terug  begin  verderprepost
[p. 98]

3 Kwakzalverij

Onderstaande tekst is een fragment uit een rederijkersklucht. Het is te vinden in boek G van de in handschrift bewaarde verzameling spelen van de Haarlemse rederijkerskamer ‘Trou moet blijcken’. In totaal zijn er van het repertoire van de Pellicanisten, zoals de leden van deze kamer ook wel werden genoemd naar de pelikaan in hun blazoen, twaalf boeken bewaard gebleven. Hierin staan voornamelijk moraliteiten. In boek G staan twintig ‘sotte cluijten’. Volgens de opgave van het register moeten er oorspronkelijk nog twee boeken met kluchten zijn geweest, maar deze zijn in de vorige eeuw zoekgeraakt.

De kopiist van boek G is, blijkens de initialen GTB aan het begin van het boek, Goossen ten Bergh. Hij voltooide zijn werk in 1600. Het feit dat Ten Bergh de teksten opschreef houdt niet in dat hij hiervan ook de auteur was. Ongetwijfeld zal hij zijn materiaal hebben bijgeschaafd of verfraaid, maar de meeste spelen zijn niet van de kamer zelf. Zo is bijvoorbeeld de klucht ‘Hannecken Leckertant’ al bekend sinds 1514 van de rederijkerskamer ‘De Violieren’ uit Antwerpen.

Wij geven hier het handschrift diplomatisch weer. Dat wil zeggen dat alle taaltekens precies zijn weergegeven zoals die zich aan het lezende oog voordoen, inclusief alle mogelijke fouten en verschrijvingen. Op die manier ben je zo objectief mogelijk en blijf je het dichtst bij de bron. Opvallend is dat in de tekst de interpunctie totaal ontbreekt. Slechts de schuine streepjes geven enige zinsbegrenzing aan. Wil je de tekst goed lees- en begrijpbaar maken, dan moeten er leestekens en hoofdletters worden aangebracht en woordverklaringen worden gegeven. Verder kan, naar gelang van het publiek waarvoor de uitgave bestemd is, de spelling worden genormaliseerd. Wanneer je een tekst zo weergeeft, ben je interpreterend bezig en geef je een kritische editie van de tekst.

Karakteristiek voor de taal van het kluchtengenre zijn krachttermen en grove bewoordingen zoals yck salse lappen in mijn vel (r.5), bij gans vincken (r.7), dat waer een stanck (r.13), ijgadt (r.14) en yck heb den wijn in mijn gadt (r.38). Daarnaast komen herhaaldelijk stoplappen voor: sonder respijt (r.2), sonder achter te dincken (r.5) en sonder te vervremen (r.27).

In de klucht wordt verhaald hoe een boer op een gegeven moment voor zijn zieke vrouw naar de markt gaat om een drankje te halen bij de kwakzalver Meester Maarten. Verschillende malen wordt de boer door de meester naar huis teruggestuurd. Eerst om ‘het waeter’ van de vrouw te halen voor het stellen van de diagnose. Vervolgens brengt de boer een kan wijn bestemd voor het drankje voor zijn vrouw. De wijn drinkt de kwakzalver echter zelf op, zoals we in het onderstaande fragment kunnen lezen; het drankje wordt uiteindelijk samengesteld uit bedenkelijke ingrediënten. Als de boer met het drankje naar huis vertrekt, acht de kwakzalver het raadzaam er snel vandoor te gaan. Maar voor het zover is, komt de boerin aangerend: ze takelt de kwakzalver flink toe.

Meester
1
Wel gaet heen ghij meucht fluckx den dranck weer haelen
 
yck salse gereet maecken in potten in schaelen // sonder respijt
[p. 99]
 
om den dranck te maecken heb yck weijnich tijt // dus moet ick mijn haesten snel
 
maer den wijn is daer sij blijven sel
5
yck salse lappen in mijn vel // sonder achter te dincken
 
want hebben die boeren verstant om wijn te drincken
 
neense bij gans vincken // aldus het kanneken heb yck
 
die boeren hebben tverstant van weij en carremellick
 
daerom so sel yck // den wijn uijt te vegen
10
het kanneken begint al vrij te legen
 
yck moet te degen op den dranck gaen passen
 
eer dat mijn den boer weer compt verassen
 
saech hij den wijn op brassen // dat waer een stanck
 
ijgadt daer compt den boer al omden dranck
15
yck sou hebben een stanck // bij gans foncken
 
wist den boer dat yck den wijn had uijt gedroncken
 
en niemant gheschoncken // want sij heeft wel gesmaeckt
1. Boer
 
Wel meester marten is den dranck gemaeckt
 
mijn wijff daer na haeckt // sij seijden yck sou mijn spoen
Meester
20
Yaese fijnman yck moeter noch wadt goets in doen
 
dan salse wesen boen // wel ter keur
 
ghij sulter strackx wel gaen mee deur
 
laetse sonder getreur daer van drincken snel
1. Boer
 
Och meester dat beschickt ghij so wel
25
yck nu strackx loopen sel sonder lang te temen
Meester
 
