terug  begin  verderprepost
[p. 128]

28
J. Kinker, (vert.): Shakespeare, All's Well That Ends Well. ‘Het waare schoone [...]’. [Ongepubl. hs. UBA/ZKW XIV G 32; z.j.]. 8pp.143

Wanneer Johannes Kinker (1764-1845) deze vertaling van Shakespeare gemaakt heeft, is niet bekend. In ieder geval ná het verschijnen van Groenevelds Klopstock-vertaling van 1784, die in de tekst genoemd wordt (zie tekst no. 10). De vertaling en de voorrede, die beide oorspronkelijk als voorlezing bedoeld waren, zijn in handschrift bewaard gebleven.144 De vertaling van Kinker is niet de eerste van Shakespeares toneelwerk in de periode. Naast vele vertalingen via het Frans van J.F. Ducis, verschenen tussen 1778 en 1782 ook proza-vertalingen van Shakespeares toneelstukken (Amsterdam, A. Borchers). Deze vertalingen werden vanaf deel IV gemaakt door B. Brunius.145

Het waare schoone - dat namelyk, dat door zyne inwendige waarde, zonder iets anders te behoeven; alleen door zich te vertoonen, dadelyk treft: Dat schoone is van alle tyden zodanig geweest; en kan nooit - 't zy door de wisselvalligheden der tyden; 't zy door de verandering der gewoonten, noch de grillige wispeltúrigheid der mode - ophouden schoon te zyn. Dat schoone en de waarheid blyven altyd dezelfde. -

De verheven overblyfsels der Grieksche en Romeinsche Dichters en Redenaaren, die der Oostersche volkeren en Westersche barden; de voorbrengende genien der vroegere en laatere tyden, bevestigen ons dat deze stelling niet gewaagd is.

De groote Shakspere wiens oorspronkelyke voortbrengsels thans twee eeùwen oùd zyn, en in een tyd het licht zagen, toen Engelland nog maar een' geringen trap van beschaafdheid ondergaan - en de smaak nog maar weinig ontbolstering ontfangen had; bewyst ons; dat het goud in zyn ertsen beslooten, goùd is.

Ik heb het gewaagd om een zyner minst bekende Toneelstukken in onze taal over te brengen: Eensdeels om my zelf in 't goed /[2] verstaan van dien schryver te beöeffenen, en ten tweede om van deze stelling aan ùw' aandacht eenig bewys op te leveren. 't Gaat altyd met zeer veel moeite gepaard een schryver van dien aart, welke voor een andre natie en een andre eeùw dan de onze geschreven heeft, in zyn waare kracht in een moderner taal en eeùw over te brengen. De zeden en gewoonten (en deze verschilde in dien tyd oneindig veel van onze tegenwoordige) leveren geen klein beletsel op, om alles in zyn waare dag daar te stellen.

't Geen de zeergeleerde Jesùiët Brúmoy over 't vertaalen der Grieksche Toneeldichters aanmerkt, heeft ook plaats in de overzetting van een' Schryver als onze Shakspere.

Hy zegt namelyk: ‘in 't vertaalen moet men een' zeekren middenweg hoùden, tússchen een al te gezette naaùwkeúrigheid, die 't oorspronkelyke onkenbaar maakt, en een al te groote vryheid, die het geheel verandert’.146

[p. 129]

En hy heeft volkomen gelyk: want die den Griekschen Euripides en den Britschen Shakspere van woord tot woord vertaalen wilde in onze taal, by voorbeeld; zoù een taal voortbrengen veel dùisterrer dan de zogenaamde Hollandsche vertaling van Klopstock door Groenenvelt;147 dat is - /[3] (want deze kan niet tegenstaande zyne dùisterheid, door een' oplettenden lezer verstaan worden) dat is (zeg ik), een taal, die om verstaan te worden opnieuw eene vertaling of ontcyffering zoú nodig hebben.

Maar een al te groote vryheid is even schadelyk, zo niet schadelyker: want deze, werpt, door alleen den waaren zin, zogenaamd, te bewaaren - al het eigenaartige der gezegdens weg. En zo zy ons al den waaren zin eener phrase geeft; zo beneemt zy ons echter de energie en kracht van 't oorspronkelyke, en stopt ons (laat ik my zo eens uitdrukken) den dooden letter in plaats van de bezielde zeggingskracht des Dichters in de hand: of verlevendigt zy dien door den vindingryken geest van den vertaaler of liever vryen navolger - dan bedriegt zy ons op een behendige wys, en geeft ons een valsch denkbeeld van 't oorspronkelyke.

