terug  begin  verderprepost
[p. 113]

26
B.H. Lulofs (vert.): Louise. Een landelyk gedicht in drie idyllen naar het Hoogduitsch van Voss. Groningen, J. Oomkens, 1811. ‘Voorrede van den vertaler’ (pp. vii-xvii).

Barthold Henrik Lulofs (1787-1849) publiceerde deze vertaling vier jaar voor zijn inauguratie als hoogleraar Nederlandse taal en welsprekendheid in Groningen. Hoewel hij daarvóór vooral op het juridische vlak werkzaam was, heeft hij altijd de Nederlandse letterkunde als liefhebberij beoefend. Eenmaal hoogleraar vertaalde hij ook een gedeelte uit het Nibelungenlied (De Recensent XI/ii (1818) 91-107; 156-70). Johann Heinrich Voss, de auteur van het origineel, was in Nederland vooral bekend als vertaler van Homerus in klassieke verzen. Zijn Luise verscheen in 1795.

[.../(viii-x)...]

Wat mijne vertaling aangaat, hieromtrent moet ik nog het een en ander zeggen. - Het zal mogelijk dezen of genen verwonderen, dat ik de Louise in een Prosaïsch neerduitsch gewaad gestoken heb. - En inderdaad, ik was ook aanvankelijk van voornemen, den Eutijnschen Zanger te volgen,128 en in zesvoetige rijmelooze versen mijne overzetting te doen voortvloeijen, zoo niet vaak voortstrompelen. [...]

Dan bij nader inzien, den weinigen smaak overwegende, welke onze Landgenooten voor deze soort van versen koesteren, ben ik van dit besluit wederom afgestapt. - Mij toch aftematten, om onze taal in eene voetmaat te wringen, waarvoor zij nog zoo weinig gevormd is; het /(xi) pijnigend gevoel te ontwaren, om ook bij de inspanning aller mijner krachten, diep onder de welluidende [...], zoetvloeijende, en op sommige /(xii) plaatsen met die der Grieksche en Romeinsche /(xiii) kunstvoortbrengselen wedijverende versificatie van het oorspronkelijke te blijven; - en dan eindelijk den schralen dank te moeten hooren: ‘zijn dit versen? het rijmt immers niet?’ - hier toe gevoelde ik waarlijk te weinig lust, dan dat ik niet het luttel eers, het welk ik er misschien bij eenen enkelen door konde behalen, aan het weinige genoegen, waar mede de groote hoop de vrucht van zulk eenen zuren arbeid zoude lezen, gewillig opofferde. - Wat eene berijmde overzetting aangaat, hiertoe zag ik, zonder eene volslagene verminking des oorspronkelijken, geenen kans. - /(xiv)

Ik heb dus eene Prosavertaling gekozen - en zonder mij aan kleinigheden of eene letterlijke overzetting te binden, zoo veel mogelijk, getracht, om de schoonheden van het oorspronkelijke, voor zoo ver eene zoodanige navolging dit toeliet, te bewaren. - Voor het overige heb ik de vrijheid genomen, der Louise eenen meer Hollandschen zwier te geven, en, het geen tot Duitsche zeden en gewoonten betrekking had, of aftesnijden, of door Hollandsche gebruiken te doen vervangen. - En dit zal mij wel niemand ten kwade duiden! - Mijns bedunkens toch moet het rozenwangig [...] Meisje, in een /(xv) geheel Neder-

[p. 114]

duitsch gewaad, er voor onze Landgenooten altijd bevalliger uitzien, dan wanneer zij, ja, wel over het geheel genomen, op haar Hollandsch was uitgedost, maar echter hier en daar nog eenige strikjes en lintjes deed flodderen, die eenen vreemden, uitheemschen tooi verrieden.-

Ik heb dus - om met een enkel woord het hoofdzakelijke aanteduiden - het plaatselijke in het eerste Idyl wat veranderd, en van het meer, hetwelk er zoo dikwijls in voorkomt, eene rivier gemaakt. - Eene zoodanige plek waters toch, met het bergachtige vereenigd, scheen mij in ons land wat vreemd te zijn. - Voorts heb ik voor de namen van Duitsche Dichters eenigen der beroemdsten van ons Vaderland genomen. - Toespelingen op de inrigting van het Duitsche Kerkwezen zijn door mij in die op het Hollandsche veranderd. - Ik heb de genadige Gravin in eene adelijke Mevrouw herschapen; duitsche spreekwoorden in Hollandsche verwisseld; duitsche volkssprookjes of weggelaten of eene Hollandsche wending gegeven, om van andere kleinigheden niet te spreken, welke mij hier en daar voorkwamen, doch welker optelling vervelend zijn zoude. - /(xvi)

Ik heb voorts, ter vermijding van ergernis, de tot Godsdienstige gevoelens in betrekking staande plaatsen eenigsints verzacht, en onder anderen het in het eerste Idyl voorkomend sprookje van de dooden, die aan de poort des Hemels klopten, geheel en al weggelaten. - Hoe geestig dit sprookje ook zijn moge, oordeelde ik het echter geschikter de Louise van dit kleine sieraad te berooven, dan door het zelve te laten staan sommigen lieden, die den kern van den bolster niet weten te onderscheiden, bij de lezing het smertelijk gevoel te veroorzaken, als of hier eene volslagene Godsdienstige onverschilligheid gepredikt wierd.

Voor het overige verzoek ik den Lezer, om het meer werktuiglijke mijner vertaling (waartoe ik inzonderheid mijne woordenschikking brenge) niet met die fijne naauwkeurigheid uittepluizen, met welke Cicero in zijnen Orator de phrases van sommige Prosaschrijvers napluist, om uit dezelve de onwillekeurig gemaakte brokken van zesvoetige of andere soorten van versen te ziften. - Ik vrees anders, dat hij in deze overzetting ook misschien hier en daar op het puin van den eenen of anderen Hexameter zal /(xvii) stooten, die door het gestadig lezen dezer versmaat in het oorspronkelijke mij uit de pen gevloeid is, en van welker ongeschiktheid in eene vertaling als de mijne, ik, hoewel overtuigd, echter nog zoo overtuigd niet ben, om dezelve met tak en wortel uitteroeijen. -

En hiermede, daar ik behalve eene te vragene verschooning voor een enkel woord hier en daar, dat zonder mijn weten misschien naar eenen Germanismus zal rieken - en behalve den wensch, dat mijnen Landgenooten de geur dezer, thans ook op Hollandschen bodem overgebragte bloem, niet ten eenenmale onaangenaam zijn moge, niets meer te zeggen heb, sluit ik mijne Voorrede.

 

De VERTALER.

Zutphen, 1810.

128‘Eutijnsche’ verwijst naar Eutin, de stad in Sleeswijk-Holstein waar J.H. Voss van 1782-1802 woonde.
prepostterug  begin  verder