ‘weynich geouffent ende
geacht’ en er verscheen dan ook vrijwel geen literatuur van betekenis.
Het volk had zich daardoor nooit kunnen oefenen in de kunstkritiek. Overigens,
zo voegt hij daaraan toe, gold ook al voor de bevolking van de Oudheid dat zij
niet tot oordelen in staat was, ondanks het feit dat men zich toen toch omringd
wist met kunst van het hoogst denkbare niveau. Om zijn stelling te onderbouwen
geeft Van Hout vier voorbeelden van achtereenvolgens een redenaar, een
‘constich floytspeelder’, een ‘zonderling constich
beeltsnider’ en een ‘geschicten poëet’ (de volgorde is
niet willekeurig, de waarde van de genoemde kunsten vertoont een stijgende
lijn). Het publiek uit de Oudheid bleek niet in staat hun verrichtingen naar
waarde te beoordelen. Deze vier voorbeelden indachtig, moet de meerderheid van
Van Houts tijdgenoten zeker onoordeelkundig worden geacht. Die onkunde blijkt
trouwens ook zonneklaar uit hun geringe achting voor hun moedertaal, het
Nederlands.
Vervolgens komt
Van Hout op het tweede punt: wie schrijven dan goede
poëzie en aan wie is dat ter beoordeling? Hij kon natuurlijk moeilijk
volstaan met de vaststelling dat hij zelf tot het goede slag dichters behoort.
Toch komt hij daar, op een indirecte manier, wel op uit: namelijk door
duidelijk te maken, dat hij zich onderscheidt van díe rederijkers, die
zich een stuk in de kraag drinken, in taveernen rondhangen en aanstootgevende
verzen schrijven.
28 Zelf
beweert Van Hout alleen te dichten in zijn schaarse vrije tijd. Behalve een
bescheidenheidstopos is dit een handig ingeklede vingerwijzing naar eigen
deugdzaamheid. Een ware dichter vervult zijn maatschappelijke plichten, gaat
zich niet te buiten en schrijft geleerde verzen, die niet indruisen tegen het
fatsoen en ‘geen maechden-oren schadelicken noch schandelicken’
zijn. De ware dichter is deugdzaam, wijs en zedig.
Bij het aanwijzen van geschikte kunstbeoordelaars bewandelt
Van Hout hetzelfde pad. Hij is niet overtuigd van de
waarde van zijn eigen gedichten, maar de al genoemde rederijkers hadden
ongunstig over zijn werk geoordeeld en dat had hem, indachtig de aangehaalde
gevallen van kunstbeoordeling door de bevolking van de Oudheid, op het idee
gebracht dat zijn werk wel eens een uitgave waardig kon zijn. Het oordeel over
zijn poëzie legt Van Hout verder in handen van deskundigen, te weten de in
de aan- | | | | hef genoemde leden van het ‘Gezelschap’. De mening
van dit kleine groepje schrijvers van Neolatijnse en Nederlandse poëzie
uit de Leids-universitaire kring en andere liefhebbers van de moedertaal zal
voor hem meer betekenen dan het commentaar van de onoordeelkundige massa
drinkebroers en rederijkers.
Van Hout zet zijn betoog opnieuw kracht bij met een
aan de klassieken ontleend verhaal. Toen
Antimachus Clarius zijn poëzie in het openbaar
voordroeg, keerde het publiek hem massaal de rug toe en liet hem alleen, er
bleef slechts één luisteraar over:
Plato. De dichter liet zich niet weerhouden en zei:
‘Ic zal evenwel mit myn lezen voortgaen, want alleen Plato mi zo veel es
als de gantsche gemeente’. Mooier had Van Hout zijn elitaire
poëzieopvatting niet kunnen illustreren. Slechts zeer weinige, verstandige
mensen kunnen het werk van de ware dichter op waarde schatten.
In de dan volgende passage van de ‘Voorrede’ gaat
Van Hout dieper in op het derde hoofdpunt, waarbij hij
het wezen van de poëzie afzet tegen dat van de retorica. Ten onrechte,
stelt hij, wordt de dichtkunst aangeduid als ‘const van retoriken’;
poëzie en retorica hebben namelijk niets met elkaar te maken. Poëzie
is van alle kunsten de ‘alderedelste ende beste’; zij is zeer oud
en van goddelijke oorsprong, zoals blijkt uit het dichterschap van
Mozes en David. Als oudste niet-bijbelse dichters
noemt hij Orfeus, de mythische zanger die stenen liet dansen en die zelfs de
dood - tijdelijk - overwon met zijn poëzie, en hij noemt ook
Homerus en
Hesiodus. De dichter verwerft met zijn grote
geleerdheid roem en aanzien; verder koppelt Van Hout poëzie aan muziek en
zang. De retorica is een veel jongere kunstvorm: zij werd ontwikkeld door de
Grieken en is dus het werk van mensen. Retorica kan eervol zijn - als
voorbeelden noemt Van Hout
Demosthenes en
Cicero -, maar het kan ook misgaan, zoals blijkt uit
twee aangevoerde voorbeelden uit de oudheid. Het eerste handelt over een
conflict tussen Romeinse filosofen en retoren. De Raad van de stad grijpt in en
besluit, met het oog op het algemeen belang, de retorica te verbieden. In het
tweede voorbeeld wordt de retorica eveneens uit Rome gebannen, ditmaal op last
van verontruste ouders, die het retorica-onderwijs bestempelen als een
nieuwigheid die ‘ons niet behaechlic, noch dunct ons niet recht te
wezen’. Jan van Hout plaatst poëzie en retorica tegenover elkaar als
deugd en (potentiële) ondeugd. Retorica is dus een
‘middelbare’ vaardigheid: mits uitgeoefend door een deugdzaam mens,
brengt zij eer, maar in verkeerde handen kan zij tot bedrog leiden.
Tenslotte bespreekt
Van Hout enkele technische aspecten van het
dichterschap, waarbij hij de nadruk legt op metriek en versvormen. Het gebruik
van de alexandrijn moest aan Van Houts werk ‘een zekere mate’
geven, ‘yegelycke sillabe op zyn juyste gewichte comende’. Eerder
in de ‘Voorrede’ had Van Hout al enkele malen een nauwe band tussen
poëzie en muziek gesuggereerd. Zo zegt hij over de dichter
Eumolpum, dat deze zijn poëzie ‘mit een
zonderlinge conste tevoren zong’ en over Mozes en
David, dat zij hun psalmen en lofzangen ‘poëtelicken
gezongen’ hebben. Van Hout denkt hier geheel in de lijn van de muzikale
en harmonische poëzie-opvatting, die leerde dat het luisteren naar ware
poëzie de menselijke ziel in harmonie moest brengen met de goddelijke orde
van de kosmos. Tenslotte kondigt hij aan zich te willen oefenen in nieuwe
versvormen als sonnetten en epigrammen.
Overzien we de inhoud van de ‘Voorrede’, dan kunnen we
vaststellen dat Van Houts poëtica een neoplatoonse inslag heeft.
Dichtkunst is voor
Van Hout een elitaire zaak, door en voor een klein
publiek. Het schrijven van poëzie is geen aan te leren vaardigheid en
heeft niets met retorica te maken. Over inspiratie wordt in de
‘Voorrede’ helaas niet veel gezegd, | | | | maar twee gedichten
die
Van Hout in dezelfde tijd schreef laten op dit punt
weinig ruimte voor onduidelijkheid omtrent zijn opvattingen. Zowel in het
openingsvers van zijn eigen album amicorum als in de rederijkerskaart van 1578
richt Van Hout zich tot de Muzen, in mythologische beelden die een sterke
affiniteit met de inspiratieleer verraden.
29
| |
Wat wist Van Hout?
Alvorens in te gaan op belang en invloed van de
‘Voorrede’, moet eerst de vraag aan de orde komen, hoe
Jan van Hout aan zijn ideeën kwam. Theoretisch is
het niet ondenkbaar, dat hij rechtstreeks uit
Plato geput zou hebben - als
Coornhert kon beschikken over de door
Ficino becommentarieerde werken van Plato, kon Van
Hout dat ongetwijfeld ook.
30 Het is echter aannemelijker, dat Van Hout
zijn ideeën opdeed langs indirecte, al dan niet literaire wegen. Waar
precies haalde hij zijn in de ‘Voorrede’ geëtaleerde kennis
vandaan? Weliswaar zijn in
Polydorus Vergilius'
De rerum inventoribus, een belangrijke door Van
Hout gebruikte bron, bijna alle hoofdpunten uit de ‘Voorrede’ terug
te vinden, maar gezien de selectieve en kritische manier waarop hij met deze
bron omspringt, is het zeker dat Van Houts kennis veel breder moet zijn
geweest.
