terug  begin  verderprepost
[p. 42]

5
H.J. Roullaud, ‘De eer der Nederlandsche geleerden verdedigt. Tegen den Philosooph No: 93. Dienende tot voorafspraak van eene vertaling van 't eerste boek van L'art poëtique van Boileaú. Den 12.den November 1767 in 't kunstgenootschap Diligentiae Omnia voorgeleezen’. Gepubliceerd in De Philosooph No. 102. Den 14den December 1767. Amsterdam, P. Meyer en Wed. K. van Tongerlo & zn. pp. 393-400.

Henri Jean Roullaud (1729-1790), zoon van een Hugenoot en een Zeeuwse moeder, was een - naar men zegt - niet erg succesvol koopman te Amsterdam. Hij was actief in veel genootschappen, waaronder een aantal waarvan ook J. Lublink d.j. lid was (zie tekst no. 4). Hij was tevens regent van de Amsterdamse schouwburg. Hij vertaalde toneel, o.a. in het genootschap Oefening beschaaft de kunsten. ‘De eer der Nederlandsche geleerden verdedigt’ is een reactie op De Philosooph 93 van 12 october 1767, waarin de Nederlandse geleerden (in de 18e-eeuwse betekenis van het woord, dat wil zeggen, de klassiek geschoolden) worden bekritiseerd. In het bijzonder worden de poëzie, de schilderen beeldhouwkunst, de muziek en de architectuur beschuldigd van grote ‘volgzugt’. Roullauds reactie hierop werd eerst voorgelezen in het genootschap Diligentiae omnia en vervolgens op 14 december 1767 gepubliceerd in De Philosooph 102. Als voorlezing gaat de verhandeling over in een voorrede van een vertaling in verzen van het eerste boek van de nog steeds gezaghebbende classicistische Art Poétique van Nicolas Boileau uit 1674. In 1768 las Roullaud in Diligentiae omnia een vertaling van het tweede boek voor. In diezelfde tijd verschenen nog een drietal andere vertalingen van Boileaus poëtica: door J.F. Cammaert (Brussel, 1754), door A. Gobels (Amsterdam, 1768) en door J. van Zyp (Leiden, 1768).

[.../(394)...]

Het overbrengen van Boeken van de eene taal in de andere is ten allen tyde gebruikelyk geweest, en altoos aangemerkt als een dienstig middel ter bevordering van Kunsten en Weetenschappen. Hierdoor hebben Kennis, Geleerdheid, heilzaame Ontdekkingen, en nutte Uitvindingen, in plaats van in 't oord hunner geboorte opgesloten te blyven, zich over 't geheele Waereldrond verspreid, tot welzyn van 't Menschdom. [.../(395)...] Heeft ieder Natie zich niet de voortbrengselen van 't vernuft der andere Natiën door getrouwe overneemingen als een eigendom aangematigd, zonder dat zy geschroomd hebben het bezit van goeden smaak door die vertaalingen te verliezen? Cicero zelf, wien niemand den naam van een Man van goeden smaak kan betwisten, heeft het zich geene onëer gerekend verscheidene gedeeltens uit de Werken van den grooten Homeer in Latynsche Vaerzen over te brengen. Pope, die by de gantsche Waereld voor een uitsteekend Vernuft te boek staat, heeft dien zelfden Homerus en een groot gedeelte van Statius vertaald;46 en, welke antagonisten de Franschen en Engelschen ook mogen weezen, zyn de beste Treurspellen van Racine, de geestige Blyspellen van Moliere, en onëindig veel andere Werken, door de eerste Vernuf-

