Joannes Lublink d.j. (1736-1816), enig kind van een welgesteld Amsterdams koopman, was in zijn tijd een belangrijk vertaler, recensent, literatuurbeschouwer, literair agent en auteur, die zeker op het terrein van het vertalen veel autoriteit bezat. Hij beschikte over voldoende financiële middelen om veel tijd aan de letteren te besteden en hoefde ook niet van zijn pen te leven. Hij behoorde tot de kring van boekhandelaar en uitgever Pieter Meyer en was bevriend met de Van Winters (zie tekst no. 18 voor P. van Winters voorrede bij zijn Horatius-vertaling). Net als H.J. Roullaud (zie tekst no. 5) was hij lid van Diligentiae omnia en van Concordia & Libertate. Beiden werkten ze mee aan de vertaling van C.F. Gellerts Fabelen en vertelsels (Amsterdam, 1772-74). Lublink vertaalde veel, vooral uit het Engels en het Duits, maar hij manifesteerde zich in het bijzonder als pleitbezorger van het literaire werk van Edward Young.43 Lublinks voorrede bij zijn proza-vertaling van de Night-Thoughts uit 1766 bevat dan ook een uitgebreide beschrijving van het leven en werk van Young, alsmede een bespreking van de Nachtgedachten en de ertegenin gebrachte bezwaren. Lublink vermeldt in zijn voorrede dat hij voor aantekeningen en informatie over Young gebruik heeft gemaakt van de Duitse vertaling van de Night-Thoughts door J.A. Ebert (pp. v, xxxvi-vii, xlii). De Nachtgedachten verschenen in 1785 in een tweede, herziene versie.44 Andere vertalingen van Youngs Night-Thoughts in de periode zijn: door J. van Iperen (in verzen; Middelburg, 1767), door een onbekende (bloemlezing, getiteld ‘Britse gedagten’; Amsterdam, 1769) en door A.C. Schenk (in verzen, met medewerking van Lublink; 's-Gravenhage, 1805-23). Lublink is ook de auteur van de belangrijke Verhandeling over het vertalen (zie tekst no. 12).45
[.../(iv-xxxiii)...]
Dit oordeelden wy, waarde Leezer! ter verdediging van onzen Dichter te moeten aanmerken, en dit rechtvaardigt tevens te meerder onze onderneeming om dit werk ook in onze taal over te brengen. Gelukkig was het, indien de uitvoering maar op even goede gronden kon verdedigd worden. Een' arbeid echter als deeze van merkelyke gebreken te willen vrypleiten, ware zekerlyk de belagchelykste verwaandheid, zo geen vol- /(xxxiv) strekte dwaasheid. Gaarne had ik de vertaaling van dit gedicht (en men achte dit niet voor de pligtpleging van eene valsche nedrigheid, maar voor de betuiging van een oprecht hart,) in beter en bekwaamer handen dan de myne gewenscht. Op veele plaatsen kon ik my-zelven in geenen deele voldoen. Dikwerf stond ik verlegen voor de stoutheid van eenige uitdrukkingen in het oorsprongkelyke; een stoutheid, die, gelyk men aanmerkt, de taal der Britten zeer geschikt maakt voor Dichters en alle verhevene denkers; een stoutheid, eindelyk, die onze taal mogelyk wel kan, doch die men in dezelve niet wil dulden: behalven dat 'er tot het vertaalen der Nachtgedachten waarlyk meer dan een bloote kennis der beide taalen word vereischt, en 'er in dit werk zaaken
voorkomen, zo geheel van tyd, taal, land en andere omstandigheden afhangende, dat geen konst van een' Vertaaler alle die zwaarigheden kan te boven komen. Voeg hier nog by het verbaazend onderscheid om een en de zelfde gedachte in rym of in prose voor te stellen, en dat, hoe bekwaam de Vertaaler in prose ook zyn mooge, echter in de oorsprongkelyke vaerzen bevalligheden gevonden worden, die voor hem, hoe poëetisch zyn styl ook wezen mooge, volstrekt onnavolgelyk zyn. En wat betreft om dit Werk in vaerzen te vertaalen, dit schynt ons genoegzaam onmogelyk, en wy twyfelen niet of de /(xxxv) meesten, die het van naby leeren kennen, zullen 'er op de zelfde wyze over oordeelen.