Ongetwijfeld was hij al vroeg goed thuis in de bestaande
rederijkersliteratuur. Zijn vader,
Cornelis Meesz van Hout (1516-1595), was immers lid en
vermoedelijk zelfs jaren lang factor van de Witte Acoleyen. Hij
was een verdienstelijk auteur en bleef tot op zeer hoge leeftijd de
ontwikkelingen op de Amsterdamse boekenmarkt volgen (‘Esser wat nieuws,
tzi van const of om te lesen, zo zend mi wat, schrivende de prys van
dien’).
31
Uitgaven als De Casteleins
Const van Rhetoriken zal de oude Van Hout, als
hij daartoe de kans kreeg, zeker hebben aangeschaft en daarmee bereikbaar
hebben gemaakt voor zijn zoon. In 1561 bezocht
zoon Van Hout (in het kielzog van zijn vader?) het
Antwerpse landjuweel. Hij ontmoette er niet alleen zijn aanstaande vrouw, maar
kwam tevens in aanraking met vooraanstaande rederijkers; toen Van Hout in 1578
een rederijkerswedstrijd uitschreef in Leiden, maakte hij dankbaar
gebruik van deze contacten.
32 Of het nu
Willem van Haecht of drukker
Willem Silvius was die de gedrukte Antwerpse spelen van
hun vernieuwende inleiding voorzag:
33 in beide gevallen staat het vast dat
Jan van Hout de schrijver persoonlijk kende, zo niet al
sinds 1561, dan toch in elk geval op het moment dat hij de
‘Voorrede’ schreef (Van Haecht deed mee aan de Leidse
dichtwedstrijd van 1578 en Silvius was sinds 1577 Leids universiteitsdrukker).
34 Verder
staat vast dat Van Hout het werk van
Lucas d'Heere kende; mogelijk geldt hetzelfde voor de
poëzie van
Jan vander Noot.
35
Toch was het niet in de eerste plaats via
Vander Noot, dat
Van Hout kennis maakte met de Pléiade en het
renaissance-platonisme; die kennismaking verliep namelijk, zoals al
herhaaldelijk is opgemerkt, via
Jan van der Does ofwel
Janus Dousa. De vriendschap tussen Dousa en Van Hout
dateerde uit de bange dagen van het Leids Beleg, toen Dousa het bevel voerde
over de stadsverdediging en, net als Van Hout, de stad tot elke prijs wilde
dichthouden. De invloed van Dousa is in hoge mate bepalend geweest voor Van
Houts literaire ideeën. Dousa had in 1565 en 1566 in Parijs gestudeerd bij
Jean Dorat. Dorat was mentor van
Ronsard en andere Pléiade-dichters en Dousa zat
dus aan de bron; hij kende het werk en de literaire theorie van Ronsard,
Du Bartas en anderen uit eerste hand. Dousa bracht een
grote hoeveelheid moderne Franse poëzie mee naar Holland en bouwde zo een
brug voor Van Hout naar de ‘Francoyzen’ | | | | met hun
alexandrijnen en neoplatonisme.
Dousa en
Van Hout droegen poëzie aan elkaar op en toen Van
Hout in 1578 of 1579 bij de Staten van Holland octrooi aanvroeg voor de uitgave
van zijn Nederlandse gedichten, was Dousa zijn voorspraak.
36
Ook de betrekkingen tussen de Nederlanden en Engeland zijn van
betekenis geweest, zoals Van Dorsten heeft laten zien. Gedurende de eerste
jaren van de Opstand bood Engeland niet alleen gastvrijheid aan duizenden
Nederlandse bannelingen, onder wie bijvoorbeeld
Jan vander Noot (de jonge
Spenser zou enkele van zijn verzen vertalen). Ook was er
druk diplomatiek contact tussen de Opstandelingen en het Engelse gezag.
Janus Dousa stak in 1572 het Kanaal over als
ambassadeur. Tijdens zijn verblijf in Engeland vervulde hij niet alleen
ambtelijke plichten, maar hij verzamelde ook literatuur en hernieuwde zijn
contacten met
Daniel Rogers, een studievriend uit zijn Parijse jaren.
Toen Holland zich eenmaal vrijgevochten had, bleven de opgebouwde contacten
bestaan. Met name de Leidse universiteit onderhield gedurende de jaren zeventig
en tachtig sterke banden met Engeland, waarbij Rogers een hoofdrol speelde.
Deze Leids-Engelse contacten zijn niet aan
Jan van Hout voorbij gegaan en hebben bijgedragen aan
zijn letterkundige ontwikkeling. Via Engelse kanalen kon hij beschikken over
handschriften van nog niet gepubliceerd werk van
Buchanan. In 1585 begon Van Hout Engels te leren, om mee
te kunnen praten tijdens het bezoek van Leicester en diens gevolg aan de
Nederlanden. Het was ook Van Hout, die voor een feestelijk onthaal zorgde van
Leicester in Leiden op 12 januari 1586; tijdens het verblijf van
de Engelse gasten bood Van Hout gastvrijheid aan niemand minder dan
Sir Philip Sidney. Van Dorsten wees al op de
overeenkomsten tussen de ‘Voorrede’ en Sidney's - later geschreven
-
An Apology for Poetry. Of Van Houts kennis van
het Engels ooit gedegen genoeg was om de poëzie van Sidney of Edmund
Spenser te kunnen lezen, valt helaas niet na te gaan.
37
Tenslotte wijs ik nog op de mogelijke invloed op
Van Hout uit de omgeving van
Christoffel Plantijn. Van Hout ontmoette Plantijn voor
het eerst in 1579, dus direkt na het ontstaan van de ‘Voorrede’; de
twee sloten vriendschap. In 1583 zou de aartsdrukker, op verzoek van
Lipsius en
Dousa, zich als universiteitsdrukker en opvolger van
Silvius in Leiden vestigen.
38 In het
milieu van Plantijn bestond een grote belangstelling voor onder andere het met
neoplatoonse ideeën doordrenkte
Corpus Hermeticum. Deze ook in de kring van de
Florentijnse Academie geliefde en door
Ficino uit het Grieks in het Latijn overgezette teksten
werden rond 1580 door een onbekende vertaald in het Nederlands. De vertaler
moet een bekende zijn geweest van Plantijn; de vertaling is nooit in druk
verschenen.
39 Door zijn omgang met Plantijn kan Van Hout zijn
ideeën hebben verdiept.
| |
Van Houts ideeën in de praktijk
Het spreekt vanzelf dat Van Houts literaire ideeën, zoals
verwoord in de ‘Voorrede’, van invloed waren op zijn eigen
poëzie. Nu kan het geen kwaad hierbij vooraf op te merken dat, zoals
vaker, de praktijk minder verheven is dan de hooggestemde theorie: wie ooit een
kladversie van een gedicht van
Van Hout onder ogen heeft gehad, weet dat er op dit
werk geploeterd is, alle inspiratie ten spijt. Toch is er wel degelijk
beïnvloeding, maar wie wil nagaan hoe Van Hout zijn ideeën in de
praktijk uitwerkte, wordt direct geconfronteerd met een inmiddels bekend
probleem: Van Houts literaire nalatenschap is spoorloos. De weinige teksten die
in klad- | | | | handschrift bewaard zijn, geven niet meer dan een indruk; het
is bovendien de vraag of dit werk representatief is. Het is niet meer dan een
schrale troost, te weten dat het verlies van zijn overige poëzie nu wel
min of meer te verklaren is. Immers:
Jan van Hout schreef zijn gedichten niet voor de
onoordeelkundige massa. Zijn werk circuleerde - in handschrift - in een
uitgelezen gezelschap van geleerden, vrienden en bekenden en kennelijk heeft
Van Hout van publikatie willen afzien.
Toch is
Van Hout omstreeks 1578 bezig geweest met een
mogelijke uitgave. Hij stelde zelfs een octrooiaanvraag op, waarin hij de
Staten van Holland toestemming vroeg zijn gedichten te mogen drukken en
publiceren. Of hij de aanvraag heeft doorgezet valt niet meer na te gaan; in
elk geval is het nooit tot een uitgave gekomen. Het achterwege blijven van de
publikatie kan nauwelijks veroorzaakt zijn door praktische bezwaren. Jan van
Hout staat niet bepaald bekend als iemand die zich van eenmaal voorgenomen
plannen liet afbrengen, zeker niet wanneer hij de uitvoering daarvan in eigen
hand had en dat was met de uitgave het geval: deze zou door Van Hout zelf
vervaardigd worden in zijn ‘stadhuisdrukkerij’. Bovendien kon hij
rekenen op steun van zijn vrienden
Janus Dousa en
Cuenraet de Rechtere. Het lijkt er dus op, dat Van
Hout bewust heeft afgezien van uitgave en we zullen hem serieus moeten nemen,
wanneer hij zijn handschriften nalaat aan
Petrus Bertius met de opdracht ze niet uit te geven
maar hoogstens onder goede vrienden te laten circuleren.
