terug  begin  verderprepost
[p. 81]

14
P.L. van de Kasteele (vert.): De gedichten van Ossian in 't Nederduitsch. Amsterdam, J. Allart, 1793. ‘Voorrede’ (pp. i-xxxviii).

Pieter Leonard van de Kasteele (1748-1810) studeerde rechten in Utrecht en behoorde tot de kring van Hieronymus van Alphen. Hij werd advocaat te Den Haag en later ‘raad en pensionaris’ in Haarlem, tot hij in 1787 vanwege patriotse gezindheid ontslagen werd. De vertaling van Ossian is ontstaan tijdens de daarop volgende periode van onvrijwillige ambteloosheid (1787-95). Van de Kasteele is belangrijk als voorvechter van het vertalen in rijmloze, hexametrische verzen. De voorrede bij zijn Ossian-vertaling is grotendeels gewijd aan de verdediging van dergelijke verzen in een Nederlands dichtwerk. Daarnaast behandelt de voorrede de kwaliteiten van Ossian, die volgens door Van de Kasteele geciteerde buitenlandse autoriteiten (onder anderen H. Blair en J.G. Herder) als minstens de gelijke van de onovertreffelijke Homerus wordt beschouwd. Ook gaat Van de Kasteele in op de vermeende oudheid van de dichtwerken van de Keltische bard Ossian, die hij bewezen acht. James Macpherson, tegenwoordig algemeen beschouwd als ‘bedrieger’, werd indertijd gezien als de Engelse ontdekker en vertaler van Ossians Keltische teksten.83 Van de Kasteeles vertaling betreft overigens maar een gedeelte van Ossians werken. Als vertaler van Ossian in rijmloze verzen heeft Van de Kasteele een opponent in W. Bilderdijk (zie teksten nos. 15 en 20). Verdere substantiële vertalingen van Ossian in de periode zijn: door Van Lelyveld (Leiden, 1763) en door Winter Tromp (Zaltbommel, 1788 en Leiden, 1793).84 Van de Kasteele vertaalde ook Oden van F.G. Klopstock en C.M. Wieland (Haarlem, 1798).85

[.../(ii-xxiii)...]

Daar dan de uitmuntende waardij, en onbetwistbare oudheid van OSSIANS liederen met recht de aandacht van elken beminnaar der kunst, en van elken beöeffenaar der wetenschappen, tot zich moet trekken, scheen het mij toe, dat men alle reden had, om ook eene vertaling van dezelven in 't Nederduitsch te mogen verlangen. - Van de Engelsche overzettingen hebben ten minsten twaalf onderscheidene uitgaven reeds het licht gezien. - LE TOURNEUR heeft alle, DE ST. SIMON één der grootste, dichtstukken van OSSIAN in 't Fransch gebragt.86 - Zij zijn, althans gedeeltelijk, in Latijnsche dichtmaat verschenen. De Italiaansche uitgaaf van CESAROTTI,87 met geleerde aanmerkingen verrijkt, is één en andermaal herdrukt. - In 't Hoogduitsch zijn, behalven verscheiden losse stukken, drie verschillende vertalingen van 't geheel, door den druk gemeen gemaakt, namelijk van DENIS, VON HAROLD, en eenen Ongenoemden;88 welke alle, herhaalde uitgaven hebben opgeleverd. De liedren van dezen Celtischen Bard worden dus in de meeste talen van Europa reeds gelezen; waarom ook niet in onze moedertale?

 

Ik had, terwijl ik mij zocht toe te rusten tot het vervaardigen van een Godsdienstig dichtstuk van eenige uitgebreidheid, /(xxiv) eene overzetting van OSSIANS liederen tot mijne eigene oeffening ondernomen; en, tot de uitgave

[p. 82]

dezer vertaling aangemoedigd zijnde, heb ik mijne onderneeming des te liever willen voortzetten, omdat ik hierdoor gelegenheid had, ook in die uuren, wanneer de luim tot het maken van iets oorspronglijks ontbreekt, mij een werk te verschaffen, waaraan ik mij, als aan een taak, dagelijks zetten kon, en waardoor ik aan anderen van nut kon zijn, terwijl ik mij zelven oeffende, en vermaakte. Ik heb thans het genoegen, 't Eerste deel van dien arbeid aan mijne Landgenooten aan te bieden, waarop (volgens mijn ontwerp) nog twee soortgelijke deelen moeten volgen, met bijvoeging mogelijk van een vierde deel met verhandelingen.

 

In den eersten aanvang mijner vertaling is de Hoogduitsche uitgaaf van DENIS, in Hexametrische verzen, meest door mij gevolgd; maar weldra heb ik, om nader bij 't oorspronglijke te blijven, al mijne aandacht alleenlijk bepaald bij de Engelsche overzetting van MAC-PHERSON zelf, mij bedienende van den Londonschen druk des jaars 1784;89 zo nochtans, dat ik somtijds ook de drie hier bovengemelde Hoogduitsche vertalingen, en de Fransche van LE TOURNEUR geraadpleegd heb; terwijl mijne geringe kunde tot hiertoe van 't Italiaansch oorzaak is, dat ik van CESAROTTI'S arbeid geen ander gebruik heb kunnen maken, dan om nu en dan op te merken, waar ter plaatse hij meende de voetmaat zijner verzen te moeten veranderen.

