
J.P. Hasebroek. Foto: Wegner en Mottu.
‘Rijmelaars als ik moesten hun tijd van uitscheiden beter weten te kiezen dan die van te beginnen, die nooit had moeten aanbreken.’ Zo oordeelde in 1838 J.P. Hasebroek in een brief aan de uitgever van de Muzen-Almanak, J. Immerzeel, over zijn eigen talent als dichter. Hij was toen zes-en-twintig jaar jong en sedert twee jaar predikant te Heiloo. Zijn eerste publikatie in boekvorm, Poëzy, opgedragen aan zijn levenslange boezemvriend Nicolaas Beets, was in 1836 verschenen. Deze bundel romantische poëzie, waarin heimwee naar Hollands glorieus verleden, een hoge opvatting van het dichterschap en idealisering van de vrouw in al haar verschijningsvormen opvallende motieven zijn, was niettemin door gezaghebbende critici zeer gunstig ontvangen. E.J. Potgieter, met name getroffen door de reeks ‘De Vrouw’, had voor de jonge Leidse dichter al ‘eene onderscheidenende plaats’ ingeruimd onder de jeugdige talenten, en hem als medewerker van De Gids aangetrokken. De Muzen-almanak van 1838 was zelfs verlucht met het portret van de dichter die zo bescheiden gemeend had zijn lier aan de wilgen te moeten hangen nog voor hij dat instrument bespeeld had. Dat was een eerbetoon dat maar hoogst zelden een auteur van niet meer dan één boek te beurt was gevallen.
Toch is Hasebroek, zoals hij zelf al had voorzien, inderdaad niet als dichter bekend geworden. Zijn debuut werd weliswaar nog twee maal herdrukt, maar de acht bundels die er op volgden nooit. De titels van zijn

J.P. Hasebroek aan J.J. van Oosterzee, ter gelegenheid van diens benoeming tot hoogleraar in de godgeleerdheid aan de Utrechtse Universiteit, 18 oktober 1862.
Waarde Broeder! / Wat heb ik u gezegd? / 'k Roep nu voor de laatste maal / In mijn halve zienerstaal: / Eindlijk, eindlijk komt eenmaal! / Anders zeidet gij daarop wel eens: / ‘maar niet voor mij!’. Nu is het / ook voor u! / Nu werpt Jonathan zijn hoedje / hoog in de lucht, en roept hoezee / luider dan misschien voor zijne / arme kranke keel dienstig is! / Hoe behaag ik er mij den ganschen / dag in, u mij thans in allerlei ge- / stallen te verbeelden. Even als / een kind, dat een nieuwe pop / gekregen heeft, en hem aan alle / kanten beziet! Nu zie ik u / afscheid nemende van Rotterdam, / dan entreê-doende te Utrecht, / nu in de collegiekamer op de / katheder, dan in de Akademische / gehoorzaal met den Uhlanenhoed /
[p.2] der Utrechtsche Celeberrimi; nu / op den preekstoel dan in Den Dom, / dan in het examen en de facul- / teitskamer... en altijd doet / het mij goed u zoo te zien, en verheug / ik mij om uwentwillen en om mijnent- / wille en den wil van allen, die u / liefhebben, en, naar de gemeenschap / der beweging, met u gepromoveerd / zijn. // Dan weder denk ik aan hetgeen / had kunnen geschieden; aan andere / namen, in deze dagen zeer vaak / genoemd; en ik dank daarbij / God, die ons in u op dien gewigti- / gen leerstoel een getrouwen getuige / der waarheid geeft. En ik bidde / hem u steeds ter zijde te staan, en te / geven, dat de schoone en groote naam / des Predikers nu hand aan hand / moge gaan met den roem des / Akademischen onderwijzers, en / Zijn zegen op uw werk ruste tot / heil der Vaderlandsche Kerk, die / ons dierbaar is! // Toen ik dezen morgen onzen Vriend /
[p.3] ten Kate bezocht, kwam Louise van / Oosterwijk Bruijn daar binnen... / gij begrijpt, hoe wij ons toen te / zamen verheugden. De deelnemende / bij uitnemendheid!... Zij had / tranen van vreugde geschreid. / Maar ook andere tranen zullen / er geweend worden, vooral te Rot- / terdam. Gelukkig, dat nu de / La Saussaye daar is, en u bij aan- / vang voor velen vervangen en ver- / goeden kan... Later komt ook / voor hem misschien nog wel / eens zijn: Eindelijk! Hij is ook / eene plaats, als de uwe thans, / wel waardig; maar gij, zouden / wij gezegd hebben, hadt nu de / prioriteit... het was u reeds voor / zoolang beloofd. En nu komt het ge- / lukkig nog bij tijds. Gij kunt / er nu nog wat pleizier van hebben, / en, bij de u verleende veelheid / der gaven, zult gij ook spoedig / genoeg te huis zijn, om u in den / nieuwen kring gansch chez vous / te gevoelen. [...]
Ik kan zeer galant zijn.tweede en derde bundel, Windekelken (1859) en Nieuwe windekelken (1864), laten al zien dat Hasebroek na zijn kennismaking met het Réveil in 1841 zijn poëzie was gaan beschouwen als een aanvulling op en versiering van zijn pastorale werkzaamheden. De ‘dwepende geestdrift voor de Kunst’ heeft dan plaats gemaakt voor de alles overheersende leefregel ‘God te dienen is het al!’ Aangenomen mag worden, dat zijn latere poëzie uitsluitend nog enige aftrek vond in de eigen orthodoxe kring, die zijn visie dat cholera en watersnood als vingerwijziging Gods moesten worden beschouwd, deelde.
Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn zwart weduwnaarskleed, dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van een standbeeld, mij niet tot den geschikten persoon maakt, om naar de gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, dat ik een van die overjaarde petit-maitres ben, die van hun leeftijd een schandelijken vrijbrief maken, om zich met saterachtige onbeschaamdheid bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan, en zeg, of ik tot zulk een wanvoegelijkheid in staat ben. Even weinig behoor ik tot een ander soort van wezens, die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet bemerken willen, dat de Tijd, die onverbiddelijke Censor, hen reeds lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, en zich dus niet dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer éénkleurige hairen weten te behoeden: of liever - want wie kan zeggen, dat hij zichzelven behoed heeft? - daarvoor heeft mij de gestalte bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt zijn hof te maken. Als ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was het altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem, of eenigen anderen trek van overeenkomst met betsy had. En indien ik, door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat niet minder haar dan mijzelven vereerde. Dit regt moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer galant kan zijn.
Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij dan niet in den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten met een voorkomen van ernst en gewigt, of het de Rostra van Rome zelve waren; zoek mij nog minder in den vrolijken schitterenden kring, waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon vergadert; zoek mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over andere goede huismoeders hoort babbelen: zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren hoek, op een togtig plaatsje, ver van den kagchel en de punch. Daar zult gij mij in een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en beleefdheid toewijdende aan - een oude Vrijster!
Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezigt vergeven, dat ge bij deze woorden trekt.
Fragment uit de schets ‘Oude vrijsters’ uit Waarheid en Droomen (1840) van Jonathan (pseudoniem van J.P. Hasebroek).
Zijn naam als schrijver dankt Hasebroek aan één prozawerk, Waarheid en Droomen, de verzameling schetsen die hij in 1840, één jaar na de Camera Obscura, onder het pseudoniem Jonathan liet verschijnen. Daarin voorziet ‘een oud vrijer’, samenwonend met zuster en dienstmaagd, het leven om hem heen van rustig, licht-melancholiek commentaar. Dit in de hoop, dat ‘de uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in een vorm die niet al te streng of somber was, hier en daar verwarmend in een hart kon vallen, dat niet te preekachtig gestemd was.’ De eerste druk bevatte elf schetsen, waartoe Nicolaas Beets en E.J. Potgieter hem geïnspireerd hadden en waarvan de bekendste, ‘De Haarlemsche Courant’, hem een levenslang gratis abonnement op genoemd dagblad bezorgd had. Vanaf de vierde druk in 1856 werd de bundel een aantal malen aangevuld, onder meer met negen karakteristieken van vaderlandse volkstypen als ‘De Rotterdamsche sleper’ en
‘De Hofjes-juffrouw’. Die waren in 1841 al verschenen in het prachtplaatwerk De Nederlanden, waaraan ook zijn vrienden Nicolaas Beets, J.J.L. ten Kate, Jacob van Lennep en anderen hadden meegewerkt. Hasebroeks literaire activiteiten zijn velerlei geweest: hij vertaalde Thomas à Kempis, verzorgde de Kompleete Dichtwerken van Da Costa (1863), schreef een inleiding voor E.J. Potgieters Het Noorden (in de tweede druk van 1875) en een ‘Dichteralbum’ over Jacobus Bellamy en zijn kring. Het is echter niet uitgesloten dat noch hierin, noch in zijn oorspronkelijk werk zijn grootste verdienste ligt, maar in zijn hartelijk aangewend vermogen anderen, meer begaafd dan hij, te stimuleren. Dat deed hij met name in zijn Heiloose periode (1836-1843), toen zijn pastorie, mede dank zij zijn eveneens schrijvende zuster Betsy - de Editha uit Waarheid en Droomen - een middelpunt van bloeiend letterkundig leven was. Nicolaas Beets, W.J. Hofdijk, J. Kneppelhout - door Hasebroek geïnspireerd tot zijn Studenten-Typen (1839-1841) - Jacob van Lennep en Geertruida Toussaint behoorden er tot de graag geziene, en vooral gehoorde, gasten.
In 1893 werd zijn marmeren borstbeeld in het Rijksmuseum te Amsterdam geplaatst.

Titelpagina van een bundel uit 1860. ‘Augustinus en Monika, in een oogenblik van godsdienstige verrukking der zalige moeder over de behoudenis van een vroeger verloren geachten zoon door Ary Scheffer afgemaald in de beroemde Schilderij, waarvan op den titel een afdruk is gegeven.’
Leerredenen (1846), De God des hemels en de bergen der aarde (1847-1848, 2 dln.), Nieuwe leerredenen (1853), Leer ons bidden (1857), De blijde boodschap (1860), Studiën en schetsen (1860), Op de bergen (1861-1862, 2 dln.), Uit den vreemde (1868), Vaderlandsliefde en heldenmoed (1870), Door een storm gered (1872), Dicht en ondicht (1874, 2 dln.), In 't voor bijgaan gepraaid (1874), Door het mes genezen (1875), In den kerker bevrijd (1877), Sneeuwklokjes (1878), Een pijl in 't wild geschoten (1878), Winterbloemen (1879), In de schuld gevallen (1879), Na vijftig jaren (1881), Gedachtenis; laatste leerredenen (1884), De alpenhoren (1885), Vesper; poëzie in den avond des levens (1887), Hesperiden; nieuwe poëzie in den avond des levens (1888), Novissima verba (1889), Een dichter-album van vóór honderd jaren; de gedachtenis aan Bellamy en zijne kunstvrienden nog eens vernieuwd (1890), Brieven aan E.J. Potgieter en aan de redactie van De Gids, 1836-1840 (1940).