
J.J.L. ten Kate, 1861. Litho: H. Dilcher.
Bij de meesten zal de naam van J.J.L. ten Kate, net als die van de dode Poot, alleen nog maar voortleven als onderwerp van een humoristisch gedicht:
Dat lot betreft dan een dichter, wiens oeuvre qua omvang alleen is te vergelijken met dat van Vondel en Bilderdijk. Het door hem vertaalde distichon van Andersen: Schoon ik u beter Dichter wensch, / Gij blijft een respektabel Mensch lijkt bij uitstek op hem zelf van toepassing.
Toch is er wel het een en ander uit zijn gigantische produktie dat de tand des tijds getrotseerd heeft. Zijn bewerking van het Luther-lied ‘Een vaste burg is onze God’ en zijn gezang ‘De Heer is mijn herder’ bijvoorbeeld. En in het lichtere genre zijn ‘Ballade van een advokaat en een Procureur’ en zijn bijdragen aan Braga, ‘het tijdschrift heel in rijm’ dat van 1842 tot 1844 de vaderlandse Zangberg teisterde. Toegegeven, het is weinig voor een poëet van wie Cd. Busken Huet malicieus had verondersteld dat hij, als men hem van een toren afstiet, zou ‘nederkomen aan gruis van verzen’, maar er zijn dichters die het met minder dan twaalf verzen in Gerrit Komrij's bloemlezing De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten (1979) moeten doen.

Handschrift van J.J.L. ten Kate.
Een cent te kort. // ‘Een cent te kort! dat gaat niet aan! / 'Ik moet er tien; gij geeft er negen!’ / Het arme kind blijft aarzlend staan, / ‘Och’, stamelt ze, angstig en verlegen: / ‘Voor zusje is 't! zij ligt ziek ter neêr; / ‘Moê is een weeûw: zij heeft niet meer.’ // Hij meesmuilt: ‘Och, het oude lied! / ‘'k Wil 't beste van dat zusje hopen. / ’ 't Is om dat éene centjen niet, / ‘Maar 'k mag niet tot mijn schâ verkoopen. /’ Het geldt hier een beginsel, kind! / ‘Zie dat gij elders húlpe vindt!’ // Eene andre weduw hoorde dat / In 't winkelhoekjen. In beur armen / Sliep 't bloeiend wichtjen, heel haar schat... / Daar smelt haar 't harte van erbarmen- /
[p.2] Het knipje is voor den dag gehaald: / ‘Hier is uw cent, gij zijt betaald!’ // De cent viel op de toonbank neêr; / Die kopren klank - ging niet verloren: / Hij steeg tot onzen lieven Heer, / En trilde lieflijk in Zijne ooren, / Meer dan die avondpsalm, die thans / Het huis doorklinkt des harden mans. // Dat heeft wel 't Vrouwtjen niet vermoed, / Dat haar arm centjen was geborgen / Bij God, die 't eens in zonnegloed / Doet schittren op den Grooten Morgen! / Al heeft zij 't nimmer zoo gemeend, / Die d'arme geeft, heeft God geleend.
Ten Kate had, tweeëntwintig jaar oud, al een hele carrière als dichter achter de rug, toen hij in 1842 in het voorbericht bij Thomas Chatterton schreef: ‘Ik geloof, dat met dit gedicht zich de eerste periode sluit mijner dichterlijke loopbaan [...] Zoo veel is zeker, men zal mij niet meer dan als man in het ernstig kampperk zien optreeden; sauf de gevaarlooze tornooitjens [...] waartoe onder anderen onze lieve jaarboekjens [...] een kind zouden uitlokken.’ Jaarboekjes en almanakken hebben Ten Kate tot op hoge leeftijd aan een nageslacht van oud-testamentische omvang geholpen, maar waar het hier om gaat, is, dat de Utrechtse theologiestudent in deze passage suggereert, dat zijn Chatterton een frivool gedicht zou zijn. Niets is minder waar: de jonge dichter gebruikte het lot van zijn talentvolle Engelse collega (1752-1770) die op zeventienjarige leeftijd zelfmoord pleegde, om ‘de ongenoegzaamheid van den Genie zonder vast geloof’ aan te tonen. Bepaald geen lichte kost, dus. Enkele jaren eerder had hij zich van een andere gedoemde, Ahasverus, bediend om de rampzalige gevolgen voor de mens die in opstand komt tegen God, af te schilderen. Ook later zou hij in de keuze van zijn vertalingen een voorkeur blijven vertonen voor werken waarin zelfgekozen ondergang en verdoemenis een grote rol spelen: Dante's Inferno, Miltons Paradise lost, Goethe's Faust, Schillers Mary Stuart. In dat opzicht

