Europa kende in de zeventiende eeuw drie filosofische stelsels die gebaseerd waren op achtereenvolgens de wijsgeren Descartes, Spinoza en Leibniz. Als gemeenschappelijk kenmerk geldt het streven om met behulp van de rede te komen tot een algemeen geldige en zekere methode van kennen. De Fransman René Descartes - ofwel Renatus Cartesius - (1596-1650) heeft vanaf 1628 bijna 20 jaar in Nederland gewoond waar hij al zijn werken geschreven heeft. Hij correspondeerde daar onder andere met Constantijn Huygens. Zijn Principia philosophiae uit 1644 bevat een systematische uitwerking van zijn gedachten. Van dit werk verscheen in 1657 een Nederlandse vertaling van de hand van J.H. Glazemaker: Principia philosophiae: Of beginselen der wijsbegeerte. Het daaruit gekozen fragment bevat de kern van de door Descartes ontwikkelde methode. Naar zijn mening leidt de radicale twijfel tot een onwrikbaar uitgangspunt: ‘cogito ergo sum’, in zijn vertaling ‘Ik denk, ik ben dan’.
De geschriften van Descartes werden overigens zowel door de protestanten als door de overheid verboden. Zijn werk had desondanks grote invloed en Descartes zelf geldt als de vader van de moderne filosofie.
1Waarom men ook van de Wiskundige betogingen mag twyffelen.
2Wy sullen ook van alle d'andere dingen twijffelen, die eertijts zeer 3 zeker aan ons hebben geschenen; ook van de Wiskundige betogingen, 4 en van haar beginselen schoon zy van zich zelven klaarblijkelijk 5 genoech zijn: om dat'er menschen gevonden worden, die, van zodanige 6 dingen redenerende, zich misgrepen hebben, maar voornamelijk om dat 7 wy hebben horen zeggen dat God, die ons geschapen heeft, alles, dat 8 hem belieft, kan doen, en om dat wy noch niet weten of hy ons 9 zodanig heeft willen maken, dat wy altijt bedrogen zijn, ook in die 10 dingen, die wy best menen te kennen. Want dewijl hy wel toegelaten 11 heeft dat wy somtijts zijn bedrogen, waarom zou hy niet konnen 12 toelaten dat wy altijt bedrogen zijn? En indien wy willen verdichten 13 dat een almachtig God geen stichter van onz wezen is, en dat wy door 14 ons zelven, of door enige andere middel bestaan, zo zullen wy, om dat 15 wy deze stichter minder machtig stellen, altijt zo veel te meer stoffe 16 hebben van te geloven dat wy niet zo volmaakt zijn, dat wy niet 17 geduriglijk bedrogen konnen wezen.
18Dat wy een vrije wil hebben, die te weegbrengt dat wy ons konnen 19 onthouden van de twijffelachtige dingen toe te stemmen, en ons dus 20 beletten van bedrogen te worden.
21Maar genomen dat de geen, die ons geschapen heeft, almachtig is, en 22 dat hy ook vermaak schept in ons te bedriegen, zo zullen wy echter 23 in ons een vryheit vinden, die zodanig is, dat wy zo dikwijls, als 24 wy willen, ons konnen onthouden van die dingen te geloven, de welken 25 wy niet wel kennen, en ons dus verhoeden van ooit bedrogen te wezen.
26Dat wy niet konnen twijffelen zonder wezentlijk te zijn, en dat dit 27 d'eerste zekere kennis is, die men verkrijgen kan.
28Terwijl wy dus al 't geen, daar af wy twijffelen, en dat wy ook 29 verdichten valsch te zijn, verwerpen, zo onderstellen wy lichtelijk dat 30 'er geen God, geen hemel, en geen aarde is, en dat wy geen lighaam 31 hebben: maar wy zouden dus niet konnen onderstellen dat wy niet zijn, 32 terwijl wy van de waarheit van alle deze dingen twijffelen. Want wy 33 hebben zo grote tegenstrijdigheit in te bevatten dat het geen, 34 't welk denkt, in de zelve tijt, daar in het denkt, niet wezentlijk 35 is, dat wy, niet tegenstaande alle d'ongerijmtste onderstellingen, 36 ons niet zouden konnen beletten van te geloven dat dit besluit, 37 Ik denk, ik ben dan, waar is, en by gevolg 't eerste en zekerste, 38 dat voor de geen verschijnt, die zijn denkingen in ordening beleid.
Opmerking:
Regelmatig geeft de vertaler in de marge als verantwoording bij zijn vertaling het Latijnse woord bij een bepaalde Nederlandse term aan. Zo geeft hij bij de woorden Wiskundige betogingen (3) het Latijnse equivalent ‘Demonstrationes Mathematica’.
Vragen
| 1 | van = mag = |
| 2/4 | Wy ... beginselen: los de samentrekking op (zie par. 6.8.1.). |
| 4 | Waarnaar verwijst haar? Waarnaar verwijst zy? |
| 5 | Hoe moet de dubbele punt na zijn in de vertaling worden weergegeven (zie hfdst. 3)? |
| 6 | Begrens en benoem de participiumconstructie met redenerende (zie par. 6.6.). zich misgrepen = |
| 7/8 | Ontleed in zinsdelen dat hem belieft. Wat voor soort werkwoord is belieft (par. 6.4.1.)? |
| 8 | noch = |
| 9 | zijn = |
| 9/10 | ook in die dingen: ook hier is sprake van ... |
| 10 | Welke redekundige functie heeft die? Welk syntactisch verschijnsel doet zich hier voor (par. 6.8.2.)? Vertaal: best. dewijl = |
| 12 | verdichten = |
| 13 | en = |
| 15 | Wie wordt bedoeld met deze stichter? Benoem minder machtig redekundig. stellen = |
| 15/6 | Vertaal zo veel te meer stoffe hebben. |
| 12/7 | En ... wezen: zeg in eigen woorden wat hier bedoeld wordt. |
| 18/20 | dat ... worden: los de samentrekking op. |
| 19 | Benoem de twijffelachtige dingen redekundig. Vertaling: |
| 21 | genomen: functioneert deze werkwoordsvorm nog als kern van een participiumconstructie (zie par. 6.6.)? |
| 22 | zo = |
| 25 | wel = Welke nevenschikking brengt en tot stand? |
| 26 | wezentlijk: welk klankverschijnsel doet zich hier voor (zie hfdst. 4)? Vertaling: |
| 28/9 | Wat is het lijdend voorwerp bij verdichten? Van wat voor syntactische constructie is hier, naast zinsvervlechting, sprake (zie par. 6.7.2.)? |
| 29 | lichtelijk = onderstellen = |
| 33 | Vertaal: in te bevatten. |
| 34 | Waarbij is in de zelve tijt een bepaling? |
| 36 | besluit = |
| 37 | Waarnaar verwijst 't eerste en zekerste? |
| 38 | Vertaal: die ... beleid. |