Willem Bilderdijks uitgebreide nawerk bij zijn vertaling van Ossians Fingal gaat vooral in op de kwaliteit van Ossians werk, die Bilderdijk van een Homerisch gehalte vindt; op de vermeende oudheid van de tekst; op de Fingal als heldendicht - in tegenstelling tot H. Blair vindt Bilderdijk dat de Fingal geen heldendicht is -; op de zeden en de manier van leven ten tijde van Ossian; en maar voor een klein gedeelte op het vertalen. Deze vertaling werd overigens net als die van Van de Kasteele uitgegeven door J. Allart. Het gedicht op p. 173 is later apart verschenen in W. Bilderdijk, Dichtwerken 13 (1859) 148. Zie verder teksten nos. 14 en 15.
[.../(73-156)...]
Van mijne Navolging zal ik hier niets anders zeggen, dan dat zy op gelijke wijze bewerkt is als de voorige, die ik van andere stukken dezes Dichters gegeven heb. In zoo verre echter nader by den text blijvende als hier niets Lierzangmatigs in voorkoomt, waar- /(157) in onze Taal vooral meer weelderigheid in de uitdrukking vordert dan Ossiaans oorspronklijk oplevert. Men heeft somwijlen aan eenige mijner overbrengingen van de ouden een getuigenis gegeven dat ten uiterste vleiende was. Echter verblindt het my niet. Ik heb reeds elders aangemerkt, dat het overbrengen van een' schrijver der oudheid, zoo dat men er hem waarlijk in kenne, my eene onmooglijkheid toeschijnt. En ons slagen daar in moet niet in een' volstrekten zin opgevat worden, maar alleen in een' betreklijken; of men zou doorgaands den oorspronklijken Autheur te kort doen. Vondels vertalingen van Sofokles en Euripides werden in zijnen tijd voor meesterstukken gehouden, welke alle de verhevenheid en alle de tederheid van den oorspronklijken Treurspeldichter ademden, en zijn Virgilius werd als een non plus ultra beschouwd.109 En zoo oordeelde niet een onkundig gemeen, maar mannen van den eersten roem, en, wat meer is, van de grondigste kunde in de Classicale /(158) geleerdheid. Niemand echter, vertrouw ik, zal in onze dagen deze zelfde vertalingen met Vondels eigen werken [...] of Vondels eigen werken met Sofokles, met Euripides, of Virgilius gelijk stellen. En hoe zeer Vondels vertalingen beneden zijn' Autheur zijn, kan zelfs de onkundigste afnemen, als hy Vondels vertaling van het Tweede Boek der Eneïs met zijne schoone Navolging daar van in den Gijsbrecht van Aemstel vergelijkt;110 en dan beseft, dat deze echter nog geen' Virgilius daarstelt. Van mijne vroege jeugd af, my in uren van uitspanning toegelegd hebbende, om door eene arbeidzame oefening in het Dichterlijk overbrengen der ouden, my meester van de Nederduitsche Taal in hare rijkheid, en kracht, en tederheid van uitdrukking te maken, moge ik hier en daar geslaagd zijn boven 't geen men misschien van my wachtte: Maar zal ik hier eene oprechte
belijdenis doen? men heeft in mijne eerste jeugd mijne vroege pogingen in de /(159) Dichtkunst te hoog geschat, door eene vooringenomenheid die onze Natie eer aandoet, en waar zy gewoon is ontluikende vernuften mede aantemoedigen: en de beslommeringen van een later tijd, hebben my nooit veroorloofd genoegzaam te bewerken, wat ik in dat vak, meer uit nooddwang van de onwederstaanlijke drift die my vervulde, dan uit keuze en bedaarde verlustiging, uitstortte. En dus ben ik verre gebleven van het geen ik veellicht had kunnen zijn, ten minste van het Ideaal dat ik my altijd gevormd heb.
[... /(160-66 [deze bladzijden gaan over het dwepen met het buitenlandse en de verbastering van de Nederlandse taal])...]
Ik heb elders aangemerkt, dat onze overbrengingen uit Ossiaan hem noodwendig in een ruimer en minder ingedrongen' stijl doen spreken. Dit is niet te vermijden. Doch men verdenke de mijne daarom niet, van in dit opzicht naar de Engelsche vertaling van Homerus door Pope te gelijken,111 die, hoe opgehemeld zy ook plach te wezen, zeker in deze betrekking (en waarom zeg ik, in deze betrekking? ik mag het gerust zonder bepaling of inperking zeggen) eene van de slechtste is, die /(167) er ooit gemaakt zijn. [...] Het is er zo verre van daan, dat mijne Navolging in dien smaak zou zijn, dat zoo men haar met de vertaling van Macpherson, die dikwijls gedrongener is dan het oorspronklijken, vergelijkt, men al zeer dikwijls eene genoegzaam woordelijke overeenkomst zal vinden. Dat dit niet opzetlijk is, zal ieder zeer licht begrijpen, vooral daar ik hem somtijds zeer verr' verlaten heb: maar het zal niet te min den Le- /(168) zer een borg zijn voor de getrouwheid van mijnen arbeid.
Doch wie in eene zoodanige woordelijkheid een verdienste stelle, ik denk er gants anders over. Eene naauwkeurige vertaling eens Dichters volgt nergens het oorspronklijk letterlijk, dan waar het onderscheid van de talen, de geschapenheid der uitdrukkingen in de eene en andere, de toon en stijl, die men verplicht is te bewaren, en vooral het Dichterlijke karakter dat op alles invloeit, het niet verbiedt.
