terug  begin  verderprepost

VI Zedenleer

Antwoorden

1 Onpersoonlijk werkwoord.
1/3 ghedenckt: werkwoordelijk gezegde
(Jonstighe Spieghel: aangesproken persoon)
dat ... laveren: onderwerpzin
my: meewerkend voorwerp.
1 ‘goedgunstige’.
‘maat’.
‘uit Noord-Duitsland’.
1/2 Predicatieve toevoeging.
2 ‘schip’.
Verscherping.
3/4 Geen a.c.i. omdat het voorzetsel ‘te’ ontbreekt.
3 ‘hevig’.
3/4 walghen = ‘draaien’, balghen = ‘vechten’: deze twee woorden zijn samen te vertalen als ‘opspelen [2×]’.
4 ‘braakte uit’.
Persoonlijk voornaamwoord.
4/5 Tot de dranken in zijn buik.
5 Wederkerend voornaamwoord.
6 Van ‘zullen’; conjunctivus.
‘of’.
Twee zinsdelen: al = predicatieve toevoeging, en te hope = resultatieve werkwoordsbepaling.
7 Beide mogelijkheden zijn aanwezig. Als ghezeyt een deel van het werkwoordelijk gezegde is, dan is er samentrekking van het onderwerp en de persoonsvorm Dit was (vertaling: ‘Dit was gezegd, dit was ook vlug gedaan’). In het andere geval is ghezeyt een conjuncte participiumconstructie bij Dit (vertaling: ‘Toen dit gezegd was, was het ook snel gedaan’). De laatste mogelijkheid leidt tot de beste interpretatie.
8 Het is een wens.
9 ‘datzelfde’.
9/13 alzo ... ghezwolghen (9/11): conjunct bij zy (9)
by ... ghezwolghen (11): conjunct bij die ... verwerringhen (10); ondergeschikt.

[p. 203]

11 ‘daarvan’.
9/13 Samengetrokken is op dat zy [...] machten werdē; overspannen: werdē fungeert achtereenvolgens twee keer als hulpwerkwoord van de lijdende vorm en één keer als koppelwerkwoord.
12 Genitivus identitatis.
13 ‘gemakkelijk’.
‘scheef’.
14 ‘is’-‘het’.
‘daarentegen’.
15 Meervoud.
Naamwoordelijk deel van het gezegde; ‘moeilijk’.
16/9 Lijdend voorwerpzin.
16 vele (16).
16/7 ‘in de overtuiging de ware leer te kennen’.
17 Naar vele (16); aanwijzend voornaamwoord; ‘voor hen’.
Onderwerp; ‘niets’.
Ontkenningspartikel.
19 ‘het onder ogen zien’.
20 daar af berispende: conjunct bij elck ander (19).
Bijwoordelijke bepaling.
Genitivus partitivus afhankelijk van iet (21).
20/1 ‘zoiets’.
21/2 Relatieve aansluiting.
23 Naar welck... dwaasheyd (21); bepaling bij dit ... wezen (23/5);
zinsvervlechting.
dit ... wezen (23/5); a.c.i..
23/4 werck: kern
dit, myn: nevengeschikte voorbepalingen
vā ... Zedevorm: nabepaling;
‘dit werk van mij van de kunst om goed te leven of van - zoals u het noemt - de kunst of de vorm van de zeden’.
24 ‘kunnen’.
Meewerkend voorwerp.
25 dit ... Zedevorm (23/4); ‘het [...] allemaal’.
Epenthesis.
26 ‘over’.
‘toestand’/ ‘lichaamsgesteldheid’.
27 ‘iedereen’.
27/8 Samengetrokken zijn de woorden Deze zaken zijn.
28 ‘bij zichzelf’.
‘zo’ -‘men’ -‘er’.
28/9 ‘als men er maar op wil letten’.
30 helle: kern
der menschen: voorbepaling
zelve: nabepaling.
31 ‘of’/ ‘dan wel’.
Indicativus.

prepostterug  begin  verder