begin  verderprepost
[p. 2]
 
't Is vol van schatten hier, en ik behoef
 
maar even van mijn tafel op te staan,
 
't hoofd in den schemer, naar een hoek te gaan,
 
waar ik iets opdelf en blader en proef.
 
Herman Gorter, De school der poëzie
[p. 3]

Deel 1: Nederlandse literatuur van 1750 tot 1940 tentoongesteld in het Letterkundig Museum

[p. 6]

Verantwoording

Door Anton Korteweg, hoofdconservator

't Is vol van schatten hier... is geen catalogus van de gelijknamige permanente tentoonstelling over de Nederlandse literatuur na 1750, die op 20 april 1985 in het Letterkundig Museum geopend werd. Het boek biedt immers niet een systematische beschrijving van de aldaar geëxposeerde handschriften, foto's, portretschilderijen, boeken en curiosa.

Een op volledigheid aanspraak makende geïllustreerde literatuurgeschiedenis is het al evenmin. Om die pretentie waar te hebben kunnen maken, had de collectie van het Letterkundig Museum - de basis van de tentoonstelling en van dit boek - nog rijker moeten zijn dan zij al is. In dat geval zouden bijvoorbeeld J. Kinker, Jacob Geel, R.C. Bakhuizen van den Brink en P.A. Daum - om me tot de vorige eeuw te beperken - op de expositie niet geheel, en in dit boek niet nagenoeg, hebben ontbroken.

't Is vol van schatten hier... is het begeleidend tweedelig boekwerk bij de permanente tentoonstelling in het Letterkundig Museum, niets meer en niets minder. Het houdt als zodanig het midden tussen een catalogus, want het begeleidt, een literatuurgeschiedenis, want het biedt een historisch overzicht, en een platenatlas, want het telt omstreeks zeshonderd afbeeldingen.

 

De expositie die aan de basis van dit boek ligt, vormt in beginsel een afspiegeling van de voornaamste verzamelingen die aan het Letterkundig Museum zijn toevertrouwd. Enkele belangrijke schrijvers die wel tot de collectie behoren, konden echter helaas niet in de tentoonstelling worden opgenomen, omdat zij niet in het concept daarvan bleken in te passen. Die collectie, de schatkamer waaruit voor de tentoonstelling geput kon worden, heeft - er is al op gewezen - haar beperkingen. Zij wordt naar het verleden door het midden van de achttiende eeuw begrensd, want het literaire erfgoed van de Middeleeuwen tot de Verlichting behoorde bij de oprichting van het Letterkundig Museum in 1953 al tot de handschriftenverzamelingen van de wetenschappelijke bibliotheken. Maar ook binnen het verzamelgebied zelf vertoont zij lacunes: de belangrijkste collecties met betrekking tot Willem Bilderdijk, E.J. Potgieter, Multatuli, Albert Verwey, Frederik van Eeden en Jac. van Looy berusten bij andere instellingen dan het Letterkundig Museum. Bovendien zijn veel literaire nalatenschappen niet of slechts gedeeltelijk bewaard gebleven (J.C. Bloem, F. Bordewijk) of behoren grotendeels tot een particuliere collectie (A.C.W. Staring, Gerrit Achterberg). Om deze reden opent Betje Wolff met Aagje Deken de rij en niet het handschrift van Beatrijs, ontbreekt het stokske van Oldenbarnevelt, is Aernout Drost opvallend afwezig en zijn belangrijke handschriften van met name een

[p. 7]

aantal negentiende-eeuwse auteurs niet toonbaar. Het is niet anders. Dat de Vlaamse literatuur niet is vertegenwoordigd, vindt zijn reden in het bestaan van het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven te Antwerpen.

De keuze van de schrijvers werd dus, zowel op de tentoonstelling als in de begeleidende folianten, in eerste instantie bepaald en noodzakelijkerwijze beperkt door het in de collectie van het Letterkundig Museum aanwezige materiaal.

 

Belangrijke auteurs geboren na 1940 en oudere schrijvers die in de jaren zeventig of daarna hebben gedebuteerd, zoals F.B. Hotz, worden om een andere, meer principiële, reden niet gepresenteerd. Niet omdat zij meestal hun loon op aarde al regelmatig ontvangen - zelden werd er immers in de pers en de media zo veel aandacht besteed aan met name ‘jongere’ schrijvers als thans het geval is -, maar omdat de afstand die nodig is om uit de veelheid van ‘jongere’ schrijvende tijdgenoten een verantwoorde keus te maken, ontbreekt. Het Letterkundig Museum wilde niet verzeild raken in een discussie over de vraag waarom A wel en zijn collega B niet een plaats in de tentoonstelling heeft gekregen. Het heeft dan ook de gedragslijn van het Schiller Nationalmuseum (Marbach, West-Duitsland) en het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven gevolgd en grenzen getrokken. Auteurs jonger dan vijfenveertig jaar plegen overigens ouder te worden, en oudere debutanten werken aan een oeuvre. Zij kunnen dus in de toekomst alsnog in de tentoonstelling worden opgenomen en moeten zich zo lang maar behelpen met Gerrit Komrij's: ‘Bedaar, bedaar, het is maar poëzie’.

Het bovenstaande maakt, hoop ik, afdoende duidelijk dat een plaats in de expositie en in 't Is vol van schatten hier... niet een soort Kema-keur inhoudt. 235 Jaar literair leven in Nederland en tweeëndertig jaar Letterkundig Museum hebben zeker veel meer dan 188 exposabele auteurs opgeleverd, zelfs volgens hen die de smaak van een tijd die, zo lijkt het soms, meer belang hecht aan literaire parafernalia dan aan het werk zelf, niet delen.

