Cornelis Loots (1765-1834) vertaalde als één van de weinigen een Engels toneelstuk en wel rechtstreeks naar het Engels. Eerder vertaalde hij A. von Kotzebues toneelspel Armoede en grootheid (Amsterdam, 1795).
De vertaling van dit treurspel, in het Engelsch genaamd the Indiens, wierd reeds in den jare 1792 door my begonnen, op aanbeveling van mynen sedert overleden kunstvrind, den dichter IZAAK DE CLERCQ, H.Z.99 Deze waardige man, alom bemind om zyne goedhartigheid en andere schitterende deugden, en beroemd door zyne oordeelkundige beoefening der poëzy, prees my de bearbeiding van dit stuk, welke hy anders zelven zoude ondernomen hebben, ten sterkste aan, uit hoofde der menigvuldige goede hoedanigheden, door hem in het oorsprongkelyke ontdekt, en onder welke, naar zyne gedachten, uitmuntte eene rykheid van poëtische gedachten, en de voortreffelykste zedeleer, verfraaid door eene tooneelschikking, gewyzigd naar de algemeen aangenomen kunstregelen, op het gezond verstand gebouwd, en door welke te volgen, de beste Fransche tooneeldichters zich eenen roem verworven hebben, die by mannen van smaak door alle tyden heen duren zal.
Het gelukte my, niettegenstaande de moeijelykheid die 'er plaats heeft om de Engelsche korte vaerzen, door hen blankvaerzen genoemd, welke geen rymwoorden hebben, noch, gelyk de Fransche vaerzen, byna regel voor regel op zichzelven staan, maar integendeel achter elkander doorloopen, en byna altoos in de helft van een' regel sluiten, in onze gewone Hollandsche vaerzen over te brengen; het gelukte my, zeg ik, niet tegenstaande deze zwarigheden, van welke myne vertaling, door eenige doorlopende regels, /(vi) noch verscheiden kenteekens draagt, het eerste bedryf, van dit stuk, spoedig af te werken, zeer ten genoege van myn' vrind DE CLERCQ, die my ten sterkste aanspoorde, met de opgenomen taak voort te gaan.
Dan, hoe zeer de aanmoedigende lof van dezen kunstminnaar mynen dichtyver deed opwakkeren, wierd ik, aan den anderen kant, echter niet minder weêrhouden, om aan dit moeijelyke werk voort te gaan, door bedenkingen, geboren uit de omstandigheden, waarin het Nederduitsch tooneel, voor hetwelk myn arbeid geschikt was, zich toen reeds bevond. Ik zag, namelyk, van hetzelve allengs die stukken verbannen, die door hunne wezendlyke inwendige waarde alleen recht op de bewondering van verstandige aanschouweren hadden; - ik zag de bestuurderen des schouwburgs genoodzaakt, om, zo zy denzelven niet ontbloot van aanschouweren wilden zien, te gedoogen, dat ongeregelde voort-
brengzels van wilde vernuften, zonder schikking, zonder zedeleer, zonder eenige dichterlyke schoonheid, die kunststukken verdrongen, om en voor welke de schouwburg, door onze deftige voorvaderen, ter aankweeking van taal- en dichtkunde, gesticht was.
Weinig aanspooring dus voor my, om een moeijelyk stuk te bearbeiden, hetwelk alle de thans geliefkoosde byhangzelen miste, en niets daarvoor aanbood, dan het ongeacht eenvouwdig sieraad van regelmatigheid, dichterlyke gedachten, benevens eene verheven zedeleer; en het gevolg hiervan was, dat ik, ondanks de aanspooringen van my- /(vii) nen vrind DE CLERCQ, de bewerking der vier overige bedryven van tyd tot tyd verschoof, en, na zyne door my betreurde dood, daarvan geheel dacht af te zien.
Dus was dit stuk by my, reeds sedert eenige jaren, in vergetelheid geraakt, toen ik, op verzoek van commissarissen des schouwburgs twee my opgegeven tooneelstukjes vervaardigd hebbende, besloot, liever de handen aan eenigen dichterlyken arbeid te slaan, en verders in aanmerking nemende, dat het bestuur des schouwburgs dit gesticht poogt te verheffen tot eene leerschool van zeden, ja hetzelve dienstbaar wil maken aan het algemeen nationaal onderwys, achtte ik, dat hy, die den eernaam van dichter des schouwburgs voeren wil, ook gehouden is tot dit loffelyk oogmerk mede te werken, zelfs ook dan, wanneer hy voor zynen welmeenenden arbeid, uit hoofde van de omstandigheid der tyden, noch geen algemeenen dank voorzien kan; en dit heeft my bewogen, om myne neêrgelegde taak weder op te vatten, en dit stuk thans den schouwburg aan te bieden.
