Frederik Everard Turr, jurist, leverde met deze overzetting alleen de eerste twee boeken van de Ilias in vertaling. Meer is er van zijn hand nooit verschenen. Deze vertaling is een proza-vertaling van een klassieke tekst, zoals N.G. van Kampen die in zijn verhandeling zal aanbevelen om de klassieken bij ‘niet-geleerden’ te introduceren (zie tekst no. 27). Zie ook tekst no. 21.
Het werk, het welk ik met huivering aan mijne Landgenooten aanbied, is de vrucht der ledige uren, welke de noodlottigste te leurstellingen mij verschaffen.
Ik zocht in dezen arbeid, welker moeijelijkheid ik aan niemand behoef te verzekeren, eene verstrooijing, of liever, eene verwijdering van die gedachten, welke de drukkendste en grievendste omstandigheden zoo gemakkelijk in de nedergeslagene ziel doen ontstaan, en /[vi] hierin slaagde ik: - Mogt ik even zoo zeggen kunnen in de goede volvoering van deze gewigtige taak geslaagd te zijn! [...]
Over de keuze tusschen eene Vertaling van Homerus in dichtmaat of prosa, kon ik niet in twijfel staan, daar ik met de gave der dichtkunst niet bedeeld ben. Ik durf mij echter vleijen, dat zelfs zij, die deze gave /[vii] in ruime mate genoeg bezitten, om dit werk te ondernemen, ja zij, die het ondernomen hebben, gereedelijk zullen toestaan, dat men hunne dichterlijke navolgingen verkeerdelijk vertaling noemt, en men, zoo er mogelijkheid is Homerus te vertalen, zulks in prosa alleen kan beproeven.
Ik heb mijn uiterste best gedaan om letterlijk te zijn, dat is, om geen denkbeeld van Homerus in mijne vertaling te verliezen; ik heb mij voorgesteld, dat mijn werk strekken moest, niet om aan menschen, die Homerus niet kenden, te toonen, hoe zulk een' verheven dichter in onze dagen gedacht en geschreven zoude hebben, maar hoe hij voor drie duizend jaren gedacht en geschreven heeft. Ik heb om die reden geene zijner uitdrukkingen verzacht, en, als ware het, voor onze hedendaagsche ooren verfijnd, daar zulks, mijns inziens, tot niets anders strekken kan, dan /[viii] om Homerus uit zijne schriften te verbannen.
De grijze dichter is in zijne krachtvolle schildering van de eenvoudige zeden veel te eerwaardig, dan dat men hem juist dat kenmerk van echte oudheid zonder heiligschennis kan ontnemen.
[...]