 

De opzet van dit boek is evenals die van de tentoonstelling in grote lijnen chronologisch. Hier en daar is echter de tijdsorde geweld aangedaan door schrijvers die wat betreft literatuuropvatting of in ideologisch opzicht aan elkaar verwant zijn, dichter bij elkaar te brengen dan het jaar waarin zij hebben gedebuteerd, rechtvaardigt.

Na ieder van de zes overzichten van een literaire periode volgt een essay over elke tot een bepaalde periode te rekenen schrijver, waarin de nadruk ligt op diens werk. De lengte van ieder afzonderlijk overzicht wordt bepaald door het aantal schrijvers dat daarin een plaats kon krijgen, de omvang van de essays door de ruimte die een auteur in de expositie inneemt. Auteurs aan wie een hele vitrine is gewijd, worden uitvoeriger behandeld dan zij die een halve kregen toebedeeld. Ze worden genoemd bij de naam waaronder ze hebben gepubliceerd. Sommige schrijvers zijn dus uitsluitend met hun pseudoniem(en) opgenomen, andere met hun echte naam en hun schrijversnaam.

Elk essay wordt gevolgd door een bibliografie. Daarin zijn alle afzonderlijk verschenen publikaties vermeld, met uitzondering van de reeds in de essays vermelde titels, bibliofiele uitgaven, vertalingen, rijmprenten en door de auteur samengestelde bloemlezingen uit het werk van anderen. Als een volledige bibliografie te uitgebreid zou worden, is een keuze gemaakt. In die gevallen zijn ten minste altijd het debuut en het verzameld werk vermeld. De titelbeschrijvingen zijn zeer beknopt gehouden. Ze bestaan uit de titel, het jaar van verschijnen en in enkele gevallen een toevoeging over de aard van het werk, bijvoorbeeld dissertatie of bloemlezing.

De omstreeks zeshonderd afbeeldingen zijn op de tentoonstelling in hun authentieke vorm te bezichtigen. Van elke schrijver is, waar mogelijk, ten minste een handschrift en een portret afgebeeld en is eveneens een karakteristiek fragment uit zijn werk opgenomen. De meeste handschriften, met uitzondering van de zeer duidelijk leesbare, werden bovendien getranscribeerd. In deze transcripties is na elke regel in het handschrift een Duitse komma (/) aangebracht, en na elke alinea, strofe of andere gedachteneenheid een dubbele Duitse komma (//). Doorhalingen zijn niet getranscribeerd. In gevallen waarin de volgende bladzijde van een gereproduceerd handschrift de gedachtengang voortzet, maakt deze deel uit van de transcriptie. Annotatie van de transcripties zou de opzet van dit boek te buiten zijn gegaan. Als in de bijschriften bij afbeeldingen van boeken alleen het jaartal gegeven wordt, betreft het steeds de eerste druk. In andere gevallen worden zowel jaartal als druk vermeld.

Behalve uit handschriften en portretten bestaat het beeldmateriaal uit rijmprenten, affiches, boekomslagen e.d. Veel illustraties en teksten worden in 't Is vol van schatten hier... voor de eerste keer gepubliceerd. In het algemeen heeft als uitgangspunt gegolden, dat het aantal illustraties per auteur diende te corresponderen met de een schrijver toegemeten ruimte in de expositie. In dit opzicht is dus eveneens het verband tussen tentoonstelling en begeleidende publikatie duidelijk aanwezig.

Om de samenhang tussen de verschillende onderdelen - inleidingen, essays, bibliografieën, beeld-

[p. 8]

materiaal - zo hecht mogelijk te maken, is er naar gestreefd de inleidingen zo veel mogelijk gebaseerd te doen zijn op de essays, en de essays op de illustraties. Aan belangrijke schrijvers die om uiteenlopende redenen geen plaats konden krijgen in dit zo kloeke boekwerk, is, waar mogelijk, in de inleidingen niet geheel voorbijgegaan.

Zo is 't Is vol van schatten hier... als kruising tussen catalogus, literatuurgeschiedenis en platenatlas toch een wat men noemt ‘belangwekkende publikatie’ geworden.

 

Een dergelijke omvangrijke, veelzijdige en kostbare publikatie kan alleen tot stand komen met de hulp van velen. Onze dank gaat uit naar De Bezige Bij, die bereid was de produktie en distributie van het boek op zich te nemen - een taak die het Letterkundig Museum niet had aangekund. Eveneens naar hen, die materiaal hebben afgestaan voor de permanente tentoonstelling en daarmee niet zelden ook aan 't Is vol van schatten hier... Dat zowel de tentoonstelling als het begeleidend boekwerk niet onder deze titel bezwijken, is mede aan hen te danken.

De medewerkers van het Bureau Basisvoorziening Tekstedities, inwonend in het Letterkundig Museum, zijn ons behulpzaam geweest bij de transcripties van handschriften; mevr. J. Hartzuiker heeft ons administratief ondersteund. Bijna tachtig medewerkers hebben aan dit boek een bijdrage geleverd. Een woord van oprechte dank voor ieder van hen is hier op zijn plaats.

Tenslotte is het Letterkundig Museum het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de Gemeente 's-Gravenhage en de Frans Mortelmans Stichting zeer erkentelijk voor hun financiële steun. Zonder hun subsidies zou deze publikatie niet hebben kunnen verschijnen.

Wat jammer was geweest.

prepost  begin  verder