Spotprent op De Schepping (1866) van J.J.L ten Kate. Bijlage bij Asmodée nr. 1, 1870.
is er van een breuk in Ten Kate's ontwikkeling na 1842, anders dan hij zelf suggereert, dus geen sprake. Hij vertaalde overigens ook nog uit het Deens (Andersen), Zweeds (Karel XV) en Frans (Victor Hugo, Lamartine).
Een jaar na Chatterton, in 1843, schreef Ten Kate, zij het anoniem, meer dan de helft van de eerste jaargang van Braga vol, wat tegen de achtergrond van het hierboven geciteerde inconsequent lijkt. Maar dat is het niet. Op het eerste gezicht kan Braga weliswaar moeilijk een ‘ernstig kampperk’ worden genoemd. Het was een jongerentijdschrift, dat z'n best deed almanak-rijmelaars, de opgeklopte Byroniaanse aanvechtingen van de Leidse Romantiek (Beets, Hasebroek) en gevestigde reputaties als die van Jacob van Lennep, W.J. Hofdijk en de toenmalige Gidsredactie (R.C. Bakhuizen van den Brink, E.J. Potgieter) door middel van baldadige parodieën en persiflages belachelijk te maken. Maar de drijfveren achter deze vrolijke pogingen om huiselijke poëzie, geversificeerd voorgewende duistere driften en pedanterie te slopen, waren wel degelijk constructief, zoals blijkt uit Ten Kate's in zijn Braga-jaar, eveneens anoniem verschenen, didactische gedicht Hollands Muze. Wat en hoe het niet moest, bespotte hij in Braga. Wat poëzie dan wel moest zijn, formuleerde hij in Hollands Muze (1843) en het Voorbericht daarvan, het positief van Braga: oorspronkelijk en nationaal (wat inhield dat Gal en Brit, in casu Victor Hugo, Lamartine en Byron, niet dienden te worden nagevolgd), en vóór alles geïnspireerd door ‘dat echte christendom, waarvan CHRISTUS het eenige, levende middelpunt uitmaakt.’ Braga en Hollands Muze zijn elkaars tegenhangers, voortkomend uit dezelfde moralistische gezindheid.
Na 1843 schreef Ten Kate nog heel, heel veel. Het bekendst werd De Schepping (1866), drie jaar later gevolgd door De Planeeten (1869). De predikant van de Nieuwe Kerk te Amsterdam probeerde daarin de ontdekkingen van de wetenschap van zijn tijd en de evolutietheorie te verenigen met de bijbel. Gezien zijn positie moet dat een poging zijn geweest waar moed voor nodig was. Meer in elk geval dan voor ‘De Bijbel in huis’, een representatief gedichtje uit zijn omvangrijk stichtelijk repertoire dat als volgt begint:

Handschrift van De Schepping (1865), dat door J.J.L. ten Kate werd gebruikt op lezingen van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. In de marge Ten Kate's agenda voor voordrachten tussen november 1865 en maart 1866.
Gedichten (1836), Bladeren en bloemen (1839), Rozen (1839), Nieuwe rozen (1839), Vertaalde poëzy (1839), Poëzy voor Hollands schoonen (1841), Zangen des tijds (1841), Legenden en mengelpoëzy (1846), Nieuwe dichtbloemen (1849), In den bloemhof (1851), Leerredenen (1851), Lier en harp (1853), Christus ons leven (1856), Italië; reisherinneringen (1857), Stichtelijk huisboek (1859), Dichtwerken (1861-1866, 8 dln.), Vliegende bladen (1861), Wij zullen elkaar wederzien (1861), Bilderdijken Da Costa (1862), Stemmen des vredes; nieuwe leerredenen (1863), Eigen haard (1867), De jaargetijden (1871), Esaia Tegnèr, als godgeleerde en dichter (1872), Poëzy (1874, 2 dln., bloemlezing), Bij brood en beker (1876), Godsdienstige poëzy (1879), Mozaiek; sneldichtjes (1881), De Nieuwe Kerk van Amsterdam; een gedicht (1885), Gedichten (1890-1891, 12 dln.), Lente-leven (1909, bloemlezing).