terug  begin  verderprepost

V Een Trouwgeval

Antwoorden

1 ‘juiste’.
2 Niet vertalen.
‘met elkaar’.
3 Het onderwerp en de persoonsvorm; ellips; ‘maar het waren in feite nog maar kinderen’.
Als een dubbele punt.
4 te vroegh gepluckt: conjunct bij Het ooft (4).
5 Ontkenningspartikel.
‘grondbeginsel’/‘principe’.
‘huwelijks-’.
5/6 Geen van de twee [...] weet (5); overspannen: verschillende grammaticale functie van het werkwoord ‘weten’ (zelfstandig werkwoord, respectievelijk hulpwerkwoord).
6 ‘zijn roeping’.
7 ‘die nog niet in bloei staat’.
8 Voordat Bertrande de jaren van vrijen had bereikt, trouwde ze al.
9 ‘werd’.
‘onder’.
10 Voorzetsel; ‘vanwege’.
‘teint’.
11 ‘uit die buurt’.
13 ‘gedurende’.
15 ‘Zij is niet zwanger en twijfelt ook niet of ze zwanger is’.
17 ‘Toen’.
18 Lijdend voorwerp.
   
19 ‘Eens’.
20 ‘bijna’.
‘zodra’.
21 Genitivus partitivus.
Betrekkelijk bijwoord; ‘waar’.
‘Zich onthouden’.

[p. 201]

22 Genitivus absolutus.
Zich in de echt liet verbinden.
‘toen’.
23 Aanwijzend voornaamwoord; ‘dat’.
Onvoltooid verleden tijd.
dat ... hebbende (24/9).
25 Onvoltooid tegenwoordige tijd.
daer mede ... lieden (25) + gedreyght te zijn (26); n.c.i..
26 ‘aangezien’.
‘menen’.
26/7 op-gangh: kern
der Sonnen: voorbepaling.
28 ‘in ieder geval’.
‘behalve’.
29 Duratief aspect; ‘heeft’.
Naar het knoopen van den nestel (25).
30 ‘door’.
Meervoud.
31 Bij weten (31).
Ja: ‘indien’.
Niet vertalen.
32 Hulpwerkwoord van causaliteit.
32/3 Tussen bruid en bruidegom.
33 Assimilatie.
34 Van ‘leggen’.
35 ‘gemeenschap hebben met’.
zijnde ... gebruycken (35/6); absoluut (onderwerp: de selve Bruydegom (35)).
37 Meewerkend voorwerp.
‘aldus’.
38 ‘Vermogen’; ‘kunnen’.
39 Dat wat de bruidegom wettelijk is toebedeeld.
40/1 ‘Mijn mening zou misschien wat dit betreft van weinig belang zijn’.
41 Genitiefobject; naar wy + in onse ... weten (41/2).
42 ‘gewesten’.
Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent.
43 ‘Durven’; ‘kunnen’.
44 Naar andere landen (42).
‘sedert lang’.
45 Zelfstandig werkwoord.
Genitivus objectivus.
Epenthesis.
48 ‘wie niet gemakkelijk iets wijs gemaakt kan worden’.
49 van dit werck sprekende: conjunct bij dese (49).
De nestelknoop.
50/4 Directe rede.
50 alle ... onwaerschijnelick (50); a.c.a..
51 ‘als [...] niet’.

[p. 202]

52 Conjunctivus; vande waerheyt deser saken (51); niet vertalen (hulpwerkwoord van omschrijving).
gheleerde ... Rabbijnen (52/4); sulcx ... geschieden (54); a.c.i..
53 ‘evenals’.
‘de kerkelijke rechten’.

prepostterug  begin  verder