40 De
nalatenschap is sindsdien onvindbaar. Overigens ontkent Van Hout in zijn
testament ooit plannen te hebben gehad voor een uitgave.
Van de weinige wel overgeleverde teksten is het
Loterijspel het meest omvangrijk. Dit toneelstuk,
geschreven in het voorjaar van 1596 en op 27 mei van dat jaar opgevoerd door de
Leidse rederijkerskamer de Witte Acoleyen ter bevordering van de
grote Leidse gasthuisloterij, is om meerdere redenen uniek en vernieuwend.
41 Het is in dit kader niet mogelijk
een analyse te geven van het Loterijspel; ik volsta er mee op te merken
dat het spel, anders dan de comedies van
Coornhert, geen retorisch-argumentele opbouw kent.
In plaats van te werken met voorschriften uit de retorica, koppelt Jan van Hout
zijn personages aan de vier elementen en werkt hij met hiërarchieën
en analogieën.
42
Eén van de hoofdpunten uit de poëtica van
Van Hout betrof het muzikale aspect van de dichtkunst.
Het was in dat kader, dat Van Hout zich opwierp als voorstander van het
schrijven in een vaste ‘mate’. Hij bekwaamde zich, naar Frans
voorbeeld, al vroeg in het schrijven van alexandrijnen; bovendien zette hij
anderen aan hem hierin te volgen. Zo verspreidde hij zijn kennis in brede
rederijkerskring en verwierf als vernieuwer van de dichtmaat de lof van vele
tijdgenoten.
43
Een ander punt dat hier kort aan de orde dient te komen, is Van
Houts relatie tot de rederijkers.
Jan van Hout was nooit factor van de Leidse Witte
Acoleyen, hij staat zelfs nergens officieel geregistreerd als lid. Toch
was hij onmiskenbaar degene, die het literaire leven van de kamer domineerde;
men hoeft maar te denken aan de Leidse wedstrijden van 1577, 1578 en 1596 of
aan de festiviteiten in de stad tijdens de bezoeken van
Leicester (1586) en
Maurits (1594). Een verklaring ligt ook in dit geval
besloten in Van Houts opvattingen over literatuur. Literair talent was in zijn
ogen een gave, een genadegift aan een kleine groep van ingewijden en zeker geen
vaardigheid die men door gezamenlijke oefening kon leren. De verschillen op dit
punt met
Spiegel, die wel lid was van en optrad namens de
Amsterdamse Eglentier, zijn treffend. Overigens was Van Houts
oordeel over de rederijkers minder ongenuanceerd dan de
literatuurgeschiedenissen willen doen geloven. De harde uitspraken over
rederijkers in de | | | | ‘Voorrede’ en in de ‘Opdracht
aan Broer Cornelis’ richten zich tegen die lieden, die ondanks een
dubieuze levenswandel en een gebrek aan kennis pretenderen dichters te zijn en
tegen de quasi-poëten die niet verder komen dan rijmfoefjes en
naschrijverij. Van Houts woorden mogen niet gelezen worden als een algemene
veroordeling; hij wilde zich niet ontdoen van de rederijkerij, maar haar
veranderen en omvormen naar zijn eigen inzichten.
Tenslotte nog een kleinigheid: in de prentverzameling van het Leidse
Gemeentearchief (GAL, PV, inv. nr. 52353) bevindt zich een klein portret van
een man met de initialen I.V.H. Verder draagt de kopergravure het jaartal 1596,
het randschrift L'HOMME, APRES SON AME N'A RIEN PLVS PRECIEVX QVE BONNE
RENOMMEE en als onderschrift: PLATON A LAISSE PAR ESCRIT QV'IL N'Y A HOMME SI
HEVREVX, QVI PVISSE SÇAVOIR TOVTES CHOSES. Het prentje is, met de nodige
voorzichtigheid, ooit al beschreven als een mogelijk portret van
Jan van Hout. Nu blijkt uit de ‘Voorrede’,
dat Van Hout zijn reputatie inderdaad van groot belang achtte en ook het
Plato-citaat zou in zijn richting kunnen wijzen. Toch
blijft de identificatie zeer onzeker; de overeenkomsten met het bekende portret
door
Swanenburch uit 1606 zijn zeer zwak en geen van de
afbeeldingen is op waarheidsgetrouwheid te controleren.
| |
Het ‘Gezelschap’ van Jan van Hout
Jan van Hout richtte zijn ‘Voorrede’ tot
een zeker ‘Gezelschap’ dat bestond uit mensen, die zich aan de
Leidse universiteit bezig hielden met Neolatijnse en Nederlandse poëzie en
andere liefhebbers van de Nederlandse taal. Harde gegevens over deze
vergadering, haar leden en de aard van de bijeenkomsten ontbreken. Vast staat,
dat we niet moeten denken aan een gereglementeerde kring. Het Gezelschap zal
eerder hebben bestaan uit een ongebonden stel vrienden, die elkaar met enige
regelmaat troffen.
44 De
bijeenkomsten bestonden vermoedelijk uit informele maaltijden, waarbij de
deelnemers spraken over literatuur. Ze droegen voor uit eigen werk; misschien
ondernamen ze gezamenlijke vertaalprojekten.
45
Van één deelnemer aan de bijeenkomsten kunnen we
zeker zijn:
Janus Dousa. Er bestaan twee versjes van zijn hand,
gericht ‘Ad socios’.
46 Verder refereert Dousa
in zijn gedichten enkele malen aan gezamenlijke maaltijden. Eénmaal
grapt hij over Van Hout, nadat deze enkele malen te laat aan tafel verscheen.
47
Justus Lipsius, die in 1578 naar Leiden
kwam en van mei tot augustus dat jaar bij Van Hout in huis woonde, noemt ook
die gezamenlijke ‘literaire’ maaltijden in een van zijn brieven.
Hij schrijft:
Veelvuldig waren onze gesprekken, vaak aten wij samen, maar
steeds binnen de grenzen van de gematigdheid en bescheidenheid. Bij het eten
wisselden wij een zwaarwichtig relaas af met een aangenaam verhaal; zeer vaak
lazen wij uw verzen voor,
Dousa, zeer vaak die van U,
Van Hout. Op die manier beproefden wij de zware
publieke en privé-bekommernissen te vergeten. Beiden zijn jullie
‘principes’, vorsten onder de dichters, maar in een verschillend
genre. U, Dousa, volgt de oude weg en gebruikt de oude taal, U, Van Hout, volgt
liever een nieuwe weg en gebruikt onze taal.
48
Ook
Lipsius deed dus mee, al zal zijn inbreng wat betreft
de Nederlandse poëzie gering zijn geweest.
Veel andere getuigenissen over het Gezelschap bestaan er, voor
zover bekend, niet. Te noemen valt nog
Spiegel, die in het vierde boek van de | | | |
Hertspieghel refereert aan een Leids
‘vrienden-choor’, waar ‘hout en wint’ (= Van Houts
zinspreuk) in de juiste dichtmaat schrijft.
49
Toch lijkt het, kijkend naar de ‘Voorrede’ en de uitspraken van
Dousa en
Lipsius, wel mogelijk te suggereren, dat de kern van
het Gezelschap bestond uit het triumviraat Van Hout-Dousa-Lipsius. Elk van deze
drie vrienden zal een heel eigen inbreng hebben gehad:
Van Hout als voorvechter van poëzie in de
moedertaal,
Dousa als kenner van internationale ontwikkelingen in
de literatuur en
Lipsius als vermaard humanist en classicus. Verder zal
de dis wel bevolkt zijn door een in samenstelling en getal wisselende groep
bezoekers. Er is al vaak gewezen op het groepje studenten dat in 1581 bij Van
Hout in huis woonde: naast zijn eigen zoon
Bartholomeus waren dat
Jacob Walraven,
Jan van Rijswijc,
Dirk van Liefvelt en
Winant Micault. De meesten van hen waren in hoge mate
geïnteresseerd in literatuur en schreven zelf poëzie, zodat het niet
onmogelijk is, dat zij regelmatig bijeenkomsten hebben bijgewoond. Ook
Janus Gruter, die van 1579 tot 1584 in
Leiden studeerde en in die periode volgens eigen zeggen niet
minder dan 500 Nederlandse sonnetten schreef, zal wel eens van de partij zijn
geweest. Het is immers slecht voorstelbaar dat Jan van Hout, die zijn deur voor
zo velen open zette, dit literaire wonderkind ongemoeid liet: daarvoor voldeed
Gruter te goed aan Van Houts ideaal van de Nederlands-dichtende academicus.