[... [de volgende bladzijden volgen vrijwel woordelijk het betoog in het Ontwerp uit 1795, 147-48; zie tekst no. 15] /(169-71)...]
De vermenging van verschillende Dichtmaten, die in den aanhef van vele stukken een gelukkig uitwerk- /(172) sel doet, breekt de gelijkheid van stijl en trant in een deftig verhaal, dat alschoon niet tot de ware hoogte van 't eigenlijk Heldendicht rijzende, echter dien geest ademt. Men schijnt dus de Alexandrijnsche verzen ook hier wederom den voorkeur te moeten geven. En gelukkig is deze maat voor velerhande verscheidenheid in toon en verdeeling vatbaar, waar door men den toon des oorspro[n]klijks nader bykoomt. Wie meer hier in doen kan, om een oorspronklijk te vertegenwoordigen, ik vergun het hem gaarne: voor my, ik beken, dat mijne krachten zich niet verder uitstrekken, dan ik 't in deze Proeve heb kunnen brengen. Het zij men plat overgiet, het zij men des oorspronklijken Dichters gedachten bekoke, men verliest den oorspronklijken geest en smaak, of
men vermengt en verandert hem. Voor die mijn kleine Dichtstukjen over het vertalen niet kennen, zal het misschien hier niet geheel te onpas komen. /(173)
Maar de oorspronklijke flesch van Ossiaan is wat moeilijk te ontkurken, in een' tijd, dat het nog aan alle hulpmiddelen tot verstand van zijn taal ontbreekt.
Doch ongeacht de verscheidenheid van taal, is nog het uitdrukken van eens anders rede dikwijls eene onbegrijpelijk zware en moeilijke taak. ‘De Logische thesis, of de bloote algemeene zin, uit de woorden getrokken (zegt de kundige Engel in zijne Kleine schriften, bladz. 305),113 is altijd het minste: de geheele vorm en gestalte der uitdrukking, die ons de juiste gestemdheid der ziel by de gedachte die zy uiten wil, afschildert, is ALLES. Deze gestalte der uitdrukking bevat somwijlen eene zulke menigte van nevendenkbeelden, dat men met alle mooglijke moeite, ze niet alle uitdrukken en afzonderen kan. Daar zijn Gesprekken in Euripides en Shakespear, die men tot geheele bladen, Tooneelen, die men tot geheele boeken zou moeten uitbreiden, zoo men van alle de /(175) fijnste en
tederste denkbeelden en gevoelens die zy te kennen geven, niets verloren zou laten gaan. En nog zouden ons deze bladen en boeken niet altijd daarstellen wat ons het eenige kleine gesprek, het eenige kleine tooneel van 't oorspronklijke oplevert. Want er zouden nog altijd nuances, er zouden nog altijd verborgenheden der schikking en verbinding achterblijven, die zich naauwlijks bevatten, veel min uitdrukken laten, maar die men alleen met een donker gevoel gewaar wordt, even als men in stikdonkeren nacht de voorwerpen die men strijklings voorbygaat niet ziet noch gevoelt, maar op eene onuitdrukbare wijze die noch het een noch het ander is, als verneemt; doch veelmeer als eene waarschouwing verneemt, dat zy er zijn, dan als eene bekendmaking, wat zy zijn. De fijne keuze der woorden en uitdrukkingen: de daar tusschen ingestrooide Partikelen, die dikwijls in de gesteltenis der ziele zoo veel, zoo oneindig veel doen erkennen: de omzettingen der rede: 't geen gezegd, en het geen niet gezegd, /(176) maar bloot aangeduidt; 't geen verzwegen, en het geen niet slechts verzwegen, maar verborgen wordt: de samenhang in de woorden en volzinnen, die er is, of ontbreekt: het plotsling afbreken van een gedachte: het verlengen van die gedachte, niet om dat men er op staan blijft, maar om dat men eene andere die opkoomt, of niet inwilligen maar onderdrukken, of ontveinzen wil: het menigvuldig en zeer onderscheiden gebruik der Figuren: de toonval, de klank, de geheele bouw der volzinnen: - dit alles te samen wordt vereischt om de gedachte haare ware stemming, waar door zy van alle gelijksoortige die in eenigen persoon, tijd, plaats, of omstandigheid vallen kunnen onderscheiden is, - om haar 't ware leven, den waren aart en kleur te geven. Het enkel van zijne bijkomende halftinten en reflectien beroofde denkbeeld geeft ons naauwlijks den omtrek van den toestand der ziel; terwijl de zoo bestemde oorspronklijke uitdrukking het uitvoerig, levendig schildery-zelve is’. Die zich op /(177) Vertalen toelegt zal wel doen deze plaats, zoo als ik ze hier uitgedrukt heb (want ik heb Engels meening en niet zijne woorden gevolgd) in oplettende aanmerking te nemen. Vooral, op dat hy, door valsche Oordeelen vervoerd, niet lichtvaardig afneme of by doe. [.../(178)...] Dui- /(179) zendmaal zal een schoon Dichtstuk een feil, en eenen zeer wezendlijken feil hebben; maar duizendmaal hangt aan dien feil-zelven het geheele Dichtstuk, en die het meent te verbeteren, verslimmert het niet, maar verderft het.
[...]
B.
Brunswijk, den laatsten van Lentemaand 1805.