terug  begin  verderprepost
[p. 59]

10
C. Groeneveld (vert.): De Messias, in twintig zangen, van Fr. Gottl. Klopstock [...]. Uit het hoogduitsch vertaald. Dl. I. Amsterdam, Wed. A.D. Sellschop en P. Huart, 1784. ‘Voorrede’ (pp. [v-xx]).

Cornelis Groeneveld (overl. 1785) leverde met deze overzetting van F.G. Klopstocks Messias een vroege substantiële vertaling waarin de originele onberijmde hexameter, gehandhaafd wordt. Na hem zou in 1793 P.L. van de Kasteele handhaving van de originele versvorm verdedigen (zie tekst no. 14) en na 1800 volgden er velen. Groenevelds vertaling kreeg een slechte ontvangst. Bilderdijk laat zich bijvoorbeeld heel negatief uit over deze Klopstock-vertaling (zie tekst no. 15) en ook J. Meerman schrijft in de narede bij zijn eigen hexametrische Messias-overzetting in negatieve termen over Groenevelds werk.60 Het lemma GROENEVELD in Witsen Geysbeek (1821-27) is vernietigend. R. Feith was Groeneveld en zijn Messias-vertaling gunstig gezind en schreef een aanbevelende voorrede bij de onvoltooide vertaling door Groeneveld van J.J. Dusch, Orestes en Hermione (Amsterdam, 1786). Uit deze voorrede blijkt overigens dat Groeneveld van zijn pen moest leven. Groeneveld vertaalde ook De bevalligheden van C.M. Wieland (Amsterdam, 1785). Verdere vertalingen van Klopstocks Messias in de periode zijn: door B. Nieuwenhuizen (Delft, 1798-99); door een anonymus (Amsterdam, 1797-1802) en door J. Meerman ('s-Gravenhage, 1803-15).61 Van het origineel publiceerde Klopstock de eerste drie zangen in 1749; hij voltooide de Messias in 1773.

[.../[viii]...]

Dit oordeel [over de Messias], welk voor veele anderen volstaan mag, hier bijgebragt hebbende, zal het noodig zijn, mijnen leezer verslag te doen van mijne behandeling omtrent de vertaaling, die ik met alle mogelijke getrouwheid en naauwkeurigheid heb trachten uittevoeren, hiertoe meest in staat gesteld, doordien de Heer KLOPSTOCK, aan wien ik deswegen de uiterste verpligting heb, zelf de moeite heeft gelieven te neemen, om de vertaalde gezangen overtezien, en mij met zijne bondige en keurige aanmerkingen te verlichten; gelijk ook de Heer HIëRONYMUS VAN ALPHEN mij met zijne aanmerkingen heeft gelieven te vereeren. Aan welke beide Heeren ik hiermede in 't openbaar mijnen dank betuige.62

Zommigen mijner vrienden, en onder deeze ook mannen van kunde en smaak, maar met den Duitschen hexameter niet zeer bekend, zouden liever gezien hebben, dat ik dit werk in proze hadde overgezet. /[ix] Dan deeze verzoek ik in aanmerking te willen neemen, en ernstig te overweegen 't geen de Heer S. FEITAMA, in de voorrede des eersten druks van zijnen sierlijk vertaalden Telemachus, die onder zijne handen eerst een heldendicht in den volsten zin geworden is;63 en 't geen de Heer R. FEITH, in 't achtste hoofdstuk van zijn doorwrochte Verhandeling over het Heldendicht, van de medewezendlijkheid der verzen in 't heldendicht gezegd hebben;64 en ik twijfel niet, of zij zullen mij recht doen, met te gelooven, dat ik dit heerlijk dichtwerk in eenen ongebonden stijl vertaalende, hetzelve wezendlijk zoude verminkt hebben.

[p. 60]

De zelfde redenen, die den Heer KLOPSTOCK bewoogen hebben, om dit werk in den hexameterschen of zesvoetigen verstrant te voltooïen, hebben mij onder anderen mede bewoogen, om hem hierin te volgen. [.../[x-xvii]...]

Dat voorts geleerde en des kundige mannen onze taal niet onbekwaam tot den versaard der ouden geoordeeld hebben, blijkt uit de voorbeelden, die, hoewel weinig in getale, daarvan voorhanden zijn. [.../[xviii]...]