Natuurlijk is dit gespeculeer over het ‘Gezelschap’
niet ongevaarlijk, men hoeft maar te denken aan de romantische beeldvorming
rond de Muiderkring. Toch is er in het geval van Van Houts Gezelschap nog een
belangrijke sleutel te bespreken: zijn album amicorum. Tussen 1578 en 1583
schreven 27 vrienden van
Van Hout een vers of opdracht in dit album. Natuurlijk
mag de lijst namen uit het album niet zomaar gelijkgesteld worden aan een
eventueel Gezelschap, maar er zijn wel aanwijzingen in die richting. De
inscribenten van het album waren voor het overgrote deel verbonden aan de
Leidse universiteit, waar ze zich bezighielden met Neolatijnse en Nederlandse
poëzie. Verder bevat het album bijdragen van onder andere
Roemer Visscher,
Coornhert en
Jeronimus van der Voort, figuren die niet verbonden
waren aan de universiteit, maar wel aangemerkt kunnen worden als ‘anderen
lief-hebberen der Nederlandsche sprake’. De aanhef van de
‘Voorrede’ ‘past’ dus in elk geval op de namen in het
album. Bovendien roemt vrijwel iedereen in het album Van Hout als voorvechter
van het Nederlands, een enkeling (Franciscus Modius) noemt ook
zijn inspanningen op het gebied van de metriek.
50 Onmiskenbaar is de in de ‘Voorrede’
besproken dichtkunst ook het belangrijkste onderwerp in het album; verder
onderzoek op dit punt is geboden. Tot het moment dat we kunnen beschikken over
de resultaten van dat onderzoek, blijft voorzichtigheid geboden, maar als
hypothese lijkt het niet te gewaagd te veronderstellen, dat er rond 1580 rond
Van Hout, Dousa en Lipsius een informele kring van dichters en literair
geïnteresseerden heeft bestaan.
Eén mogelijke bezoeker van die kring verdient nog wat extra
aandacht:
Jeronimus van der Voort. Het lijkt erop, dat
Van Hout enige tijd intensief met hem in contact heeft
gestaan. In oktober 1578 was Van der Voort namelijk niet alleen als deelnemer
betrokken bij de rederijkerswedstrijd die Van Hout had uitgeschreven. Uit de
stadsrekeningen blijkt, dat Van Hout al in april aan Van der Voort opdracht had
gegeven enkele spelen en vertoningen voor dit feest te schrijven, tot
‘verheughinge vande Borgeren ende Innewoonderen’ van
Leiden. Van der Voort, ‘Poeet modern’, ontving voor
zijn werk ruim elf pond.
51 In 1578 schreef Van der Voort ook een bijdrage in Van Houts album
en veel later droeg hij nog een van zijn ge- | | | | schriften op aan de
Leidse magistraat.
52 Heeft Van der Voort soms enige tijd in Leiden
gewoond?
53
| |
Tegenstand: Leiden versus
Amsterdam
Van Houts ‘Voorrede’ is, na het werk van
De Castelein,
D'Heere en
Vander Noot, een volgende stap in de ontwikkeling van
de met de neoplatoonse inspiratietheorie verrijkte harmonisch-fictionele
poëzieopvatting.
Van Hout was, voor zover bekend, de eerste Hollander
die deze ideeën verwoordde. Maar het belang van de ‘Voorrede’
reikt verder. Door de verwantschap tussen poëzie en retorica radicaal te
verwerpen, nam Van Hout op ondubbelzinnige wijze stelling tegen de
retorisch-argumentele poetica, zoals die in Amsterdamse rederijkerskring opgang
maakte. Zijn uitdaging bleef niet onbeantwoord en het gevolg was, dat twee
stromingen in de poëzie, die zich tot dan toe min of meer parallel
ontwikkelden, nu tegenover elkaar kwamen te staan.
54 Er
ontspon zich een discussie, aanvankelijk gevoerd door de voormannen van
Hollands belangrijkste cultuurhaarden Amsterdam en
Leiden, maar die gaandeweg ook in bredere rederijkerskring
doordrong.
Een belangrijk tegenstander van
Van Hout was natuurlijk
Dirk Volckertsz Coornhert. Hoewel Coornhert anno 1580
niet in Amsterdam woonde, stond hij wel in nauw contact met de
leden van de Amsterdamse Eglentier en deelde hij hun
retorisch-argumentele poëzieopvattingen.
55 Anno 1550, in de eerder
genoemde inleiding bij zijn
Comedie vande Rijckeman, had hij al te kennen
gegeven geen gebruik te willen maken van de voor de muzisch-fictionele
poëzie kenmerkende mythologie (dit belette hem overigens niet in de daarop
volgende jaren het grootste deel van
Homerus'
Odyssee te vertalen, een werk waarin het aan
‘poeetsche fabrijcken’ toch niet ontbreekt). Na 1580 kwam Coornhert
op de zaak terug, ongetwijfeld reageerde hij daarmee op Van Hout.
56 Het
duidelijkst doet hij dat in de opdracht van in 1582 gepubliceerde
Comedie van Lief en Leedt. In felle bewoordingen
verdedigt hij zijn retorische poëziebenadering en neemt hij stelling tegen
de opvattingen, zoals Van Hout die had verwoord in de ‘Voorrede’.
Het gebruik van metrum en mythologische allegorieën, inclusief het
Muzen-beeld - kenmerken van Van Houts poëtica - wijst Coornhert radicaal
van de hand.
57
Een andere tegenspeler van
Van Hout was
Hendrik Laurensz Spiegel, factor van de
Eglentier. Wellicht is de retorica-verdediging in zijn lied
Op 't Niewe Jaer 1580 al deel van het Amsterdamse
antwoord op de Leidse poetica.
58 Dat geldt vrijwel zeker voor enkele opmerkingen in het
voorwerk van het Amsterdamse ‘trivium’, dat in de jaren tachtig
verscheen. Spiegel is de vermoedelijke auteur van dit indrukwekkende project,
dat voorzag in een Nederlandstalige dialectica, grammatica èn retorica
naar klassiek voorbeeld. De opdracht van de
Twe-spraack (1584) stelt al, dat de
rederijkerskamers niet alleen het rijmen tot doel hebben. In de opdracht van de
Rederijck-kunst (1587), gericht aan alle
rederijkerskamers, stelt Spiegel:
Dat de kamers tot Rijmen alleen niet inghestelt zijn/ betuyght
behalven veel ander opmerkingen/ de Name zelf onwedersprekelijc.
59
Uit het woord ‘rederijkerskamer’ trekt
Spiegel de conclusie, dat de ars retorica onder haar
taken gerekend moet worden, terwijl
Van Hout in de ‘Voorrede’ de term retorica
voor de kameraktiviteiten juist had afgewezen | | | | en uitsluitend sprak
over ‘poëzie’. In de
Hertspieghel tenslotte wijst
Spiegel, net als
Coornhert, het gebruik van mythologie als drager van
verborgen waarheden van de hand. Wanneer hij zich al van mythologische beelden
bedient, is dat hoogstens in de vorm van leerzame exempla.
60
Een derde figuur die niet onbesproken mag blijven, is
Pieter Roemer Visscher. Net als
Spiegel was hij Amsterdammer, lid van de
Eglentier en bevriend met
Van Hout. De discussie over dichtkunst en retorica is
aan hem niet voorbij gegaan, zo blijkt uit zijn
T' lof van Rethorica. Al in de opening van zijn
gedicht bepaalt Roemer Visscher zijn lezers bij de door Van Hout opgeworpen
naamskwestie, als hij de dichtkunst als volgt introduceert:
Nu haren rechten naem en weet ick niet/
D'een seyt datse Rethorica/ d'ander Poesis hiet
61
Het gedicht van
Roemer Visscher is een lastige tekst en leidde nog
onlangs tot een discussie over de vraag, of het hier gaat om een gewoon, dan
wel om een paradoxaal lofdicht.
62 Evenals Spies zie ik voor een paradoxale lezing geen
aanleiding, maar ik meen tegelijkertijd dat haar interpretatie (een lofdicht op
de ciceroniaanse retorica) genuanceerd moet worden.
