terug  begin  verderprepost
[p. 63]

J.J. Cremer 1827-1880

Door G.W. Huygens



illustratie
J.J. Cremer. Foto: P. van Santen.

Hoewel Jacob Jan Cremer niet uit de Betuwe maar uit een gegoede familie in Arnhem stamde en zich later definitief in Den Haag vestigde, berust zijn bekendheid op de Betuwse en Overbetuwse dorpsvertellingen, idyllische novellen met een lach en een traan in de trant van Fritz Reuter (1810-1874) en Berthold Auerbach (1812-1882). Ze spelen zich af onder brave, eenvoudige, sterk geïdealiseerde mensen die een wat overtrokken dialect spreken. In dit genre toonde hij zich een weliswaar oppervlakkig maar bijzonder boeiend verteller, zodat zijn werk in hoge mate aantrekkelijk was voor lezers en uitgevers. In het Haagse genootschap Oefening Kweekt Kennis en elders in het land droeg hij zijn werk met een opmerkelijk acteurtalent voor; de verhalen met de realistisch aandoende dialogen, de opgeroepen sentimenten en nagejaagde effecten waren daarop berekend, en hij trad steeds op voor uitverkochte zalen. Hierdoor kon hij een van onze eerste beroepsliteratoren worden. Zijn vriend en levensbeschrijver Arnold Ising getuigt daaromtrent: ‘Hij is de eerste letterkundige in Nederland geweest, die, nadat het gebleken was, hoe het publiek èn zijne voordrachten èn zijne gedrukte werken op prijs stelde, zijn wettig aandeel eischte van de daaraan verbonden geldelijke voordeelen. Zijn vader, een origineel man, hield hem voor, dat, terwijl bekende artisten, die als zangers, viool- of pianospelers optraden, rijkelijk beloond werden, hij zelf als voordrager ook zijn loon waard was. En daar het lezen in volle, warme zalen hem afmatte, besloot hij om, wanneer hij het niet voor het een of ander weldadig doel deed, er althans zijn gezin meer welvaart door te verschaffen.’ Voorts vernemen we dat Cremer van mening was, dat de schrijver een billijk aandeel toekwam in de winst van de uitgevers; hij stelde daarom hoge eisen en liet scherpe contracten opmaken.

Cremer was aanvankelijk voor schilder opgeleid en hij bleef deze kunst

illustratie
J.J. Cremer was van oorsprong schilder. Hij is altijd blijven tekenen en schilderen. De figuur heeft een papier in de hand met het woord ‘Oefening’, wellicht een verwijzing naar het Haags Genootschap ‘Oefening kweekt kennis’, waar Cremer lid van was.

[p. 64]



illustratie
J.J. Cremer hield met een opmerkelijk acteertalent vele voordrachten overal in het land. Met deze brief aan prof. Th. Jorissen van 4 september 1870 accepteert hij een uitnodiging voor een optreden in Doesburg.

Hooggeachte Heer! / Gisteravond ben ik van een zomer- / uitstap in den Haag teruggekomen, en haast / mij nu Uw zeer vriendelijke letteren te be- / antwoorden. // De kennismaking met het Doesborghsche / publiek is mij zóo best bevallen dat / ik die zeergaarne wil vernieuwen. // Voor zooveel ik op dit moment kan / nagaan, bestaat er bij mij tegen ‘de laatste / helft van October’ geen bezwaar. Wat dunkt / U indien ik provisioneel aanteekende: // ‘Doesborgh lezen. dinsdag 25 Octr’? // Uw recht vriendelijk aanbod om van Uw / gastvrijheid gebruik te maken, zou ik zeer / gaarne aannemen, doch weet niet in hoe- / verre of de familie Doyer, die mij in /
[p.2] Febr. l.l. zoo heel vriendelijk en prettig / ontving - aan haar uitnoodiging ‘voor een vol- / genden keer’ hecht. Zeer gaarne verzekerde / ik die goede menschen om c.q. weer bij hen / te logeeren, en, zoo het hen schikt hield / ik gaarne mijn woord. U begrijpt an- / ders wel hooggeachte Heer! dat ik het / aanbod van U en Mevrouw uw Echtgenoot / zeer gaarne zou aannemen. // In de hoop alzoo nog nader van U te / zullen hooren noem ik mij, met zeer / vriendelijke groeten ook aan Mevrouw / en familie, Hooggeachte Heer, Uw ZDWD J.J. Cremer. // Den Haag 4 S. 70
met enig succes beoefenen (voor natuur en landschap had hij veel oog), maar als ‘schilder met de pen’ werd hij beroemd. Hij was zijn schrijversloopbaan begonnen met de mislukte historische roman De lelie van 's-Gravenhage (1851); toen daarop in de Geldersche Volksalmanak van 1853 zijn dorpsverhaal (over een vondelinge) ‘Wiege-Mie’ verscheen, bleek waar zijn talent lag. Het werd opgenomen in de Betuwsche novellen (1856, 2 dln.), een uitgave die veel herdrukken beleefde, evenals de door tijdgenoten nog hoger aangeslagen Overbetuwsche novellen (1870-1872, 2 dln.).

