| 1 | Onpersoonlijk werkwoord. |
| 1/3 | ghedenckt: werkwoordelijk gezegde (Jonstighe Spieghel: aangesproken persoon) dat ... laveren: onderwerpzin my: meewerkend voorwerp. |
| 1 | ‘goedgunstige’. ‘maat’. ‘uit Noord-Duitsland’. |
| 1/2 | Predicatieve toevoeging. |
| 2 | ‘schip’. Verscherping. |
| 3/4 | Geen a.c.i. omdat het voorzetsel ‘te’ ontbreekt. |
| 3 | ‘hevig’. |
| 3/4 | walghen = ‘draaien’, balghen = ‘vechten’: deze twee woorden zijn samen te vertalen als ‘opspelen [2×]’. |
| 4 | ‘braakte uit’. Persoonlijk voornaamwoord. |
| 4/5 | Tot de dranken in zijn buik. |
| 5 | Wederkerend voornaamwoord. |
| 6 | Van ‘zullen’; conjunctivus. ‘of’. Twee zinsdelen: al = predicatieve toevoeging, en te hope = resultatieve werkwoordsbepaling. |
| 7 | Beide mogelijkheden zijn aanwezig. Als ghezeyt een deel van het werkwoordelijk gezegde is, dan is er samentrekking van het onderwerp en de persoonsvorm Dit was (vertaling: ‘Dit was gezegd, dit was ook vlug gedaan’). In het andere geval is ghezeyt een conjuncte participiumconstructie bij Dit (vertaling: ‘Toen dit gezegd was, was het ook snel gedaan’). De laatste mogelijkheid leidt tot de beste interpretatie. |
| 8 | Het is een wens. |
| 9 | ‘datzelfde’. |
| 9/13 | alzo ... ghezwolghen (9/11): conjunct bij zy (9) by ... ghezwolghen (11): conjunct bij die ... verwerringhen (10); ondergeschikt. |
| 11 | ‘daarvan’. |
| 9/13 | Samengetrokken is op dat zy [...] machten werdē; overspannen: werdē fungeert achtereenvolgens twee keer als hulpwerkwoord van de lijdende vorm en één keer als koppelwerkwoord. |
| 12 | Genitivus identitatis. |
| 13 | ‘gemakkelijk’. ‘scheef’. |
| 14 | ‘is’-‘het’. ‘daarentegen’. |
| 15 | Meervoud. Naamwoordelijk deel van het gezegde; ‘moeilijk’. |
| 16/9 | Lijdend voorwerpzin. |
| 16 | vele (16). |
| 16/7 | ‘in de overtuiging de ware leer te kennen’. |
| 17 | Naar vele (16); aanwijzend voornaamwoord; ‘voor hen’. Onderwerp; ‘niets’. Ontkenningspartikel. |
| 19 | ‘het onder ogen zien’. |
| 20 | daar af berispende: conjunct bij elck ander (19). Bijwoordelijke bepaling. Genitivus partitivus afhankelijk van iet (21). |
| 20/1 | ‘zoiets’. |
| 21/2 | Relatieve aansluiting. |
| 23 | Naar welck... dwaasheyd (21); bepaling bij dit ... wezen (23/5); zinsvervlechting. dit ... wezen (23/5); a.c.i.. |
| 23/4 | werck: kern dit, myn: nevengeschikte voorbepalingen vā ... Zedevorm: nabepaling; ‘dit werk van mij van de kunst om goed te leven of van - zoals u het noemt - de kunst of de vorm van de zeden’. |
| 24 | ‘kunnen’. Meewerkend voorwerp. |
| 25 | dit ... Zedevorm (23/4); ‘het [...] allemaal’. Epenthesis. |
| 26 | ‘over’. ‘toestand’/ ‘lichaamsgesteldheid’. |
| 27 | ‘iedereen’. |
| 27/8 | Samengetrokken zijn de woorden Deze zaken zijn. |
| 28 | ‘bij zichzelf’. ‘zo’ -‘men’ -‘er’. |
| 28/9 | ‘als men er maar op wil letten’. |
| 30 | helle: kern der menschen: voorbepaling zelve: nabepaling. |
| 31 | ‘of’/ ‘dan wel’. Indicativus. |