Roemer Visscher houdt zich nadrukkelijk buiten de
discussie over de terminologie poëzie-retorica. Zou, vraagt hij zich af,
iemand de geliefde van zijn dromen laten schieten vanwege haar naam?
Ick peyns wel neen ghy/ en soo soud ick mede/
Daerom wil ick sluyten een eeuwighe vrede/
En onverbreeckelijck houden dat elck sy blijckelijck/
En achten al die voor vernuftighe Sophisten/
Die om een naem/ woort/ of tittelken twisten/
En loven Rethorica Rethorijckelijck.
63
Of op grond van deze strofe gesteld mag worden dat
Roemer Visscher poëzie en retorica gelijk stelt en
dus een ‘Amsterdams’ standpunt inneemt, is de vraag. Mijns inziens
ligt de kern van
T' lof van Rethorica eerder besloten in de regel:
‘Daerom wil ick sluyten een eeuwighe vrede’ en kiest de dichter
bewust een middenpositie in het literaire debat, door zowel aspecten van de
neoplatoonse als van de ciceroniaans-argumentele poëzieopvatting naar
voren te brengen.
Na vijf inleidende strofen opent de dichter zijn lofdicht met een
invocatio van de muzen, die zijn pen moeten laten vloeien. Hiermee botst
Roemer Visscher al meteen met
Coornhert en
Spiegel, die de muzen-mythe van de hand wezen. We mogen
er zonder voorbehoud van uitgaan, dat Roemer Visscher de opvattingen van zowel
Coornhert en Spiegel als van
Van Hout kende, en dus is zijn invocatio niet zonder
betekenis. Voor Roemer Visscher was mythologie kennelijk geen taboe. Roemer
Visscher noemt de dichtkunst de grondslag voor alle overige kunsten en hij legt
zwaar de nadruk op haar goddelijke wortels: zij is een ‘strale van Godes
eeuwighe waerheyt’ en ‘vol Goddelijcke leeringhe’.
64 Nu is het
zo, dat ook vertegenwoordigers van het onversneden retorisch-argumentele
standpunt, zoals Spiegel, hun ciceroniaanse retorica boven alle andere kunsten
stelden en een goddelijke oorsprong toedichtten. Maar wanneer Roemer Visscher
schrijft:
Meest alle Propheten/ daermen of leest of hoort/
Brachten onder desen schijn de kern van Gods Woort/
Deur een sonderlinghen in-val van den rasenden Gheest:
| | | |
Sulcx deden de Poeten/ en de Rethorijckers doent noch
65
is het toch onmiskenbaar, dat hij op de inspiratieleer en de
‘furor divinus’ doelt.
66
In het vervolg van zijn gedicht hecht
Roemer Visscher aan de dichtkunst echter een centraal en
zelfs cruciaal maatschappelijk belang, door te stellen dat zij alle ondeugden,
van vorstelijke tyrannie en koopmanszwendel tot en met huiselijke twist, kan
voorkomen. Daarmee neemt hij afstand van de elitaire ideeën van
Van Hout en sluit hij aan bij de ‘utile
dulce’-eis van
Horatius. Spies onderkent in
T' lof van Rethorica bovendien invloeden van de
retorische voorschriften uit de
Progymnasmata van
Aphthonius.
67
Het lijkt mij dat Roemer Visschers literaire opvatting een amalgaam
is van ideeën. Poëzie is een kwestie van inspiratie; het gebruik van
mythologie wordt niet afgewezen.
68 Verzen mogen een zekere mate van
aangename duisterheid vertonen, dat geldt bijvoorbeeld voor de
Sinnepoppen:
Sinnepop dan is een korte scherpe reden, die van Ian alleman, soo
met het eerste aensien niet verstaen kan worden: maer even wel niet soo duyster
datmer nae raden, jae of nae slaen moet: dan eyscht eenighe na bedencken ende
overlegginge, om alsoo de soetheydt van de kerle of pit te smaecken.
69
Anderzijds vervult poëzie een belangrijke maatschappelijke rol.
Het is de taak van de dichter, zijn inspiratie aan te wenden tot nut van het
algemeen en de aangewezen weg daartoe liep via de retorica. Humor lijkt bij
Roemer Visscher een essentiële rol te spelen.
Van Hout vond niet alleen hele en halve tegenstanders
op zijn weg, hij kon ook rekenen op steun: ten eerste natuurlijk van zijn
leermeester
Dousa en andere figuren uit de Leidse universitaire
kring; die bedienden zich echter voornamelijk van het Latijn.
70 Na 1583
kreeg Van Hout een belangrijke Nederlandstalige medestander: in dat jaar
vestigde
Karel van Mander zich in Haarlem. Van
Mander nam zijn muzisch-fictionele poëzieopvatting wellicht al mee uit
Vlaamse kring. In Holland sloot hij vriendschap met Van Hout; hij was
nadrukkelijk aanwezig op de door Van Hout in 1596 uitgeschreven Leidse
rederijkerswedstrijd. In zijn rond 1600 verschijnende werk zou Van Mander zich
ontpoppen tot een belangrijk voorman van de harmonisch-fictionele poëzie.
71
De gevoerde discussie had overigens zeker geen vijandig karakter: de
belangrijkste deelnemers (Coornhert,
Van Hout,
Spiegel,
Roemer Visscher) waren onderling bevriend. Hun discussie
had het karakter van een intellectueel steekspel, waarbij de vriendschapsbanden
zeker niet in gevaar kwamen. De tegenstellingen waren bovendien niet zwart-wit.
Coornhert wilde aanvankelijk niets weten van het door Van Hout gepropageerde
metrum, terwijl Spiegel Van Hout juist prees om zijn inspanningen op dat punt.
72
En Roemer Visscher mocht dan de inspiratietheorie aanhangen, tegelijkertijd
bleef hij ongevoelig voor het muzikale aspect van poëzie (‘Musica
can niet dan stameren en bauwen’):
73 hij negeerde de
harmonieleer en bleef in de oude, vrije of ‘Hollandse mate’
schrijven. Van Hout op zijn beurt vond in de eigen Leidse kring weinig
weerklank voor zijn pleidooi voor de moedertaal, daarvoor moest hij in
Amsterdam zijn.
| | | | | |
Voortzetting en verbreding van het debat
Was het literaire debat over retorica en retorica-waardering
aanvankelijk een zaak van enkele vooraanstaande auteurs, rond de eeuw-wende
kreeg de discussie een wijder bereik en drong door in brede rederijkerskring.
In 1598 kwamen rederijkers voor een wedstrijd bijeen in Rotterdam.
De teksten van deze refereinwedstrijd verschenen in 1599 in druk. In het
voorwoord van de bundel nemen de leden van de Rotterdamse Blaue
Acoleyen de verdediging van de retorica op zich. Zij stellen dat de
retorica:
nochtans soe nootsaeckelick is (als geensins de gerinste zijnde
vande seuen vrye Consten) datse de Griecken (waer van
Empedocles deser loflicker Conste d'eerste Inuenteur
is) bouen al in weerden gehouden/ ende verheuen hebben/ […] waer uyt
genoechsaem blijct/ dat dese loflick[e] Redenrijcke const gheen nieuwe noch
lichtvaerdighe Inuentie, maer een oude vermakelicke/ dienstlicke ende
stichtlicke nutte conste is
74
Empedocles gold als grondlegger van de klassieke
retorica (Van Hout noemde hem ook in die functie), en het is
duidelijk dat de Rotterdamse kamerbroeders zich verweren tegen de bekende
verwijten aan het adres van de retorica.
Een weerwoord liet niet lang op zich wachten. In 1603 vond in
Schiedam de volgende grote wedstrijd plaats, ten behoeve van het
weeshuis. Ook de teksten van deze rederijkersbijeenkomst zijn gepubliceerd. Het
voorwoord van de Schiedamse bundel lijkt geformuleerd als reaktie en directe
aanval op de Rotterdammers. Het lijkt wel of
Van Hout aan het woord is:
DAt de loflijcke ende konst rijcke Poësis (t'onrecht van
vele Rhetorica ghenaemt) waerdich is van alle menschen in goede achtinghe
gehouden te worden/ en kan niemant met reden eenichsins begaeft/
ontkennen: Want roepet niet zelfs den aert deser kennisse genoechsaem wt/ de
edelheyt der selver? dewelcke alsoo gestelt is/ dat
Plato te rechte (als ooc mede
Seneca) getuyget: Frustra compotes sui fores
Poëticas pulsare, willende ons aenwijsen/ dat niemant tot de Poesie
bequaem zij/ dan de gene die zoo zeer niet met hun natuerlijc verstant
arbeyden/ als van eenen hoogeren geest werden gedreven
75
Het
Plato-citaat is afkomstig uit de
Phaidros, maar wordt hier aangehaald uit
Seneca.