Volgens het gevoelen van den vernuftigen Spanjaard MICHIEL DE CERVANTES worden de Dichters in een prose vertaaling, gelyk de figuuren in een geweeven tapyt, aan de verkeerde zyde gezien. VOLTAIRE zegt dat de Dichters door vertaalingen te willen kennen, het zelfde zou zyn als of men het koloriet van een schilderstuk in een prent wilde gewaar worden. Deeze gelykenis is niet juist. Men kan zekerlyk uit een prent, ten minsten over het licht en bruin, de hoofdzaak van het koloriet, hoewel niet zo zeker over de verscheide tinten der verwen, oordeelen. DACIER vergeleek derhalven, onzes oordeels, de welvertaalde Dichtstukken het beste by schilderyen welke zuiver zyn van omtrek en wel overéénstemmende in de partyen, doch waarvan de kleuren niet in volle kracht en den sterksten gloed voorkomen; het geen ook de reden is dat stukken van dien aart meerder aan kenners dan het algemeen behaagen. Ik voor my, die in myn vertaaling voornaamelyk getracht heb den byzonderen styl van mynen Schryver te bewaaren, en, zo veel mogelyk, door welluidendheid het gemis van afgemeeten vaerzen te vergoeden, ik durf ook, in vergelding voor deeze pooging, verwachten dat men de stoutheid van eenige uitdrukkingen in zulk een poëetisch prose te eerder zal dulden. En, /(xxxvi) om hier geen uitvoeriger vergelyking tusschen een vertaaling in vaerzen en in prose te maaken, zal ik alleenlyk aanmerken, hoe het dikwerf onmogelyk is, wegens de tyranny van het rym, den juisten zin van het oorsprongkelyke wel uit te drukken, en dat, uit dien hoofde, in een goede prose vertaaling het verlies voor de ooren door de winst voor het verstand rykelyk word opgewogen.
Wy vleijen ons dat men, na diergelyke overweegingen en een genoegzaame bevatting van de onöverkomelyke zwarigheden in werken van zulk een byzondere natuur, ook onze begaane misslagen met eenige toegeevendheid zal beschouwen. En waarom zouden wy ons hiermede niet mogen vleijen, daar wy overtuigd zyn van onzen kant alles wat in ons vermogen was te hebben aangewend? Wy zouden ook onvergeefelyk gehandeld hebben, indien wy niet van alle hulpmiddelen, welken binnen ons bereik waren, gebruik hadden gemaakt. Het eerste dat hierömtrent in aanmerking kwam, was de verscheide Vertaalingen van dit Werk [...] te raadplegen. Zonder echter iets /(xxxvii) ten nadeele dier Vertaalingen in het byzonder aan te merken, kan ik my niet genoeg beklaagen over /(xxxviii) het geringe voordeel, het geen ik hierüit heb konnen trekken; doch met zo veel te grooter genoegen en dankbaarheid herïnner ik my de daadelyke hulp en ondersteuning van verscheide braave Voorstanders van deugd en weetenschap,
Vrienden, wier naamen ik verzwygen moet, om my-zelven aan geene laakbaare hovaardy schuldig te maaken, en wier karakter en verkiezing door zulk eene verzwyging het krachtigste geprezen word. En dewyl /(xxxix) ik, door ondervinding, overtuigd ben hoe veel de verscheide bevattingen van schrandere vernuften ter opheldering van diergelyke zaaken konnen bybrengen, verzoek ik ieder oplettenden Leezer, op het allervriendelykste, my met zyne aanmerkingen en verbeteringen te willen verëeren; hem verzekerende dat ik daarvan voor my-zelven, en, indien dit Werk verdienen mogt in het vervolg herdrukt te worden, ook voor het algemeen, onpartydig en met dankbaarheid gebruik zal maaken.
[... /(xl-xlii)...]
In alle taalen ontmoet men zodanige woorden en uitdrukkingen, welken onmogelyk in eenige andere taal letterlyk konnen worden overgebragt. Het behoort echter tot de pligt van een' getrouw' Vertaaler, zynen Leezer de eigenlyke en juiste denkbeelden van zynen Schryver over te leveren, en dit noodzaakt hem dikwerf geheel anders als zyn Schryver te spreeken, om den Leezer juist als hem te doen denken; doch het is niet minder zyn pligt van zyn gebruikte vryheid ten deezen opzichte reden te geeven, immers dezelve aan te wyzen, en dit hebben wy mede in onze Aanmerkingen in acht genomen.
[...]