terug  begin  verderprepost
[p. 89]

Deel 2 Teksten met vragen

[p. 90]

1 Worstelkunst

Nicolaes Petter, ‘worstelaer’ van beroep, had een worstelschool op de Prinsengracht in Amsterdam. Hij besloot een boek over zelfverdediging uit te geven en liet daartoe kopergravures maken door de bekende zeventiende- eeuwse kunstenaar Romeyn de Hooghe. Op diens prenten beelden steeds twee mannen die met letters worden aangeduid, een grote verscheidenheid aan grepen uit; Petter heeft deze van beschrijvingen voorzien. Na de plotselinge dood van Petter zette zijn leerling Robbert Cors de worstelschool voort en zorgde ervoor dat het boek in 1674 verscheen onder de titel Klare Onderrichtinge der Voortreffelijcke worstel-konst. Gelijktijdig kwam er een Duitse versie van dit werk op de markt en iets later een Franse. Het boek werd kennelijk gretig gekocht!

Hieronder volgen een stukje van de inleiding van het boek en instructies voor het vuistgevecht.

 

1De krachten door de Natuur aen 't menschelijck geslacht toegevoeght, 2 zijn in alle niet even gelijk, en schoon die in even-gelijkheidt 3 wierden bevonden, soo souden sy nochtans soodanigh tegen malkander 4 niet ingespannen konnen worden, of de geswintheit sal echter een van 5 beiden meester laten blyven, te meer als die geswintheidt op kennis 6 gegrondvest mach zijn. Vele hebben hare bekommering laten gaen, om sich 7 op het sekerste tegen alle beledigende voorvallen te beschermen, 8 insonderheidt, de twist-sieckte uitgebannen zijnde, indien door 9 moedwillige booswichten haer die mochten overkomen. Op dit insicht heeft 10 onse Worstelaer sijnen geest staegh gescherpt, om bequame streken en 11 handtgrepen uit te vinden, waer door men sich tegen moedwilligh 12 bespringen van stooten, vuist-slagen, of anders van een mes kan 13 verdedigen, en alle quaedt behendigh af keeren. Hierin heeft hy sich 14 selven geduurigh geoeffent: en op dat de wereldt daer van nuttighlijk 15 sou konnen gedient worden, soo heeft hy eindelijck besloten dit 16 Worstel-boek in het licht te geven: maer de nydige Doot heeft ons hem 17 ontydigh komen ontrucken, eer dat hy sijn besluit kon voltrecken.

 

18Van de Vuyst-slagen. 1.

 

19H en I staen beyde in gestalte om malkanderen met vuysten te slaen 20 binnens arms, en soo staende (schoon dese Plaet sulcks niet aenwijst) 21 sou d' een aen d' anderen een beenslagh konnen geven, dat die gene, 22 aen wien de beenslagh gegeven wierdt, sou moeten vallen.

 

232.

24H slaet naer I, maer I dit siende buckt neder, waer door H sich selven 25 om ver slaet, en in dit om ver slaen grijpt I buckende de rechter voet 26 van H, om hem te doen vallen.

 

273.

28H voelende dat hy valt, stoot I met de rechter knie tegen sijn billen,

[p. 91]

29 waer door I mede genootsaeckt is te vallen. In dese val grijpt H wel 30 mede naer het slincker been van I, maer kan daer niet by komen.

 

314.

32H en I beyde weder opgestaen, als of sy malkander buytens arms wilden 33 slaen, soo slaet H eerst naer I, die den slaenden arm van H terstont 34 aengrijpt achter omtrent de schouder met sijn rechter handt, en met de 35 slincker hant vat I bet rechter been van H, en dwingt hem alsoo te 36 vallen. Dit doen vallen van I, kan op een andere wijse, als hier wort 37 vertoont, in de volgende Plaet gesien worden.

 

385.

39I doet H neder vallen, en houdt sijnen arm vast, dien hy eerst gevat 40 had, en treckt of set hem een weynigh om, dan vat hy met sijn slincker 41 hant op de slincker schouder van H, set hem de slincker knie in de 42 lendenen, en buyght hem alsoo achter over; waer door H te sekerder 43 moet neder vallen.