76 Het oordeel over de retorica valt, zoals te
verwachten was, ongunstig uit:
zoo zien wy ooc noch hedensdaechs/ dat zommige onder Rhetorices
decmantel/ niet alleen ghemeene menschen/ niet alleen elckanderen/ niet alleen
d'Overicheyt in hun ampt/ ende beroep lasteren ende schelden/ maer dat meer is/
zelfs mette ghemeente Godes ende den Godts-dienst spotten ende schimpen
77
Het lijkt onmiskenbaar, dat de anonieme auteur van deze inleiding,
een rederijker uit de provincie, kennis had genomen van het literaire debat in
Leiden en Amsterdam.
| | | | | |
Slot
De verhouding dichtkunst-retorica zou nog lang een veelbesproken
onderwerp blijven, ook aan de literaire top. Zo verwoordde
Daniël Heinsius, sinds 1603 hoogleraar in
Leiden, bijvoorbeeld aanvankelijk poëticale opvattingen die
geheel uit de geest van het neo-platonisme stamden. Na 1609 sloeg hij,
misschien onder invloed van
Vossius'
Oratoriae Institutiones, een nieuwe richting in
en begon hij ook waardering te tonen voor de grammatici en retorici - een
ontwikkeling die verder buiten het bereik van deze inleiding valt.
78 Ook latere zeventiende-eeuwse auteurs lieten zich niet onbetuigd.
79
Heinsius geldt als degene, die de Noordelijke
Nederlanden liet kennismaken met de poëzieleer van het neoplatonisme; al
zou
Van Mander reeds een voorzet hebben gegeven.
80 Dit is een voorstelling
van zaken, die waar is, in zoverre Heinsius de eerste was die zijn kennis en
theorieën rechtstreeks en systematisch uit de bronnen (Plato,
Ficino) putte. Onwaar is zij, wanneer we ook indirekte
kennismaking, bijvoorbeeld via de Pléiade, laten meewegen. In dat geval
lopen de lijnen ruim twintig jaar verder terug in de tijd, om uit te komen bij
Dousa en
Van Hout (mogelijke invloed van
Vander Noot nog buiten beschouwing gelaten). Het
belang van met name Van Hout mag niet worden onderschat: door zijn radicale
uitspraken en zijn contacten met belangrijke auteurs in Amsterdam
en Haarlem, moet hij zeker hebben bijgedragen aan de literaire
theorievorming. Jan van Hout was een van de meest centrale figuren uit het
letterkundig leven van zijn tijd en de ‘Voorrede’ is een
sleuteltekst, zowel voor onze kennis van de literator Van Hout, als voor de
literaire ontwikkelingen, die zich gedurende het laatste kwart van de zestiende
eeuw in Holland voordeden.
|
*Het is hier de plaats Dr. Marijke Spies van
de Universiteit van Amsterdam te bedanken. Tijdens het schrijven van deze
inleiding bleek dat de beoogde inhoud voor een deel zou samenvallen met enkele
van haar artikelen-ter-perse. Ik mocht deze artikelen inzien in typoscript en
was zo in staat te profiteren van haar kennis en inzichten. Met name haar
‘Developments in 16th-century Dutch poetics: from
‘rhetoric’ to ‘renaissance’ gaf veel steun.
Uiteraard verwijs ik via de noten steeds naar deze artikelen.
JK.
1J. Prinsen: ‘Bronnen voor de kennis
van leven en werken van Jan van Hout’. In: TNTL 22 (1903),
p. 224;
O Muze, kom nu voort. Ontluikende renaissance.
Ed. M.C.A. van der Heijden. 3de druk. Utrecht [etc.], 1974, p.12.
2G.P.M. Knuvelder:
Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse
letterkunde. Dl. 2. 6de druk. 's-Hertogenbosch, 1977, p.
47.
3J. Koppenol: ‘In mate volget mi:
Jan van Hout als voorman van de renaissance’. In:
Spektator 20 (1991), pp. 55-85, m.n. pp. 56-63.
4Het hier gegeven overzicht is noodgedwongen
zeer beknopt. Ik besef dat literatuurhistorici er weinig nieuws in zullen
vinden; het stuk is bedoeld voor wie niet bekend is met de retorica.
Inleidingen tot de retorica zijn: P. Dixon:
Rhetoric. London, [1977] en A.D. Leeman en
A.C. Braet:
Klassieke retorica. Haar inhoud, functie en
betekenis. Groningen, [z.j.]. Zie voor de verhouding
retorica-poëzie ook: S.F. Witstein:
Funeraire poëzie in de Nederlandse
renaissance. Assen, 1969, pp. 16-53.
5Zie voor de problematische datering P.O.
Kristeller: ‘The first printed edition of Plato's Works and the
date of its publication (1484)’. In: Science and History:
Studies in honor of Edward Rosen. Studia Copernicana 16, Wroclaw, 1978,
pp.25-35.
6Nam quid aliud rhetoris officium quam mentiri,
decipere, circumvenire, praestigiari? Est enim vestrum, ut dicitis, posse pro
arbitrio in candida nigrum vertere, in nigra candidum, posse quaecunque vultis
tollere, abiicere, amplificare, extenuare, dicendo. In: I. Picus Mirandulus:
Opera Omnia. 2 dln. Basel, [1572-1573]. Zie dl. 2, p. 352. Ex. UB L, 683
A 10-11.
7Zie hiervoor Q. Breen:
Christianity and Humanism. Studies in the History of
Ideas. Michigan, 1968, pp. 1-68. Breen bespreekt de briefwisseling
Pico-Barbaro en de reaktie van Melanchton; de brieven zijn in Engelse vertaling
opgenomen.
8Plato's eigen oordeel over de dichtkunst was
overigens niet eenduidig. In de
Ion is de dichter een goddelijk bezield
wezen, maar in de
Politeia worden dichters uit de ideale staat
geweerd. Ik ga hier verder niet in op deze problematiek.
9A. Chastel:
Marcel Ficin et l'art. Genève [etc.],
1954. Een bondige samenvatting van zijn idee over de dichtkunst geeft Ficino in
zijn brief aan Pellegrino Agli d.d. 1-12-1457. Hiervan een Nederlandse
vertaling in: M. Ficino:
Uit het brievenboek. Amsterdam, [1981], pp.
29-38
10M. Murrin:
The Veil of Allegory. Some notes toward a theory of
allegorical rhetoric in the English Renaissance. Chicago [etc.],
1969, hfdst. 2, 4 en 7.
11Murrin, 1969, hfdst. 1, 4 en 7.
12Zie voor Frankrijk b.v. H. Weber:
La création poétique au XVIe siècle
en France. De Maurice Scève à Agrippa
d'Aubigné. Paris, 1956, pp. 107-116; H. de Chamard:
Histoire de la Pléiade. 4 dln. Paris,
1939-1940. Zie dl. 1, pp. 364-373 en dl. 2, pp. 146-156; G. Castor:
Pléiade Poetics. A Study in Sixteenth-Century
Thought and Terminology. Cambridge, 1964, pp. 37-50. Voor Spenser:
Murrin, 1969, hfdst. 6.
13Zie voor Ronsard o.a. Castor: 1964, hfdst. 5;
M. Quainton:
Ronsard's ordered chaos. Visions of flux and stability in
the poetry of Pierre de Ronsard. Manchester, 1980, pp. 173-202 en
O. Pot:
Inspiration et Mélancolie.
L'épistémologie poétique dans les Amours de
Ronsard. Genève, 1990.
14Zie hiervoor, naast b.v. Castor, 1964, hfdst.
4, ook A.L. Gordon: ‘The Ascendancy of Rhetoric and the Struggle
for Poetic in Sixteenth-Century France’. In: Renaissance
Eloquence. Studies in the Theory and Practice of Renaissance Rhetoric. Ed.
by J.J. Murphy. Berkeley [etc.], 1983, pp. 376-384. Voor de verhouding
inspiratie-vakmanschap in de Duitse barok (17de eeuw: Opitz, Harsdörffer
e.a.): L. Fischer:
Gebundene Rede. Dichtung und Rhetorik in der
literarischen Theorie des Barock in Deutschland. Tübingen,
1968, m.n. hfdst. 3.