Met één woord - ieder taal heeft iets dat haar eigenaartig is - en dat dikwils in een andere taal woordelyk overgezet, een geheel andere bedùiding heeft. Men moet zich derhalve zo lang aan de letterlyke vertaling hoúden als de taal waar in men overbrengt, dit behoùdens dezelven zin en kracht toelaat. Daar dit niet geschieden kan, moet men zyn toevlucht nemen, tot een andere bewoording; maar die nog thans die zelve waarde als 't oorspronkelyke in de taal, waarin men overzet, bezit. /[[4]...]

Doch ik geloof reeds genoeg gezegd te hebben, om ú gereedelyk te doen toestemmen, dat een al te letterlyke vertaling, niet anders zou zyn dan een Parodie van 't oorspronkelyke; en dat een al te groote vryheid te veel van den grondtext afwykt.

Laat ik ú nog een oogenblik met myn Autheùr ophouden, om ú hem, voor de voorlezing myner vertaling, van wat naderby te doen kennen. /[5]

Niet den kieschen, wysgeerigen en door smaak gevormden Voltaire, noch den zoetvloeiënden, treurigen en melodieusen Racine, noch den Plautús en Terentiùs navolgenden Molière - Niet de eenvoùdige schoone Grieksche Toneeldichters zùlt gy in myn geliefden en natúúrlyken Shakspere ontdekken.

Zy waren alle - de eene meer, de andere min - de begùnstigde Minnaars der Natuùr, elk van dezen schilderde haar met gemoedsvervoering af, gelyk zy zich in húnne verliefde en verhitte verbeeldingskracht op het schoonst vertoonde. De oude Grieken tooiden haar eenvoudig; de oosterlingen ryk en praalziek; de Barden trots - Maar Shakspere spreekt die taal der Minnaars niet; hy - de zoon der Natúúr, zegt eenvôudig - maar tevens op een' kinderlyken hartroerenden toon: - ‘Daar is myne Moeder!’ -

Zyne tafreelen bezitten die verheven juistheid van Voltaire niet; noch de zich zacht in een smeltende beelden en schadùwe van Racine. Neen - men ziet in Shakspere meesterlyke omtrekken, met een stoute hand meestal door 't geval bestierd, daar neêr gezet; hier en daar een aandachtwekkende slagschadùw geeft

[p. 130]

zyn schildery vúúr en leven; maar zyn eeùw was de eeúw der beschaafdheid niet, en zyn coloriet gaat niet altyd met bevalligheid gepaard. [[6]...]

De vryheid die ik my in 't vertaalen veroorloofd heb, bestaat hierin, dat ik veel van 't nùttelooze, en dat niet, dan tot verdùistering van zyne schoone vinding strekken kan, achter wege gelaaten heb. Ook heb ik, zo veel my doenlyk geweest is, het telkens verandren der Toneelen, nù in Italien en dan weder in Frankryk, verminderd, (ten minste in een en 't zelfde Bedryf) voor zo verr' my dit heeft kúnnen gelùkken, zonder iets aan 't stùk te benadeelen.

Het Caracter van La Feú en een niet veel beteekenende Land Hansworst, heb ik te samen gevoegt om er een Hofnar van te maken, dit is my niet moeilyk gevallen, om dat La Feú, veel van zo een wezen, in vroege- /[7] re eeùwen meer dan nu bekend, bezit. En La Feú zelve breng ik niet op 't Toneel, dan geheel op 't laatst, wanneer hy er ook alleen maar noodzaaklyk is.

Voor 't overige heb ik alles aangewend om zo veel de aart van 't Nederdùitsch dit toelaat, de letterlyken zin van myn Autheùr te behouden. Zo echter myn vertaling ù zo sterk niet behaagt, als my dit stùk in 't oorspronkelyke genoegen verschaft heeft, dan moogt gy het vryelyk aan den vertaaler wyten, die zeer wel overtùigd is, dat hy veele schoone trekken van Shakspere niet in die zelfde kracht, overgebracht heeft.

[...]

143Zie noot 93.
144De voorrede is bij mijn weten voor het eerst gepubliceerd in Pennink (1936) 150-54.
145Zie voor Kinker verder Vis (1967); Hanou (1988). Zie over Shakespeare-vertalingen verder Schoneveld (1986); Leek (1988); Korpel (1990) (1992).
146P. Brumoy, ‘Discours sur le theatre des Grecs’ in: Le theatre des Grecs (Paris, 1730) I, xvi-xvii: ‘Il faut donc prendre un milieu entre l'exactitude trop scrupuleuse qui les déguise, & la licence qui les altére’.
147Zie noot 98.
prepostterug  begin  verder