[p. 43]

ten van Frankryk voortgebragt, niet in 't Engelsch vertaald en door de Natie gunstig aangenomen? Op de zelfde wyze hebben de Franschen met de Engelsche en Italiaansche Werken gehandeld: Pope, Thomson, Milton, Fielding, Shakespear, en veele anderen zuilen der Britsche Geleerdheid, Dichtkunde en Beschaafde Letteren worden, met een Fransch kleed omgord, in Vrankryk zo wel als in hun Vaderland geliefkoosd. En de Engelschen hebben de eer dat zy in 't schryven van Romans een' nieuwen weg gebaand hebben, uitmuntende in waarschynlykheid en echte characters, waarin de Franschen, door derzelver Vertaalingen onderwezen, zich een' roem maaken hen na te volgen. Op de zelfde wyze hebben alle Natiën gehandeld: de Don Quichot is byna in alle hedendaagsche taalen te vinden. -

Is het dan niet onbillyk de Hollanders - alléén aan gebrek van Smaak te beschuldigen om eene rede, die zo wel op alle andere Natiën als op hen toegepast kan worden? Eene reden, die, al ware zy op hen-alléén toepasselyk, nog niets van het gestelde bewyst.Vertaalingen bederven noch verdooven geenszins den Smaak: zy breiden dien uit; zy zuiveren dien van aangeborene vooröordeelen; zy strekken aan verheven Geesten tot een spiegel, om, van alle waanwysheid ontslagen, zichzelven te leeren kennen, en van die kennis een nuttig /(396) gebruik te maaken. Dit blykt inzonderheid aan die Duitschers [...]. Sedert eenige jaaren hebben dezelve ongelooflyke vorderingen in de fraaije Letteren gemaakt: en het tydstip hunner vorderingen is juist het zelfde, waarin zy de beste Werken der Engelschen en Franschen in hunne taal hebben overgebragt. Die vertaalingen hebben by hen den goeden Smaak ontbolsterd, hen de onbevalligheid van hunnen langwyligen en ingewikkelden schryftrant ontdekt; hen met Smaak leeren denken en schryven. En het ware te wenschen dat wy de Duitschers in dit stuk evenaarden. Duitschland is thans de zetel der Geleerdheid, de voedster der Kunsten en Weetenschappen [...], en, daar Engeland en Frankryk thans byna niet dan beuzelingen uitleveren, verrykt Duitschland de Geleerde Waereld met vernuftige Werken, die door de andere Natiën vertaald worden, en wier overzetting in de Nederduitsche taal niet dan het grootste nut kan te weeg brengen.

De Fransche Tooneeldichters, inzonderheid Corneille, Racine en Moliere, worden met recht als de herstellers en beschaavers der Tooneelpoëzy aangemerkt. Crebillon, Voltaire, Destouches, Marmontel en andere groote Vernuften zyn die meesters op 't spoor gevolgd, en door hunnen yver is 't Fransche Tooneel alöm beroemd geworden. Braave Dichters van alle beschaafde Natiën hebben 't zich geenszins tot schande gerekend hunne Landgenooten die schoonheden te leeren kennen, en hen die door goede vertaalingen mede te deelen: en zouden wy, Hollanders, wier kenmerk altoos de nyverheid is geweest, dien buit aan anderen overlaaten, zonder ook onzen Landaart daarin te doen deelen? Zouden wy die vruchten versmaaden uit een dwaas vooroordeel, omdat ze niet op eigen grond zyn gegroeid? Neen, geeft men ons na dat wy dwaasheden der andere Natiën, en in 't byzonder der Franschen, gretig over- /(397) neemen, ten minsten verdienen wy geen berisping, wanneer wy ook de goede en geestige voortbrengselen van 't vernuft der Vreemden ons eigen maaken, en door welbehandelde Vertaalingen het groot aantal onzer braave Landgenooten, die niet in andere taalen ervaren zyn, zo

[p. 44]

wel op ons Tooneel als in hunne leesvertrekken trachten te stichten, tot nut te strekken en te vermaaken. [.../(398-99)]