Zijn romans, hoewel ook herdrukt en dus gelezen, waren minder geslaagd maar getuigen van zijn sterk sociaal gevoel; in dit opzicht werd hij met de overigens veel grotere Dickens vergeleken. Zo stelde hij in Anna Rooze (1868, 3 dln.) willekeurige rechtstoestanden, en in Hanna de freule (1873) de toenmalige misstanden in de fabrieken aan de kaak. Het bekendst werd in dit verband de in 1863 geschreven novelle Fabriekskinderen, die in een felle aanklacht eindigde en naast de sentimenten ook de gewetens wakker riep. Van Houtens bekende wet op de kinderarbeid is van deze novelle, die gevolgd werd door een persoonlij-

[p. 65]

‘Edele dorpelingen! Jongelui! Toen Zijne Majesteit onze geëerbiedigde Koning mij tot burgemeester van uwe gemeente benoemd had, toen - ofschoon ik het zelf gewenscht had - toen bekroop mij allengs toch de vrees, dat ik mij - en vooral met mijn geliefde, die zich door den teedersten band aan mij verbinden wilde, in uwen kring niet te huis zou gevoelen, omdat... omdat...’
De jonge burgemeester hokte. Hij kuchte...
- Drommels! hij kon toch niet zeggen: Omdat ik hier een troep lummels en pummels dacht te vinden; een troep schaapskoppen en ezels; volk dat rechts niet weet dat links aan den anderen kant is; vrouwen als koeien; en boerinnekes tot geen hooger trap van beschaving te brengen dan tot ‘een schotsche drie’ op de hakken. Sapperloot! - En hij herhaalde: ‘Omdat... Ik zeg... omdat...’ Maar hij was de kluts kwijt, en kuchend stampt de jonge burgervader - die van z'n leven toch zoo menigen gloeienden toost had geslagen, met den voet; en, nu hij de meisjes daarginds om zijn confusie de oogen ziet neerslaan - sommigen met een ternauwernood bedwongen glimlach, sommigen blozend uit meêlij, nu voelt hij al zijn veerkracht wegzinken. Zijn handen beven en zijn knieën klapperen zóo geweldig dat hij een stoel moest vastgrijpen om zich te kunnen staande houden. Maar hoor, zijn jonge vrouwtje met een hoogrode kleur, fluistert hem angstig toe: ‘Omdat ik niet gedacht had hier al dadelijk zoo veel liefde te vinden.’
- Och hemel ja, 't was doodeenvoudig. Hij herstelt zich: ‘Omdat...’
‘Joa wie begriepen 't best; schei moar uut a'j beteuterd bint,’ valt nu eensklaps Govert Ros uit: ‘Burgemeister had niet gedocht dat 't boerenvolk zoo veul stoacie zou sloan. Nou, 't is niks, we begriepen ou wel. - Alla jongens: Lêve de neie burgemeister! Hiep hiep hoeroah!’
Zoo iets moest den jongen Van der Neer wel totaal genezen. Welk een vernedering! Een boerenknul zal hem zóo den mond stoppen!? Ha! nu zal hij toonen wie hij is, en terwijl plotseling de student in hem opleeft, wenkt hij gebiedend dat men zwijgen zal, en spreekt dan, ofschoon nog klam van het angstzweet dat hem straks is uitgebroken en inwendig bevend, een gansch kwartier lang zooals een student dat boven op een tafel zou gedaan hebben. De woorden: Tot heil der burgerij. Heerlijke Betuwsche dreven. Inspanning van alle krachten, en Jongste snik, zijn de hoofdbestanddeelen der nu vloeiende improvisatie; maar, als ze geëindigd is, en een driewerf herhaalde juichtoon moet zeggen: ‘Je hebt het netjes overgedaan!’ en de leden van den Raad en de notabelen, en dominee en pastoor, hem weer de hand drukken, maar - zooals Van der Neer meent - er allemaal zoo'n valsch lachend bakkes bij zetten, dan is er maar éen die het heele Betuwsche dorp met al zijn bewoners op de Mookerhei wenscht, en dat is de jonge burgemeester in eigen persoon.
Fragment uit ‘Bella Roel’ (1871), één van J.J. Cremers Betuwse vertellingen.
ke benadering van de regering door Cremer, het resultaat geweest. In dit opzicht heeft hij meer succes gehad dan Multatuli!

Door dit alles en door zijn vele contacten met Haagse en andere letterkundige kringen werd hij in zijn dagen een vooraanstaande figuur, hoewel de kritiek (Busken Huet) nogal wat had af te dingen op zijn werk. Inderdaad vinden we daarin veel effectbejag en tegenstellingen in zwart-wit, waar zijn onmiskenbaar verteltalent tegenoverstaat.

Keuze uit het overig werk

Een winternacht (1854), Daniël Sils (1856, 2 dln.), De vriend van den huize en andere verhalen en gedichten (1857), Een reisgezelschap (1858, 2 dln.), Arme Samuel (1860), Portretten (1860), Uit het leven (1862), Een Betuwsch klaverblad (1863), Distels in 't weiland; Over-Betuwsche vertellingen (1865), Kruuzemuntje en andere vertellingen (1870), Dokter Helmond en zijne vrouw (1870, 2 dln.), Emma Berthold (1870), Bella Roel (1871), De oorlog een noodzakelijk kwaad? (1871), Novellen en vertellingen (1873, 3 dln.), Boer en edelman (1874), Gedichtjes (1874), Tooneelspelers (1876, 3 dln.), Romantische werken (1877-1881, 14 dln.).

prepostterug  begin  verder