 

Ik heb, in navolging van DENIS en CESAROTTI, ook voor deze Hollandsche uitgaaf, de verzenmaat boven den ongebonden stijl verkoozen; omdat het mij voorkomt, dat, om iets wezentlijk tot een dichtstuk te maken, in het zelve zekere harmonie voor 't /(xxv) gehoor vereischt wordt. - 't Is waar; door eene prosäische vertaling kan men nader bij het oorspronglijke blijven, en dus den dichter meer in zijnen eigenen aart doen kennen, iets, dat vooräl toepasselijk is op eenen dichter, als OSSIAN, wiens onnavolgbare kortheid, en hem bijzonder eigen spreektrant, door eene vertaling in verzenmaat, zekerlijk verliezen moet. - Ik erken het gewigt dezer bedenking; maar, indien de harmonie der verzenmaat, voor een gedeelte, tot het wezen der poëzij behoort, gelijk de oordeelkundige VAN ENGELEN en anderen te recht hebben staande gehouden,90 dunkt het mij verkieslijker te zijn, in eene gebrekkiger vertaling van dichtstukken, het wezentlijke der poëzij in allen deele behouden te hebben, dan in eene nauwkeuriger overzetting het wezentlijke voor een gedeelte te missen. Men kan intusschen de proef nemen, wat beter aan het gehoor voldoet, de prosäische overzetting der Gezangen van Selma, te vinden in de Nieuwe Bijdragen tot opbouw der Vaderlandsche Letterkunde D.I. bladz. 265;91 of die, welke in dit deel bladz. 97, voorkomt? Ja, ik verbeelde mij zelfs, dat mijne vertaling in verzenmaat nader komt aan het Engelsch van MACPHERSON, dan de prosäische overzetting van dat zelfde dichtstuk, in het Lijden van den jongen Werther bladz. 192, ingevoegd.92

 

Wegens het gebruik van rijmelooze verzen, zo als ik verkozen heb, vreeze ik, dat mijne keuze aan sommigen mishagen zal; en vinde mij daarom

[p. 83]

verpligt, met een woord, hier bij stil te staan. - 't Zij verre van mij, voor allerlei soort van poëzij in 't Nederduitsch het rijm te versmaden, of allerhande trant van Nederduitsche verzen rijmloos te begeeren. In tegendeel, ik geloof, dat in veelerlei soort van dichtstukken het rijm /(xxvi) met veel nut gebruikt kan worden, bij voorbeeld, in bijschriften, sneldichten, en alle andere gedichten of gezangen, waarïn men puntige spreuken, geestige tegenstellingen, of treffende slagen, ook door een punt in het gehoor, des te dieper in de aandacht, of in 't hart wil doen hechten. Daarenboven komt het mij voor, dat in de meestgewoone verzenmaten, welke men tot hiertoe in onze taal gebruikt heeft, en bijzonder in de zogenaamde Alexandrijnsche verzen, het rijm niet wel gemist kan worden, omdat alle voeten in dezelven uit twee lettergrepen bestaan, en hierdoor ééntoonig klinken. [...] Ik zou derhalven met veelen mijner landgenooten tot sommige soort van dichtstukken, en in onzen gewoonen trant van Alexandrijnsche, en soortgelijke verzenmaten, het Nederduitsche rijm liefst behouden.

Doch in zodanige lierzangen, waarin men juist niet bedoelt, ieder couplet tot een soort van puntdicht te maken, maar, waar- /(xxvii) in men veelëer de gedachten en 't hart zoekt met zich te verheffen, en te vervoeren, schijnt het, zoo men maar eene aangename harmonie aan de klanken, door verscheidenheid en éénheid weet te geven, raadzamer te zijn, dat men zijn voortsnellende vaart door het rijm niet laat afbreken, noch beperken. En dit zelfde dunkt mij ook te moeten gelden met opzicht tot een heldendicht; want, dewijl dit een doorloopend poëtisch verhaal moet zijn, 't welk een groot bedrijf op eene schilderachtige wijze voordraagt, schijnt het rijm te dikwils in het gehoor (men vergunne mij deze herhaalde uitdrukking) een punt te plaatsen, hier door de stoute trekken van het ge-enthusiasmeerde verhaal af te breken, en uit dien hoofde in het zelve best vermijd te worden.

De groote vraag blijft alleenlijk: of onze Nederduitsche taal geschikt is, om door verscheidenheid van voetmaat zulk eene meerder harmonie aan rijmelooze verzen te geven, dat daardoor 't gemis van het rijm vergoed worde? - Het gehoor alleen moet dit beslissen.

