terug  begin  verderprepost
[p. 28]

4. Spelling/Klankverschijnselen

De spelling in zestiende- en zeventiende-eeuwse teksten biedt een nogal grillig beeld. Er is geen sprake van eenheid van spelling. Dat geldt niet alleen voor de spelling van de ene auteur ten opzichte van die van de andere auteur; ook bij een en dezelfde auteur komen verschillende spellingwijzen voor een woord voor. Toch kunnen we niet zeggen dat de spelling in die tijd op geen enkel principe gebaseerd is. Het is eerder zo dat de auteurs zich wat de spelling betreft op verschillende standpunten opstellen. Zo kan de spelling gebaseerd zijn op het principe van de uitspraak. Dat betekent dat een schrijver een woord spelt, zoals hij dat uitspreekt. De eindverscherping in de uitspraak is dan bijvoorbeeld terug te vinden in de spelling. Ook spellingen waarin de assimilatie van stem tot uitdrukking komt, zijn op dit uitgangspunt terug te voeren. Als ander uitgangspunt voor de spelling kan genoemd worden het principe van de gelijkvormigheid of de analogie. De spelling van een woord wordt dan bepaald door de verbogen vorm van dat woord.

Ook het gebruik van hoofdletters is nog niet aan vaste regels gebonden. We kunnen in het algemeen stellen dat niet na elke punt een hoofdletter voorkomt. Hoofdletters worden wel steeds gebruikt aan het begin van versregels. Ook eigennamen beginnen met hoofdletters. Bovendien kunnen hoofdletters gekozen worden om de aandacht te vestigen op een bepaald woord. Dat woord verkrijgt aldus een zekere expressiviteit.

 

Voorbeelden van verschillende spellingen:

A. tussen meerdere auteurs:

1.tijd (4, 1) tegenover tydt (18, 7)
2.stadt (10, 3) tegenover stad (20, 6)

B. bij één auteur:

1.geswintheit (1, 4) tegenover geswintheidt (1, 5)
2.Marckt (2, 25) tegenover Marct (2, 30)

C. volgens het principe van de uitspraak:

1.geswintheit (1, 4) gedeylt (4, 3)
2.inwoonders (4, 24) wezentlijk (5, 26)
We spreken hier van epenthesis: de tussenvoeging van een bepaalde klank.
3.ontrent (4, 1) hooghde (4, 18)
In deze woorden komt assimilatie, het zich aan elkaar aanpassen van klanken, voor.
4.teffens (13, 23)
Hier is sprake van verscherping: een stemhebbende medeklinker wordt stemloos.
[p. 29]

D. volgens het principe van de analogie:

1.mond (4, 16)
2.ghewond (4, 27)

E. met betrekking tot het gebruik van hoofdletters:

a.na een punt:
1.Vele (1, 6)
2.Want (5, 10)
b.aan het begin van versregels:
1.Zie tekst nr. 7
c.bij eigennamen:
1.Plinius (2, 2)
2.Molucken (4, 7)
d.omwille van de expressiviteit:
1.Worstelaer (1, 10)
2.Schrijvers (2, 2)

F. De weergave van een aantal klanken kan problemen opleveren. We noemen:

1. de i verschijnt als i of y: Ic (14, 16)
yck (3, 2)
     
2. de ij verschijnt als ij of y: twijffelen (5, 2)
twyffelen (5, 1)
     
3. de j verschijnt als j, i of y: Jaer (4, 15)
iair (6, 1)
draeyen (1, 49)
     
4. de kw verschijnt als qu: quam (2, 25)
     
5. de ks verschijnt als x: deughtelixten (21, 7)
     
6. de nu verschijnt als u, v, vv of w: u (3, 26)
V.E. (21, 17)
vvtheemsche (22, 2)
wt (10, 6)

[p. 30]

7. de v verschijnt als v of u: toegevoeght (1, 1)
stuyuer (22, 4)
     
8. de w verschijnt als w of vv: water (10, 9)
VVijsen (21, 5)

Tenslotte kunnen de in de teksten gebruikte afkortingen de lezer voor problemen stellen. Daarvoor verwijzen we naar de inleiding bij tekst 6.

prepostterug  begin  verder