
Willem Bilderdijk. Gravure door P. Velijn naar M. van Bree.
Onmatig in alles: zo kan men de mens en de dichter Willem Bilderdijk typeren. Hij zegt het zelf: ‘Onmatig ben ik uit den aart, omdat niets mijne behoefte vervult, zelfs voor geen oogenblik, en mijne ziel geene bepaling denken of lijden kan. Hoogmoed is, by al mijn gevoel van nietigheid, mijn hoofdgebrek.’
Deze openhartige uitspraak vergunt ons een blik in zijn innerlijke tweespalt: van nature vervuld van een trots besef van uitzonderlijkheid, maar door de inwerking van het christendom ‘gebroken’ en coram Deo tot de erkenning van nietigheid en schuld gebracht. Zo werd het ‘zelfgevoel’ geheiligd en als de essentie van het geschonken dichterschap opgevat. De dichter ervaart in zijn gevoel - niet in zijn ‘koude’ verstandde eenheid van de schepping en de werking van de goddelijke Geest. Op het niveau van de menselijke communicatie was Bilderdijk met zijn fundamentele onvoldaanheid een hypochonder, een eeuwig ontevredene, een misantroop. Hij schijnt daarin op zijn moeder geleken te hebben. Levensbeschouwelijk heeft hij zijn onvrede uitgewerkt tot een continu protest tegen de tijd, tegen de zelfgenoegzame geest der eeuw. Voor hem is de rationalistische Verlichting een hoogmoedige aberratie van de van zijn oorsprong vervreemde mens, en daarom tevens het lijnrechte tegendeel van de waarachtige poëzie, de dood voor de inspiratie.
Als dichter is Bilderdijk nog geheel geschoold in de klassicistische at-

‘Berusting’, (1829), een bewerking van Psalm 91 door Willem Bilderdijk.
Berusting // [Hebreeuws motto] // psalm xci // Gy die in 's Hoogsten schuts gezeten, / Vertrouwend in zijn schaduw rust, / Gy moogt op aard u zalig heeten, / In 't hart, uws toeverlaats bewust. / Hy redt u, als ge op duivenwieken / Voor gier en haviksklaauwen vliedt, / En 't van de doodsangst piepend kieken / Naar vrije schuilplaats om zich ziet. / De vooglaar sprei' zijn valsche strikken / En spann', zijn net voor 't bedekt oog, / Geen doodsangst zal uw ziel verschrikken / Uw redding wacht gy van omhoog. / Laat heel de wareld samenzweeren, / Bestook', bekruip', geweld en list, / Geen kracht of boosheid zal u deeren / Door hel of wareld aangehitst. / Schoon duizend aan uw zij' bezwijken, / Gy staat en kalm en onvervaard, / Omgeven van een berg van lijken, / Door 's Hemels Englenwacht bewaard. / Laat 's afgronds navel opensperren / En braken pest en nacht en dood, /
[p.2] En overwalmen lucht en starren, / U schokt noch nijpt gevaar of nood. / Schoon leeuw en tijgers om ons zweven / In de akeligste wildernis, / Hun aanblik doet hem 't hart niet beven / Wien God ten schild en redder is. [...]

Titelpagina van een bundel gedichten uit 1827.
mosfeer van de achttiende-eeuwse dichtgenootschappen. Op twintigjarige leeftijd maakte hij naam met een gedicht De invloed der Dichtkunst op het Staatsbestuur (1776), zijn antwoord op een prijsvraag van een Leids genootschap. Het bilderdijkiaanse pathos is er al veelszins in te herkennen. In de decennia vóór de Franse tijd is enerzijds zijn klassicistische achtergrond duidelijk te zien bijvoorbeeld in de bundel erotica Mijne verlustiging (1779-1781) met bewerkingen vooral naar Anacreon, anderzijds zijn moderniteit waarneembaar in de beoefening van het genre van de romance, onder andere in Elius (1786).
Jaren van armoede en ontbering beleeft hij als balling in de eerste periode van de Franse tijd (1795-1806), in Engeland en Duitsland. In 1806 keert hij naar Holland terug om op te treden als leermeester van koning Lodewijk Napoleon. Gekweld door voortdurende hoofdpijn, is hij ook in deze betrekkelijk rustige fase niet onbekommerd gelukkig. Levend in zijn eigen gevoelswereld, ondervond hij het aardse bestaan als een last. De echtheid van zijn onvrede is niet aan twijfel onderhevig. Latere beoordelaars lopen wel eens het gevaar, zijn persoon en zijn werk tegemoet te treden met de meetlat van Batavus Droogstoppel.
Bilderdijk was stellig een reus onder de dwergen, door zijn fabelachtige eruditie, zijn veelzijdige belezenheid, zijn diep gevoel en rijke verbeelding, en zijn ongewoon taalvermogen. In de na-napoleontische jaren kwetste hem de miskenning die hem ten deel viel doordat hij een hoogleraarschap aan zich zag voorbijgaan. Als privaatdocent te Leiden (1817-1827) vormde hij een kleine kring van begaafde leerlingen als Da Costa en Groen van Prinsterer (1801-1876), op wie hij door zijn bezielde geleerdheid en visionaire blik op de totaliteit van het geschapene diepe invloed uitoefende.