[... /(xxviii-xxxvii)...]

 

Na zo veel tot lof van rijmlooze verzen gezegd te hebben, denke evenwel niemand, dat ik wane, in deze overzetting van OSSIANS gedichten, alles in acht te hebben genomen, het geen daaromtrent met voordeel kan in acht genomen worden. In tegendeel kan het zijn, dat ik aan de woorden wel eens in mijne verbeelding zekeren nadruk, en daardoor aan 't vers een cadans heb gegeven, welke de Lezer, bij 't eerste inzien, welligt niet ontdekken zal. Ik heb niet zo veel nut getrokken uit al de aanleidingen tot variatie, als de aart onzer tale, en de gekozen verzen-maat mij had kunnen opleeveren. Ik ben nu en dan in 't geval geweest, om een min-gewoone, en mogelijk onnatuurlijke constructie te moeten gebruiken, ten einde aan de meening van den dichter, en tevens aan de maat van 't vers te voldoen. Maar ik vertrouw, dat de goedgunstige Lezer, ter verschooning van deze en soortgelijke gebreken, wel in aanmerking zal willen nemen, dat het

[p. 84]

moeilijker is, in eene vertaling, dan in een oor- /(xxxviii) spronglijk dichtstuk, de gebreken, waarvoor de versificatie bloot ligt, altijd te vermijden, en de schoonheden, waarvoor dezelve vatbaar is, van passe te gebruiken. 'k Heb deze zwarigheden wel te gemoet gezien, maar mij daardoor niet laten afschrikken, omdat ik voor mij zelf meer vermaak vond in deze rijmlooze verzenmaat, dan in een ongebonden stijl, of anderen dicht-trant; en ook omdat mijne vertaling (welker waarde altijd verre beneden 't oorspronglijke moest blijven) ten minsten, door rijmloos, maar nochtans in zekere dichtmaat te zijn, eenige meerdere gelijkheid zou hebben met OSSIANS gezangen, die in 't oorspronglijke, voor verr' het grootste gedeelte, ook uit rijmelooze verzen bestaan. [...]

 

Indien dit werk aan de liefhebbers en beoeffenaars der schoone dichtkunde in Nederland tot nut en genoegen verstrekt, zal ik zulks voor eene aangename belooning van mijnen arbeid houden, en mij aangemoedigd vinden, om rustig voortgaande deze opgevatte taak te voltooijen.

83Zie bijv. Varey (1984).
84Zie ook Van den Berg (1968).
85Zie voor Van de Kasteele: De Jongh [1950], Korpel (1992).
86P. le Tourneur, Ossian, poësies Galliques, traduites de l'Anglois (Paris, 1777). Témora poëme épique en VIII chants composé en langue Erse ou Gallique par Ossian fils de Fingal. Traduit d'après l'édition Anglaise de Macpherson. Par M. le Marquis de St. Simon (Amsterdam, 1774).
87M. Cesarotti, Poesie di Ossian (Padua [?], 1763-72).
88Die Gedichte Ossians eines alten celtischen Dichters. Aus dem Englischen übersetzt von M. Denis (Wien, 1768). Die Gedichter Ossians, eines alten celtischen Helden und Barden. [Uebers. von Edmund von Harold] (Düsseldorf, 1775). Over welke anonieme, herhaaldelijk uitgegeven, Duitse vertaling van de volledige gedichten van Ossian Van de Kasteele het hier heeft, heb ik niet kunnen achterhalen.
89Het betreft hier een heruitgave. In 1760 verschenen van J. Macphersons hand de Fragments of Ancient Poetry, collected in the Highlands, and translated from the Gaelic or Erse Languages (Edinburgh). In 1762 publiceerde hij Fingal, an ancient Epic Poem in six books, together with several other poems composed by Ossian, the son of Fingal, translated from the Gaelic language (London). In 1763 Temora, an ancient Epic Poem in eight books, together with several other poems composed by Ossian, the son of Fingal, translated from the Gaelic language (London). In 1765 kwam in London een eerste bundeling van deze drie publikaties uit onder de titel The Poems of Ossian.
90C. van Engelen, ‘Welke zijn de algemeene oogmerken, die een dichter moet bedoelen? Welke zijn derhalven de eigenaartige onderwerpen voor de dichtkonst? En welke zijn derzelver algemeene regelen?’ Werken van de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leiden IV (Leiden, 1779) 66-224. Zie m.n. pp. 104-17.
91‘De gezangen van Selma, door Ossian, Fingal's zoon, een der oude Schotse barden (door E.D. [= Frans van Lelyveld])’ in Nieuwe Bydragen I (Leiden, 1763) 257-80.
92Van de Kasteele verwijst hier naar p. 192 van de eerste druk van Het lyden van den jongen Werther (Utrecht, 1776). Zie Kloek (1985) 218-28.
prepostterug  begin  verder