Beij yck salt u seggen hoe sijse sal innemen
 
sonder te vervremen // mijn wel versint
 
smorgens en savonts telckens een pint
 
yck weet datse spint // weer in drie daegen
1. Boer
30
Ho meester dat sou mijn wel behaegen
 
sonder meer te vraegen // yck derwaerts stoot
Meester
 
Yck verseecker u wijff in seven daegen levent off doot
 
al waer die saeck noch so groot // dus sijt niet bevreest
1. Boer
 
Wel ist datse vanden drancke geneest
35
vant minst tot het meest sal men u betaelen
Meester
 
Yck salse genesen gaet het niet faelen
 
hij mach wel gaen draelen // yck segt hem pladt
 
off yck geen gelt en creech // yck heb den wijn in mijn gadt
 
so heb yck immers wadt voor mijnen Arbeijt

Opmerking:

 

uijt te (9): lees uijtte

[p. 100]

Kwakzalverij

Vragen

 

Breng (voorlopige) interpunctie aan (zie hfdst. 3).

1 gaet: welke wijs (zie par. 5.2.4.)?
fluckx =
mencht is een wisselvorm van ... Vertaling:
2 sonder respijt te vertalen als...
3 Benoem mijn taalkundig (zie par. 5.1.4.).
Tot wie richt de Meester zich hier? Tot waar loopt deze aanspreking door?
4 Welk zinsdeel is den wijn?
Verklaar het gebruik van de vorm den (zie par. 5.1.3.).
Benoem daer taalkundig.
5 lappen: ‘gulzig naar binnen slaan’.
vel: ‘lichaam’.
Vertaal: sonder ... dincken.
7 Wat wordt bedoeld met neense?
bij gans vincken: dit is een basterdvloek. Vincken = foncke (vergelijk ook r. 15): ‘vuur’. Gans is een verbastering van de genitiefvorm van het woord ‘God’.
9 Welke functie heeft so?
10 vrij =
12 Benoem mijn redekundig.
compt: welk klankverschijnsel doet zich hier voor (zie hfdst. 4)?
Welke functie heeft het werkwoord compt hier (zie par. 6.4.2.)?
13 Wat voor bijzin is saech ... brassen (zie par. 6.2.)?
dat...stanck = letterlijk: ‘dat zou een stank geven’. In de vertaling weer te geven met: ‘dat zou niet best zijn’.
Waarom wordt hier de conjunctivus waer gebruikt (zie par. 5.2.3.)?
15 yck...stanck: ‘het zou er niet best voor me uitzien’.
16/7 Waarbij sluit de bijzin wist...gheschoncken aan?
17 Benoem niemant redekundig.
19 haeckt =
Verklaar de -n van seijden.
Welk zinsdeel is yck ... spoen?
spoen: welk klankverschijnsel doet zich voor (zie hfdst. 3)?
20 Wat voor genitivus is goets (zie par. 6.1.2.)?
21 boen en wel ter keur zijn synoniemen; betekenis: ‘goed [2 ×]’ (zie par. 7.1.).
22 strackx =
23 Waarnaar verwijst -se in laetse?
25 temen =
26 Van welk werkwoord komt Beij? Vertaling:
Los de enclisis op in salt (zie par. 5.1.2.). Benoem het tweede deel redekundig.
Waarnaar verwijst -se in sijse?

[p. 101]

27 Dit is een stoplapregel. Letterlijk vertaald staat er: ‘zonder te verwonderen, begrijp me goed’.
28 Hoeveel is een pint?
29 in =
Wat garandeert de Meester de boer hier?
30 Benoem mijn redekundig.
31 Waarbij is sonder ... vraegen een bepaling?
stoot: van het werkwoord ‘stoten’; betekenis: ‘snellen’.
Vertaal derwaerts.
32 Benoem u taalkundig (zie par. 5.1.4.).
Wat is het lijdend voorwerp bij verseecker?
Hier is sprake van een accusativus cum adjectiefconstructie. (zie par. 6.7.2.).
33 waer: welke wijs?
Geef een vrije vertaling van al ... groot.
34 Wat voor bijzin is ist ... geneest?
35 Wat wordt hier bedoeld?
36 gaet ... faelen: ‘daar hoef je niet aan te twijfelen’.
37 Wie wordt bedoeld met hij?
draelen =
Waarnaar verwijst -t in segt?
Tot wie spreekt de Meester hier weer?
pladt: ‘duidelijk’
38 off =
Wat wordt bedoeld met gadt?
39 Moet so hier vertaald worden?
immers =
37/9 Wat zegt de Meester hier?

Controleer de interpunctie die je eerst hebt aangebracht.

prepostterug  begin  verder