Indien men, onder het doorleezen deezer vertaalinge, mogelijk hier of daar iets ontmoet, dat met onze gewoone manier van zeggen niet ten volle schijnt te strooken; zo schrijve men zulks niet toe aan mijn onachtzaamheid, of onkunde omtrent de natuur en eigenschap onzer taale, noch verwerpe het straks als eenen germanismus; hoewel ik niet ongeneigd ben om plaats te geeven aan het zeggen van den Heere A. PéLS, in zijne toepassing van Horatius dichtkunst op onze tijden en zedena:

 
‘In 't woordensmeeden wees omzigtig, én zeer schaars.
 
't Geschied' met aartigheid, wanneer gij in een vaers
 
Door fraaije schikking van uw' reede een woord doet kennen,
 
Dat nieuw gemaakt is, én daar ge ons toe wilt gewennen.
 
Moet gij ook zaaken, die den Ouden lang voorheen
 
Verborgen waaren, met een' nieuwen naam bekleên;
 
U wordt de vrijigheid, in dat geval genomen,
 
Ligt toegestaan, doet gij 't schaamachtig, én met schroomen.
 
Ja 't nieuw gesmeede, komt het uit het Hoogduitsch voort,
 
Wordt, wat geboogen zijnde, een goed gebruik'lijk woord./[xix]
 
't Verlóf, dat Korenhart [= Coornhert] krijgt van den Néderlander,
 
Zal dat aan Vondel, Hoofd, aan Meijer,65 óf een ander
 
Geweigerd zijn? waarom benijdt, én doemt men mij,
 
Zét ik een woord, óf twé, mijn Moeders taale bij;
 
Daar Roemer Visschers, én daar Spiegels pén, doen blijken,
 
Dat zij, tót hunnen lóf, het Néderduitsch verrijken,
 
En veele dingen met een woord, nieuw opgebragt,
 
Uitdrukken. Want het is van alle tijd geächt,
 
'k Laat staan geoorlófd, als men ongewoone zaaken
 
Benoemen moet, daartoe een' nieuwen naam te maaken.66

Maar men toetze het voorkomende aan de regelen, waaraan ik mij heb moeten onderwerpen, als: Alle prozaïsche woorden en uitdrukkingen te vermijden; geen onedel woord, of dat niet edel genoeg is, te bezigen; niet ligt eene spreekwijze te gebruiken, waar de Dichter de zaak door een woord uitgedrukt heeft; verzen, waarvan de derde voet een trochéus of spondéus is, zo zelden als mogelijk te

[p. 61]

gebruiken, ingevalle de zin met de afsnede eindigt, en eindelijk den Dichter geene bijvoeglijke woorden te geeven, of te neemen. Daar bij zij men gedachtig, dat ik doorgaands getracht hebbe, het oirsprongklijke van zo nabij te volgen, als de verschillende aard en eigenschappen der beide taalen scheenen toetelaaten, om niet ook op mij toepaslijk te maaken het zeggen van den Heere KLOPSTOCK: Dat het een treurige eere voor dichteren is overgezet te worden; dat ze daardoor niet slechts zo wat /[xx] versluïerd of in 't geheel vermomd; maar verhoeteld, en dan, tot vergoeding, verfraaid, en als men 't op 't slimste met hun maakt, en dat geschiedt gansch niet zelden, veranderd wordenb. Niet dat ik vertrouwe, dat mijn arbeid onberispelijk zal zijn; als te wel bewust, hoe verre de volmaaktheid van de menschelijkheid afgescheiden is; maar dit is ten minste zeker, dat ik geene moeite gespaard hebbe, om die zo weinig berispelijk te maaken, als mij mogelijk ware.

[...]

60Narede tot de Nederduitsche vertaling van Klopstock's Messias, door Mr. J. Meerman, heer van Dalem en Vuren ('s Graavenhage/Amsterdam, 1815) 1. Zie ook tekst no. 28.
61Zie Meerman, op. cit., 1.
62In de ‘Narede’ bij zijn Messias-vertaling zegt J. Meerman dat de goedkeuring door Klopstock van Groenevelds werk van weinig waarde is, omdat Klopstock het Nederlands niet goed genoeg zou beheersen (op. cit., 52).
63Zie Schoneveld (1992), tekst no. 32.
64R. Feith,Verhandeling over het heldendicht [1781].
aBladz. 4. van den lesten druk.
65Pels doelt hier op Lodewijk Meijer, een van de oprichters van het genootschap Nil Volentibus Arduum. Zie Schoneveld (1992), teksten nos. 3 en 5.
66A. Pels, Q. Horatius Flaccus Dichtkunst op onze tyden én zéden gepast. De eerste druk hiervan verscheen in 1677 te Amsterdam. Zie ook Schoneveld (1992), tekst no. 5.
bUeber Sprache und Dichtkunst. Eerste Fortsezung, Zäntes Fragment.
prepostterug  begin  verder