15M. Spies: ‘Developments in
16th-century Dutch poetics: from ‘rhetoric’ to
‘renaissance’’. In Rhetorik der Renaissance, Renaissance
der Rhetorik. Ed. H. Plett (ter perse).
16Spies: ‘Developments’, §
2.
17Spies: ‘Developments’, §
3.
18D.V. Coornhert: ‘Medecijn der
Zielen’. In: D.V. Coornhert, Wercken. 3 dln. Amsterdam,
1630. Zie dl. 3, p. 562. Ex. UB L, 559 A 3-5.
19D.V. Coornhert: ‘Comedie vande
Rijckeman’. In: [D.V.] Coornhert, Het Roerspel en de
Comedies. Ed. P. van der Meulen. Leiden, 1955, p. 18, vss. 76-79, 87-90.
Zie hierover M. Spies: ‘Poeetsche fabrijcken’ en andere
allegorieën, eind 16e-begin 17e eeuw’. In:
Oud-Holland 105 (1991), pp. 228-243, m.n pp. 231-233; Spies:
‘Developments’, § 5.
20M. Spies: ‘The Amsterdam chamber De
Eglentier and the ideals of Erasmian humanism’. In
Crossways 2. Ed. R. Salverda en T. Hermans, 1992 (ter perse),
passim.
21Spies: ‘Developments’, § 3;
Spies, 1991, pp. 228-231.
22Spies, ‘Developments’, §
5.
23Spelen van sinne vol scoone
moralisacien. Antwerpen, 1562, fol. B2v. Ex. UB L, 1496 E
22.
24L. d'Heere:
Den Hof en Boomgaerd der Poësien. Ed. W.
Waterschoot. Zwolle, 1969, pp. 2-5, pp. 24-29. Zie ook S.F. Witstein:
‘Lucas wist nog meer’. In: S.F. Witstein, Een
Wett-steen vande Ieught. Verzamelde artikelen. Ed. T. Harmsen en E. Krol.
Groningen, 1980, pp. 153-156.
25Zie hiervoor, behalve Spies,
‘Developments’, § 4, ook M. Spies: ‘Het epos in
de 17e eeuw in Nederland: een literatuurhistorisch probleem’. In:
Spektator 7 (1977-1978), pp. 379-411 en pp. 562-594, m.n p.
579.
26Voor het neoplatonisme bij Vander Noot, zie
C.A. Zaalberg:
‘Das Buch Extasis’ van Jan van der
Noot. Assen, 1954, pp. 59-64. Zie verder Spies, 1991, p.
230.
27Koppenol, 1991, pp. 56-63.
28Vergelijk hiervoor ook de pendant-tekst van
de ‘Voorrede’: Jan van Hout:
Opdracht aan Broer Cornelis. Ed. K. Bostoen
en S. Gabriëls. Leiden, 1990. (Jan van Hout-cahiers 1).
29Bedoelde gedichten in C.L. Heesakkers:
‘Jan van Hout over zijn album amicorum’. In:
Literatuur 8 (1991), pp. 376-377 en Koppenol, 1991, p. 62.
30H. Bonger:
Leven en werk van D.V. Coornhert.
Amsterdam, 1978, pp. 379-380.
31J. Prinsen:
De Nederlandsche renaissance-dichter Jan van
Hout. Amsterdam, 1907, p. 12. Cornelis Meesz van Hout schreef
spelen, waaronder het bekende
Esbattement van sMenschen Sin en Verganckelijcke
Schoonheit, refereinen en kortere verzen. R.J. Resoort en H. Pleij
geven een bibliografie, zie hun ‘Nieuwe bronnen en gegevens voor
de literatuurgeschiedenis van de zestiende eeuw uit Parijse
Bibliotheken’. In: Spektator 5 (1975-1976), pp. 637-659,
653-654. Deze lijst dient te worden aangevuld met een vers op het Beleg en
Ontzet van Leiden uit 1578, zie: J. Koppenol:
Ten vordernisse van de Loterye. Jan van Hout en het
Leidse rederijkersfeest van 1596. Leiden, 1989 (Ongepubliceerde
doctoraalscriptie RU Leiden), pp. 13-16 en Koppenol, 1991, pp. 65-66.
32K. Bostoen: ‘Christoffel Plantijn
en Jan van Hout in 1583-1585. Opmerkingen naar aanleiding van hun
vriendschap’. In: De Gulden Passer 66-67 (1988-1989), pp.
61-84, m.n. pp. 67-72; Koppenol, 1991, pp. 64-66.
33Spies: ‘Developments’, §
4.
34Silvius stierf in 1580; Van Hout beschikte in
1609 nog over de ‘Stucken vanden boedel van mr. Willem Sylvius’.
Gemeente Archief Leiden (GAL), Secretariearchief (SA) II, nr.766.
35Van Hout noemt D'Heere expliciet in zijn
rijmbrief
Tot Cuenraet de Rechtere, vs. 112; K. Bostoen:
‘Vander Noot en Holland’. In: Eer is het Lof des
Deuchts. Opstellen over renaissance en classicisme aangeboden aan dr. Fokke
Veenstra. Red. H. Duits, A.J. Gelderblom en M.B. Smits-Veldt. Amsterdam,
1986, pp. 18-33, m.n. pp. 24-26.
36Ze schreven een bijdrage voor elkaars Album
Amicorum; zie verder Dousa's Ode ad Ioannem Hautenum en andere verzen
aan Van Hout. Voor Dousa en het octrooi voor Van Houts poëzieuitgave: GAL,
Bibliotheek 7000/26 Jan van Hout. Ik ga hier verder niet in op de betekenis en
invloed van Dousa; aan de Universiteit van Amsterdam bereidt Wilma Reinders een
proefschrift voor over het belang van Dousa voor de Nederlandse
literatuur.
37Voor dit alles uitgebreid: J.A. van Dorsten:
Poets, Patrons, and Proffessors. An outline of some
literary connexions between England and the University of Leiden.
1575-1586. Leiden, 1962. Zie voor Van Hout m.n. Part I, ch. 4 en Part
II, ch. 2.
38Bostoen, 1988-1989, pp. 74-84.
39Corpus Hermeticum.
Ingeleid, vertaald en toegelicht door R. van den Broek en G. Quispel.
Amsterdam, 1991, p. 26.
40Zie Van Hout, 1990, p. 1.
41Zie voor loterij en rederijkersoptredens: J.
Koppenol: ‘(Naasten-)Liefde es tFondament. De Leidse rederijkers
en de loterij van 1596’. In: De Zeventiende Eeuw 6, pp.
27-33; A. Huisman en J. Koppenol:
Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen
in de Nederlanden tot 1726. Hilversum, 1991, hfdst. 4 en 5. De
meest betrouwbare tekstuitgave van het
Loterijspel is nog altijd die van Prinsen, in:
TNTL 23 (1904), pp. 209-256.
42Zie voor een voorlopige inhouds- en
structuuranalyse: Koppenol, 1989. Momenteel bereid ik een proefschrift voor
over het Loterijspel. Voor de argumentele opbouw van de comedies van
Coornhert raadplege men de (nog te verschijnen) disseratie van Anneke
Fleurkens.
43Koppenol, 1991, pp. 73-75; zie ook F.
Kassenaar:
Het ‘juyste gewichte’ van Jan van
Hout. Amsterdam, 1986. (Ongepubliceerde doctoraalscriptie,
Universiteit van Amsterdam).
44Zie: J. Prinsen: ‘Het
“Gezelschap” van Jan van Hout’. In: Album
opgedragen aan prof. dr. J. Vercoullie […]. 2 dln. Brussel 1927, dl.
2, pp. 217-223; J.A. van Dorsten, 1962, Part I, ch. 4; S. Gabriëls: Tot
het gezelschap […]. Leiden, 1988 (Ongepubliceerde doctoraalscripte
RU Leiden), pp. 16-18; S. Gabriëls:
‘Een poging tot het dateren en adresseren van Jan
van Houts “Voorrede”’. In: Nieuwsbrief van het
Gezelschap van de 16de eeuw 2 (sept. 1988), pp. 2-9.
45Men kan dat veronderstellen op grond van het
bijschrift bij de Basia-vertaling van Dousa en Van Hout, dat wel een
echo lijkt van de aanhef van de Voorrede:
Het Boeck der Kvskens van Ioannes Secvndvs. Nv aldereerst
vviit tLatiin overgestelt in onse gemeine nederdviitsche taele eensdeels bii
Ian van Hovt, ende eensdeels bii Dovza, ende anderen Liefhebberen der
Nederduijtscher Poëzyen.