Ik beken echter dat ons Land tegenwoordig zo veele eigen ontworpen Werken van geleerdheid of vernuft niet voortbrengt als andere Landen: en het ware te wenschen dat het tegendeel mogt blyken. Zekerlyk is zulks eenigzins aan de Constitutie van onze Regeering en grootelyks aan gebrek van aanmoediging te wyten; doch dat de naauwe bepaalingen van onzen dominanten Godsdienst de grootste oorzaaken zouden weezen dat veele bekwaame Schryvers achterwege blyven, kan ik niet even goed toestemmen.47 Dat Godgeleerde Schryvers van de heerschende Kerk zich naar haare Wetten schikken is billyk; en zulks heeft dit Land met de meeste Landen gemeen: maar wat gemeenschap hebben alle andere soorten van Werken van Geleerdheid en Vernuft met de gevoelens der heerschende Kerk?

Doch in andere Landen word de Geleerdheid niet alleen met lof en eerbewyzing, maar ook met geld beloond; en schoon de spreuk Honos alit Artes, Eer voed de Kunsten, gegrond is, is het niet minder zeker dat Eer de menschen niet voed. Een bekwaam Schryver zal derhalven, indien hy zyn bestaan of verbetering van zyn bestaan niet uit de voortbrengselen zyner pen kan vinden, eerst zorgen voor het noodige, en zyne uitgekochte uuren slechts aan zyne zucht tot letteröefeningen opöfferen. Dus is het hier inzonderheid met de Dichtkunst gelegen: de meesten die dezelve oefenen slyten den gantschen dag aan andere noodzaakelyke bezigheden, en de overgehouden tyd, telkens afgebroken zynde, is voor hen niet wel geschikt tot eigenvindingen van eenig belang, in welker bearbeiding een Autheur altoos den saamenhang van 't geen hy reeds heeft opgesteld dient in hoofd te hebben: dit ongemak hebben de Vertaalingen niet, en dit doet hen dikwils daartoe overgaan, om evenwel op de eene of andere wyze hunne Dichtlust te voldoen. Eene goede Vertaaling te vervaardigen is echter moeijelyker dan men in 't algemeen wil gelooven. Men moet dikwils sterker denken, om te denken als een ander gedacht heeft, dan als men zyn eigen verbeeldingkracht den teugel mag vieren. Men moet eene grondige kennis hebben van de taal, waarïn het Werk geschreven is, en van die in welke men het overbrengt: de byzondere eigenschappen en eigenäartige spreekwyzen der origineele taal moet men weeten te on- /(400) derscheiden, en daar zy niet in gelyke uitdrukkingen te vertaalen zyn, 't geen dikwils gebeurt, moet een gezond oordeel de gelykbeteekenende spreekwyzen onzer taal opspooren en het onnavolglyke daarmede vergoeden. Men moet den zin meer in 't oog houden dan de woorden of uitdrukkingen van 't oorsprongklyke: Wie al te slaafsch vertaalt word duister: doch wie hierin te veel vryheid gebruikt, doet zyn' Autheur te kort. Het kenmerk des Autheurs in styl en schikking moet men zodanig volgen, dat een ervaren kenner den Autheur in de vertaaling-zelve duidelyk kan gewaar worden. Men moet de invulselen, die alle Dichters, in wat taal zy ook mogen schryven, somtyds gebruiken om het vaers vol te maaken of het rym of de maat te vinden, kunnen ontdekken, en zo men die niet noodig heeft dezelven achterwege laaten. Alle uitweidingen moet men zorgvuldig

[p. 45]

vermyden, anders is men genoodzaakt geduurig aanvulselen te zoeken, en de styl des Auteurs raakt met de kracht der vaerzen weg.

[...]

46Zie noot 27 voor Popes Homerus-vertalingen; Pope vertaalde het eerste boek van Statius' Thebais in 1703. Deze vertaling werd in 1712 gepubliceerd in Lintot's Miscellany.
47Roullaud citeert hier uit De Philosooph 93, waarop hij reageert.
prepostterug  begin  verder