terug  begin  verderprepost
[p. 102]

21
M. Siegenbeek (vert.): Proeve eener dichterlyke vertaling van de Ilias van Homerus. Amsterdam, J. Allart, 1807. ‘Aan den heer Jeronimo de Bosch’ (pp. iii-xxii).

Matthijs Siegenbeek (1774-1845) was hoogleraar te Leiden toen hij zijn ‘proeve van vertaling’ van Homerus' Ilias publiceerde. Hij behoorde tot het kamp van vertalers der klassieken die een vertaling in ‘Nederlandse verzen’ prefereren. Hij volgde in het voetspoor van de door hem ook genoemde P. van Winter Nsz. (zie tekst no. 18). Siegenbeek draagt de vertaling op aan Jeronimo de Bosch, die hij beschouwde als voorvechter van het belang van de navolging der klassieken (zie tekst no. 9). Onder de verdere vertalingen van Homerus uit de periode zijn veel in tijdschriften gepubliceerde fragmenten (voornamelijk uit de Ilias). Substantiëlere overzettingen zijn: door J. de Bosch (een geannoteerde proza-parafrase van de Ilias als antwoord op een prijsvraag (Haarlem, 1788); door F.E. Turr (zie tekst no. 25) en door J. van 's Gravenweert (Ilias) (Amsterdam, 1818-19). Siegenbeek vertaalde zelf onder andere nog Cicero, Longinus en Virgilius.114

[.../(iii-xiv)...]

Bij alle deze redenen, welke mij noopten, om dit werkje aan U [= J. de Bosch] op te dragen, komt eindelijk nog die meer en meer toenemende overeenkomst van gevoelens omtrent de meest geschikte middelen, om den bloei en luister der Vaderlandsche Letterkunde te bevorderen, van welke ik bij den aanvang gewaagde. Het is bekend, dat Gij, in uwe fraaije Verhandeling over de regelen der Dichtkunde, voor omtrent twintig jaren door Teijlers tweede Genootschap met den gouden Eerepenning bekroond, als uw gevoelen voorgedragen, en, mijns oordeels, zoo /(xv) door bondige redenen, als beslissende voorbeelden, en in 't bijzonder dat van Vondel, onwederlegbaar betoogd hebt, dat de zekerste, ja eenige weg, om in de dichtkunst tot eenen eenigzins aanmerkelijken trap van volmaaktheid op te klimmen, gelegen is in de naarstige beoefening en oordeelkundige navolging van de uitstekendste voorgangeren onder de Grieken en Latijnen.115 Van de waarheid hiervan worde ik hoe langs hoe levendiger overtuigd, naarmate ik de geschiedenis onzer Letterkunde, sedert eenige jaren meer bijzonder voorwerp mijner letteroefeningen, nader leer kennen. Dezelve toch levert, mijns inziens, de onwedersprekelijkste bewijzen op, dat de dichtkunst onder ons dan het heerlijkst gebloeid heeft, wanneer hare beoefenaars zich de ouden het meest, en bij uitnemendheid ter navolginge voorstelden. Het is hier de plaats niet, deze aanmerking verder uit te breiden en te bevestigen [...]. Van daar, dat ik niet alleen, bij mijne lessen, mij beijvere, om in mijne hoorderen den lust ter beoefening der Grieksche en Romeinsche Letterkunde, zoo veel in mij is, te ontvonken, maar mij insgelijks /(xvi) opgewekt gevoelde, om, op loffelijk voetspoor van uwen achtenswaardigen vriend, den aan de wetenschappen, het vaderland en de lijdende menschheid te vroeg ontrukten VAN WINTER,116 mijne krachten aan de vertolking van een' dichter der oudheid, en bijzonderlijk van Homerus, te

[p. 103]

beproeven, ten einde langs dien weg der Vaderlandsche Letterkunde, ware het mogelijk, eenig nut te bewijzen. Niet alleen de algemeen erkende uitmuntendheid van dien grijzen en eerwaardigen zanger boven alle latere dichteren, maar ook de gedachte, dat wij van geen zijner werken in onze moedertaal eene maar eenigzins dragelijke vertaling bezitten, besliste in dezen mijne keuze. Intusschen besefte ik reeds van voren, en ondervond ik nog duidelijker onder de bewerking, de moeijelijkheid der onderneming, aan welke ik mij wilde wagen. Ik besloot derhalve met de vertaling van een enkel boek eene proeve te nemen, en koos daartoe het XXIIste, als meer dan andere op zichzelven staande, en niet met de minste schoonheden prijkende; waarbij ik vervolgens nog het XXIVste of laatste Boek voegde, daar hetzelve mij toescheen met het eerst vertaalde een fraai en gevoegelijk geheel uit te maken. De vertolking van beide deze /(xvii) Boeken biede ik thans mijnen letterminnenden Landgenooten aan, zonder nogtans mij daardoor in het geringste te verbinden, om eenmaal, indien de hemel mij gezondheid en leven spare, die der gansche Ilias te zullen leveren. [.../(xviii)...] Doch het wordt tijd, dat ik hier, ten besluite, nog iets bijvoege omtrent de regelen, welker opvolging ik mij bij deze vertaling heb voorgesteld.

