Gerardus Dorn Seiffen (1774-1858) was praeceptor aan de Latijnse school in Utrecht toen hij de vertaling van ‘Anacreon’ en Moschus maakte. Net als P.H.A.J. Strick van & tot Linschoten (zie tekst no. 20) verdedigde hij het klassieke vers in vertalingen van ‘de Ouden’. Enige jaren later bood J.H. Hoeufft (Breda, 1816) een alternatieve ‘Anacreon’-vertaling aan in ‘Nederlandsche versmaat’. Dorn Seiffen vertaalde, zoals hijzelf ook vermeldt, al eerder lierzangen van Horatius in de oorspronkelijke versvorm (1808). Dorn Seiffen draagt zijn vertaling op aan de voorvechter van het vertalen van de klassieken, J. de Bosch (zie tekst no. 9).
De aanmoedigende goedkeuring, waarmede men eenige lierzangen van Horatius, in de oorspronglijke maat, door mij in het Nederduitsch woordlijk vertaald, onlangs heeft ontvangen, spoorde mij aan, om, met deze soort van aangenaam uitspannende bezigheden voordgaande, dezelfde proef te nemen met Grieksche Schrijvers, of het mij mogt gelukken, om ook van dezen iets, behoudens het eigenaartige, dat hen als dichters van vroegere eeuwen, die onder eenen anderen hemel gezongen hebben, kenmerkt, in onze moedertaal over te gieten, en ziet hier de aanleiding tot dit bundeltje, dat ik als eersteling van dezen arbeid, mijnen landgenoten aanbiede, en het welk behalve één der liederen van Moschus, het grootste gedeelte der liederen [weggelaten zijn de liederen die vermoedelijk niet van Anacreon zijn en de smakeloze verzen] van Anakreon, den zoetstvloeiendsten, bevalligsten en vrolijksten dichter der gantsche oudheid, bevat.
[.../(vi-xiii)...]
In die echter, welken ik in het Nederduitsch heb overgebracht, heb ik mijn best gedaan, om, zoveel dit geschieden kon, in woorden en gedachten bij het oorspronglijke te blijven: dan hoeveel hebben zij in den ligten, lieflijken toon, hoeveel in kunstloze zagtheid, bevalligheid en naïfheid, moeten verliezen? Al had onze moedertaal dezelfde vloeiendheid als de schone taal der Grieken, dan nog zoude ik zelf Anakreon moeten zijn, om deze liederen zodanig te geven, als zij in het oorspronglijk zijn. Ik zegge des liever: zij hebben iets van Anakreon's liederen behouden, waar aan men zal kennen, dat zij in de oorspronglijke taal zeer schoon moeten zijn. Hij, die met het vertalen uit de oude spraken bekend is, zal de moeilijkheid van deze wijze van behandelen, welke ik volg, erkennende, geen onbillijk oordeel vellen, wanneer hij hier en dáár eene uitdrukking aantreft, die niet al dat vloeiende heeft, dat anders wel door woordverplaatsing aan dezelfde uitdrukking in onze moedertaal zou kunnen gegeven worden. Het is waar, onze taal heeft haren eigen vorm, en hare eigen vastgestelde woordschikking, en
derzelver omzetting of verdrajing is zekerlijk aanstootlijk voor het geoefend gehoor, en men behoort des altijd, zoveel dit mogelijk is, dezelve te vermij- /(xiv) den; maar het is toch aan den anderen kant niet minder waar, dat, wanneer men, in het overgieten van eene gedachte uit de eene taal in de andere, al te schroomvallig is, wij altijd bij het oude blijven, en dat wij onze schrijfwijze niet verrijken, zodat wij niet vorderen in de kennis, wat wij met eene zo buigzame taal, als de onze is, doen kunnen. Op grond van deze stelling is het dan, dat ik hier en dáár, om de schoonheid der denkbeelden van Anakreon te behouden in dezelfde woorden, liever hier tegen gezondigd, en dus hard heb willen schijnen, dan de gedachten aan de taal opofferen. Van hier ook, dat ik mij de vrijheid veroorloofd hebbe, om Grieksche beelden, hoe vreemd zoms ook, op dezelfde wijze in het Nederduitsch uittedrukken, alhoewel dit ook tot hier toe met den gewonen smaak onzer landgenoten weinig heeft mogen stroken; en laat ik er deze, niet weinig bij mij afdoende, reden nog bijvoegen: tot hier toe hebben allen, die, bij ons, oude dichters in hedendaagsche talen overbragten, dit steeds geheel als dichters gedaan, en veelal, ter liefde van de sluiting der rijmwoorden, of het oorspronglijk denkbeeld hunner dichteren te veel uitgebreid, of hetzelve al te veel zamengedrongen, of wel uit dien hoofde gehele denkbeelden achter wege gelaten, waarom men de meeste, zo niet alle, hedendaagsche vertalingen liever met den naam van naarvolgingen moest bestempelen. Dezen nu mogen in haar zelven in de daad schoon zijn, zij doen /(xv) ons toch den ouden dichter niet, zo als hij waarlijk is, kennen, en onze eigen dichters, die in de oude talen niet bedreven zijn, blijven des buiten staat, om aan die voordbrengzels der Oudheid hunne kunst te besteden. - Men zegge dan vrij, dat ik in mijne vertaling slaafs volge, en daardoor stijf en gewrongen mij uitdrukke, ik mag wel lijden, dat men mij den eernaam van dichter weigere, het zal voor mij voldoende zijn te weten, dat ik, door mijne wijze van vertalen, onze oorspronglijke vernuften, wien de kennis der oude talen ontbreekt, de Ouden, zo als zij zijn, doe kennen, en hun alzo den weg open, om dezelven, met meer dichterlijken zwier en met grotere bevalligheid, in onze schone en rijke Nederduitsche spraak, te doen herleven.
[...]
G. DORN SEIFFEN
Utrecht den 1 Mei 1809.