 

446.

45Doch om het vallen als boven te verhoeden, als I de knie (gelijck in de 46 vorige Plaet is aengewesen) in de lendenen van H heeft geset, soo moet 47 H, door 't wringen met sijn schouderen, soo verre soecken los te 48 geraken, dat hy d' een of d' ander hant van I, los zijnde, kan vatten, 49 en die gevat krijgende vast houden, en draeyen de selvige (dat hier 50 de slincker is) achterwaerts na de rugh van I om, en setten sijn andere 51 handt achter op dien omgedraeyden arm, waer door H dan I sal doen 52 vallen, of kan hem ten minsten tot den val onvermijdelijck dwingen.



illustratie

[p. 92]


illustratie



illustratie
De eerste, vierde en vijfde illustratie bij Petters instructies voor het vuistgevecht.

[p. 93]

Worstelkunst

Vragen

1 Is de participiumconstructie door...toegevoeght absoluut of conjunct (zie par. 6.6.)? Vertaling:
2 Wat wordt bedoeld met in alle?
schoon =
Waarnaar verwijst die?
3 wierden: welke tijd?
2/3 Vertaal de bijzin schoon...bevonden.
3 Moet soo vertaald worden?
6 mach =
1/6 Geef in eigen woorden weer wat in deze regels gezegd wordt.
6 bekommering =
Wat doe je in de vertaling met de komma na gaen (zie hfdst. 3)?
7 Vertaal op het sekerste.
beledigende =
8 insonderheidt =
Is de participiumconstructie de twist-sieckte...zijnde absoluut of conjunct? Vertaling:
9 Benoem haer redekundig.
Waarnaar verwijst die?
10 onse Worstelaer: hiermee wordt Nicolaes Petter bedoeld.
staegh =
Vertaal streken.
11/3 waer door...keeren: los de samentrekking op (zie par. 6.8.1.).
12 Begrens de substantiefgroep met het substantief bespringen als kern.
van (voor stooten) =
13 Waarnaar verwijst Hierin?
14 Hoe moet de dubbele punt na geoeffent worden weergegeven?
daer van =
15 soo: vergelijk r.3.
eindelijck =
16 Vertaal de nydige Doot.
17 Welke functie heeft het werkwoord ‘komen’ hier (zie par. 6.4.2.)?
Bij de stukjes 1, 4 en 5 zijn de bijbehorende afbeeldingen afgedrukt.
18 Van =
19 Waarnaar verwijzen de letters H en I?
in gestalte =
20 Wat betekent binnens arms? (Vergelijk buytens arms in r.32)
Waarbij sluit de participiumconstructie soo staende aan?
Benoem sulcks taalkundig (zie par. 5.1.4.).
21 Vertaal een beenslagh.
dat =

[p. 94]

24/6 H ... vallen: begrens en benoem de participiumconstructies in deze zin.
26 Welke functie heeft het werkwoord doen hier (zie par. 6.4.2.)?
   
29/30 wel mede =
30 slincker =
   
32/3 Is de participiumconstructie H...slaen absoluut of conjunct?
34 Benoem de woorden achter en omtrent taalkundig. Vertaal de woordgroep achter omtrent de schouder.
36 Vertaal van I.
Moet de komma na I in de vertaling weergegeven worden?
als =
37 vertoont =
   
40 Waarnaar verwijst hem?
Hoe moet de komma na om in de vertaling weergegeven worden?
41 Benoem hem redekundig.
42 Benoem waer door taalkundig.
Hier is sprake van een relatieve aansluiting (zie par. 6.8.4.).
Vertaling:
te sekerder: te moet in combinatie met een comparatief vertaald worden als...
   
45 als boven =
48 Waarbij sluit de participiumconstructie los zijnde aan?
49 Waarnaar verwijst die? Begrens en benoem de participiumconstructie met krijgende.
49/50 Hoe moeten de haakjes rond dat hier de slincker is in de vertaling worden weergegeven?
49 Vertaal dat.
52 Welke nevenschikking brengt of tot stand?

prepostterug  begin  verder