Omtrent deze myne vertaling zy het my dan noch vergund het volgende aan te merken.
Niet overal heb ik in dezelve het Engelsch angstvallig gevolgd, terwyl my zulks ook niet wel mogelyk was, wilde ik niet, ter liefde hiervan, het geheele stuk voor eene bevallige lezing en uitvoering ongeschikt maken, hetwelk myns oordeels, veel erger zoude zyn, dan het byvoegen of weglaten van eenige woorden, zeer weinig ter zake doende, ja het berouwt my, dat ik my op verscheiden plaatsen noch /(viii) geen meerder vryheid, ten behoeve van de rondheid en volkomenheid der Nederduitsche vaerzen, aangematigd heb.
Eenige redeneringen in dit stuk, my ongeschikt of van te weinig belang voorkomende, heb ik weggelaten [...].
Het getal der coupletten, door de Indianen en Neidan gezongen wordende, heb ik verminderd van zeven op vyf, oordeelende, dat terwyl de daad van het stuk onder deze gezangen weinig vordert, ja meest stil staat, het vervelend zou zyn, dezelve langer te rekken dan noodig is; echter heb ik getracht, het schoonste uit deze gezangen, zo veel my mogelyk was, byeen te trekken.
Noch heb ik, op den raad van sommige myner kunstvrinden, eenige al te overdreven poëtische beschryvingen en vergelykingen, welke in den mond van den sprekenden persoon, en vooral naar mate zyner omstandigheden, my onvoegelyk schenen, verzagt, of zo veel mogelyk, naar de gewone spreekmanier gewyzigd, echter heb ik my dit zeer zeldzaam veröorloofd, om geen ware dichterlyke
schoonheden, noch het eigenäartige van den Engelschen styl, te doen verloren gaan.
Het is toch zeker, dat, gelyk elk volk zyne hem alleen eigen zeden, gewoonten, taal, kleeding en andere onderscheidende kenmerken bezit, het ook meestal des- /(ix) zelfs byzondere wyze heeft om zyne gedachten voor te stellen, en aan anderen mede te deelen. Het eene volk is hierin geheel eenvouwdig, het andere, en vooral de wilde volken, zeer bloemryk en leenspreukig; en het is deze verschillende manier van uitdrukken der gedachten, waardoor de byzondere soorten van dichtkunst, en vooral de tooneel-dichtkunde, by elke onderscheiden volk ontstaan zyn, en noch gekend worden. Wy, Nederlanders, byne geen oorsprongkelyke dichtwerken, althans niet vele tooneelstukken, die noemenswaardig zyn, hebbende, kunnen geen byzonder voorbeeld dienaangaande geven; hebbende wy ons tooneel, door de vertalingen der beste Fransche stukken, byna geheel naar de wyze dier natie geschikt, welke manier ook in de weinige Nederlandsche oorsprongkelyke stukken heerschende is; en wy moeten dus rondelyk bekennen, geen ons byzonder eigen nationale tooneel-dichtkunst te bezitten.
Geheel anders is dit met de Engelschen gelegen: dit volk, meer op zichzelf bestaande, en uit zynen aart niet geneigd om zo licht iets van vreemden over te nemen, heeft, van vroegere eeuwen af, eene hem alleen eigen dichtkunst, vooral ook ten gebruike van het tooneel, beoefend, en hoe zeer dezelve, door den loop der tyden, meer en meer beschaafd moge zyn, is het oorsprongkelyk karakteristike daarvan altoos hetzelve gebleven, hunne gedachten zyn meestal zeer verheven, de uitdrukking is bloemryk, leenspreukig, sierlyk en verre boven de gewone volkstaal; de blyken daarvan zyn ook in dit door my vertaalde treur- /(x) spel voor handen, ten minste in zo verre het my gelukt is, deze kunstsieraden in myne vertaling te bewaren;
[...].
I Sept. 1798
DE VERTALER.