terug  begin  verderprepost
[p. 60]

C.E. van Koetsveld 1807-1893

Door P.L. Schram



illustratie

De predikant Cornelis Elisa van Koetsveld (1807-1893) heeft zich een blijvende naam verworven dankzij Schetsen uit de pastorie te Mastland. Ernst en luim uit het leven van den Nederlandschen dorpsleeraar (1843), met kostelijke verhalen over de rentenier, de ‘chirurgijns’, de kleermaker, de smid, de burgemeester en diens haan. Het boek werd in 1860 in het Engels vertaald en in 1865 in het Duits. In 1916 kwam de vijftiende druk uit. Busken Huet schreef in zijn Literarische Fantasien: ‘Wie eenmaal zulk een boek geschreven heeft mag daarna een potje breken’. Ook in talrijke andere novellen, bijna alle meermalen herdrukt, toonde Van Koetsveld zich een auteur met beeldende kracht, humor, zachtmoedigheid en vroomheid. Soms schreef hij onder pseudoniem (Pieter Ernst, Albert Molton).

Van Koetsveld was een seigneuraal en bewogen pastor, met grote liefde voor de Bijbel. Hij schonk de Nederlandse gezinnen De Christelijke Huisbijbel (1860-1867). Aan prinses Wilhelmina droeg hij De kinderen in den Bijbel op (1889, 2 dln.) en aan de koningin-regentes De vrouw in den Bijbel (1891). Hij noemde zich ‘evangelisch’. Bijbelse verhalen boeiden hem meer dan dogmatische uiteenzettingen. Zelf was hij eveneens een groot verteller. In catechisatie- en leesboekjes toonde hij zijn gaven. Zijn beste werk, een studie van Europees formaat, is het tweedelige De Gelijkenissen van den Zaligmaker (1868). Net als Jezus' gelijkenissen hebben zijn eigen novellen een zin, een strekking; ze waren ‘stichtelijk’ bedoeld.

Opmerkelijk in zijn publikaties was zijn christelijk-filantropische instelling. Graag zocht hij contact met O.G. Heldring, voor wiens Almanak hij regelmatig een artikel leverde. In Den Haag richtte hij een soort dependance van de Zettense inrichtingen op. Over armoede heeft Van Koetsveld geschreven als geen ander in Nederland tussen 1840 en 1880. Hij

illustratie



illustratie
Prospectus van een goedkope volksuitgave van Van Koetsvelds werken. De illustratie verwijst naar ‘De haan’, door Ary Ploegstaart vermoord, omdat het dier zijn kind bijna de ogen had uitgepikt.

[p. 61]

opende een ‘armenkerk’, waar de ‘bedeelden’ onder elkaar konden zijn zonder aangegaapt te worden. Groot organisatietalent heeft hij ontplooid voor arbeid onder ‘idioten’ (die nu ‘geestelijk gehandicapten’ zouden worden genoemd). Een, als ‘Vereniging voor Christelijk Buitengewoon Onderwijs’ nog bestaande, ‘Idiotenschool’ werd door hem in Den Haag opgericht (1855). Al in 1856 wijdde hij er een publikatie aan (Het idiotisme en de idiotenschool) en daarna bleef hij, met scherpe

illustratie
C.E. van Koetsveld, 21 juli 1849, aan S.J. van den Bergh (1814-1868), redacteur van de almanak Aurora.

Amice! / Als eenmaal de schrijfjeukte iemand is aangewaaid, wordt het eene lastigen / ziekte en steekt men (op zijn plat Hollandsch gezegd) ligt overal den neus in. Zoo / was mij sedert vele weken dit stukje in de gedachte. Het is aan mijn dagelijksch / werk, ook in deze week ontleend, en de dankbare blijdschap over sommiger redding bewoog / mij eindelijk, het op papier te brengen. En nú mijn verzoek. Ik wilde het blaadje / gaarne spoedig, goed en goedkoop gedrukt en verspreid hebben; maar vooral onder heilig / geheim. Gij gevoelt daarvan al 't gewigt. Ik heb mij vrij ver, te ver misschien, gewaagd. / Zoudt gij er Kruseman over willen schrijven, en het hem zenden (hij kent immers mijne / hand niet) zonder mij te noemen? Ik dacht al eens, of hij, als uitgever, dan ook / de proef aan een genuskundige zou kunnen laten na zien?? - Wat voorwaarden betreft, / mijn gewone conditie is bij zulke stukjes: 'bij verlies geen honorarium, en bij / goeden opgang de halve winst, naar taxatie en goede trouw berekend door den uitgever. Maar / ik geef dit geheel in uwe handen. Algemeen nut is het eerste doel. // Nu is 't al zeer vrij, dat ik u bezwaar - zoo gij wilt - met dien geheime onderhan- / deling, en later met het overzenden der proef, vooral daar de treurigen tijd er zoo veel haast / achter zet. Ik zal 't u dus volstrekt niet kwalijk nemen, als gij het blaadje, al was 't / met geheel afkeurend advies, terug zendt. - Zoo niet, dan handelt gij geheel vrij. - // P.S. Desnoods kunt gij zelfs Kruseman in 't geheim betrekken, maar / veel liever niet. - Denk bij de conditie om volgende drukken. Wij / kunnen hier zoo veel geld goed besteden. // 21 July 49 / T.T. / C.E. van Koetsveld

[p. 62]

opmerkingsgave en grote liefde, vooral bij jubilea erover vertellen. In het Réveilarchief bevindt zich een lezing van hem bij het vijfentwintigjarig bestaan.