De genoemde kwaliteiten weerspiegelen zich in de veelzijdigheid van zijn thematiek en de wijze waarop hij zijn thema's behandelt. Religieus-wijsgerig is hij bezig in leerdichten als De geestenwareld (1811) en De dieren (1817). Nationale stof is bewerkt in een treurspel als Floris de Vijfde (1808), bijbelse stof, met fantastische voorstellingen doorweven, in het onvoltooid gebleven epos De ondergang der eerste Wareld (1810). Centrale thema's in heel zijn oeuvre zijn ‘de vrouw’ en ‘het huwelijk’, ‘de taal’ en ‘de poëzie’; dit alles niet in los verband, maar in een diepzinnige innerlijke samenhang. Poëzie is geen apart ‘vak’, maar een-
heidscheppende macht. Ze heeft haar oorsprong in God en ontheft de mens aan zijn nietig zelf. Bilderdijks poëtica doordringt heel zijn levensen wereldbeschouwing. Ten diepste zijn dan ook de gelovige calvinist en de romantische dichter een en dezelfde.
De taalstijl van de dichter kenmerkt zich door een kruising van retorisch klassicisme en emotionele ‘mateloosheid’. De gevoelsnuances verdrinken in een idioom dat van de moderne lezer moeitevolle toeëigening vergt. Bilderdijks extravagantie en gepassioneerdheid, pathos en heroïek vragen om begrip, niet om ridiculisering. Raakt men met zijn werk vertrouwd, dan leert men een gekweld hypergevoelig man kennen, diep vervuld van doodsverlangen: verlost te worden uit een barre wereld, waarin voor de dichter, vreemdeling op aarde, geen plaats is. Het doodsverlangen is ‘oorsprongs-verlangen’, ja Godsverlangen: met zijn poëzie, gave van God, hoort de dichter in de hemel thuis.
Poëzie is voor Bilderdijk louter uitstroming van gevoel. Dat betekent een principieel afscheid van het klassicisme. Ook hier stuiten we bij Bilderdijk op het conflictmodel, een niet aflatende strijd tegen de verlaging van het dichterschap tot een verstandelijk beoefend ambacht. Bij de ware dichter schiet het vers ‘uit den stroom van 't bruischend harte’. Poëzie is als snikken van verdriet, natuurlijke uiting zonder ‘doel’, een zich vrij verheffen boven de aarde:
Men spreekt hier van ‘de kosmische zelfvergroting van de dichter’. Dat is niet onjuist. Maar we dienen ons te realiseren, dat het daarbij niet gaat om platvloerse zelfverheffing, maar - tenslotte - om een gloeiend geloof in de macht van de poëzie als een genade van de hemel.
Specimen academicum inaugurale (1782), Bloemtjens (1785), Mengelpoëzy (1799, 2 dln.), Het buitenleven (1803), Poëzij (1803-1807,4 dln.), Mengelingen (1804-1808, 4 dln.), Verhandeling over de geslachten der naamwoorden in de Nederduitsche taal (1805), Napoleon (1806), Nieuwe mengelingen (1806, 2 dln.), De ziekte der geleerden (1807), De mensch (1808), Odilde (1808), Leydens ramp (1808), Najaarsbladen (1808-1809, 2 dln.), Treurspelen (1808-1809, 3 dln.), Verspreide gedichten (1809, 2 dln.), Winterbloemen (1811, 2 dln.), Gedichten voor kinderen (1813), Krijgsdans (1813), Hollands verlossing (1813-1814, 2 dln.), Affodillen (1814, 2 dln.), Wapenkreet (1815), Vaderlandsche uitboezemingen (1815), Wit en rood (1818, 2 dln.), Taal- en dichtkundige verscheidenheden (1820-1823, 4 dln.), De muis- en kikvorschkrijg (1821, anoniem), Sprokkelingen (1821), Krekelzangen (1822-1823, 3 dln.), Bijdragen tot de tooneelpoëzij (1823), Spreuken (1823), Rotsgalmen (1824, 2 dln.), Navonkeling (1826, 2 dln.), Nederlandsche spraakleer (1826), Oprakeling (1826), Nieuwe oprakeling (1827), De voet in 't graf (1827), Avondschemering (1828), Vermaking (1828), Uitzicht op mijn dood (1828), Woordenboek voor de Nederduitsche spelling (1829), Nasprokkeling (1830), Geschiedenis des Vaderlands (1832, 13 dln.), Brieven (1836-1837, 5 dln.), De dichtwerken (1856-1859, 15 dln.), Bloemlezing uit de dichtwerken (1869, 4 dln.), Bloemlezing (1906), Een keuruitgave uit de gedichten (1923), Uit de dichtwerken (1929), Briefwisseling (1935), Dichterlijke zelfbeschrijving (1943, bloemlezing), Bilderdijk (1960, bloemlezing), Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking (1965), 't Vuur dat eeuwig gloeit (1970, bloemlezing), Hanenpoot (1977), Speels vernuft (1981), Ik reikhals naar het graf (1981, bloemlezing).