In: Ioannis Secvndi Hagiensis:
Opera. Traiecti Batauorum [1541]. Ex. UB L, 765 F 19. Volgens het hs.
vertaalde Dousa de Kusjes 1-4, 7-12 en 14-18 en Jan van Hout 5 en 13; 6 is
anoniem.
46Wilma Reinders zal over deze verzen
publiceren in het kader van haar onderzoek naar de betekenis van Janus Dousa
als protagonist van de Nederlandse letterkunde.
47Bostoen, 1988-1989, p. 78; Prinsen, 1907, p.
44.
48Gevolgd is de vertaling van S. Sue in:
‘Justus Lipsius en Jan van Hout: politieke en filologische
aspecten van een vriendschap’. In: Handelingen van de
Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en
Geschiedenis 33 (1979), pp. 265-287, m.n. p. 266.
49H.L. Spieghel:
Hertspieghel en andere Zedeschriften. Ed.
P. Vlaming. Amsterdam, 1764, p. 76 ( Hertspieghel Bk.IV, vs. 114).
50Franciscus Modius schrijft:
Docte van-Hout, de par qui la licence,
De noz rijmeurs, et di-neants flamens
Bridée, doibt recouvrer son bon sens,
Et retourner a la vraie cadence.
51GAL, SA II, 7449, fol. 411v-412r. Noch aende
voorgenomde van Hout Secretaris/ betaelt ene somme van elff ponden vier scell.
In remboursement van gelycke somme/ by hem van stadtswegen verschoten ende
verleydt aen eenen Jhormus vander voort Poeet modern/ voor zeeckere diensten by
hem dese stede gedaen/ eersamentl. voor zeeckere speelen ende verthoningen te
maicken/ omme tot verchieringe dezer stede ende verheughinge vande Borgeren
ende Innewoonderen van dien/ zoo wel opten toecomenden ommegang vande
cruycemarct als opte feeste vande geheuchnisse dezer stede/ den derden octobris
eerstcomende zoude werden gehouden te speelen ende verthoonen/ blyckende byde
ordonnantie van Burgermrn. van date den Ven aprilis LXXVIII hier mit quitantie
overgelevert hier de voors. XI L IIIIsc. Zie verder: Koppenol, ‘In mate
volget mi’, 64 en 84n46. Van Hout kan Van der Voort hebben leren kennen
op het Antwerpse landjuweel van 1561. Wilma Reinders wees mij erop, dat Dousa
Van der Voort al eerder gekend kan hebben, namelijk uit zijn schooltijd in
Lier.
52Album amicorum Jan van Hout, Leiden,
Stedelijk museum De Lakenhal nr. 3385, fol. 11r; J. van der Voort,
Het Leuen en steruen ben ick genaemt.
Dordrecht [etc.], 1597.
53Dat zou dan kort voor zijn terugkeer naar
Antwerpen geweest moeten zijn. Juist over die periode uit Van der
Voorts leven was tot op heden weinig bekend, zie: D. Coigneau: ‘De
Goudbloem en haar factor Jeronimus van der Voort’. In:
Jaarboek de Fonteine NR 27-28 (1985-1986), pp. 45-80, m.n. p.
70.
54Spies: ‘Developments’, § 5;
Spies: ‘The Amsterdam chamber De Eglentier’, passim.
55Anneke Fleurkens zal op deze materie
promoveren, m.n. op de retorische opbouw van Coornherts toneel. Zie verder
Spies: ‘Developments’, § 5.
56Mogen we in de aanhef van
De Koopman, een dialoog uit 1580, al een milde
toespeling lezen op het literaire geschil? Coornhert laat zijn gesprekspartners
zich er eerst van vergewissen dat ze over een bestaande zaak praten:
Voorwaer Ja. Op dat wy niet en schijnen te spreecken van een
Platonische Republijck/ van een Ciceronische Orator/ of van een onweeselijck
Vtopia.
Coornhert: Wercken, dl. 2, p. 377.
57D.V. Coornhert: ‘ Comedie van
Lief en Leedt’. In: [D.V.] Coornhert, 1955, pp.
156-159.
58Spies: ‘The Amsterdam chamber De
Eglentier’.
59H.L. Spiegel:
Twe-spraack. Ruygh-bewerp. Kort Begrip.
Rederijck-kunst. Uitgegeven door W.J.H. Caron. Groningen, 1962, p.
4, p. 182.
60Spieghel:
Hertspieghel, pp. 7-9 (Bk. I, vss. 101-134);
Spies, 1991, pp. 238-240. Voor het gebruik van de Muzen-namen als titel van de
boeken van de Hertspieghel, zie ook P. Minderaa: ‘Twee
Hertspieghel-problemen’. In: P. Minderaa, Opstellen en
voordrachten uit mijn hoogleraarstijd (1948-1964). Zwolle, 1964, pp.
51-62.
61R. Visscher:
Brabbeling. Amsterdam, 1614, pp. 159-162.
Ex. UB L, 1371 G 2. Ook in N. van der Laan: Uit Roemer Visscher's
Brabbeling. 2 dln. Utrecht, 1918-1923. Zie dl. 2, pp. 36-42.
62Zie M. Spies: ‘“Ick moet
wonder schryven”: het paradoxale lofdicht bij de leden van de
Eglentier’. In: Eer is het Lof des Deuchts. Opstellen over
renaissance en classicisme aangeboden aan dr. Fokke Veenstra. Red. H.
Duits, A.J. Gelderblom en M.B. Smits-Veldt, Amsterdam, 1986, pp. 43-51, m.n.
pp. 47-50; Spies: ‘Developments’, § 5; Spies: ‘The
Amsterdam chamber De Eglentier’; M.A. Schenkeveld-Van der Dussen:
‘Het probleem van de goddelijke inspiratie bij christen-dichters
in de 16de en 17de eeuw’. In TNTL 105 (1989), pp. 182-200,
m.n. pp. 185-186.
63Visscher, 1614, p. 159.
64Visscher, 1614, pp. 157-158.
65Visscher, 1614, p. 158.
66Schenkeveld-Van der Dussen stelt juist hier
een paradoxale lezing voor, zie: Schenkeveld-Van der Dussen, 1989, pp. 185-186.
De dichter doelt in deze regels op de Psalmen van David en ik zie geen reden om
aan te nemen dat hij dit bijbelboek een goddelijke waarde zou willen ontzeggen.
Het feit dat Roemer elders een grap maakt over ‘hobbollighe’
dichters die last hebben van muizen in plaats van Muzen, staat hier m.i. los
van.
67Spies: ‘The Amsterdam chamber De
Eglentier’.
68Roemer Visscher vergelijkt dichters die
gebruik maken van fabels en mythologie, met Christus, die in parabels sprak.
Roemer Visscher, 1614, p. 161.
69R. Visscher:
Sinnepoppen. Ed. L. Brummel. 's-Gravenhage,
1949, p. IV*--V*.
70Van Dorsten, 1962, pp. 35-41.
71Spies, 1991, pp. 237-241.
72Aan het eind van zijn leven gaat Coornhert
zich overigens wel bedienen van de metriek, namelijk in zijn tweede vertaling
van
Boëthius'
De consolatione Philosophiae uit 1585.
73Visscher, 1614, p. 158.
74Der Reden-rijcke
Const-lief-hebbers Stichtelycke Recreatie. Leiden, 1599, fol.
[4]r-v. Ex. UB L, 1497 C 10.
75Der Reden-ryckers stichtighe
tsamenkomste/ op t'ontsluyt der Vraghe: VVat tnoodichst' is om d' arme VVeesen
t' onderhouwen? Rotterdam, [1603], fol. [A1]v. Ex. UB L, 1497 C
6.
76Plato:
Phaedros 245a; aangehaald door Seneca in:
De Tranquilitate Animi 17, 10: Nam sive
Graeco poetae credimus, ‘aliquando et insanire iucundum est’, sive
Platoni, ‘frustra poeticas fores compos sui pepulit’. In: L.A.
Seneca: Moral essays. Ed. J.W. Basore. Dl 2. London, 1979. (The Loeb
Classical Library, 254).
77Der Reden-ryckers, [1603], fol.
[A1]v-[A2]r.
78J.H. Meter:
De literaire theorieën van Daniël Heinsius. Een
studie over de klassieke en humanistische bronnen van De Tragoediae
Constitutione en andere tractaten. Amsterdam, 1975, hfdst.
2.
79Spies, 1977-1978, pp. 572-583.
80Zie b.v. J. van den Vondel:
Twee zeevaart-gedichten. Ed. M. Spies. 2
dln. Amsterdam [etc.], 1987. Zie dl.1, p. 219.
|
|