De Universiteit van Groningen heeft Van Koetsvelds betekenis erkend door hem in 1864 een eredoctoraat toe te kennen.

Gij weet, wanneer de wereld gemaakt is?
Willem. Vóór omtrent zes duizend jaren, grootvader.
Grootv. Nu ja! 't is goed, dat men daar bij zegt omtrent; want naauwkeurig is het niet te bepalen. Eigenlijk is dat gene, wat vóór zes of zeven duizend jaren gebeurde, ook de allereerste schepping niet. Toen werd wel de aarde bewoonbaar gemaakt, en planten, menschen en dieren er op geschapen; maar het berigt, daar de bijbel mede aanvangt: In den beginne schiep God den hemel en de aarde, slaat al op veel vroeger' tijd, waar ik u naderhand meer van vertellen zal. Gij kunt ook dat alles nu nog niet begrijpen. Genoeg, dat de almagtige God, om de aarde hare tegenwoordige gedaante te geven, vooral vuur en water gebruikt heeft: het vuur in de aarde en het water er boven op. Nog zijn er vuurspuwende bergen of vulkanen, die asch en steenen, en lava of gesmolten metaalstoffen uitwerpen. Soms dreunt geheel een land door het onderaardsche vuur: dit noemt men eene aardbeving. Het gebeurt ook nog wel, dat op eens bergen weg zinken of eilanden in 't midden der zee verrijzen. Hoe veel te meer en sterker moet dit geweest zijn, toen de gansche aarde nog in beweging en de schepping in vollen gang was! Zoo rees het eene deel op en stortte het andere uitgebrand neder. Maar ook het water heeft daartoe bijgedragen. Jaren of eeuwen vóór de tegenwoordige schepping, was al het land door de zee bedekt. Het water verdampte voor een deel tot wolken en vloeide en golfde verder al heen en weder; zoo lang, tot het zwaarste slijk - zoo zullen we het nu maar noemen, - naar beneden zonk. Dat zette zich aan elkander, en het werd steen. Als nu het water stil geweest was, dan zou die grond van steen er onder gelegen hebben, even als het bezinksel in een glas, waar troebel water in gedaan is. Maar omdat de zee geweldig stroomde en de grond nog kookte en gistte, kwamen er hoogten en laagten onder. Ook was het eigenlijk niet alles bezinksel, maar veel een soort van kristallen, even als die klontjes, in den grooten suikerpot; die zijn ook door het afkoelen van warmen gesmolten suiker ontstaan. - Later spoelde de zee op het eerste bezinksel weder nieuwen grond van eene andere soort, die aan den steenachtigen bodem bleef hangen; dit gebeurde meer dan eens, en toen nu eindelijk voor goed de zee terug vloeide, kwam er eene scheiding tusschen water en land. De hoogten op het land noemde men bergen, en de laagten dalen.
Stansje. O ja! daar heeft moeder dikwijls van verteld, uit den tijd toen zij nog in Gelderland woonde: van den Grebschen en den Eltenberg. Die moeten hoog zijn!
Grootvader grimlachte. ‘Alle hoog en laag, en alle klein en groot is maar bij vergelijking,’ zeide hij: ‘Het land, daar wij in wonen, is eene lage vlakte bij de zee. Het is voor een groot deel ontstaan door het slijk, dat de rivieren mede brengen, en het zand, dat de zee daar tegen heeft aangespoeld. Er zijn nog wel enkele hoogten in, die wij bergen noemen; maar als men weet, wat wezenlijke bergen in andere landen zijn, dan zijn de onzen in vergelijking daarvan maar lage heuvels, die den naam van bergen niet waard zijn.
Fragment uit De portefeuille met platen van Grootvader Sprankhof, een onderhoudend leer- en leesboekje voor kinderen door C.E. van Koetsveld (tweede vermeerderde druk, 1871; eerste druk, 1856).

Keuze uit het overig werk

De vriend der kranken (1838), Eenvoudige verklaring van de twaalf geloofsartikelen (1839), Noodig onderrigt voor mijne leerlingen (1839), De oudejaarsavond (1840), Godsdienstige en zedelijke novellen (1847-1853, 3 dln.), Twaalftal preken (1851), Snippers van de schrijftafel (1852), Het menschelijk leven in drie woorden (1854), Verspreide kinderverhalen (1855), De portefeuille met platen van grootvader Sprankhof (1856), Nieuwe kinderverhalen (1857), Sprookjes in den trant van Andersen (1858), De goede grootmoeder (1860), Fantasie en waarheid (1863), Ideaal en werkelijkheid (1868), De Internationale en de Commune; twee tijdpreken (1872), Nalezing van een tachtigjarige (1887), Losse bladen uit mijn pastoraalboek; nagelaten schetsen (1894), Dieren in den bijbel (1896), Volledige werken (1897-1898, 10 dln.), Een voetreis 100 jaar geleden (1928).

prepostterug  begin  verder