Niet alleen heb ik mij toegelegd, om de algemeene vereischten van elke dichterlijke vertaling, zoo veel mij mogelijk was, in acht te nemen, maar in 't bijzonder heb ik getracht mij te hoeden voor twee uitersten, welke ik geloof, dat in de vertaling van Homerus bovenal zorgvuldig moeten vermijd worden. Het eerste en, mijns oordeels, laakbaarst uiterste is dat, waarbij men de eenvoudige Homerische uit- /(xix) drukking met al den zwier en pracht der hedendaagsche dichtkunst omkleedt, en dezen achtbaren en grijzen zanger in een' opgesmukt Fransch modedichter herschept. Hieruit ontstaat natuurlijk een bont en misselijk zamenmengsel van oud en nieuw, en een den goeden smaak hoogst beleedigend contrast tusschen de eenvoudigheid der uitgedrukte zeden, denkwijze en begrippen, en den schitterenden praal der voordragt. Van dit gebrek is, mijns achtens, de bij velen zoo hoog geprezene vertaling van de Ilias door POPE niet geheel vrij te spreken;117 eene vertaling, welke al, zonder eenig opzigt op het oorspronkelijke, met genoegen moge gelezen worden, maar welke gewisselijk den geest van Homerus te weinig ademt, om aan hen, die zich dien geest hebben eigen gemaakt, te kunnen behagen. Om dit gebrek te vermijden, heb ik mij, zoo veel mogelijk, onthouden van iets tot het oorspronkelijke toe te voegen, of de ongezochte en kunstelooze uitdrukkingen van den Griekschen dichter met meer gezochte en zwierige te verwisselen. Desgelijks heb ik gemeend, dat het behouden der woordelijke herhalingen, welke de eenvoudigheid van den Homerischen stijl kenmerken, en waarvan in het XXIVste Boek eenige voor- /(xx) beelden zijn, tot de getrouwheid behoorde van eenen vertaler, die den oorspronkelijken dichter, zoo veel mogelijk, wilde terug geven. Intusschen geloove ik, dat aan den anderen kant die getrouwheid te verre kan getrokken worden, en eene geheel letterlijke overzetting, hoedanige de Hoogduitsche van STOLBERG en VOSS mogen genoemd worden,118 den Nederlandschen, of liever den hedendaagschen lezer in de dichtwerken van Homerus minder behagen zou doen vinden. Van daar heb ik

[p. 104]

mij hier en daar verscheidene weglatingen en verkortingen veroorloofd, waardoor ik mij nogtans vleije, dat van het wezenlijke niets verloren is gegaan. Met één woord, ik heb getracht tusschen beide voorgestelde uitersten den middelweg te houden, en daardoor uit te werken, dat, aan den eenen kant, het eigene en kenschetsende van Homerus dichttrant niet geheel onkenbaar werd, en, aan de andere zijde, aan den veranderden smaak onzer tijden eenigermate werd te gemoet gekomen. In hoe verre het mij gelukt zij, dit oogmerk te bereiken, zij aan het oordeel van U en andere bevoegde regteren verbleven. - Dat ik aan onze gewone, berijmde Alexandrijnsche voetmaat boven de nieuwerwetsche, onvolkomene nabootsing /(xxi) van den hexameter der Ouden de voorkeur gegeven heb, zal, vertrouw ik, algemeen goedkeuring vinden. De laatstgemelde ware zeker gemakkelijker, en, blijkens de Hoogduitsche vertalingen van Homerus Werken, voor eene woordelijke vertolking, meer geschikt geweest; welk voordeel ik nogtans, om bovengemelde redenen, eer heb willen vermijden, dan najagen. Doch, al ware het ook dat ik voor mij zelven indien dus genoemden hexameter even veel behagen vond, als dezelve thans weinig bevalligs voor mij heeft, zou ik echter bij den geringen smaak, dien de meerderheid onzer dichtlievende Landgenooten daarvoor betoont, dien bij de vertaling van Homerus niet gebezigd hebben, uit vreeze, dat zulks zijne werken, wier waarde buitendien reeds, door hunnen hoogen ouderdom, den lezeren, van de Grieksche oudheden geheel onkundig, niet zoo terstond in het oog loopt, alle toejuiching zou doen missen.

Doch ik begin te vreezen, dat de uitvoerigheid van deze Opdragt, ongevoelig aanmerkelijk wijder uitgeloopen, dan ik mij bij den aanvang had voorgesteld, U verveling moge baren.

[...]

114Zie verder De Rynck/Welkenhuysen (1992).
115Zie tekst no. 9.
116P. van Winter Nsz., juist in 1807 overleden. Zie tekst no. 18.
117Zie noot 27.
118J.H. Voss' Odyssee-vertaling verscheen in 1781 te Hamburg. Zijn Ilias in 1793. F.L. Graf zu Stolberg publiceerde zijn vertaling van Homerus' Ilias in 1778 (Flensburg/Leipzig).
prepostterug  begin  verder